Posts tonen met het label Allerzielen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Allerzielen. Alle posts tonen

zaterdag 2 november 2024

Cardinal Newman: A Prayer for the Faithful Departed

O JESU, Lover of souls, we recommend unto you the souls of all your servants, who have departed with the sign of faith and sleep the sleep of peace. We beseech you, Lord and Saviour, that, as in your mercy to them you became man, so now you would admit them to your presence above.
Gracious Lord, we beseech you, remember not against them the sins of their youth and their ignorances; but be mindful of them in your heavenly glory. May the heavens be opened to them. May the Archangel St. Michael conduct them to you. May your holy Angels come forth to meet them, and carry them to the city of the heavenly Jerusalem. May they rest in peace.

John Henry Newman 1801-1890

Gezangen Requiem Chœur des moines de l'Abbaye de Ligugé

ENKELE GEDACHTEN VAN PAUS BENEDICTUS XVI BIJ DE MAAND NOVEMBER - DE OPSTANDING VAN DE DODEN.

Christenen hopen op de opstanding van de doden, zo belijden we in het Credo. Voor Paulus is de zin van de verkondiging van de christelijke boodschap verbonden met deze verwachting: zonder de opstanding uit de doden zijn geloof en verkondiging niets waard en is christelijk leven zinloos. 

In de geschiedenis van het dogma is deze uitspraak op twee manieren ontwikkeld: De overtuiging van de opstanding van de doden omvat de verwachting van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, dat betekent de zekerheid dat deze beide niet als een afvalhoop eindigen,  die tenslotte het bloed en de tranen in het leven hier, als ijdele illusies doodgemoedereerd begraaft. Nog duidelijker omvat de dogmageschiedenis een tweede aspect, dat namelijk in de christelijke beloften ook de individuele voltooiing van iedere afzonderlijke persoon is besloten, de voltooiing waarin het leven na de dood overgaat.

Paus Benedictus XII heeft dit in 1336 in de bul ‘Benedictus Dominus’ uitdrukkelijk geformuleerd:

“De zielen van de overleden gelovigen die geen verdere reiniging nodig hebben, zijn nog vóór de Opstanding van de doden en het Algemeen Oordeel in de hemel en aanschouwen het wezen van God, van aangezicht tot aangezicht”.

Het moet klaar en duidelijk worden gezegd: Christenen zien verwachtingsvol uit naar de hemel – ook tegenwoordig nog. In een wereld, die de wet van de instandhouding van energie kent, hoeft men zich niet te verwonderen, dat ook deze geheimnisvolle energie die wij ‘geest’ of ‘ziel’ noemen, niet verloren gaat en tenslotte door alle schaduwen heen haar bestaansgrond ziet en daarmee en juist daardoor met heel de schepping communiceert.

*

De Litanie van alle Heiligen drukt de gezindheid van de gelovige christenen tegenover de dood als volgt in een van de beden uit: “Van een plotselinge en onvoorziene dood, verlos ons Heer”. Het plotseling weggenomen worden, zonder zich te kunnen voorbereiden, zonder zich gereed gemaakt te hebben, komt de christen voor als een gevaar waarvan hij verlost wil worden. Het laatste deel van de weg wil hij graag bewust afleggen: hij wil zelf sterven. Zou men vandaag de dag een litanie van de ongelovigen moeten formuleren, dan zou de bede ongetwijfeld omgekeerd luiden: Schenk ons een plotselinge en  onopgemerkte dood, Heer. De dood zou onverhoeds moeten intreden en geen tijd laten om na te denken. Hier wordt eerstens duidelijk dat de volkomen uitbanning van de metafysische vrees niet is gelukt. Men zou het liefste hiermee klaar komen door de dood zelf te produceren zodat deze zo als een de techniek overstijgende vraag naar het menszijn űberhaupt verdwijnt. De betekenis die de euthanasiekwestie zienderogen krijgt, berust hierop dat de dood als een verschijnsel dat mij tegenstaat, moet worden vermeden en door een technische dood moet worden vervangen, die ik zelf niet hoef te ondergaan. 

Voor het hiernamaals worden de deuren dichtgeslagen,  alvorens het zich kan openen.

*

Christus stierf biddend. Heel zijn denken is verzonken in God, Hij ademt de atmosfeer van God, de liefde. Ontroerend wordt dit uitgedrukt in het lied: O quantum in cruce sprirant amorem caput tuum, inclinatum, manus expansæ, pectus apertum! En daarom is Hij onsterfelijk en staat Hij boven de dood. Maar er is nog een kwestie: Jezus was niet onsterfelijk in de zin zoals mensen zich van oudsher wensen wanneer zij naar het kruid tegen de dood zoeken. Jezus is gestorven. Zijn onsterfelijkheid heeft de vorm van een opstanding uit de dood, die het eerst intreedt. Wat betekent dit? De liefde is altijd iets dat met de dood van doen heeft: in het huwelijk, in het gezin, in de dagelijkse omgang. Vanuit deze achtergrond kan men de macht van het egoïsme verstaan: het is de maar al te goed begrijpelijke vlucht voor het geheim van de dood, dat in de liefde vervat is. Maar tegelijk zien we: slechts deze dood, die in de liefde is, maakt vruchtbaar; het egoïsme dat de dood uit de weg wil gaan verarmt de mens juist en maakt hem leeg.; slechts de gestorven graankorrel brengt veel vrucht voort. Het egoïsme verwoest de wereld en is de ware toegangspoort tot de dood, zijn oppermachtige prikkel. De Gekruisigde echter is de poort van het Leven. Hij is de sterkere, die de sterke bindt. De dood, de sterkste macht van de wereld, is slechts de macht op één na, omdat in de Zoon van God de liefde zich als de sterkere heeft bewezen. De overwinning ligt bij de Zoon, en hoe meer wij naar zijn voorbeeld leven, des te meer zal ook in deze wereld die macht reddend en helend zichtbaar worden, die door de dood de definitieve overwinning toekomt: de gekruisigde liefde van Christus.

Vertaald naar onze spiritualiteit betekent dit:

Sterven aan onszelf, aan de wereld en aan alles wat niet van Christus is –

Met Hem begraven willen worden om met Hem te verrijzen.


donderdag 31 oktober 2024

Thomas a Kempis November: Allerheiligen- en Allerzielenmaand "Heimwee naar de hemel"

Thomas a Kempis

Heimwee naar de hemel

Het  enige diep in hun hart levende verlangen van de heiligen tijdens hun leven op aarde was zich niet te conformeren aan deze wereld, maar door verachting van het tijdelijke steeds naar de tegenwoordigheid van Christus en de gemeenschap van de engelen te streven. Daarom beschouwde de heilige apostel Paulus, die Christus vurig beminde, al het aardse als niets en zei uit verlangen naar de hemelse dingen: “Ik verlang heen te gaan om met Christus te zijn” (Fil 1,23).

Niet alle mensen zullen dit wensen, maar alleen degenen die naar de volmaaktheid streven en kunnen zeggen: “Ons vaderland is in de hemel” (Fil 3,20). Weinigen worden er gevonden die zich zo hebben losgemaakt van de wereld dat zij met heel hun wezen naar de eeuwige dingen haken en niet naar tijdelijke rijkdom en naar eer vragen. Die in liefde voor Christus zijn ontvlamd, zich in armoede en zelfverachting verheugen en in deemoed hun gemoed verootmoedigen en zichzelf nauwkeurig onderzoeken vanwege kleine nalatigheden, die de nooddruft van het leven matig en dankbaar genieten en zich hier met weinig tevreden stellen, verachten op rechtschapen wijze de wereld en zijn vrienden van Christus. Zij ijlen naar het vaderland, zijn bereid te sterven om haastig tot bij Christus te komen, omdat er niets meer in deze wereld te vinden is dat hun waarachtig gelukkig zou kunnen maken.

Gelukkig is de ziel die zo’n verlangen in zich draagt en dagelijks in geloof en vertrouwen het ene verlangen bij het  andere voegt en Christus blijft bidden en aanroepen dat voor haar de hemelpoort wordt geopend en zij het Rijk van God mag binnengaan dat allen die geloven is beloofd.

O gelukzalig vaderland, waar eeuwige vreugde woont, bestendige vrede, klare kennis van God, volmaakte liefde en eeuwige zaligheid! Eén dag daar is beter dan duizendmaal duizend hier; want daar is geen gebrek, hier echter groot leed, zelden vrede en onvolmaakte kennis. Wat kunnen wij, armen, weten van de eeuwige gelukzaligheid? Wat vermogen sterfelijke mensen te begrijpen van de ware eeuwigheid en het eeuwige leven, zolang het, zoals de H. Schrift zegt, met een donkere wolk bedekt, voor ons verborgen is? Daarom past het dat een naar God verlangende, maar nog door de duisternis van deze wereld omhulde ziel, naar de vreugde van het eeuwige leven verzucht. Richt dus zonder onderbreken de ogen van uw geest op de gemeenschap van het hemelse vaderland, waar Christus heerst in de heerlijkheid van de Vader in alle eeuwigheid. Amen.  

maandag 1 november 2021

Allerzielenprocessie van de zusters naar de kloostergraven 2019 - "We stegen bijna ten hemel"



Met dank aan de fotograaf die  net als wij bijna wegwaaide - we stegen bijna ten hemel!
(als "vliegmuizen" zei onze Poolse medezusters die de Nederlandse taal af en toe consequenter maakt)

Liturgia Horarum Allerzielen St. Augustinus Offer en gebed voor de overledenen.

Uit het boek ‘De zorg voor de doden’ van de heilige Augustinus, bisschop van Hippo († 430)
Offer en gebed voor de overledenen.
De lichamen van de overledenen mogen niet achteloos worden behandeld noch zomaar afgevoerd. Zeker niet wanneer het rechtvaardigen en gelovigen betreft. Hun geest heeft zich immers op geoorloofde wijze bediend van hun lichaam als werktuig voor allerlei goede werken. Een kledingstuk, een ring of iets anders van een overleden vader of moeder heeft voor de kinderen des te meer waarde naarmate hun liefde voor hun ouders groter is. Zo moet men ook niet te min denken over het lichaam waarmee wij bekleed zijn en dat veel inniger met ons verbonden is dan welk kledingstuk ook. Want het lichaam is ons niet geschonken als een sieraad of als een hulpmiddel dat buiten ons staat, maar het behoort tot het wezen zelf van de mens. Dit is de reden waarom ook in vroeger tijden de dode lichamen van de rechtvaardigen met eerbiedige zorg werden omgeven en men hun uitvaart vierde en voor hun begraafplaats zorgde. Ja, vaak hadden zijzelf tijdens hun leven aan hun kinderen de opdracht gegeven voor hun begrafenis of voor het overbrengen van hun lichaam te zorgen.
Wanneer de gelovigen hun dierbare overledenen gedenken en voor hen bidden, komt dit ongetwijfeld ten goede aan hen die tijdens hun leven hebben verdiend aldus na dit leven geholpen te worden. Ook wanneer het om een of andere reden onmogelijk is het lichaam van een overledene te begraven of het bij te zetten in een gewijde ruimte, mag men niet nalaten voor zijn of haar ziel te bidden. De kerk zelf kwijt zich van deze taak door allen die binnen de christelijke en katholieke gemeenschap zijn gestorven, in het algemeen te gedenken en voor hen te bidden zonder dat hun namen afzonderlijk worden vernoemd. Zo wordt er voor hen die geen ouders, kinderen, verwanten of vrienden meer op aarde hebben om hen te gedenken, toch gebeden door de ene, gemeenschappelijke en liefderijke moeder, de kerk.
Bij dit alles echter moeten we wel bedenken dat de overledenen die wij met onze zorg omringen, alleen datgene bereiken wat wij geregeld voor hen van God afsmeken, hetzij door het offer van het altaar, hetzij door de offers van onze persoonlijke gebeden en aalmoezen. Weliswaar vinden niet allen hierbij baat, maar alleen zij die tijdens dit leven verdienen dat dit alles hun tot voordeel zal strekken. Maar omdat wij niet kunnen uitmaken wie dit zijn, moeten wij dit voor alle gedoopten doen, zodat niemand wordt uitgesloten die het voorwerp kan en moet zijn van deze weldaden. Het is immers beter dat er te veel wordt gebeden, voor hen namelijk die er in feite noch schade noch baat bij hebben, dan dat er te weinig wordt gebeden voor hen aan wie ons gebed ten goede moet komen.

Lezingen H. Mis Allerzielen

Eerste lezing  (Jesaja 25,6a.7-9)
Op die dag zal de Heer van de hemelse machten voor alle volken een feestmaal aanrichten. Op deze berg vernietigt Hij het waas dat alle volken het zicht beneemt, de sluier waarmee alle volken omhuld zijn. Voor altijd doet Hij de dood teniet. God, de Heer, wist de tranen van elk gezicht, de smaad van zijn volk neemt Hij van de aarde weg – de Heer heeft gesproken. Op die dag zal men zeggen: ‘Hij is onze God! Hij was onze hoop: Hij zou ons redden. Hij is de Heer, Hij was onze hoop. Juich en wees blij: Hij heeft ons gered!’

Tweede lezing (Openbaring 21,1-5a.6b-7)
Toen zag ik een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel en de eerste aarde waren verdwenen, en ook de zee bestond niet meer. En de heilige Stad, het Nieuw-Jeruzalem, zag ik neerdalen van God uit de hemel, toegerust als een bruid, die voor haar man is getooid. En ik hoorde van de Troon een machtige stem en ze sprak: Zie, de Woonstede Gods bij de mensen: Hij zal zijn Tent bij hen spannen. Zij zullen zijn volk zijn, Hij: God met hen! Elke traan wist Hij weg uit hun ogen; En nooit zal de dood er meer zijn, Geen rouw, geen geween en geen smart; Want het vroegere is voorbij! En Die op de Troon is gezeten, sprak: Zie, Ik maak alles nieuw! En Hij vervolgde: Schrijf op! Want deze woorden zijn trouw en waarachtig. En Hij sprak tot mij: Het is geschied! Ik ben de Alfa en de Omega; Het Begin en het Einde! De dorstige zal ik te drinken geven uit de bron des eeuwigen levens, om niet. Die overwint, zal dit alles beërven; Ik zal hem tot God zijn, hij Mij tot zoon.

Evangelie (Lucas 23,44-46.50.52-53.24,1-6a)
Het was nu omtrent het zesde uur; er viel duisternis over heel de streek tot aan het negende uur toe,
doordat de zon geen licht meer gaf. Het voorhang­sel van de tempel scheurde middendoor. Toen riep Jezus met luider stem: ‘Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest.’ Nadat Hij dit gezegd had, gaf Hij de geest. Nu was er een zekere Jozef, lid van de Hoge Raad, een welmenend en rechtschapen man. Deze ging naar Pilatus en vroeg om het lichaam van Jezus. Na het van het kruis genomen te hebben, wikkelde hij het in een lijkwade. Vervolgens legde hij Hem in een graf, dat in een steen was uitgehouwen en waarin nog nooit iemand was neergelegd. Op de eerste dag van de week echter gingen zij zeer vroeg in de morgen naar het graf, met de welriekende kruiden die zij klaar gemaakt hadden. Zij vonden de steen weggerold van het graf, gingen binnen, maar vonden er het lichaam van de Heer Jezus niet. Terwijl zij niet wisten wat daarvan te denken, stonden er plotseling twee mannen voor hen in een stralend wit kleed. Toen zij van schrik bevangen het hoofd naar de grond bogen, vroegen de mannen haar: ‘Wat zoekt ge de levende bij de doden? Hij is niet hier, Hij is verrezen.’

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Die 2 novembris In commemoratione Omnium Fidelium Defunctorum Allerzielen Commoriamur cum Christo, ut vivamus cum eo. Laten wij met Christus sterven, om met Hem te leven.


   Ad Officium lectionis

 

Lectio altera

E Libro sancti Ambrósii epíscopi De excéssu fratris sui Sátyri
(Lib. 2, 40. 41. 46. 47. 132. 133: CSEL 73, 270-274, 323-324)
Tweede lezing

Uit het Boek van de H. Ambrosius, bisschop, Over het sterven van zijn broeder Sátyrus
(Lib. 2, 40. 41. 46. 47. 132. 133: CSEL 73, 270-274, 323-324)
Laten wij met Christus sterven, om met Hem te leven
Wij zien, dat zowel de dood een gewin is als het leven een straf. Vandaar dat ook Paulus zegt: Voor mij is het leven Christus en sterven gewin. Wat is Christus anders dan: de dood van het lichaam en de geest van het leven? En laten wij zo met Hem sterven, om met Hem te leven. Laten wij iedere dag vertrouwelijk omgaan met de dood, opdat onze ziel door die afzondering lere zich te onthechten van lichamelijke genoegens en - als geplaatst op een verhevenheid, waarheen de aardse genoegens haar niet kunnen volgen en opslokken - een wijze van sterven te ontvangen, die niet de dood als straf oploopt. Want de wet van het vlees strijdt tegen de wet van de geest, en deze laatste verklaart de eerste schuldig aan de wet van de leugen. Maar welk geneesmiddel hebben wij? Wie zal mij bevrijden van dit lichaam des doods? De genade van God door onze Heer Jezus Christus.
Wij hebben een Geneesheer; gebruiken we dan zijn geneesmiddel. Ons geneesmiddel is de genade van Christus, en dat lichaam des doods is ons eigen lichaam. Laten wij ons dus verwijderen van ons lichaam, om niet verwijderd te worden van Christus. Hoewel wij in het lichaam zijn, moeten wij toch niet volgen wat van het lichaam is. Wij ontkennen daar niet de rechten van de natuur mee, maar stellen de gaven van de genade daar boven.
Wat is hier nog meer te zeggen? Door de dood van Eén is de wereld verlost. Want Christus had ook niet kunnen sterven, als Hij dat niet gewild had. Maar Hij meende de dood niet te moeten ontvluchten als een lafheid noch zou Hij ons beter verlost kunnen hebben dan door te sterven. Zo is zijn dood het leven geworden voor allen. Wij worden verzegeld met zijn dood; al biddend verkondigen wij zijn dood, al offerend belijden wij zijn dood. Want zijn dood is de overwinning; zijn dood is ons middel tot heil; zijn dood is een jaarlijkse plechtigheid voor de wereld.
Wat zullen wij nog meer over zijn dood zeggen, nu wij door zijn goddelijk voorbeeld kunnen bewijzen, dat de dood enkel de onsterfelijkheid zoekt, en de dood zichzelf heeft vrijgekocht? Wij moeten dus niet treuren over de dood, die de oorzaak is van 's werelds heil; wij moeten de dood niet vluchten, die de Zoon Gods voor zichzelf niet onwaardig achtte en hem niet heeft ontvlucht.
De dood lag oorspronkelijk wel niet in de natuur, maar werd wel tot natuur gemaakt. In den beginne immers had God de dood niet ingesteld, maar gaf hem tot geneesmiddel. De opstand tegen God werd veroordeeld met blijvende arbeid en met een ondragelijk zuchten begon het leven voor de mens rampzalig te worden. Er moest een eind gesteld worden aan die ellenden, zodat de dood hier zou kunnen herstellen, wat ht leven had verloren. De onsterfelijkheid immers is eerder tot een last dan tot nut, als de genade hier niet zou bezielen.
De geest moet zich wel uit die kringloop van het leven en dat bederf van het aardse lichaam afzijdig houden, en streven naar dat hemels gezelschap, want het komt slechts aan heiligen toe daar te geraken en Gods lof te zingen. Uit de lezing van de profeten weten wij, welke lof zij onder citherspel aan God brengen, namelijk: Groot en wonderbaar zijn uw werken, Heer, almachtige God; rechtvaardig en waarachtig zijn uw wegen, 0 Koning der volkeren. Wie zou niet vrezen en uw Naam niet verheerlijken? Want Gij alleen zijt heilig, en alle volken zullen komen en U aanbidden; en ook daar uw bruiloft te zien, Jezus, waarbij uw Bruid van het aardse naar het hemelse wordt heengeleid onder vreugdegezang van allen - alle vlees zal tot U komen - terwijl zij niet meer onderworpen is aan het aardse, maar verenigd is met de Geest.
Boven al het andere heeft de heilige David dit voor zich gewenst: om dit te zien en te aanschouwen. Hij zegt tenslotte: Eén ding heb ik de Heer gevraagd, dit slechts begeerd: in het huis des Heren te wonen al de dagen van mijn leven en de luister des Heren te aanschouwen.

Op Allerzielen -2 november- herdenkt de Kerk alle overleden gelovigen.


De traditie stamt, voorzover bekend uit de abdij Cluny (klooster uit het Frankische Rijk) waar abt Odilo in 998 bepaalde dat alle met Cluny verbonden kloosters op de dag na Allerheiligen de gestorvenen op bijzondere liturgische wijze moesten herdenken. In de 14de eeuw werd deze herdenkingsdag algemeen in de Rooms-Katholieke Kerk.

Allerzielen is een dag van gebed voor allen die uit dit leven zijn heengegaan en nog niet voor altijd bij de Heer zijn. Daarbij hoort ook een bezoek aan het kerkhof, een traditie die tot op de dag van vandaag op vele plaatsen wordt voortgezet. Tijdens de eredienst (de Kerk heeft een eigen liturgie voor de overledenen) worden de namen van de overledenen van het afgelopen jaar genoemd.
Het bidden voor de overledenen werd reeds in de 2de eeuw voor Christus gedaan (zie 2 Makk.12,43-45). Men geloofde dat de overledenen hierdoor van hun zonde zouden worden vrijgesproken.
Tijdens het Concilie van Trente (1545-1563) werd de geloofsleer vastgelegd dat er een vagevuur is en dat de overleden gelovigen daar door de gelovigen op aarde kunnen worden geholpen.

Door de vaststelling van de gedenkdag op 2 november wordt de band van deze herdenking met Allerheiligen beklemtoond. Zo wordt benadrukt dat Gods volk, zowel zij die reeds in Gods aangezicht leven als zij die nog onderweg zijn naar de eeuwige zaligheid, één gemeenschap vormt.
Gebed
God, Gij hebt Uw eniggeboren Zoon, in zijn overwinning op de dood,
uw koninkrijk doen binnengaan.
Laat uw gestorven dienaren delen in zijn overwinning
en voor eeuwig U aanschouwen
die hun Schepper zijt en Verlosser.
Door onze Heer Jezus Christus. Amen

Wat zegt de Katechismus van de Katholieke Kerk over Allerzielen?

I. Het bijzondere oordeel

1021 De dood maakt een einde aan het leven van de mens als de tijd waarin hij de in Christus zichtbaar geworden genade kan aanvaarden of verwerpen (Vgl. 2 Tim. 1,9-10). Over het oordeel spreekt het Nieuwe Testament vooral in de zin van de uiteindelijke ontmoeting met Christus bij zijn tweede komst, maar het bevestigt ook herhaaldelijk het loon dat ieder onmiddellijk na zijn dood zal ontvangen voor zijn werken en zijn geloof. De parabel van de arme Lazarus (Vgl. Lc. 23,43) en het woord van Christus op het kruis tot de goede moordenaar (Vgl. Lc. 23,43) spreken, evenals andere teksten in het Nieuwe Testament, (Vgl. 2 Kor. 5,8; Fil. 1,23; Heb. 9,27; 12,23) van een uiteindelijke lotsbestemming van de ziel (Vgl. Mt. 16,26), die voor ieder verschillend kan zijn.

1022 Zodra hij gestorven is, ontvangt iedere mens in zijn onsterfelijke ziel de eeuwige vergelding in een bijzonder oordeel dat zijn leven in het licht van Christus plaatst, zodat hij ofwel een loutering ondergaat ofwel onmiddellijk in de gelukzaligheid van de hemel binnentreedt ofwel onmiddellijk voor eeuwig verdoemd wordt.

In de avond van ons leven zullen wij geoordeeld worden naar de liefde (H. Johannes van het Kruis).

II. De hemel

1023 Zij die sterven in de genade en vriendschap van God en die volmaakt gelouterd zijn, leven voor eeuwig met Christus. Zij zijn voor eeuwig gelijk aan God, omdat zij Hem zien "zoals Hij is" (1 Joh. 3,2), van aangezicht tot aangezicht (Vgl. 1 Kor. 13,12; Apok. 22,4).

Op grond van ons apostolisch gezag definiëren wij dat overeenkomstig de algemene heilsbeschikking van God de zielen van alle heiligen die vóór Jezus' lijden gestorven zijn en van de heiligen (...) en van alle andere gelovigen, die na het ontvangen van Christus hei lig doopsel gestorven zijn en die na hun heengaan niet meer gelouterd hoefden te worden, (...) zoals ook de zielen van hen die een dergelijke loutering na hun dood moesten of moeten ondergaan en deze voltooid hebben (...) zelfs vóór ze hun lichaam opnieuw aannemen en vóór het laatste oordeel, en wel vanaf de Hemelvaart van onze Verlosser Jezus Christus, in de hemel, in het rijk der hemelen en het hemels paradijs bij Christus in het gezelschap van de heilige engelen verzameld zijn verzameld worden en verzameld zullen worden. Na het lijden en de dood van onze Heer, Jezus Christus, zagen zij en zien zij het goddelijk wezen in een intuïtief schouwen van aangezicht tot aangezicht, zonder tussenkomst van een schepsel.

1024 Dit volmaakte leven samen met de allerheiligste Drieëenheid, deze gemeenschap van leven en liefde met de Drieëenheid, de Maagd Maria, de engelen en alle gelukzaligen wordt "hemel" genoemd. De hemel is het uiteindelijk doel en de verwezenlijking van de diepste verlangens van de mens, de hoogste en definitieve staat van geluk.

1025 Leven in de hemel is "bij Christus zijn" (Vgl. Joh. 14,3; Fil. 1,23; 1 Tess. 4,17). De uitverkore-nen leven "in Hem” , maar zij behouden er, of beter gezegd, zij vinden er hun ware identiteit, hun eigen naam (Vgl. Apok. 2,17).

Want leven is bij Christus zijn: daar waar Christus is, daar is het leven, daar is het koninkrijk (H. Ambrosius).

1026 Door zijn dood en verrijzenis heeft Jezus Christus voor ons de hemel "geopend". Het leven van de gelukzaligen bestaat in het volle bezit van de vruchten van de verlossing, bewerkt door Christus, die hen in zijn hemelse verheerlijking laat delen die in Hem geloofd hebben en die trouw gebleven zijn aan zijn wil. De hemel is de gelukzalige gemeenschap van al diegenen die volmaakt in Hem ingelijfd zijn.

1027 Dit mysterie van de gelukzalige gemeenschap met God en met allen die in Christus zijn, gaat ieder begrip en iedere beschrijving te boven. De Schrift spreekt ons erover in beelden: leven, licht, vrede, bruiloftsfeest, wijn van het koninkrijk, vaderhuis, hemels Jeruzalem, paradijs: "Geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord, geen mens kan het zich voorstellen, al wat God bereid heeft voor die Hem liefhebben" (1 Kor. 2,9).

1028 Op grond van zijn transcendentie kan God slechts gezien worden, zoals Hij is, wanneer Hijzelf zijn mysterie ontsluit voor de directe aanschouwing door de mens en hem er het vermogen toe verleent. Deze aanschouwing van God in zijn hemelse heerlijkheid wordt door de kerk "de gelukzalige aanschouwing" genoemd:

Wat en hoe groot zal uw heerlijkheid en geluk zijn; toegelaten te worden om God te zien, de eer te hebben de vreugde te verwerven van het heil en het eeuwige licht in gezel schap van Christus de Heer, uw God (...), en in het rijk der hemelen in gezelschap van de rechtvaardigen en de vrienden van God de vreugden van de geschonken onsterfelijkheid te genieten (H. Cyprianus).

1029 In de heerlijkheid van de hemel blijven de gelukzaligen met vreugde Gods wil volbrengen met betrekking tot de andere mensen en heel de schepping. Zij heersen reeds met Christus; met Hem "zullen zij heersen in de eeuwen der eeuwen" (Apok. 22,5; Vgl. Mt. 25,21-23).

III. De laatste loutering of het vagevuur

1030 Zij die sterven in de genade en de vriendschap van God, maar nog niet volkomen gelouterd zijn, ondergaan, hoewel ze reeds van hun eeuwig heil verzekerd zijn, na hun dood een loutering ten einde de noodzakelijke heiligheid te verwerven om in de vreugde van de hemel te kunnen binnengaan.

1031 De kerk noemt deze laatste loutering van de uitverkorenen, die geheel verschillend is van de straf van de verdoemden, vagevuur. De kerk heeft de geloofsleer met betrekking tot het vagevuur vooral op de concilies van Florence en Trente geformuleerd. De overlevering van de Kerk spreekt met verwijzing naar bepaalde schriftteksten (Bijv. 1 Kor. 3,15; 1 Petr. 1,7) van een louterend vuur:

Maar in geval van bepaalde lichte zonden moet men geloven dat er vóór het oordeel een louterend vuur bestaat overeenkomstig hetgeen de Waarheid zegt; "Als iemand een lastering tegen de heilige Geest geuit heeft, zal hem geen vergiffenis geschonken worden, noch in deze, noch in de komende wereld" (Mt. 12,31). Op grond van deze uitspraak kunnen wij aannemen dat bepaalde zonden vergeven kunnen worden in deze wereld, maar andere in de komende wereld (H. Gregorius de Grote).

1032 Deze leer vindt ook steun in de gebedspraktijk voor de overledenen, waarover de heilige Schrift al spreekt: "Daarom liet hij (Judas de Makkabeeër) voor de overledenen een zoenoffer opdragen, opdat zij van hun zonde zouden worden vrijgesproken" (2 Makk. 12,45). Vanaf de eerste tijden heeft de kerk de nagedachtenis van de overledenen geëerd door voor hen voorbeden te verrichten en vooral door voor hen het offer van de eucharistie op te dragen, opdat zij na gelouterd te zijn kunnen komen tot de gelukzalige aanschouwing van God. De Kerk beveelt ook aalmoezen, aflaten en werken van boetvaardigheid aan ten gunste van de overledenen:

Laten wij hun nu hulp bieden en ons om hun nagedachtenis bekommeren. Als immers de kinderen van Job door het offer van hun vader gereinigd zijn, (Vgl. Job 1,5)> waarom twijfelt gij er dan aan dat onze offers voor de doden hun enige troost verschaffen? (...) Laten wij dus niet moe worden hulp te bieden aan hen die heengegaan zijn en onze gebeden voor hen op te dragen (H. Johannes Chrysostomus).

IV . De hel

1033 Wij kunnen alleen maar met God verenigd worden, als wij er vrij voor kiezen Hem te beminnen. Maar wij kunnen God niet beminnen, als wij zwaar tegen Hem, tegen onze naaste of tegen onszelf zondigen. "De mens zonder liefde is nog in het gebied van de dood. Ieder die zijn broeder haat, is een moordenaar, en gij weet dat geen moordenaar eeuwig leven in zich heeft" (1 Joh. 3,14-15). Onze Heer waarschuwt ons dat wij van Hem gescheiden zullen worden, als wij het nalaten aan de dringende noden van de armen en de kleinen, die zijn broeders zijn, tegemoet te komen (Vgl. Mt. 25,31-46). In doodzonde sterven zonder er berouw over gehad te hebben en zonder Gods barmhartige liefde te aanvaarden betekent uit eigen vrije keuze voor altijd van Hem gescheiden blijven. En het is deze staat van het zichzelf definitief uitsluiten van de gemeenschap met God en de gelukzaligen die men aanduidt met het woord "hel".

1034 Jezus spreekt vaak over de "gehenna" van het "vuur dat nooit dooft", (Vgl. Mt. 5,22.29; 13,42.50; Mc. 9,43-48) bestemd voor hen die tot hun levenseinde weigeren te geloven en zich te bekeren, een plaats waar zowel de ziel als het lichaam verloren kunnen gaan (Vgl. Mt. 10,28). Jezus kondigt in strenge bewoordingen aan dat Hij "zijn engelen zal uitzenden, die allen die tot zonde verleiden en ongerechtigheid bedrijven (...) bijeen zullen brengen om hen in de vuuroven te werpen" (Mt. 13,41-42), en dat Hij de veroordeling zal uitspreken: "Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwig vuur" (Mt. 25,41).

1035 De leer van de kerk bevestigt het bestaan van de hel en haar eeuwige duur. De zielen van hen die sterven in staat van doodzonde, dalen onmiddellijk na de dood af in de hel, waar zij de straffen van de hel, "het eeuwige vuur", ondergaan. De belangrijkste straf van de hel bestaat in het eeuwig van God gescheiden zijn; alleen in Hem kan de mens het leven en het geluk vinden. Hiertoe is hij immers geschapen en hiernaar streeft hij.

1036 De uitspraken van de heilige Schrift en de leer van de kerk met betrekking tot de hel doen een beroep op het verantwoordelijkheidsgevoel waarmee de mens gebruik moet maken van zijn vrijheid met het oog op zijn eeuwige bestemming. Zij zijn tegelijkertijd een dringende oproep tot bekering.. "Gaat binnen door de nauwe poort; want de weg die naar de ondergang voert, is wijd en breed en velen zijn er die hem inslaan. Hoe nauw toch is de poort en hoe smal de weg die voert naar het leven, en weinigen zijn er die hem vinden" (Mt. 7,13-14).

Daarom moeten wij, die dag noch uur kennen, zoals de Heer ons vermaant, voortdurend waakzaam zijn, om na het voltooien van onze enige aardse levensweg met Hem te mogen binnentreden om bruiloft te vieren en tot de gelukzaligen gerekend te mogen worden en ons niet, zoals slechte en luie dienaars, op het hevel van God verwezen te worden naar het eeuwige vuur, naar de duisternis buiten, waar geween is en tandengeknars.

1037 Niemand wordt door God voorbestemd om naar de hel te gaan: daarvoor is het noodzakelijk zich vrijwillig van God af te keren (een doodzonde) en daarin tot het einde toe te volharden. In de liturgie van de eucharistie en de dagelijkse gebeden van haar gelovigen smeekt de kerk de barmhartigheid van God af, die wil "dat allen tot inkeer komen en niemand verloren gaat" (2 Petr. 3,9).

Neem deze gaven van ons aan, Heer God, waarin wij onszelf willen geven en toevertrouwen aan U. Wij, die door U gekozen zijn om voor te gaan in deze dienst, wij zijn met allen die in U geloven, uw volk, uw eigen bezit; beschik over ons en voer ons van dag tot dag naar uw vrede; dat wij niet eeuwig verloren gaan maar hij uw uitverkoren worden geteld.

donderdag 30 september 2021

Credo quod Redemptor meus vivit - Gedachtenisoctaaf Allerzielen met toelichting

Tijdens het “gedachtenisoctaaf” van Allerzielen gaan we als communiteit dagelijks in processie naar het kerkhof bij de basiliek en houden we statie bij de graven van onze medezusters.

Op de heen- en terugweg worden psalmen gezongen en bij de graven een respons met afsluitend gebed.

Vandaag wordt als zijn vroeg Credo het getuigenis van “de rechtvaardige man Job” bezongen, waarin hij zijn geloof in de levende Verlosser uitspreekt alsook de rotsvaste geloofszekerheid zelf eens te zullen verrijzen en met eigen lichaam, met eigen ogen – ik en geen ander – zijn Redder te zullen zien. Zoals Christus overging van het lijden, de dood en de nacht in het graf tot de eeuwige vreugde, tot de verrijzenis en het eeuwige leven, zo verwoordt Job de paasjubel die hem ten deel zal vallen en mag op hem worden toegepast: “Gij hebt mijn gejammer in een reidans veranderd, mijn rouwkleed verscheurd, met vreugde mij omgord!” (Ps 29[30],12)

Credo quod Redemptor meus vivit,
et in novissimo die de terra surrecturus sum;
et in carne mea videbo Deum Salvatorem meum.
V. Quem visurus sum : ego ipse, et non alius,
et oculi mei conspecturi sunt.

Job 19,25.26 V. 27

Ik geloof dat mijn Verlosser leeft,
en op de jongste dag zal ik uit de aarde verrijzen;
vanuit mijn vlees zal ik God mijn Verlosser aanschouwen.
V. Hem zal ik zien, ik en geen ander,
en mijn ogen zullen Hem aanschouwen.




Afgesloten wordt met het volgende gebed:

God, Gij zijt de glorie van het die in U geloven en het leven van hen die U trouw zijn.
Door de Dood en de Verrijzenis van Uw Zoon hebt Gij ons verlost. Wees uw overleden dienaressen genadig, opdat zij die het mysterie van de Verrijzenis hebben beleden de vreugde ontvangen van de eeuwige gelukzaligheid.

zondag 1 november 2020

Litaniae Sanctorum (Litany of the Saints / Litanie dei Santi)



The Litany of the Saints (Latin: Litaniæ Sanctorum) is a formal prayer of the Catholic Church (especially of the Roman Catholic Church). It is a prayer to the Triune God, which also includes invocations for the intercession of the Blessed Virgin Mary, the Angels and all the martyrs and saints upon whom Christianity was founded, and those recognised as saints through the subsequent history of the church. Following the invocation of the saints, the Litany concludes with a series of supplications to God to hear the prayers of the worshippers. It is most prominently sung during the Easter Vigil, All Saints' Day, and in the liturgy for conferring Holy Orders.

The Litany of the Saints is one of the oldest prayers in continuous use in the Catholic Church. Forms of it were used in the East as early as the third century, and the litany as we know it today was largely in place by the time of Pope St. Gregory the Great (540-604). The exact list of saints has varied over time and geographical area. The form given on video is a long standing traditional form of the Litany.

vrijdag 1 november 2019

2 november - Gedachtenis van alle overleden gelovigen - Allerzielen


Als dag van gebed voor allen die uit dit leven zijn heengegaan en nog niet voor altijd bij de Heer zijn, gaat Allerzielen terug op het gebruik van middeleeuwse kloostergemeenschappen om de gestorven dierbaren (leden, verwanten en weldoeners) op bijzondere wijze liturgisch te gedenken.

Door deze gedenkdag op 2 november te plaatsen, wordt de band van deze herdenking met de Allerheiligenviering beklemtoond.

Heer, door uw Zoon die opgestaan is uit de doden, heeft ons geloof zijn levenskracht ontvangen. Verhoor genadig ons gebed, bevestig ons in de hoop dat ook uw dienaren de verrijzenis wacht.

Requiem Aeternam - Introitus (Gregoriaans)