Posts tonen met het label Paus Benedictus XVI. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Paus Benedictus XVI. Alle posts tonen

zaterdag 2 november 2024

ENKELE GEDACHTEN VAN PAUS BENEDICTUS XVI BIJ DE MAAND NOVEMBER - DE OPSTANDING VAN DE DODEN.

Christenen hopen op de opstanding van de doden, zo belijden we in het Credo. Voor Paulus is de zin van de verkondiging van de christelijke boodschap verbonden met deze verwachting: zonder de opstanding uit de doden zijn geloof en verkondiging niets waard en is christelijk leven zinloos. 

In de geschiedenis van het dogma is deze uitspraak op twee manieren ontwikkeld: De overtuiging van de opstanding van de doden omvat de verwachting van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, dat betekent de zekerheid dat deze beide niet als een afvalhoop eindigen,  die tenslotte het bloed en de tranen in het leven hier, als ijdele illusies doodgemoedereerd begraaft. Nog duidelijker omvat de dogmageschiedenis een tweede aspect, dat namelijk in de christelijke beloften ook de individuele voltooiing van iedere afzonderlijke persoon is besloten, de voltooiing waarin het leven na de dood overgaat.

Paus Benedictus XII heeft dit in 1336 in de bul ‘Benedictus Dominus’ uitdrukkelijk geformuleerd:

“De zielen van de overleden gelovigen die geen verdere reiniging nodig hebben, zijn nog vóór de Opstanding van de doden en het Algemeen Oordeel in de hemel en aanschouwen het wezen van God, van aangezicht tot aangezicht”.

Het moet klaar en duidelijk worden gezegd: Christenen zien verwachtingsvol uit naar de hemel – ook tegenwoordig nog. In een wereld, die de wet van de instandhouding van energie kent, hoeft men zich niet te verwonderen, dat ook deze geheimnisvolle energie die wij ‘geest’ of ‘ziel’ noemen, niet verloren gaat en tenslotte door alle schaduwen heen haar bestaansgrond ziet en daarmee en juist daardoor met heel de schepping communiceert.

*

De Litanie van alle Heiligen drukt de gezindheid van de gelovige christenen tegenover de dood als volgt in een van de beden uit: “Van een plotselinge en onvoorziene dood, verlos ons Heer”. Het plotseling weggenomen worden, zonder zich te kunnen voorbereiden, zonder zich gereed gemaakt te hebben, komt de christen voor als een gevaar waarvan hij verlost wil worden. Het laatste deel van de weg wil hij graag bewust afleggen: hij wil zelf sterven. Zou men vandaag de dag een litanie van de ongelovigen moeten formuleren, dan zou de bede ongetwijfeld omgekeerd luiden: Schenk ons een plotselinge en  onopgemerkte dood, Heer. De dood zou onverhoeds moeten intreden en geen tijd laten om na te denken. Hier wordt eerstens duidelijk dat de volkomen uitbanning van de metafysische vrees niet is gelukt. Men zou het liefste hiermee klaar komen door de dood zelf te produceren zodat deze zo als een de techniek overstijgende vraag naar het menszijn űberhaupt verdwijnt. De betekenis die de euthanasiekwestie zienderogen krijgt, berust hierop dat de dood als een verschijnsel dat mij tegenstaat, moet worden vermeden en door een technische dood moet worden vervangen, die ik zelf niet hoef te ondergaan. 

Voor het hiernamaals worden de deuren dichtgeslagen,  alvorens het zich kan openen.

*

Christus stierf biddend. Heel zijn denken is verzonken in God, Hij ademt de atmosfeer van God, de liefde. Ontroerend wordt dit uitgedrukt in het lied: O quantum in cruce sprirant amorem caput tuum, inclinatum, manus expansæ, pectus apertum! En daarom is Hij onsterfelijk en staat Hij boven de dood. Maar er is nog een kwestie: Jezus was niet onsterfelijk in de zin zoals mensen zich van oudsher wensen wanneer zij naar het kruid tegen de dood zoeken. Jezus is gestorven. Zijn onsterfelijkheid heeft de vorm van een opstanding uit de dood, die het eerst intreedt. Wat betekent dit? De liefde is altijd iets dat met de dood van doen heeft: in het huwelijk, in het gezin, in de dagelijkse omgang. Vanuit deze achtergrond kan men de macht van het egoïsme verstaan: het is de maar al te goed begrijpelijke vlucht voor het geheim van de dood, dat in de liefde vervat is. Maar tegelijk zien we: slechts deze dood, die in de liefde is, maakt vruchtbaar; het egoïsme dat de dood uit de weg wil gaan verarmt de mens juist en maakt hem leeg.; slechts de gestorven graankorrel brengt veel vrucht voort. Het egoïsme verwoest de wereld en is de ware toegangspoort tot de dood, zijn oppermachtige prikkel. De Gekruisigde echter is de poort van het Leven. Hij is de sterkere, die de sterke bindt. De dood, de sterkste macht van de wereld, is slechts de macht op één na, omdat in de Zoon van God de liefde zich als de sterkere heeft bewezen. De overwinning ligt bij de Zoon, en hoe meer wij naar zijn voorbeeld leven, des te meer zal ook in deze wereld die macht reddend en helend zichtbaar worden, die door de dood de definitieve overwinning toekomt: de gekruisigde liefde van Christus.

Vertaald naar onze spiritualiteit betekent dit:

Sterven aan onszelf, aan de wereld en aan alles wat niet van Christus is –

Met Hem begraven willen worden om met Hem te verrijzen.


dinsdag 18 januari 2022

Week van de eenheid der christenen

Paus Benedictus XVI besprak op 19 januari 2011 de zuilen voor het leven van elke christengemeenschap die dus ook het enige stevige fundament zijn  voor het zoeken naar de zichtbare eenheid van de Kerk, zie rkdocumenten.

1. Luisteren naar het onderricht van de Apostelen

Vooreerst hebben wij het onderricht van de Apostelen beluisterd, wij hebben namelijk geluisterd naar het getuigenis dat zij van de zending, het leven, de dood en de verrijzenis van de Heer geven. Dat is wat Paulus gewoonweg het “Evangelie” noemt. De eerste christenen ontvingen het Evangelie uit de mond van de Apostelen, zij waren verenigd door het luisteren en door de verkondiging, want zoals de heilige Paulus zegt, het Evangelie “is een goddelijke kracht tot heil van ieder die erin gelooft” (Rom. 1, 16). Ook vandaag erkent de gemeenschap van de gelovigen in het onderricht van de apostelen, de norm van haar geloof: iedere inspanning voor de opbouw van de eenheid onder de Christenen gaat dus langs het verdiepen van de trouw aan het “depositum fidei” dat ons door de Apostelen werd overgeleverd. Standvastigheid in het geloof is het fundament van onze gemeenschap, het fundament van de christelijke eenheid.

2. Broederlijke gemeenschap

Het tweede element is de broederlijke gemeenschap. Ten tijde van de eerste christengemeenschap is dat, evenals vandaag, en vooral ten overstaan van de buitenwereld, de meest tastbare uitdrukking van de eenheid tussen de volgelingen van de Heer. Wij lezen in de Handelingen van de Apostelen dat de eerste christenen al deze dingen gemeenschappelijk onderhielden en wie eigendom en bezittingen had, verkocht ze ten bate van degenen die het nodig hadden. Dit delen van eigen bezit heeft in de Kerkgeschiedenis steeds nieuwe uitdrukkingsvormen gevonden. Eén ervan en in het bijzonder, is de band van broederlijkheid en vriendschap tussen christenen van verschillende belijdenissen. De geschiedenis van de oecumenische beweging is getekend door moeilijkheden en onzekerheden, maar het is ook een geschiedenis van broederlijkheid, samenwerking, menselijke en spirituele mededeelzaamheid, die de relaties tussen de gelovigen in de Heer Jezus duidelijk heeft veranderd: wij zijn allemaal geëngageerd om op deze weg voort te gaan. Het tweede element is dus de gemeenschap, die vooreerst gemeenschap met God is door middel van het geloof: maar de gemeenschap met God schept gemeenschap tussen ons en drukt zich noodzakelijk uit in deze concrete gemeenschap waarover de handelingen van de Apostelen spreken, namelijk het delen. Niemand mag in de schoot van de christengemeenschap honger hebben, arm zijn: het is een fundamentele verplichting. Gemeenschap met God, gerealiseerd als broederlijke gemeenschap, drukt zich concreet uit in sociaal engagement, in christelijke naastenliefde, in rechtvaardigheid.

3. Het breken van het Brood
Derde element: in het leven van de eerste gemeenschap van Jeruzalem was het ogenblik van het breken van het brood essentieel: de Heer brengt zichzelf aanwezig door het ene offer van het Kruis waarbij Hij zich totaal geeft voor het leven van Zijn vrienden: “Dit is Mijn Lichaam dat voor u gegeven wordt … dit is Mijn Bloed dat voor u vergoten wordt”. “De Kerk leeft van de Eucharistie. Deze waarheid drukt niet alleen een dagelijkse geloofservaring uit, maar bevat de kern van het mysterie van de Kerk”  Gemeenschap met het offer van Christus is het hoogtepunt van onze vereniging met God en vertegenwoordigt dus ook de volle eenheid tussen de leerlingen van Christus, totale gemeenschap. Tijdens deze Gebedsweek voor de Eenheid is spijt dat wij dezelfde Eucharistische tafel niet kunnen delen - een teken dat wij nog veraf staan van de verwezenlijking van de eenheid waarvoor Christus gebeden heeft - bijzonder voelbaar. Deze pijnlijke ervaring die ons gebed ook een boetedimensie geeft, moet het motief worden voor een nog edelmoediger engagement van iedereen opdat, eens de hindernissen voor de volledige gemeenschap weggenomen zijn, de dag komt dat het mogelijk is zich rond de tafel van de Heer te verenigen, samen het Eucharistisch brood te breken en aan dezelfde kelk te drinken.

4. Het gebed
Het gebed is het kenmerk van de oorspronkelijke Kerk van Jeruzalem, beschreven in het boek van de Handelingen van de Apostelen. Het gebed is sindsdien altijd de constante houding van de volgelingen van Christus, het vergezelt hun dagelijks leven in gehoorzaamheid aan Gods wil, waarvan ook de woorden van de apostel Paulus getuigen die in zijn eerste brief aan de Tessalonicenzen schrijft: “Weest altijd blij. Bidt zonder ophouden” (1 Tess. 5, 16-17) 5 . Het christelijk gebed, deelname aan het gebed van Jezus, is bij uitstek een kinderlijke ervaring, zoals de woorden van het Onze Vader getuigen, het familiegebed – het “wij” van de kinderen van God, van de broeders en zusters – dat tot de gemeenschappelijke Vader spreekt. Een houding van gebed aannemen betekent dus ook voor broederlijkheid open staan. Alleen met het “wij” kunnen wij het Onze Vader opzeggen. Openen wij ons dus voor de broederlijkheid die volgt uit het feit kinderen te zijn van de ene hemelse Vader en uit de bereidheid tot vergeving en verzoening.

donderdag 13 januari 2022

H. Hilarius van Poitiers Sterkte in het geloof verbinden met zachtmoedigheid

Toespraak paus Benedictus XVI over de H. Hilarius van Poitiers
tijdens de algemene audiëntie van 10 oktober 2007

Sterkte in het geloof verbinden met zachtmoedigheid 

Beste broeders en zusters,

vandaag zou ik willen spreken over een grote Kerkvader van het Westen, de heilige Hilarius van Poitiers, een van de grote gestalten onder de Bisschoppen van de vierde eeuw. In de confrontatie met de Arianen, die Jezus, de Zoon van God, voor een schepsel hielden, zij het ook een uitmuntend schepsel, maar toch alleen voor een schepsel, heeft Hilarius heel zijn leven gewijd aan de verdediging van het geloof in de godheid van Jezus Christus, Zoon van God en God zoals de Vader, die Hem van alle eeuwigheid heeft voortgebracht.
https://www.rkdocumenten.nl/rkdocs/skins/rkdocs1/view/images/loading.gif
Voor het grootste deel van het leven van Hilarius beschikken we niet over zekere gegevens. De oude bronnen zeggen dat hij in Poitiers geboren is, waarschijnlijk tegen het jaar 310. Afkomstig uit een welgestelde familie, ontving hij een degelijke literaire vorming, wat goed te merken is aan zijn geschriften. Hij lijkt niet in een christelijk milieu te zijn opgegroeid. Zelf spreekt hij ons over een zoektocht naar de waarheid, die hem geleidelijk bracht tot de erkenning van God de Schepper, en van de vleesgeworden God die gestorven is om ons het leven te schenken. Gedoopt tegen het jaar 345, werd hij rond 353-354 tot Bisschop gekozen van zijn geboortestad. In de daarop volgende jaren schreef Hilarius zijn eerste werk, het
Commentaar op het Evangelie van Matteüs. H. Hilarius van Poitiers
Commentarius in Evangelium Matthei
Commentaar op het Evangelie van Matteüs ()
 Het gaat hier om het oudste ons gebleven commentaar in het Latijn op dit evangelie. In 356 woont Hilarius als Bisschop de synode bij van Béziers, in Zuid-Frankrijk, de "synode van de valse apostelen" zoals hij deze zelf noemt, vanwege het feit dat de vergadering overheerst werd door ariaans gezinde bisschoppen die de godheid van Jezus Christus ontkenden. Deze "valse apostelen" vroegen aan keizer Constantius om de Bisschop van Poitiers te veroordelen tot de ballingschap. Zo werd Hilarius gedwongen Gallië tijdens de zomer van 356 te verlaten.
https://www.rkdocumenten.nl/rkdocs/skins/rkdocs1/view/images/loading.gif

Naar Frygië verbannen, in het huidige Turkije, kwam Hilarius in contact met een religieuze context die totaal door het Arianisme werd overheerst. Ook daar dreef zijn zorg als Herder hem er toe om onvermoeibaar te werken voor het herstel van de eenheid van de Kerk op basis van het juiste geloof zoals dat op het Concilie van Nicea geformuleerd was. Met dat doel begon hij aan de opzet van zijn belangrijkste en bekendste dogmatische werk: de
De Trinitate (Over de Drie-eenheid)
H. Hilarius van Poitiers
De Trinitate
Over de Drie-eenheid ()
Hilarius zet daarin zijn persoonlijke weg naar de kennis van God uiteen en legt er zich op toe om te laten zien dat de Schrift duidelijk getuigt van de godheid van de Zoon en zijn gelijkheid met de Vader, niet alleen in het Nieuwe Testament, maar ook op veel bladzijden van het Oude, waarin het mysterie van Christus reeds verschijnt. Tegenover de Arianen insisteert hij op de waarheid van de namen van Vader en Zoon en ontwikkelt hij heel zijn theologie over de Drie-eenheid, uitgaande van de Doopformule die ons door de Heer zelf is gegeven: "In de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest".
https://www.rkdocumenten.nl/rkdocs/skins/rkdocs1/view/images/loading.gif

De Vader en de Zoon zijn van dezelfde natuur. En als sommige passages uit het Nieuwe Testament zouden kunnen doen denken dat de Zoon inferieur is aan de Vader, dan biedt Hilarius nauwkeurige richtlijnen om misleidende interpretaties te vermijden: sommige teksten van de Schrift spreken over Jezus als God, andere daarentegen doen zijn mensheid goed uitkomen. Sommige verwijzen naar Hem in zijn pre-existentie bij de Vader; andere beschouwen zijn staat van vernedering (kenosis of ontlediging), zijn afdalen tot in de dood; andere tenslotte beschouwen Hem in de heerlijkheid van zijn verrijzenis.
 In de jaren van zijn ballingschap schreef Hilarius ook het Boek van de Synoden (De Synodis) waarin hij voor zijn broeders in het bisschopsambt in Gallië de geloofsbelijdenissen en andere documenten reproduceert en becommentarieert van de synoden die in het Oosten rond de helft van de vierde eeuw gehouden zijn. Steeds vastberaden in zijn verzet tegen de radicale Arianen, geeft Hilarius blijk van een geest van verzoening tegenover hen die aanvaardden te belijden dat de Zoon in zijn wezen lijkt op de Vader, terwijl hij uiteraard trachtte hen naar het volle geloof te leiden, volgens welke er niet alleen een gelijkenis, maar een ware gelijkheid is van de Vader en de Zoon in de godheid. Ook dit lijkt mij voor hem karakteristiek: de geest van verzoening die tracht degenen te begrijpen die nog niet tot het volle geloof in de ware godheid van de Heer Jezus Christus zijn gekomen en die hen helpt daartoe te komen.

https://www.rkdocumenten.nl/rkdocs/skins/rkdocs1/view/images/loading.gif
In 360 of 361 kon Hilarius tenslotte uit de ballingschap naar zijn vaderland terugkeren en meteen hernam hij de herderlijke activiteit in zijn Kerk, maar de invloed van zijn leergezag strekte zich in feite ver buiten de grenzen daarvan uit. De Synode die in 360 of 361 gehouden is in Parijs neemt de taal over van het Concilie van Nicea. Sommige oude auteurs denken dat deze anti-ariaanse wending grotendeels te danken was aan de kracht en de zachtmoedigheid van de Bisschop van Poitiers. Dit was nu juist zijn gave: sterkte in het geloof te kunnen verbinden met zachtmoedigheid in de intermenselijke relatie.

In de laatste jaren van zijn leven schreef hij nog de Tractaten over de Psalmen, H. Hilarius van Poitiers
Tractatus super Psalmos
Tractaten over de Psalmen ()
een commentaar op honderdenacht Psalmen, geïnterpreteerd volgens het beginsel dat in de inleiding op het werk verduidelijkt wordt:
"Er bestaat geen twijfel over dat alles wat in de Psalmen wordt gezegd, verstaan moet worden volgens de verkondiging van het evangelie, zodat ongeacht de stem waarmee de profetische geest gesproken heeft, alles toch betrokken wordt op de kennis van de komst van Jezus Christus, onze Heer, - op de vleeswording, zijn lijden en zijn Koninkrijk - en op de heerlijkheid en macht van zijn verrijzenis" (Instructio Psalmorum, 5). Hij ziet in alle Psalmen deze transparantie van het mysterie van Christus en van zijn Lichaam dat de Kerk is.
Bij diverse gelegenheden heeft Hilarius de heilige Martinus ontmoet: het was juist in de nabijheid van Poitiers dat de toekomstige bisschop van Tours een klooster stichtte dat vandaag de dag nog bestaat. Hilarius stierf in 367. Zijn liturgische gedachtenis wordt gevierd op 13 januari. In 1851 heeft de zalige Pius IX hem tot Kerkleraar uitgeroepen.
https://www.rkdocumenten.nl/rkdocs/skins/rkdocs1/view/images/loading.gif
Bij wijze van samenvatting van het wezenlijke van zijn leer, zou ik willen zeggen dat Hilarius het uitgangspunt van zijn theologische reflectie vond in het geloof aangaande het Doopsel. In Over de Drie-eenheid (De Trinitate) schrijft Hilarius: Jezus "heeft de opdracht gegeven te dopen in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest (vgl. Mt 28, 19), dat wil zeggen onder het belijden van de Schepper, van de Eniggeborene en van de Gave. Één alleen is de Schepper van alle dingen, want één alleen is God de Vader, uit wie alles voortkomt. En één alleen is onze Heer, Jezus Christus, door wie alles gemaakt is (1 Kor 8, 6), en één alleen is de Geest (Ef 4, 4), gave in allen... Niets is er te vinden dat ontbreekt aan een zo grote volheid, waarin samenkomen in de Vader en in de Zoon en in de Heilige Geest de onmetelijkheid in de Eeuwige, de openbaring in het Beeld, de vreugde in de Gave" (Over de Drie-eenheid 2, 1). God de Vader is, omdat Hij geheel en al liefde is, in staat in volheid zijn godheid mee te delen aan de Zoon. Bijzonder mooi vind ik de volgende formulering van de heilige Hilarius:
"God weet niets anders te zijn dan liefde, niets anders te zijn dan Vader. En wie liefheeft is niet jaloers, en wie Vader is, is dat helemaal. Deze naam laat geen compromissen toe, alsof God Vader zou zijn in bepaalde opzichten, en het in andere niet zou zijn" (ibid. 9, 61).
Hierdoor is de Zoon ten volle God, zonder enig gebrek of vermindering: "Hij die voortkomt uit de volmaakte is volmaakt, want wie alles heeft, heeft Hem alles gegeven" (ibid. 2, 8).
Alleen in Christus, Zoon van God en Zoon van de mens, vindt de mensheid heil. Door de menselijke natuur aan te nemen, heeft Hij iedere mens met zich verenigd, "heeft Hij zich gemaakt tot het vlees van ons allen" (Traktaten over de Psalmen 54, 9).
"Hij heeft in zich opgenomen de natuur van alle vlees, is door middel daarvan de ware wijnstok geworden, heeft in zich de wortel van elke rank" (ibid.51, 16). Hierdoor juist is de weg naar Christus open voor allen - omdat Hij allen in zijn mens-zijn naar zich toegetrokken heeft - al blijft de persoonlijke bekering vereist: "Door de relatie met zijn vlees, is de toegang tot Christus open voor allen, op voorwaarde dat zij zich ontdoen van de oude mens (vgl. Ef 4, 22) en deze aan zijn Kruis nagelen (vgl. Kol 2, 14); op voorwaarde dat zij de vroegere werken verlaten en zich bekeren, om met Hem begraven te worden in zijn doopsel, met het oog op het leven (vgl. Kol 1, 12; Rom 6,4)” (ibid. 91, 9)

De trouw aan God is een geschenk van zijn genade. Daarom vraagt de heilige Hilarius aan het eind van zijn tractaat over de Drie-eenheid altijd trouw te kunnen blijven aan het geloof van het Doopsel. Het is een kernmerk van dit boek: de reflectie verandert in gebed en het gebed keert terug tot de reflectie. Heel het boek is een dialoog met God. Ik zou de catechese van vandaag willen beëindigen met een van deze gebeden, dat zo ook tot ons gebed wordt:
"Maak, o Heer - zo bidt Hilarius onder inspiratie - dat ik altijd trouw mag blijven aan wat ik in de belijdenis van mijn nieuwe geboorte heb beleden, toen ik werd gedoopt in de Vader, in de Zoon en in de heilige Geest. Dat ik U, onze Vader, moge aanbidden en samen met U de Zoon; dat ik uw Heilige Geest moge verdienen, die voortkomt uit U, door middel van uw Eniggeborene...Amen"  (Over de Drie-eenheid 12, 57).
Onder dank overgenomen van RKDocumenten.nl

donderdag 5 augustus 2021

Benedictus XVI Transfiguratie van Jezus: Licht uit Licht


Bij de evangeliepericopen over de Gedaanteverandering van Jezus
Mt 17, 1-9
Mk 6, 2-9
Luc 9, 28-36

De tekst van het verslag van de Gedaanteverandering van Jezus [zegt], dat Jezus Petrus, Jacobus en Johannes terzijde nam en hen boven op een hoge berg bracht, alleen zij (vgl. Marcusevangelie 9,2)…”en Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd”, zegt Marcus vervolgens heel eenvoudig en voegt dan, een beetje onbeholpen, ten overstaan van dit grote mysterie bijna stamelend er aan toe: “zijn kleed werd glanzend en zó wit als geen bleker ter wereld maken kan” (9,3).

Lucas had in zijn bericht vooraf reeds het doel van deze beklimming gegeven: “Hij besteeg de berg om er te bidden” (Luc 9,28) en verklaart dan van daar uit de gebeurtenis waarvan de leerlingen getuigen werden: “Terwijl Hij in gebed was veranderde zijn gelaat van aanblik en werden zijn kleren verblindend wit” (9,29).

De Verheerlijking is een gebeurtenis die met het gebed in relatie staat; hier wordt zichtbaar wat in het gesprek van Jezus met zijn Vader gebeurt: God doordringt Jezus’ Wezen op de meest innige wijze zodat Hij zuiver licht wordt. In zijn één- en gelijk-zijn met de Vader is Jezus zelf Licht uit Licht. Wat Hij in zijn diepste innerlijk wezen is, dat wordt in dit ogenblik ook zintuiglijk waarneembaar: Jezus’ Zijn in het Licht van God, zijn eigen Licht-zijn als Zoon.
Benedictus XVI, Jezus van Nazareth, hfdst. 9: Belijdenis van Petrus en Verheerlijking.


zaterdag 19 juni 2021

Wij geloven met vaste zekerheid dat de Heer Jezus het kwaad en de dood overwonnen heeft

Omdat wij de plicht hebben de tekenen van de tijd in het nu van de geschiedenis te begrijpen, spoort het geloof ieder van ons aan een levend teken te worden van de aanwezigheid van de Verrezene in de wereld. Waaraan de wereld van vandaag bijzonder nood heeft, is een geloofwaardig getuigenis van ieder die, in geest en hart door het woord van de Heer verlicht, bekwaam is het hart en de geest van velen te openen voor het verlangen naar God en naar het ware leven, het leven dat geen einde kent. “Opdat het woord des Heren zijn luisterrijke loop mag volbrengen” (2 Tess. 3, 1): ... De woorden van de Apostel Petrus werpen een laatste lichtstraal op het geloof:“Dan zult gij juichen, ook al hebt gij nu, als het zo moet zijn, voor een korte tijd te lijden onder allerlei beproevingen. Die dienen om de deugdelijkheid van uw geloof te bewijzen, dat zoveel kostbaarder is dan vergankelijk goud, dat toch ook door vuur gelouterd wordt. Dan zal, wanneer Jezus Christus zich openbaart, lof, heerlijkheid en eer uw deel zijn. Hem hebt gij lief zonder Hem ooit gezien te hebben. In Hem gelooft gij, ofschoon gij Hem ook nu niet ziet. Hoe onuitsprekelijk, hoe hemels zal uw vreugde zijn, als gij het einddoel van uw geloof, de redding van uw ziel, bereikt.” (1 Pt. 1, 6-9).

Het leven van de Christenen kent vreugde en lijden. Hoeveel heiligen hebben de eenzaamheid gekend! Hoeveel gelovigen worden, zelfs in onze dagen, beproefd door het zwijgen van God, terwijl zij Zijn troostende stem zouden willen horen! De beproevingen van het leven, die toelaten het mysterie van het kruis te begrijpen en aan het lijden van Christus deel te nemen  zijn een voorbode van de vreugde en de hoop waarheen het geloof leidt: “als ik zwak ben, dan ben ik sterk” (2 Kor. 12, 10). Wij geloven met vaste zekerheid dat de Heer Jezus het kwaad en de dood overwonnen heeft. In dit vaste vertrouwen, geven wij ons aan Hem over: aanwezig in ons midden, overwint Hij de macht van de boze en de Kerk, zichtbare gemeenschap van zijn barmhartigheid, blijft in Hem bestaan als teken van de definitieve verzoening met de Vader.

Paus Benedictus XVI Motu Proprio Porta Fidei bij het uitroepen van het Jaar van het Geloof

zaterdag 29 mei 2021

Pope Benedict XVI about the Most Holy Trinity on 7 June 2009 "All things derive from love, aspire to love and move impelled by love"



"Today we contemplate the Most Holy Trinity as Jesus introduced us to it. He revealed to us that God is love "not in the oneness of a single Person, but in the Trinity of one substance" (Preface). He is the Creator and merciful Father; he is the Only-Begotten Son, eternal Wisdom incarnate, who died and rose for us; he is the Holy Spirit who moves all things, cosmos and history, toward their final, full recapitulation. Three Persons who are one God because the Father is love, the Son is love, the Spirit is love. God is wholly and only love, the purest, infinite and eternal love. He does not live in splendid solitude but rather is an inexhaustible source of life that is ceaselessly given and communicated. To a certain extent we can perceive this by observing both the macro-universe: our earth, the planets, the stars, the galaxies; and the micro-universe: cells, atoms, elementary particles. The "name" of the Blessed Trinity is, in a certain sense, imprinted upon all things because all that exists, down to the last particle, is in relation; in this way we catch a glimpse of God as relationship and ultimately, Creator Love. All things derive from love, aspire to love and move impelled by love, though naturally with varying degrees of awareness and freedom. "O Lord, our Lord, how majestic is your name in all the earth!" (Ps 8: 1) the Psalmist exclaims. In speaking of the "name", the Bible refers to God himself, his truest identity. It is an identity that shines upon the whole of Creation, in which all beings for the very fact that they exist and because of the "fabric" of which they are made point to a transcendent Principle, to eternal and infinite Life which is given, in a word, to Love. "In him we live and move and have our being", St Paul said at the Areopagus of Athens (Acts 17: 28). The strongest proof that we are made in the image of the Trinity is this: love alone makes us happy because we live in a relationship, and we live to love and to be loved. Borrowing an analogy from biology, we could say that imprinted upon his "genome", the human being bears a profound mark of the Trinity, of God as Love".

woensdag 23 december 2020

Overweging Lux fulgebit - dat het nieuwe licht van het mensgeworden Woord ons mag 0verstromen.

 

foto: Bianca Crombach

Da, quæsumus, omnipotens Deus,

ut dum nova incarnati Verbi tui luce perfundimur,

hoc in nostro resplendeat opere,

quod per fidem fulget in mente.

 

Geef, vragen wij [U], almachtige God,

dat, nu wij worden overstroomd door het nieuwe licht van het mens geworden Woord,

in ons werk mag weerglanzen

wat door het geloof schittert in onze geest.


 Het lichtmotief van de liturgie van de Nachtmis wordt ook opgenomen in het collectagebed van de Dageraadsmis, dat uit de oude Romeinse liturgie (Sacramentarium Gregorianum, 9e eeuw) afkomstig is. Het wordt zó opgenomen alsof het licht van de Mensgeworden Logos opnieuw opgaat. Ja, de oratie en de liturgie richten zich op het nieuwe licht dat opgaat bij de Geboorte van Jezus. “Licht zal er vandaag over ons stralen, want de Heer is geboren”, zo zingt de Introitusantifoon Lux fulgebit van de Dageraadsmis.

De O-antifoon O Oriens die we enkele dagen geleden (21 december) bij het Magnificat in de Vespers zongen anticipeert hier op:  O Oriens, splendor lucis æternæ et sol iustitiæ, o Dageraad, schittering van het eeuwige licht en Zon van gerechtigheid.

In het collectagebed van de Dageraadsmis krijgt het lichtmotief echter een nieuw accent.

In aurora, bij het morgenrood, slaat de oratie een nog enthousiastere toon aan dan in de nacht: dum nova luce perfundimur – nu wij door een nieuw licht worden overstraald (overstroomd, geheel en al worden vervuld, in een nieuw licht worden ondergedompeld). Dit perfundimur moet niet verwisseld worden met het perfruamus van het collectagebed van de Nachtmis, dat immers een transcendente en hemelse dimensie heeft.

Het wil slechts zeggen dat het nieuwe licht van het Mens geworden Woord niet een lichtstraaltje is dat in ons innerlijk ongemerkt wegsijpelt, maar een licht dat stróómt. Het is het licht, dat in het centrum, in de kern van het geloof, in de menselijke geest schijnt (per fidem fulget in mente, zegt de oratie), dus niet om zich onzichtbaar in ons binnenste op te sluiten, maar om uit te vloeien, over te lopen in ons gedrag en uitwendig handelen. “In nostro respendens opere” – ons gedrag en onze werken, waarmee we ons naar buiten uiten, moeten een spiegel zijn die dat inwendige licht weerkaatst. In de vroege morgen van Kerstmis bidt de Kerk om deze overgang van Christus’ licht, vanuit ons binnenste, vanuit onze ziel, naar buiten.

Het gaat om een overdracht van het licht dat verwijst naar het goddelijke oerlicht in de wereld: “God is licht”, zoals de Johannes zegt in zijn Eerste Brief (1 Jo 1,5). Het ongeschapen Licht, dat de oorsprong is van al het geschapen licht, wordt als het ware in het Woord dat Mens wordt, geïncarneerd.

De aanvaarding van dit licht in geloof, schept geestelijk licht, dat op zijn beurt zoals gezegd gestalte moet krijgen in onze uitingen en werken en zo in de wereld schijnt. Een parallel vinden we in het Mattheüsevangelie waar Jezus in de Bergrede zegt: “Gij zijt het licht der wereld. Men steekt toch geen lamp aan om ze onder de korenmaat te plaatsen, maar men plaatst ze op de standaard, zodat ze licht geeft voor allen die in huis zijn……zo moet ook uw licht stralen voor het oog van de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader verheerlijken die in de hemel is” (Mt 5, 14a.15-16).

Ook de Tweede lezing van de Dageraadsmis uit de Brief van de H. Paulus aan Titus blijft bij het thema van de werken en het fundament ervan dat gelegen is in de goedheid en de mensenliefde van God onze Heiland, die op aarde is verschenen (Tit 3, 4-5).

Het licht, dat in de vroege morgen over ons opging, is op aarde neergedaald en moet zich verspreiden.

Wat wij praktisch, verlicht door de glans van het eeuwige Licht, moeten doen, zegt ons het Gebed na de Communie van hetzelfde misformulier: ons geloof in het Kerstmysterie verdiepen en blijk geven van een grotere, vollere liefde.

Dit klinkt voor sommigen misschien ietwat te vaag en te vrijblijvend.

Mogelijk is het antwoord van paus Benedictus op een vraag van Peter Seewald in zijn boek “Licht  van de wereld” (Adveniat, 2011),  duidelijker:

“Wat wil Jezus van ons?”

“Hij wil van ons dat wij in Hem geloven. Dat wij ons door Hem laten leiden. Dat wij met Hem leven. En steeds meer op Hem gaan lijken, en worden wie wij moeten zijn”.

 

 

dinsdag 20 oktober 2020

Retraitesnipper: uit de encycliek Spe salvi van paus Benedictus XVI


Onze levens zijn sterk op elkaar betrokken, zijn door ontelbare interacties met elkaar verbonden. Niemand leeft alleen. Niemand zondigt alleen. Niemand wordt alleen gered. In mijn leven komt steeds het leven van anderen binnen: in wat ik denk, zeg, doe en bereik. En omgekeerd komt mijn leven binnen in dat van anderen: ten kwade en ten goede. Dus is mijn gebed voor de ander hem niet vreemd, niet iets uiterlijks, ook na de dood niet. In de vervlechting van het bestaan kan mijn dank aan hem, mijn gebed voor hem, een stukje van zijn zuivering vormen. En daarbij hoeven we de aardse tijd niet om te rekenen in Gods tijd: in de gemeenschap van de zielen wordt de eenvoudige wereldtijd overstegen. Het is nooit te laat en nooit vergeefs het hart van de ander te beroeren. Zo wordt een belangrijk element van het christelijke begrip ‘hoop’ nogmaals duidelijk. Onze hoop is altijd ten diepste ook hoop voor de anderen; alleen zo is ze werkelijk ook hoop voor mijzelf.[40] Als christenen moeten wij ons nooit alleen maar afvragen: Hoe kan ik mezelf redden? We moeten ons ook afvragen: hoe kan ik anderen helpen, opdat anderen gered worden en voor anderen de ster van de hoop opgaat? Dan heb ik ook het meeste gedaan voor mijn eigen redding.

volledige tekst encycliek op website Vaticaan met Nederlandse vertaling Dr. Nelly Stienstra z.g.

maandag 10 juni 2019

Paus Benedictus XVI Het geluk, dat u zoekt, het geluk, waarop u recht heeft

Wie Christus [in zijn leven] laat binnenkomen,
verliest absoluut niets van hetgeen het leven vrij, mooi en groot maakt.
Het geluk, dat u zoekt, het geluk, waarop u recht heeft,
heeft een naam, een gezicht: het is Jezus van Nazareth,
verborgen in de Eucharistie.
Hij alleen schenkt de mensheid volheid van leven!
Voegt u bij het “Ja” van Maria tot God,
die zich aan u wil schenken.
Ik herhaal wat ik bij het begin van mijn pontificaat
heb gezegd: “Wie Christus [in zijn leven] laat binnenkomen,
verliest niets, werkelijk niets –
absoluut niets van hetgeen het leven vrij, mooi en groot maakt.
Nee, slechts in deze vriendschap
gaan de deuren van het leven wijd open.
Slechts in deze vriendschap
 ontsluiten zich werkelijk de grote mogelijkheden van het mens-zijn.
Slechts in deze vriendschap ervaren we, wat schoonheid is en wat vrij maakt.


Uit: Paus Benedictus XVI, Toespraak op de Poller Rheinwiesen, 18 aug. 2005

dinsdag 16 april 2019

Toespraak paus Benedictus XVI in Notre Dame op 12 september 2008 - De Notre Dame, die oprijst in het hart van de stad als een levend teken van Gods aanwezigheid in ons midden.


Paus Benedictus XVI (die vandaag 92 wordt) zei hij op 12 september 2008, toen hij in de Notre Dame van Parijs een toespraak hield tijdens de Vespers, het volgende:

“We zijn hier vergaderd in de Moederkerk van het bisdom van Parijs, de Kathedraal van Notre Dame, die oprijst in het hart van de stad als een levend teken van Gods aanwezigheid in ons midden. Mijn voorganger, Paus Alexander III legde de eerste steen, en Pausen Pius VII en Johannes Paulus II eerden het door hun aanwezigheid. Ik ben gelukkig hen in hun voetstappen te volgen, een kwarteeuw nadat ik hier kwam om een conferentie te geven over catechese. Het is moeilijk om geen dank te betuigen aan de Schepper van zowel materie als geest voor de schoonheid van dit bouwwerk. De Christenen van Lutetia hadden oorspronkelijk een kathedraal gebouwd toegewijd aan Sint Stefanus, de eerste martelaar; toen de tijd voorbijging werd het te klein en het werd geleidelijk aan vervangen, tussen de twaalfde en de veertiende eeuw, door het grote gebouw dat we nu bewonderen. Het geloof van de Middeleeuwen bouwde de kathedralen, en hier kwamen Uw voorouders God eren, hun hoop aan Hem toewijden en hun liefde voor Hem uiten. […]

Uw kathedraal is een levende hymne van steen en licht in lofprijzing van die daad, uniek in de annalen van de menselijke geschiedenis: het eeuwige Woord van God dat onze geschiedenis binnentreedt in de volheid van de tijd om ons te verlossen door zijn zelfopoffering in het offer van het Kruis. Onze aardse liturgieën, geheel gericht op de viering van deze unieke daad in de geschiedenis, zullen nooit ten volle uiting kunnen geven aan diens grenzeloze betekenis. De schoonheid van onze vieringen kan nooit genoeg gecultiveerd, bevorderd en verfijnd worden, want niets kan te schoon zijn voor God, die zelf de oneindige schoonheid is. En toch zullen onze aardse liturgieën nooit meer dan een verbleekte weerspiegeling zijn van de liturgie die gevierd wordt in het Jeruzalem in den hoge, het doel van onze pelgrimage op aarde. Moge onze eigen vieringen desalniettemin zo goed mogelijk lijken op die liturgie, en ons er een voorproefje van geven!”


dinsdag 29 januari 2019

Paus Benedictus XVI - De kracht van de Heilige Geest

Maar wat is deze “kracht” van de Heilige Geest? Het is de kracht van Gods leven! Het is de kracht van dezelfde Geest die bij het begin van de schepping over de wateren zweefde en die, in de volheid der tijden, Jezus deed opstaan uit de dood. Het is de kracht die ons en onze wereld, wijst naar de komst van het Koninkrijk van God. In het Evangelie van vandaag verkondigt Jezus dat een nieuwe tijd is aangebroken, waarin de Heilige Geest over alle mensen uitgestort zal worden
Hijzelf, ontvangen door de Heilige Geest en geboren uit de maagd Maria, kwam onder ons om die Geest te brengen. Als de bron van onze nieuwe leven in Christus, is de Heilige Geest ook, in een zeer reële manier, de ziel van de Kerk, de liefde die ons bindt aan de Heer en elkaar, en het licht die onze ogen opent om overal om ons heen de wonderen van Gods genade te zien.
Hier in Australië, “dit grote Zuidland van de Heilige Geest”, hebben wij allen een onvergetelijke ervaring gehad van de aanwezigheid en de kracht van de Geest in de schoonheid van de natuur. Onze ogen zijn geopend om de wereld om ons heen te zien zoals zij echt is: “vervuld”, zoals de dichter zegt, ”van Gods grootheid“, gevuld met de glorie van zijn scheppende liefde. Ook hier, op deze bijeenkomst van jonge Christenen uit de gehele wereld, hebben we een levendige ervaring gehad van de aanwezigheid van de Geest en zijn kracht in het leven van de Kerk. We hebben de Kerk gezien zoals zij werkelijk is: het Lichaam van Christus, een liefdesgemeenschap, mensen van elke ras, natie en taal, van elke tijd en plaats omhelzend, in de eenheid geboren uit ons geloof in de verrezen Heer.
De kracht van de Geest houdt nooit op om de Kerk met leven te vullen! Door de genade van de kerkelijke Sacramenten stroomt die kracht ook diep in ons, als een ondergrondse rivier die onze geest voedt en ons nog dichter trekt naar de bron van ons echte leven, welke Christus is. Sint Ignatius van Antiochië, die aan het begin van de tweede eeuw als martelaar in Rome stierf, heeft aan ons een prachtige beschrijving nagelaten van de kracht van de Geest die in ons woont. Hij sprak van de Geest als een fontein van levend water die in ons hart opspringt en fluistert: “Kom, kom tot de Vader”

Deze kracht, de genade van de Geest, is echter niet iets wat we kunnen verdienen of bereiken, maar alleen als zuivere gave ontvangen. Gods liefde kan alleen zijn kracht ontketenen wanneer wij toelaten dat zij ons van binnenuit verandert. Wij moeten de Geest door de harde korst van onze onverschilligheid, onze geestelijke vermoeidheid, onze blinde overeenstemming met de geest van deze tijd laten breken. Alleen dan kunnen we de Geest onze verbeelding laten ontbranden en onze diepste verlangens doen vormen. Daarom is bidden zo belangrijk: dagelijks gebed, persoonlijk gebed in de stilte van ons hart en voor het Allerheiligst Sacrament, en het liturgisch gebed in het hart van de Kerk. Bidden is zuivere ontvankelijkheid voor Gods genade, liefde in actie, gemeenschap met de Geest die in ons woont, ons leidt, door Jezus, in de Kerk, naar onze hemelse Vader. In de kracht van zijn Geest, is Jezus altijd aanwezig in ons hart, rustig op ons wachtend om toch met Hem te zijn, zijn stem te horen, te vertoeven in zijn liefde, en de “kracht vanuit de hoge” te ontvangen, waardoor wij in staat zijn zout en licht voor onze wereld te zijn. Bij zijn Hemelvaart zei Jezus tot zijn leerlingen: “Gij zult mijn getuigen zijn ... tot het uiteinde der aarde” (Hand. 1, 8). Laten wij hier in Australië de Heer danken voor de gave van geloof, die als een schat aan ons is overgeleverd van generatie op generatie in de gemeenschap van de Kerk. Laten wij hier in Oceanië op bijzondere wijze dank zeggen voor alle heroïsche missionarissen, toegewijde priesters en religieuzen, christelijke ouders en grootouders, leraren en catecheten die de kerk in deze landen hebben opgebouwd – getuigen zoals de zalige Maria MacKillop, de heilige Peter Chanel, de zalige Peter To Rot en zo vele anderen! De kracht van de Geest, geopenbaard in hun leven, is nog steeds aan het werk in het goede wat zij achterlieten, in de samenleving die zij hebben gevormd en die aan jullie wordt doorgegeven.

Homilie aan het einde van de 23e Wereld Jongeren Dag op 20 juli 2008, met dank aan rkdocumenten

vrijdag 4 januari 2019

Paus Benedictus XVI: Met de Kerstliturgie leidt de Kerk ons binnen in het mysterie van de Menswording

Met de Kerstliturgie leidt de Kerk ons binnen in het grote mysterie van de Menswording. Kerstmis is namelijk niet alleen de verjaardag van Jezus’ geboorte – dat is het ook, maar er is meer – het is de viering van een mysterie dat de mensengeschiedenis getekend heeft en blijft tekenen: God zelf is onder ons komen wonen. Hij heeft zich tot één van de onzen gemaakt heeft; het is een mysterie dat ons geloof aanbelangt en ons leven; een mysterie dat wij concreet meemaken in de liturgische vieringen, vooral in de heilige Mis. 

Men zou zich kunnen afvragen: hoe is het mogelijk dat ik deze gebeurtenis nu beleef, al ligt ze zo ver in de tijd? Hoe kan ik met vrucht deelhebben aan de geboorte van Gods Zoon die meer dan tweeduizend jaar geleden heeft plaatsgehad? In de heilige Nachtmis van Kerstmis herhalen wij dit refrein uit de antwoordpsalm: “Vandaag is ons een Verlosser geboren”. (Ps 95,1)

Het bijwoord van tijd, “vandaag”, komt meerdere keren terug in alle vieringen van Kerstmis en verwijst naar de gebeurtenis van Jezus’ geboorte en naar het heil dat de menswording van Gods Zoon komt brengen. In de liturgie overstijgt zo een gebeurtenis de beperkingen van tijd en ruimte en wordt zij actueel, present; de uitwerking ervan blijft duren, ondanks de opeenvolging van dagen, jaren en eeuwen. Door aan te duiden dat Jezus vandaag geboren wordt, doet de liturgie geen inhoudsloze uitspraak maar benadrukt zij dat deze geboorte heel de geschiedenis omvat en doordringt, dat zij ook vandaag een realiteit blijft waar wij juist in de liturgie toegang toe hebben. Voor ons, gelovigen, is de viering van Kerstmis de hernieuwing van onze zekerheid dat God werkelijk bij ons aanwezig is, dat Hij nog “vlees” is en niet slechts veraf: hoewel Hij bij de Vader is, is Hij dicht bij ons. In dit Kind van Bethlehem is God dichtbij gekomen: wij kunnen Hem nu ontmoeten, in een “vandaag” zonder avondschemering.

Toespraak Algemene Audiëntie op 21 december 2011, bron: rkdocumenten

zaterdag 1 december 2018

Adventsmeditatie paus Benedictus XVI: verkerend in het duister maar beschenen door het licht van God

Advent is een werkelijkheid, ook voor de Kerk. God heeft de geschiedenis niet ingedeeld in een lichte en donkere helft. Hij heeft ook de mensen niet zodanig ingedeeld dat Hij sommigen heeft verlost en anderen heeft vergeten. Er bestaat slechts één enkele ondeelbare geschiedenis die volledig getekend is door de zwakheid en erbarmelijkheid van de mens en die geheel en al staat onder de medelijdende liefde van God, die deze geschiedenis voortdurend omvat en draagt. Onze eeuw nodigt ons uit de waarheid van de Advent op geheel nieuwe wijze te leren: de waarheid namelijk, dat het reeds altijd Advent was maar ook steeds nog Advent is. Dat heel de mensheid uniek is voor het aanschijn van God. Dat heel de mensheid zich in het duister bevindt maar ook beschenen wordt door het licht van God. Als het echter zo is dat het reeds altijd Advent was en nog altijd is, betekent dit ook dat voor geen enkele periode van de geschiedenis God als het ware slechts verleden tijd zou zijn, die reeds achter ons ligt en waarin reeds alles is gedaan. Maar God is voor ons allen de oorsprong, uit wie wij voortkomen, maar ook steeds de toekomst die wij tegemoet gaan. Verder betekent dit dat God voor ons allen op geen enkele andere wijze te vinden is dan dat wij Hem tegemoet gaan als de Komende, die verwacht en verlangt dat wij opbreken. Men kan God beslist niet anders vinden dan in deze exodus, in dit vertrekken uit de behaaglijkheid van het heden naar de verborgenheid van de komende heiligheid van God.

Vertaling in het Nederlands uit: Joseph Kardinal Ratzinger, Vom Sinn des Christseins, p. 30 e.v. opgenomen in Mitarbeiter der Wahrheit. Gedanken für jeden Tag (van dezelfde auteur). Pfeiffer, München 1979, p. 364. 

maandag 11 juni 2018

Pope Benedict XVI - Barnabas, Silas (also called Silvanus), and Apollos


GENERAL AUDIENCE
Wednesday, 31 January 2007
Continuing our journey among the protagonists who were the first to spread Christianity, today let us turn our attention to some of St Paul's other collaborators. We must recognize that the Apostle is an eloquent example of a man open to collaboration: he did not want to do everything in the Church on his own but availed himself of many and very different colleagues.

We cannot reflect on all these precious assistants because they were numerous. It suffices to recall among the others, Epaphras (cf. Col 1: 7; 4: 12; Phlm 23); Epaphroditus (cf. Phil 2: 25; 4: 18), Tychicus (cf. Acts 20: 4; Eph 6: 21; Col 4: 7; II Tm 4: 12; Ti 3: 12), Urbanus (cf. Rm 16: 9), Gaius and Aristarchus (cf. Acts 19: 29; 20: 4; 27: 2; Col 4: 10). And women such as Phoebe, (Rom 16: 1), Tryphaena and Tryphosa (cf. Rom 16: 12), Persis, the mother of Rufus, whom Paul called "his mother and mine" (cf. Rom 16: 12-13), not to mention married couples such as Prisca and Aquila (cf. Rom 16: 3; I Cor 16: 19; II Tm 4: 19).

Among this great array of St Paul's male and female collaborators, let us focus today on three of these people who played a particularly significant role in the initial evangelization: Barnabas, Silas, and Apollos.

Barnabas means "son of encouragement" (Acts 4: 36) or "son of consolation". He was a Levite Jew, a native of Cyprus, and this was his nickname. Having settled in Jerusalem, he was one of the first to embrace Christianity after the Lord's Resurrection. With immense generosity, he sold a field which belonged to him, and gave the money to the Apostles for the Church's needs (Acts 4: 37).

It was he who vouched for the sincerity of Saul's conversion before the Jerusalem community that still feared its former persecutor (cf. Acts 9: 27).

Sent to Antioch in Syria, he went to meet Paul in Tarsus, where he had withdrawn, and spent a whole year with him there, dedicated to the evangelization of that important city in whose Church Barnabas was known as a prophet and teacher (cf. Acts 13: 1).

At the time of the first conversions of the Gentiles, therefore, Barnabas realized that Saul's hour had come. As Paul had retired to his native town of Tarsus, he went there to look for him. Thus, at that important moment, Barnabas, as it were, restored Paul to the Church; in this sense he gave back to her the Apostle to the Gentiles.

The Church of Antioch sent Barnabas on a mission with Paul, which became known as the Apostle's first missionary journey. In fact, it was Barnabas' missionary voyage since it was he who was really in charge of it and Paul had joined him as a collaborator, visiting the regions of Cyprus and Central and Southern Anatolia in present-day Turkey, with the cities of Attalia, Perga, Antioch of Pisidia, Iconium, Lystra and Derbe (cf. Acts 13-14).

Together with Paul, he then went to the so-called Council of Jerusalem where after a profound examination of the question, the Apostles with the Elders decided to discontinue the practice of circumcision so that it was no longer a feature of the Christian identity (cf. Acts 15: 1-35). It was only in this way that, in the end, they officially made possible the Church of the Gentiles, a Church without circumcision; we are children of Abraham simply through faith in Christ.

The two, Paul and Barnabas, disagreed at the beginning of the second missionary journey because Barnabas was determined to take with them as a companion John called Mark, whereas Paul was against it, since the young man had deserted them during their previous journey (cf. Acts 13: 13; 15: 36-40).

Hence there are also disputes, disagreements and controversies among saints. And I find this very comforting, because we see that the saints have not "fallen from Heaven". They are people like us, who also have complicated problems.

Holiness does not consist in never having erred or sinned. Holiness increases the capacity for conversion, for repentance, for willingness to start again and, especially, for reconciliation and forgiveness.

So it was that Paul, who had been somewhat harsh and bitter with regard to Mark, in the end found himself with him once again. In St Paul's last Letters, to Philemon and in his Second Letter to Timothy, Mark actually appears as one of his "fellow workers".

Consequently, it is not the fact that we have never erred but our capacity for reconciliation and forgiveness which makes us saints. And we can all learn this way of holiness. In any case, Barnabas, together with John Mark, returned to Cyprus (Acts 15: 39) in about the year 49. From that moment we lose track of him. Tertullian attributes to him the Letter to the Hebrews. This is not improbable. Since he belonged to the tribe of Levi, Barnabas may have been interested in the topic of the priesthood; and the Letter to the Hebrews interprets Jesus' priesthood for us in an extraordinary way.

Silas was another of Paul's companions. "Silas" is a Greek form of a Jewish name (perhaps sheal, "to ask, to invoke", which has the same root as the name "Saul"); from which the Latin form Sylvanus also derives. The name Silas is attested to only in the Book of Acts, while the name "Silvanus" appears only in the Pauline Letters. He was a Jew from Jerusalem, one of the first to become a Christian, and he enjoyed high esteem in that Church (cf. Acts 15: 22), since he was considered a prophet (cf. Acts 15: 32).

He was charged to inform "the brethren who are of the Gentiles in Antioch and Syria and Cilicia" (Acts 15: 23) of the decisions taken at the Council of Jerusalem and to explain them. Evidently he was considered capable of bringing about a sort of mediation between Jerusalem and Antioch, between Jewish-Christians and Christians of pagan origin and thereby of serving the unity of the Church in the diversity of rites and origins.

When Paul separated from Barnabas he took Silas with him as his new travelling companion (Acts 15: 40). With Paul, he reached Macedonia (and the cities of Philippi, Thessalonica and Beroea), where he stopped, while Paul went on to Athens and then to Corinth.

Silas joined him in Corinth, where he cooperated in preaching the Gospel; indeed, in the Second Letter that Paul addressed to that Church, he spoke of "Jesus Christ, whom we preached among you, Silvanus and Timothy and I" (II Cor 1: 19). This explains how he came to be the joint author, together with Paul and Timothy, of the two Letters to the Thessalonians.

This also seems important to me. Paul does not act as a "soloist", on his own, but together with these collaborators in the "we" of the Church. This "I" of Paul is not an isolated "I" but an "I" in the "we" of the Church, in the "we" of the apostolic faith. And later, Silvanus is also mentioned in the First Letter of Peter, in which we read: "I have written [briefly] to you... by Silvanus, a faithful brother" (5: 12). Thus, we also see the communion of the Apostles. Silvanus serves Paul and he serves Peter, because the Church is one and the missionary proclamation is one.

Paul's third companion, whom we want to recall is Apollos. This name is probably an abbreviation of Apollonius or Apollodorus. Although this is a pagan name, he was a fervent Jew from Alexandria, Egypt. Luke, in his book, the Acts of the Apostles, describes him as "an eloquent man, well versed in the Scriptures... fervent in spirit" (18: 24-25).

Apollos' entry on the scene of the first evangelization took place in the city of Ephesus. He had gone there to preach and had the good fortune to come across the Christian couple, Priscilla and Aquila, who introduced him to a fuller knowledge of the "way of God" (cf. Acts 18: 26).

From Ephesus he went to Achaia and reached the city of Corinth: where he arrived with a letter of recommendation from the Christians of Ephesus, in which they charged the Corinthians to give him a good welcome (cf. Acts 18: 27). In Corinth, as Luke wrote: "he greatly helped those who through grace had believed, for he powerfully confuted the Jews in public, showing by the Scriptures that the Christ was Jesus" (Acts 18: 27-28), the Messiah.

His success in that city, however had a problematic sequence since there were certain members of that Church who, fascinated by his way of speaking, opposed the others in his name (cf. I Cor 1: 12; 3: 4-6; 4: 6).

In his First Letter to the Corinthians, Paul expressed his appreciation of Apollos' work, but reprimanded the Corinthians for wounding the Body of Christ by splitting it into opposing factions. From this whole affair he drew an important teaching: Be it I or Apollos, he says, we are none other than diakonoi, that is, simple ministers, through whom you have come to the faith (cf. I Cor 3: 5).

Everyone has a different task in the field of the Lord: "I planted, Apollos watered, but God gave the growth.... we are God's fellow workers; you are God's field, God's building" (I Cor 3: 6-9).

After returning to Ephesus, Apollos resisted Paul's invitation to return to Corinth immediately, postponing the journey to a later date of which we know nothing (cf. I Cor 16: 12). We have no further information about him, even though some scholars believe he is a possible author of the Letter to the Hebrews which Tertullian believed Barnabas had written.

These three men shine in the firmament of Gospel witnesses as they are distinguished by one common feature as well as by individual characteristics. They had in common, in addition to their Jewish origin, their dedication to Jesus Christ and the Gospel, besides the fact that all three were collaborators of the Apostle Paul.

In this original evangelizing mission they found their purpose in life and as such stand before us as shining examples of selflessness and generosity.

Moreover, let us think again of St Paul's phrase: both Apollos and I are servants of Jesus, each one in his own way because it is God who gives the growth. These words also apply to us today, to the Pope, the Cardinals, Bishops, priests and laity. We are all humble ministers of Jesus. We serve the Gospel as best we can, in accordance with our talents, and we pray God to make his Gospel, his Church, increase in our day.

maandag 19 februari 2018

Pope Benedict (2010) Angelus "The significance of the Lenten journey"

 The significance of the Lenten journey was the theme of Benedict XVI's remarks before praying the Angelus this morning with thousands of faithful gathered in St. Peter's Square.

The Pope commented on the story of the temptation of Jesus in the desert, which was the Gospel reading for today, the first Sunday of Lent, explaining that the temptations "were not a by-the-way incident, but the consequence of Jesus' decision to complete the mission entrusted to Him by the Father".

"Christ came into the world to free us from sin and from the ambiguous lure of seeking to plan our lives without God. He did this not with high-sounding proclamations but by struggling personally with the Tempter, all the way to the Cross. This example holds true for us all: that the world is improved by beginning with ourselves, by changing, with God's grace, what is wrong with our lives".

Of the three temptations of Jesus, the first "had its origin in hunger, in material want", said the Pope. "But Jesus responded with the words: 'One does not live by bread alone'". The second temptation came when the devil showed Christ all the kingdoms of the earth; this, the Holy Father explained, "is the lure of power which Jesus unmasked and rejected". To the third temptation, the proposal to perform a miracle that everyone might believe in Him, Jesus responded: "Do not put the Lord your God to the test.

"Making constant reference to Holy Scripture", the Pope added, Jesus "made human criteria subject to the only true criterion: obedience to the will of God. This is a fundamental lesson for us too: if we carry the Word of God in our minds and hearts, if it enters our lives, then we too can reject all the tricks of the Tempter".

"Lent is like a long 'retreat' during which we can turn back into ourselves and listen to the voice of God, in order to defeat the temptations of the Evil One. It is a period of spiritual 'combat' which we must experience alongside Jesus, not with pride and presumption, but using the arms of faith: prayer, listening to the word of God and penance. In this way we will be able to celebrate Easter in truth, ready to renew the promises of our Baptism".

In closing his remarks the Holy Father invoked the help of the Virgin Mary "that we might live this period of grace joyfully and fruitfully. May she particularly intercede for me and my collaborators in the Roman Curia as we begin our spiritual exercises this evening", he concluded.