Posts tonen met het label Hebdomada VI Paschae. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Hebdomada VI Paschae. Alle posts tonen

donderdag 14 mei 2026

We bidden tussen Hemelvaart en Pinksteren dagelijks het gebed van de Pinksternoveen - "Kom, heilige Geest!"


De Pinksternoveen is het kerkelijk gebed om de werking van de Heilige Geest, af te smeken gedurende de negendaagse periode tussen Hemelvaart en Pinksteren. De noveen ter ere van de Heilige Geest is het oudste van alle novenen. De Heer zelf stelde het in toen Hij zijn apostelen terug zond naar Jeruzalem om daar te wachten op de komst van de Heilige Geest op het eerste Pinksteren. Het begint daags na Hemelvaart en eindigt op Pinksteren.  Gericht tot de derde persoon van de Heilige Drievuldigheid, is het een krachtig smeekgebed om de zeven gaven van de Heilige Geest . 

De zeven gaven van de Heilige Geest zijn: wijsheid, inzicht, raad, sterkte, kennis, vroomheid en ontzag voor God. In hun volheid behoren ze toe aan Christus, de Zoon van David. Ze voltooien de deugden van hen die ze ontvangen en brengen die tot volmaaktheid. Ze maken de gelovigen volgzaam om onverwijld te gehoorzamen aan de goddelijke ingevingen. 

Het morele leven van de Christenen wordt ondersteund door de gaven van de Heilige Geest. Dit zijn permanente gesteltenissen die de mens gehoorzaam maken om de ingevingen van de Heilige Geest te volgen.

Uw geest, die goedertieren is, geleide mij op effen paden” (Ps. 143, 10). Allen die zich laten leiden door de Geest van God, zijn kinderen van God (...). Maar als wij kinderen zijn, dan ook erfgenamen, en wel erfgenamen van God, tezam met Christus (Rom. 8, 14.17). 
Zie ook CKK 1830 en 1831

Wij bidden dagelijks:

Kom, Heilige Geest,
vervul de harten van uw gelovigen
en ontsteek in hen het vuur van uw liefde.
Zend uw Geest uit
en alles zal herschapen worden;
en Gij zult het aanschijn van de aarde vernieuwen.

Laat ons bidden:
God, Gij hebt de harten van uw gelovigen
door de verlichting van de Heilige Geest onderwezen;
geef, dat wij door die Heilige Geest
de ware wijsheid mogen bezitten
en ons altijd over zijn vertroosting verblijden.

Door Christus onze Heer.
Amen.

Collectegebed Hoogfeest Hemelvaart - De Hemelvaart van Christus, uw Zoon, is ook onze verheffing


Collectegebed Hoogfeest Hemelvaart - De Hemelvaart van Christus, uw Zoon, is ook onze verheffing

Fac nos, omnipotens Deus, sanctis exsultare gaudiis, et pia gratiarum actione lætari, quia Christi Filii tui ascensio est nostra provectio, et quo processit gloria capitis, eo spes vocatur et corporis.

Almachtige God, laat ons juichen en blij zijn, vol dankbaarheid, omdat de hemelvaart van Christus, uw Zoon, ook onze verheffing is. Zijn glorie bij U is onze hoop, want wij vormen één lichaam met Hem die ons Hoofd is: Jezus Christus onze Heer.

Poging tot meer letterlijke vertaling
Laat ons, almachtige God, van heilige vreugde juichen, en vreugde gevoelen in vrome dankbaarheid, omdat de Hemelvaart van Christus, uw Zoon, ook onze verheffing is: en waarheen de glorie van het Hoofd (Christus) is voorgegaan, daarheen wordt ook de hoop van het Lichaam (de Kerk) geroepen.

Volgens de kalender van de Nederlandse kerkprovincie vieren wij de Hemelvaart van onze Heer op de veertigste dag na Pasen. Elders is ook wel besloten Hemelvaart te vieren op de zevende zondag van Pasen vanuit het motief dat dan meer mensen het mysterie van de Hemelvaart des Heren in de kerk kunnen vieren. Vanaf de vierde eeuw is het feest op de veertigste dag, dus op donderdag, gevierd.

L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n
Dit gebed is een nieuwe tekst geschreven voor de Novus Ordo uit 1969 van Paulus VI. De belangrijkste bron voor de tekst is een preek van paus Leo de Grote (461), Sermo 73,4:

Quia igitur Christi ascensio, nostra provectio est, et quo praecessit gloria capitis, eo spes vocatur et corporis, dignis, dilectissimi, exultemus gaudiis et pia gratiarum actione laetemur.

De woorden “gratias agere” betekenen “dank zeggen”. “Dank U” is in het Latijn: gratias tibi ago. De verbinding met het begrip “Eucharistie” is duidelijk. In liturgisch verband betekent “actio” vaak “het liturgische doen” , "de liturgieviering", en zelfs de kern van de Heilige Mis, het Eucharistisch Gebed. “Provectio “ betekent “verheffing”, “bevordering”, "overstijging".

De woorden "Hoofd" en "Lichaam" zijn met hoofdletters geschreven omdat Leo de Grote daarmee doelt op Christus als Hoofd en op de Kerk als het Lichaam van Christus.

Op 1 juni 444 preekte Leo de Grote in sermo 73,4:

"Het was voorwaar een grote, onbeschrijfelijke bron van vreugde toen, ten aanschouwen van de hemelse schare, het mensdom is opgevaren boven de waardigheid van alle hemelse wezens, de engelenschaar en de rangen van de Aartsengelen. In zijn Hemelvaart oversteeg Hij de andere rangen totdat Hij werd ontvangen bij de zetel van de eeuwige Vader, en verbonden op de Glorietroon in die Ene, waarin de Vader samengaat met de Zoon”.

Paus Leo de Grote (geïnspireerd door St. Augustinus – 325) preekte op 17 mei 445
(in sermo 74, 3):

"[Ons katholieke] geloof], versterkt door de Hemelvaart van de Heer en versterkt door de gaven van de Heilige Geest, is niet bang van ketenen, gevangenis, ballingschap, honger, vuur, of verscheurd te worden door wilde dieren, noch van hevig lijden door wreedheid van vervolgers.  Over de hele wereld, hebben niet alleen mannen maar ook vrouwen, niet alleen onvolwassen jongens maar ook kwetsbare maagden geleden voor dit geloof en zelfs hun bloed vergoten.  Dit geloof heeft demonen verdreven, van ziekten genezen en doden doen opstaan".

We weten vanuit ons katholieke geloof,  “dat niet wordt aangenomen, wat niet reeds was verlost” (H. Gregorius van Nazianze d 389/90).

Onze menselijke natuur, lichaam en ziel, werd door de Zoon opgenomen in een onverbrekelijke band met Zijn goddelijke Natuur. Toen Christus uit het graf opstond, werd onze menselijke natuur verheven.  Toen Christus naar de hemel is opgevaren, zijn ook wij opgevaren. In Christus Jezus zetelt onze menselijke natuur nu aan de rechterhand van de Vader. 

Zijn hemelvaart destijds is nu onze grote hoop.  Onze hoop is reeds vervuld, maar nog niet ten volle. 


Die hoop draagt ons bij de beproevingen in dit leven.

Met dank aan en toestemming van Father Zuhlsdorf 

donderdag 29 mei 2025

Prefatie I Hemelvaart van Christus



Heilige Vader, machtige eeuwige God,
om recht te doen aan uw heerlijkheid,
om heil en genezing te vinden,
zullen wij U danken, altijd en overal.

Want de Heer Jezus, de Koning der glorie,
de overwinnaar van zonde en dood,
is tot verwondering van de Engelen
naar het hoogste der hemelen opgestegen,
waar hij zetelt als Middelaar tussen God en de mensen,
als Rechter der wereld en Heer van alle machten.

Viri Galilei Introitus Hemelvaart (Gregoriaans)


Lezingen H. Mis (Lectionarium) van de Hemelvaart van de Heer Nadat de Heer Jezus aldus tot hen gesproken had, werd Hij ten hemel opgenomen

Eerste lezing (Hand. 1, 1-11)
Uit de Handelingen der Apostelen.
Mijn eerste boek, Teófilus, heb ik geschreven
over alles wat Jezus gedaan en geleerd heeft
tot aan de dag, waarop Hij zijn opdracht gaf
aan de Apostelen, die Hij door de heilige Geest
had uitgekozen, en waarop Hij ten hemel werd opgenomen.
Na zijn sterven toonde Hij hun met vele bewijzen,
dat Hij in leven was.
Hij verscheen hun gedurende veertig dagen
en sprak met hen over het Rijk Gods.
Terwijl Hij met hen at,
beval Hij hun Jeruzalem niet te verlaten,
maar de belofte van de Vader af te wachten
die, zo zei Hij, gij van Mij vernomen hebt:
“Johannes doopte met water,
maar gij zult over enkele dagen
gedoopt worden met de heilige Geest.”
Terwijl zij eens bijeengekomen waren,
stelden zij Hem de vraag:
“Heer, gaat Gij in deze tijd voor Israël het koninkrijk herstellen?”
Maar Hij gaf hun ten antwoord:
“Het komt u niet toe dag en uur te kennen,
die de Vader in zijn macht heeft vastgesteld.
Maar gij zult kracht ontvangen
van de heilige Geest, die over u komt,
om mijn getuigen te zijn in Jeruzalem,
in geheel Judea en Samaria
en tot het einde der aarde.”
Na deze woorden
werd Hij ten aanschouwen van hen omhooggeheven
en een wolk onttrok Hem aan hun ogen.
Terwijl zij Hem bij zijn hemelvaart gespannen nastaarden,
stonden opeens twee mannen in witte gewaden bij hen die zeiden:
“Mannen van Galilea,
wat staat ge naar de hemel te kijken?
Deze Jezus,
die van u is weggenomen naar de hemel,
zal op dezelfde wijze wederkeren
als gij Hem naar de hemel hebt zien gaan.”

Tweede lezing (Ef. 1, 17-23)
Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Efese.
Broeders en zusters,
ik smeek de God van onze Heer Jezus Christus,
de Vader der heerlijkheid,
u de Geest te geven van wijsheid en openbaring
om Hem waarachtig te kennen.
Moge Hij uw innerlijk oog verlichten
om te zien, hoe groot de hoop is waartoe Hij u roept,
hoe rijk
de heerlijkheid van zijn erfdeel te midden der heiligen
en hoe overgroot zijn macht is in ons die geloven.
Dezelfde sterkte en kracht heeft Hij betoond in Christus,
toen Hij Hem opwekte uit de dood
en zette aan zijn rechterhand in de hemelen,
hoog boven alle heerschappijen,
machten, krachten en hoogheden
en boven elke naam, die genoemd wordt,
niet alleen in deze maar ook in de toekomstige tijd.
Alles heeft God onder zijn voeten gelegd,
en Hemzelf, verheven boven alles,
heeft Hij als Hoofd gegeven aan de kerk,
die zijn lichaam is,
de volheid van Hem, die het al in alles vervult.

Evangelie (Mc 16, 15-20)
In die tijd, toen Jezus aan de elf verscheen,
sprak Hij tot hen:
“Gaat uit over de hele wereld
en verkondigt het evangelie aan heel de schepping.
Wie gelooft en gedoopt is zal gered worden,
maar wie niet gelooft, zal veroordeeld worden.
En deze tekenen zullen de gelovigen vergezellen:
in mijn Naam zullen ze duivels uitdrijven,
nieuwe talen spreken,
slangen opnemen;
zelfs als ze dodelijk vergif drinken zal het hun geen kwaad doen;
en als ze aan zieken de handen opleggen
zullen dezen genezen zijn.”
Nadat de Heer Jezus aldus tot hen gesproken had, werd Hij ten hemel opgenomen
en Hij zit aan de rechterhand van God.
Maar zij trokken uit om overal te prediken,
en de Heer werkte met hen mee
en schonk kracht aan hun woord
door de tekenen die het vergezelden.

zondag 25 mei 2025

The Holy Spirit Will Teach You Everything - Bishop Barron's Sunday Sermon 6PC

Lezingenofficie Zesde zondag van Pasen Liturgia Horarum Het Woord des levens en het licht van God


Lezingen van het Lezingenofficie


Augustinus leest Paulus, fresco van Benozzo Gozzoli (1420-1497)

Eerste lezing

Uit de Eerste brief van de Apostel Johannes 1,1-10

Het Woord des levens en het licht van God

Wat er was vanaf het begin, wat wij gehoord hebben, wat wij met eigen ogen gezien en aanschouwd hebben, wat onze handen hebben aangeraakt, dat verkondigen wij: het Woord dat leven is. et leven is verschenen, wij hebben het gezien en getuigen ervan, we verkondigen u het eeuwige leven dat bij de Vader was en aan ons verschenen is. Wat wij gezien en gehoord hebben, verkondigen we ook aan u, opdat ook u met ons verbonden bent. En verbonden zijn met ons is verbonden zijn met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus. We schrijven u deze brief om onze vreugde volkomen te maken. Dit is wat wij hem hebben horen verkondigen en wat we u verkondigen: God is licht, er is in hem geen spoor van duisternis.
Als we zeggen dat we met hem verbonden zijn terwijl we onze weg in het duister gaan, liegen we en leven we niet volgens de waarheid. Maar gaan we onze weg in het licht, zoals hijzelf in het licht is, dan zijn we met elkaar verbonden en reinigt het bloed van Jezus, zijn Zoon, ons van alle zonde.
Als we zeggen dat we de zonde niet kennen, misleiden we onszelf en is de waarheid niet in ons. Belijden we onze zonden, dan zal hij, die trouw en rechtvaardig is, ons onze zonden vergeven en ons reinigen van alle kwaad. Als we zeggen dat we nooit gezondigd hebben, maken we hem tot een leugenaar en is zijn woord niet in ons.

Tweede lezing

Uit de Commentaren op de Tweede Brief aan de Korinthiërs van de H. Cyrillus van Alexandrië, bisschop
(Cap. 5, 5 — 6, 2: PG 74, 942-943)

God heeft ons door Christus met zich verzoend en ons de bediening van de verzoening toevertrouwd

Zij, die het onderpand van de Geest bezitten en de hoop op de verrijzenis, en die de toekomstige verwachting reeds als iets tegenwoordigs beschouwen, zeggen, dat zij van nu af niemand meer beoordelen naar het vlees. Want allen zijn wij geestelijk en vreemd aan het vleselijk bederf. Want als de Eniggeborene voor ons oplicht, worden wij in dat Woord zelf, dat alles levend maakt, omgevormd. Zoals wij namelijk in de banden van de dood lagen verstikt, toen de zonde heerste, zo hebben wij het bederf van ons afgeworpen, toen de gerechtigheid van Christus in ons doordrong.

Derhalve leeft niemand meer in het vlees, dat is in de vleselijke zwakheid, waartoe met recht en reden o.a. het bederf gerekend moet worden, als de Apostel eraan toevoegt: Want al hebben wij Christus naar het vlees beoordeeld, thans beoordelen wij Hem zo niet meer. Alsof hij wilde zeggen: Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond, en voor ons aller leven heeft Hij de dood naar vlees het ondergaan, zo hebben wij Hem leren kennen; maar van nu af kennen wij Hem zo niet meer. Want hoewel Hij het vlees behouden heeft – Hij die toch op de derde dag herleefde en bij de Vader verblijft in de hemel – weten wij, dat Hij boven het vlees is uitgestegen: want eenmaal gestorven, sterft Hij niet meer; de dood heeft geen macht meer over Hem. Want dat Hij gestorven is wil zeggen, dat Hij stierf voor de zonde, eens en voorgoed, maar dat Hij leeft, is een leven voor God.

Als Hij zich dan op deze wijze tot voorvechter heeft gemaakt voor ons leven, moeten wij ook zeker zijn voetstappen volgen en worden wij verondersteld niet als in het vlees maar boven het vlees uit te leven. Daarom zegt de H. Paulus zeer terecht: Zo wordt dus wie in Christus is, nieuw geschapen: het oude is voorbij, zie het nieuwe is daar. Want we zijn gerechtvaardigd door het geloof in Christus en de kracht van de vloek is gebroken. Want omdat Hij om ons is verrezen, is de macht van de dood overwonnen. In waarheid en in zijn eigen natuur erkennen wij God, die wij in geest en waarheid vereren, met als Middelaar zijn Zoon, die de hemelse zegeningen van de Vader aan de wereld meedeelt.

Daarom zegt de H. Paulus zo vol wijsheid: Alles is uit God, die zich met ons verzoend heeft door Christus. Want inderdaad is het mysterie van de Menswording, met als gevolg onze vernieuwing, niet buiten de wil van de Vader om. Immers door Christus hebben wij toegang tot Hem gekregen, daar niemand tot de Vader komt, zoals Christus zelf zegt, dan door Hem. Derhalve: Alles is uit God, die ons door Christus met zich verzoende en ons de bediening van die verzoening toevertrouwde.

Lezingen H. Mis 6e zondag van Pasen, jaar C “Als iemand Mij liefheeft zal hij mijn woord onderhouden"

Eerste lezing (Hand. 15, 1-2.22-29)
Uit de Handelingen van de Apostelen.
In die dagen verkondigden enige mensen die van Judea waren gekomen, aan de broeders de leer: “Indien ge u niet naar Mozaïsch gebruik laat besnijden, kunt ge niet gered worden.” Toen hierover onenigheid ontstond en Paulus en Barnabas in een felle woordenwisseling met hen raakten, droeg men Paulus en Barnabas en enkele andere leden van de gemeente op met deze strijdvraag naar de apostelen en oudsten in Jeruzalem te gaan. Deze besloten samen met de hele gemeente enige mannen uit hun midden te kiezen en met Paulus en Barnabas naar Antiochië te sturen: Judas, bijgenaamd Barsabbas en Silas, mannen van aanzien onder de broeders, en hun het volgende schrijven mee te geven: “De apostelen en de oudsten zenden hun broederlijke groet aan de broeders uit de heidenen in Antiochië, Syrië en Cilicië. Daar wij gehoord hebben dat sommigen van ons u door woorden in verwarring hebben gebracht en uw gemoederen hebben verontrust, zonder dat ze van ons enige opdracht hadden gekregen, hebben wij eenstemmig besloten enige mannen uit te kiezen en naar u toe te sturen, in gezelschap van onze dierbare Barnabas en Paulus, mensen die zich geheel en al hebben ingezet voor de naam van onze Heer Jezus Christus. Wij hebben dus Judas en Silas afgevaardigd die ook mondeling hetzelfde zullen overbrengen. De heilige Geest en wij hebben namelijk besloten u geen zwaardere last op te leggen dan het strikt noodzakelijke: namelijk u te onthouden van spijzen die aan afgoden geofferd zijn, van bloed, van verstikt vlees en van ontucht. Als gij uzelf daarvoor in acht neemt zal het u goed gaan. Vaarwel!”

Tweede lezing (Apok. 21, 10-14.22-23)
Uit de Openbaring van de heilige apostel Johannes.
Een engel bracht mij, Johannes in de geest op een zeer hoge berg en toonde mij de heilige Stad, Jeruzalem, terwijl zij van God uit de hemel neerdaalde, stralend van de heerlijkheid Gods; zij schitterde als het kostbaarste gesteente en als kristalheldere jaspis. De Stad was omringd door een zeer hoge muur met twaalf poorten en aan de poorten stonden twaalf engelen; namen waren daarop gegrift, de namen van de twaalf stammen van Israël. Er waren drie poorten op het oosten, drie op het noorden, drie op het zuiden en drie op het westen. En de stadsmuur had twaalf grondstenen en daarop stonden de twaalf namen van de twaalf apostelen van het Lam. Maar een tempel zag ik er niet want God, de Heer, de Albeheerser is haar tempel zoals ook het Lam. En de Stad heeft het licht van zon en maan niet nodig want de luister van God verlicht haar en haar lamp is het Lam.

Evangelie (Joh. 14, 23-29)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes.
.In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Als iemand Mij liefheeft zal hij mijn woord onderhouden; mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en verblijf bij hem nemen. Wie Mij niet liefheeft onderhoudt mijn woorden niet; en het woord dat gij hoort is niet van Mij maar van de Vader die Mij gezonden heeft. Dit zeg Ik u terwijl Ik nog bij u ben, maar de Helper, de heilige Geest, die de Vader in mijn Naam zal zenden, Hij zal u alles leren en u alles in herinnering brengen wat Ik u gezegd heb. Vrede laat Ik u na; mijn vrede geef Ik u. Niet zoals de wereld die geeft, geef Ik hem u. Laat uw hart niet verontrust of kleinmoedig worden. Gij hebt Mij horen zeggen: Ik ga heen maar Ik keer tot u terug. Als Gij mij zoudt liefhebben, zoudt gij er blij om zijn dat Ik naar de Vader ga want de Vader is groter dan Ik. Nu, eer het gebeurt, zeg Ik het u, opdat gij, wanneer het gebeurt, zult geloven.”

Introitus Zesde Zondag van Pasen Vocem Jucunditatis

woensdag 25 mei 2022

Christus’ opstijging ten hemel is voor ons een onderpand - Sint Bernardus


Christus’ opstijging ten hemel is voor ons een onderpand

Indien wij met waardige godsvrucht de feesten van de Menswording en de Verrijzenis vieren, dan is het passend dat ook deze dag van de Hemelvaart met niet minder luister worde gevierd. want deze plechtigheid hoort helemaal bij die twee feesten waarvan zij het slot en de voltooiing is. Terecht was het een blijde en feestelijke hoogdag, toen de hoogverheven Zon, de Zon der gerechtigheid, zich aan onze zwakke ogen vertoonde en Zijn ongenaakbaar en verblindend licht als in een wolk temperde door zich te onthullen met het kleed van een sterfelijk lichaam. Nog meer vreugde en jubel was er toen Hij dat omhulsel scheurde, zich omgordde met blijdschap, en zonder iets te veranderen aan het wezen van het kleed, alles er uit verwijderde wat oud en vergankelijk, ellendig en waardeloos was: en aldus gaf Hij het onderpand van onze verrijzenis.

Maar wat betekenen voor mij deze feesten, zolang mijn leven aan de aarde gebonden is? Wie zou ooit durven verlangen in de hemel te worden opgenomen, ware Hij niet eerst opgestegen, die er uit was nedergedaald? Ik mag het u rechtuit zeggen: het verblijf in deze ballingschap zou mij haast zo zwaar vallen als de hel, indien de Heer der legerscharen ons geen onderpand van vertrouwen en van verwachting had achtergelaten, en aan zijn gelovigen geen hoop gegeven had, toen Hij in de wolken opsteeg. Want Hij zegt: indien Ik niet heenga zal de Paracleet niet tot u komen. Wie is deze Paracleet Het is Hij door wie de liefde wordt uitgestort en de hoop niet wordt beschaamd, door wie onze levenswandel in de hemel is; Hij is de kracht uit den hoge die onze harten verheft. “Ik ga u een woning bereiden”, zegt Hij nog, “en als Ik zal heengegaan zijn en u deze woning zal bereid hebben, dan zal Ik terug komen om u tot Mij te nemen” (Jo 14,2-3). “Want waar het aas ligt, daar verzamelen zich de gieren (Mt 24,28)”.
Begrijpt gij nu hoe het feest dat wij vandaag vieren, de andere feesten aanvult, hun geestelijke vruchten uitlegt en ze vermeerdert?

Zoals al de andere gebeurtenissen uit het leven van Hem die voor ons geboren en aan ons gegeven werd, zo is ook Zijn Hemelvaart omwille van ons geschied, en tot ons voordeel doet Hij dat.

(S. Bernardus in Ascens. Dom. IV; PL 183 c. 309)

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum IN ASCENSIONE DOMINI Sollemnitas Nemo ascendit in cælum, nisi qui descendit de cælo. Niemand stijgt op ten hemel, dan Hij die uit de hemel is neergedaald.


Ad Officium lectionis

 Lectio altera

Ex Sermónibus sancti Augustíni epíscopi
(Sermo de Ascensione Domini, Mai 98, 1-2: PLS 2, 494-495)
Tweede lezing
Uit de Preken van de H. Augustinus, bisschop, over de Hemelvaart van de Heer
(Sermo de Ascensione Domini, Mai 98, 1-2: PLS 2, 494-495)

Niemand stijgt op ten hemel, dan Hij die uit de hemel is neergedaald

Heden is onze Heer Jezus Christus ten hemel opgestegen. Laat ook ons hart met Hem opstijgen.

Luisteren wij naar de Apostel die zegt: ‘Als gij met Christus verrezen zijt, zoekt dan wat boven is, daar waar Christus zetelt aan de rechterhand Gods. Zint op het hemelse, niet op het aardse’ (Kol. 3, 1-2). Hij is opgestegen, maar niet van ons heengegaan. Zo zijn ook wij al daar met Hem, terwijl in ons lichaam nog niet gebeurd is wat ons beloofd wordt.

Hij is al boven de hemelen verheven, maar toch ondergaat Hij op aarde al het lijden dat wij als zijn ledematen te verduren hebben. Hiervan getuigde Hij toen Hij vanuit de hemel riep: ‘Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij?’ (Hand. 9, 4), en eveneens met de woorden: ‘Ik had honger, en gij hebt Mij te eten gegeven’ (Mt. 25, 35).

Waarom doen ook wij niet zó ons best op aarde, dat wij door geloof, hoop en liefde, waardoor wij met Hem verbonden zijn, ook reeds met Hem van de rust genieten in de hemel? Hoewel Hij daar is, is Hij ook met ons, en terwijl wij hier zijn, zijn wij ook met Hem. Hij is met ons door zijn godheid, zijn macht en zijn liefde. Wij kunnen niet bij Hem aanwezig zijn door de godheid zoals Hij bij ons, maar wij kunnen het door de liefde, door de liefde tot Hem.

Hij verliet de hemel niet toen Hij vandaar naar ons afdaalde, Hij verliet ons niet toen Hij weer naar de hemel opsteeg. Want dat Hij daar was, terwijl Hij toch bij ons was, dat getuigt Hijzelf. ‘Nooit is er iemand naar de hemel opgeklommen,’ zegt Hij, ‘tenzij Hij die uit de hemel is neergedaald, de Mensenzoon die in de hemel is’, (Joh. 3, 13). Hij zei niet: de Mensenzoon die in de hemel zal zijn, maar die in de hemel is.

Dit is gezegd vanwege de eenheid tussen Hem en ons, omdat Hij ons hoofd is en wij zijn lichaam zijn. Niemand anders dan Hij is naar de hemel opgestegen dan Hij die uit de hemel neergedaald is. Maar vergeet niet dat met ‘Hij’ ook wij bedoeld zijn, overeenkomstig het feit dat Hij de Mensenzoon is omwille van ons en dat wij kinderen van God zijn omwille van Hem.

Zo immers zegt de Apostel het: ‘Zoals het menselijk lichaam met zijn vele ledematen één geheel vormt; en alle ledematen, hoe vele ook, één lichaam zijn, zo ook de Christus’ (1 Kor. 12, 12). Hij zegt niet: ‘Zo is het ook met de Christus’, maar hij zegt: ‘Zo ook de Christus.’ Christus is dus vele ledematen, één lichaam.

Hij daalde derhalve af uit de hemel uit medelijden, en niemand steeg op dan Hij alleen, terwijl ook wij in Hem opstegen door de genade.
En om deze reden is er niemand afgedaald dan Christus, en niemand opgestegen dan Christus: dit betekent niet dat de waardigheid van het hoofd mag gelijkgesteld worden met zijn lichaam, maar wel dat de eenheid van het lichaam niet mag gescheiden worden van het hoofd.

Hoe en waarom is Jezus ten hemel opgestegen?


Hoe en waarom is Jezus ten hemel opgestegen?
De Heer Jezus werd ten hemel opgenomen en zit aan de rechterhand van God“ (Mc 16,15) zo horen we in het Evangelie van dit hoogfeest dat in sommige bisdommen of parochies op deze zondag wordt gevierd.

De dagen en jaren van Jezus‘ leven en werk schitterden door wonderen. Maar veel  wonderbaarder dan hetgeen Hij in de mensen had bewerkt was dat wat na zijn Dood met Hem gebeurde. Het is zijn glorierijke Verrijzenis uit de doden en zijn wonderbaarlijke Hemelvaart(1). Deze Hemelvaart is niets anders dan de voortzetting van het wonderlijke leven van Jezus in de tijd na zijn Verrijzenis.

De Hemelvaart van Jezus is qua plaats en tijd vastgelegd. De plaats is de Olijfberg. Waarom juist deze plaats? Blijkbaar verbindt God met deze Hemelvaart een bijzondere betekenis. Hij zou ons hiermee kunnen tonen dat wie volhard heeft in het lijden ook in de hemel kan worden opgenomen. In de Hof van Olijven – aan de voet van de Olijfberg - is het Lijden van Jezus immers begonnnen. De dag van Jezus‘ Hemelvaart is ook in de tijd vastgelegd: niet 31, niet 39 dagen, maar 40 dagen na zijn Verrijzenis is Jezus ten hemel opgestegen om alle mythische beredeneringen te niet te doen. De Hemelvaart van Jezus ligt vast naar tijd en plaats. Jezus is als Mens naar de hemel opgegaan; als God had Hij deze nooit verlaten. Als Mens is Hij de heerlijkheid van de Vader binnengegaan. Door dit heilsmysterie is Jezus met gerechtigheid gekroond, die Hij door zijn weergaloze gehoorzaamheid had verdiend.  Nu kan iedereen zien dat er een gerechtigheid is. Hij die geschonden, gesmaad en veroordeeld werd, wordt nu door de Vader in de heerlijkheid van de hemel opgenomen.

Wanneer de gebeurtenis van Jezus’ Hemelvaart zó beschreven wordt dat Hij opsteeg, is dit niet omreden dat de hemel boven en de hel beneden is. Dat zijn beelden. De wolkenhemel waarin de vliegtuigen hun traject afleggen en de vogels cirkelen is niet de hemel als de aan God voorbehouden werkelijkheid. De hemel waarover we hier spreken is, in het Engels uitgedrukt heaven, en niet sky. Sky is de wolkenhemel, heaven is de aan God voorbehouden werkelijkheid en daarheen is Christus opgestegen. Deze werkelijkheid kan niet met een plaats worden benoemd, we weten alleen dat deze realiteit al onze ervaringen overstijgt.

Hij steeg ten hemel uit eigen kracht. Hij had geen wagen nodig zoals Elias, en ook geen engelen zoals de profeet Habacuc. Uit eigen kracht, uit kracht van zijn goddelijke natuur is de mens Jezus in de hemel opgenomen. Dat is de Hemelvaart van Jezus.

Ook het heelal van de ruimtevaarders is niet de hemel van God. God gaat heel de waarneembare werkelijkheid te boven, Hij is niet alleen boven de aarde, Hij overstijgt ook de hemelen. Deze waarheid drukt de Kerk in de liturgie van H.Mis en Getijdengebed uit als zij bidt: „God, U hebt uw Zoon boven alle hemelen verheven“, dus niet tot de hemelen en ook niet tot de hemel die we zien en evenmin het heelal, maar boven álle hemelen is Jezus opgenomen. Ons wereldbeeld kan dus ons geloof in de Hemelvaart van Jezus niet te niet doen, maar verdraagt zich ermee. Jezus overstijgt ieder wereldbeeld, want de hemel waarnaar Hij opstijgt is een goddelijke werkelijkheid.

Waarom is Jezus ten hemel opgestegen? Waarom is Hij in de heerlijkheid van God opgenomen? De H. Schrift geeft hierop een viervoudig antwoord: Op de eerste plaats is Hij ten hemel opgestegen om de hoogste heerlijkheid te verwerven. Hij zou door de Hemelvaart aan de rechterzijde van de Vader worden verheven, dat wil zeggen dat Hij de hoogste heerlijkheid van God zou ontvangen. Hij zou als Mens de heerlijkheid van God binnentreden. Zo spreekt immers de Brief van de H.Paulus aan de Efesiërs: “Hij die is neergedaald is Dezelfde die ook is opgestegen hoog boven alle hemelen“ (4,10) – boven alle hemelen! – om het heelal te vervullen“. Hij is de heerlijkheid van de Vader binnengegaan. Men ziet dat God de Gerechtigheid is. Hij heeft zijn Dienaar niet tot ontbinding laten overgaan, Hij heeft Hem uit het graf geroepen en aan zijn rechterhand verheven. Dit is de eerste reden van de Hemelvaart van Jezus Christus.
De tweede reden waarom Jezus ten hemel is opgestegen ligt in de zending van de Heilige Geest. Kon de Geest dan niet tevoren komen? Nee, de Geest moest eerst worden ontbonden Jezus moest eerst worden ontbonden door uit de verheerlijkte menselijke natuur te voorschijn te treden. Jezus zegt dit ook in het Evangelie van Johannes: “Ik zeg u de waarheid: het is goed voor u dat ik heenga; want als Ik niet heenga zal de Helper niet tot u komen. Nu Ik wel ga zal Ik Hem tot u zenden“ (Jo 151,7). Hij is ten hemel opgestegen om ons het geschenk van de H.Geest te geven. Nu stroomt Hij uit door de verheerlijkte natuur van Jezus.
Verder is Jezus naar de hemel opgestegen om de Vader voor ons te smeken. Wij hebben een Voorspreker nodig die voor ons ten beste spreekt en voor ons bemiddelt. Nu hebben wij Hem, Jezus Christus, de Mens, bij de Vader in de hemel. Hij is nu onze Voorspreker bij de Vader zoals Johannes in zijn 1e Brief schrijft: “Kinderen, dit schrijf ik u, opdat gij niet zoudt zondigen. En mocht iemand zondigen, dan hebben wij een Voorspreker bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige“ (1 Jo 2,1).
De laatste reden van de Hemelvaart is dat Jezus voor ons de hemel toegankelijk wil maken, dat Hij ons een woning in de hemel wil bereiden. “In het huis van mijn Vader zijn vele wo- ningen“, zegt Jezus in zijn afscheidsrede. Indien dit niet zo was, zou Ik het u hebben gezegd, want Ik ga heen om een plaats voor u te bereiden“ (Jo 14,2-3). Hoe troostvol zijn deze woorden: “Ik ga heen om een plaats voor u te bereiden“. We herinneren ons ook de prefatie van de uitvaartmis waar gezegd wordt: “Gij neemt het leven, God, niet van ons af, Gij maakt het nieuw.  En als ons aardse huis, ons lichaam wordt afgebroken, heeft Jezus al een plaats voor ons bereid in uw huis, om daar voorgoed te wonen“. Hier wordt het woord vervuld dat de Heer bij zijn afscheidsrede heeft gesproken: “Ik ga heen om een plaats voor u te bereiden.“
Jezus is het Hoofd, wij de ledematen van zijn Mystieke Lichaam dat dxe Kerk is. Waar het Hoofd is daar ligt ook de bestemming van de ledematen. Christus is reeds in de hemel, daarheen willen wij Hem volgen. Hij wacht daar op ons. Na onze dood zullen wij eerst tot Hem komen met onze ziel en ook dat is iets geweldigs, iets onbegrijpelijks en iets heerlijks. Maar dit is nog niet de definitieve toestand, immers, zoals het in de Handelingen van de Apostelen heet: “De hemel moest Hem opnemen tot de tijd van het herstel van alle dingen, tot zijn wederkomst plaatsvindt“ (cf Hand 3,21). Dan zullen wij ook met het verheerlijkte lichaam in de heerlijkheid van God worden opgenomen.
Nog is ons oog versluierd, nog is ons leven in Christus verborgen. Maar wanneer Christus, ons leven, verschijnt,  zullen wij met Hem de heerlijkheid van de Vader binnengaan.
(Onder dank ontleend aan prof. dr. G.May, Homilie op Hemelvaart 2001)
(1)    Per admirabilem Ascensionem tuam…Door uw wonderbaarlijke Hemelvaart.. (Litanie van alle Heiligen tijdens de processie op de drie Kruisdagen vóór het hoogfeest van Hemelvaart

Preek van Sint Bernardus op Hemelvaart - Wat is nodig om Christus te volgen?


Preek van Sint Bernardus op Hemelvaart

Wat is nodig om Christus te volgen?

Laten wij dan, mijne broeders, onze harten en handen ten hemel heffen en ons best doen om tenminste met enkele schreden van gebed en geloof de opstijgende Heer te volgen. Want er zal een tijd komen, dat wij ineens en zonder moeite Hem tegemoet zullen worden gedragen op de wolken; en dan zal voor de vergeestelijkte lichamen mogelijk zijn, wat belichaamde geesten terecht niet kunnen. Want hoeveel moeite kost het niet zijn hart te verheffen! Ons hart wordt immers (zoals wij spijtig genoeg in het boek van onze eigen ondervinding lezen) en door het bederfelijk lichaam bezwaard en door haar verblijf op aarde terneergedrukt (Sap 9,15).

Maar misschien zal er uitgelegd moeten worden, wat het is, zijn hart te verheffen of hoe het moet verheven worden. Dit uiteen te zetten komt eerder de Apostel dan ons toe; hij zegt: “Als gij met Christus verrezen zijt, zoekt wat daarboven is, waar Christus zetelt aan de rechterhand van God; weest bedacht op wat daarboven is, en niet op het aardse” (Kol 3,1-2), waarmee hij meer uitdrukkelijk zeggen wil: Als gij mede verrezen zijt, stijgt dan ook mede op; als gij met Hem leeft, heerst dan ook met Hem!
Volgen wij het Lam, mijne broeders, laten wij het volgen waarheen het ook gaat. Laten wij het volgen in Zijn geduld (bij het lijden), bij de verrijzenis, en met nog grotere blijde bereidwilligheid als het ten hemel opstijgt.

Moge onze oude mens tegelijk met Hem gekruisigd worden, opdat het lichaam der zonde ten onder gaat; opdat wij in het vervolg geen slaaf meer zullen zijn van de zonde, na onze aardse ledematen verstorven te hebben. Evenals Hij van de doden is verrezen door de glorie van de Vader, zo laat ook ons in een vernieuwd leven wandelen (Rom 6,4). Hij is immers gestorven en verrezen, opdat wij, dood voor de zonde, voor de gerechtigheid zouden leven (1 Petr 2,24).

En omdat nu het nieuwe leven ook een veiliger plaats vraagt en de verrijzenis een hogere levensstand opeist, daarom willen wij Hem ook bij Zijn opstijgen volgen, d.w.z. wij willen zoeken en bedacht zijn op hetgeen van hierboven is, waar Hij is, en niet denken aan wat van de aarde is.

Gij vraagt wat dat voor een plaats is? Luister naar wat de Apostel zegt: “Vrij is het Jeruzalem van hierboven, en dat is onze Moeder” (Gal 4,26). Wilt gij weten wat daar te vinden is? Daar aanschouwt men de vrede! “Looft Jeruzalem de Heer; loof uw God, Sion, die uw gebied vrede schenkt” (Ps 147,12-14).

O vrede, die alle begrip te boven gaat! O vrede boven alle vrede! O maat boven alle maat! geheel gevuld, geschud en overlopend (Luc 6,38).

Daarom, Christenziel, lijd met Christus, verrijs mede met Hem en stijg mede omhoog! en dat is: onthoud u van het kwaad, doe het goede, zoek de vrede en jaag haar na (Ps 33,15).


(S. Bernardus in Ascens. Dom. V: P.L. 183 c. 316-317)

zaterdag 21 mei 2022

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Dominica VI Temporis Paschalis De bediening van de Verzoening


Ad Officium lectionis


Lectio altera

Ex Commentário sancti Cyrílli Alexandríni epíscopi in Epístolam secúndam ad Corínthios (Cap. 5, 5 — 6, 2: PG 7, 4, 942-943))


Tweede lezing

Uit de Commentaren op de Tweede Brief aan de Korinthiërs van de H. Cyrillus van Alexandrië, bisschop
(Cap. 5, 5 — 6, 2: PG 74, 942-943)

God heeft ons door Christus met zich verzoend en ons de bediening van de verzoening toevertrouwd

Zij, die het onderpand van de Geest bezitten en de hoop op de verrijzenis, en die de toekomstige verwachting reeds als iets tegenwoordigs beschouwen, zeggen, dat zij van nu af niemand meer beoordelen naar het vlees. Want allen zijn wij geestelijk en vreemd aan het vleselijk bederf. Want als de Eniggeborene voor ons oplicht, worden wij in dat Woord zelf, dat alles levend maakt, omgevormd. Zoals wij namelijk in de banden van de dood lagen verstikt, toen de zonde heerste, zo hebben wij het bederf van ons afgeworpen, toen de gerechtigheid van Christus in ons doordrong.

Derhalve leeft niemand meer in het vlees, dat is in de vleselijke zwakheid, waartoe met recht en reden o.a. het bederf gerekend moet worden, als de Apostel eraan toevoegt: Want al hebben wij Christus naar het vlees beoordeeld, thans beoordelen wij Hem zo niet meer. Alsof hij wilde zeggen: Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond, en voor ons aller leven heeft Hij de dood naar vlees het ondergaan, zo hebben wij Hem leren kennen; maar van nu af kennen wij Hem zo niet meer. Want hoewel Hij het vlees behouden heeft – Hij die toch op de derde dag herleefde en bij de Vader verblijft in de hemel – weten wij, dat Hij boven het vlees is uitgestegen: want eenmaal gestorven, sterft Hij niet meer; de dood heeft geen macht meer over Hem. Want dat Hij gestorven is wil zeggen, dat Hij stierf voor de zonde, eens en voorgoed, maar dat Hij leeft, is een leven voor God.

Als Hij zich dan op deze wijze tot voorvechter heeft gemaakt voor ons leven, moeten wij ook zeker zijn voetstappen volgen en worden wij verondersteld niet als in het vlees maar boven het vlees uit te leven. Daarom zegt de H. Paulus zeer terecht: Zo wordt dus wie in Christus is, nieuw geschapen: het oude is voorbij, zie het nieuwe is daar. Want we zijn gerechtvaardigd door het geloof in Christus en de kracht van de vloek is gebroken. Want omdat Hij om ons is verrezen, is de macht van de dood overwonnen. In waarheid en in zijn eigen natuur erkennen wij God, die wij in geest en waarheid vereren, met als Middelaar zijn Zoon, die de hemelse zegeningen van de Vader aan de wereld meedeelt.

Daarom zegt de H. Paulus zo vol wijsheid: Alles is uit God, die zich met ons verzoend heeft door Christus. Want inderdaad is het mysterie van de Menswording, met als gevolg onze vernieuwing, niet buiten de wil van de Vader om. Immers door Christus hebben wij toegang tot Hem gekregen, daar niemand tot de Vader komt, zoals Christus zelf zegt, dan door Hem. Derhalve: Alles is uit God, die ons door Christus met zich verzoende en ons de bediening van die verzoening toevertrouwde.

Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven” Zesde zondag van Pasen Beter beantwoorden aan dit sacrament van Gods grote liefde

Christus ontvangt brood en wijn voor de H. Eucharistie

Beter beantwoorden aan dit sacrament van Gods grote liefde

I n l e i d i n g
De teksten van de Gebeden over de gaven verwijzen, uiteraard, dikwijls naar de offerande van (offer)gaven en gebeden. Het zijn de “grondstoffen” voor het sacramentele offer en de eucharistische maaltijd, stoffelijk en geestelijk. In de oratie van deze zondag wordt een derde element toegevoegd: het beeld van het ‘opstijgen tot God’ (Ascendant ad te) dat samenhangt met Psalm 141, 2: “Dirigatur oratio mea sicut incensum in conspectu tuo” - Moge mijn gebed als een reukoffer voor uw Aanschijn opstijgen. Volgens de rubrieken van het Missale Romanum 1962 werd deze psalm door de priester tijdens het bewieroken van het altaar gereciteerd. Daaraan vooraf ging de bewieroking van de offergaven van brood en wijn waarbij de priester zei: “Incensum istud a te benedictum ascendat ad te, Domine: et descendat super nos misericordia tua” – Deze wierook, door U gezegend, stijge tot U op, Heer; en Uw barmhartigheid dale over ons neer. In deze bondige formulering wordt opnieuw die wonderlijke uitwisseling (commercium) uitgedrukt: het offer van brood en wijn, anticiperend op de transsubstantiatie in het Lichaam en Bloed van Christus tijdens de Consecratie, wordt door de Vader beantwoord met een van Zijn meest sublieme hoedanigheden: misericordia, barmhartigheid. Ook al zijn bovengenoemde gebeden en deze rite als zodanig in het MR 1970 niet meer opgenomen, het Algemeen Statuut van MR 1970 formuleert in ieder geval de mogelijkheid van bewieroking alsook de symbolische betekenis ervan: “Dona in altari collocata, et ipsum altare, incensari possunt, ut oblatio Ecclesiæ eiusque oratio sicut incensum in conspectum Dei ascendere significentur” (nr. 51) – De op het altaar geplaatste gaven en het altaar zelf kunnen worden bewierookt, om te beduiden dat de offergave en het gebed van de Kerk als wierook opstijgen voor het Aangezicht van God.
Wat de oratie van het opstijgen van de gebeden en offergaven verwacht, is dat God in zijn overgrote genade priester en gelovigen zuivert en hen het grote mysterie van de goddelijk liefde waardig maakt. Het grote mysterie van de goddelijke liefde is de H. Eucharistie, het Offer van het Nieuwe Verbond, waarin de gebeden van de Kerk met de gebeden van Christus, en haar gaven met de gaven van de H. Eucharistie, het Lichaam en Bloed van Christus, onder de tekenen van brood en wijn, tot God opstijgen.
T e k s t
Missale Romanum – 1970
Ascendant ad te, Domine, preces nostræ cum oblationibus hostiarum,
sacramentis magnæ pietatis aptemur.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie – 1979
maak ons in uw goedheid vrij van zonden

Werkvertaling 
Mogen onze gebeden [tegelijk] met [onze] offergaven (letterlijk: met het brengen (met de aanbiedingen) van de offers, Heer, tot U opstijgen,
geschikt worden gemaakt voor Uw sacramenten van Uw grote liefde.

L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n
De bron van tekstelementen van deze oratio super munera/oblata of oratio secreta gaat terug tot op het Sacramentarium Leonianum, (Verona, Kapittelbibliotheek LXXXV; tweede helft zesde eeuw) 1191 en 181. De oratio als zodanig kwam niet voor in eerdere uitgaven van het Missale Romanum.

S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l f i g u r e n
1. Ascendant ad te, Domine, preces nostræ cum oblationibus hostiarum,
2a. ut, 2b. tua dignatione mundati,
2a. sacramentis magnæ pietatis aptemur.
De oratie is opgebouwd uit een enkele zin, bestaande uit een hoofdzin (r. 1) in de coniunctivusvorm, gevolgd door een finale / doelaanwijzende resp. consecutieve / gevolghebbende bijzin in de coniunctivusvorm ingeleid door het voegwoord ut (r. 2a), welke wordt onderbroken door de ondergeschikte bijwoordelijke bijzin met aanvullende informatie bij het subject wij (af te leiden uit de persoonsuitgang aptemur) tua dignatione mundati (r. 2b).
Ad 1
Ascendant, mogen zij opstijgen, - prædicaat, 3e pers. meerv. in de coniunctivusvorm van het verbum ascendere, 3, vanwege het wens-/ gebedskarakter van de tekst. Met de plaatsing van dit werkwoord in de optativus aan de spits van de oratie wordt de betekenis ervan krachtig onderstreept. Preces nostræ cum oblationibus hostiarum: tweeledig bij het verbum behorend subject in de twee congruerende nominativusvormen meervoud (preces nostræ) en in nevenschikking een ablativusvorm (oblationibus) in het meervoud, bepaald door het voorzetsel cum, gevolgd door een genitivusvorm (genitivus subiectivus in het meervoud  (hostiarum). 
Ad te, tot U, - object van het prædicaat in de accusativusvorm, bepaald door de præpositie ad (+ acc.): accusativus van richting.
Het begrip oblatio komt uiteraard frequent voor in de ‘orationes super oblata’, de gebeden over de offergaven. Evenals hostia, -æ, f., donum, i, n. en munus, eris, n. verwijst het naar de gaven die voor de H. Eucharistie worden geofferd, naar het Eucharistische gebed zelf, of naar de offerande. In combinatie met de genitivus subiectivus hostiarum kan men in dit geval denken aan de liturgische actio van het offeren, de offerande. Een parallel vinden we in het Gebed over de gaven van de Zevende zondag van Pasen (zondag tussen Hemelvaart van de Heer en Pinksteren): “Suscipe, Domine, fidelium preces cum oblationibus hostiarum”  en in dat van de Achttiende zondag door het jaar: “[…] hostiæ spiritalis oblatione suscepta..” na de offerande van deze  geestelijke offergave te hebben ontvangen.
De tekst van regel 1 verwijst naar het hemelse visioen van de aanbidding van het Lam dat de apostel Johannes zag (Apoc 5, 8): “En toen Hij [het lam]  het boek genomen had, vielen de vier dieren neer voor het Lam;  en ook de vierentwintig oudsten, elk met een citer in de hand en met gouden schalen vol reukwerk – dat zijn de gebeden van de heiligen”. Het gebruik van de præpositie cum in plaats van het nevenschikkende et, drukt uit hoezeer beide – preces et hostias) elementen bij elkaar horen.
Ad 2a
Ut  [ ] sacramentis magnæ pietatis aptemur:
Aptemur,  op-(zo-)dat wij geschikt worden gemaakt, - prædicaat van de finale/consecutieve bijzin dat een wens of mogelijkheid (ut) uitdrukt in de 1e persoon meervoud coniunctivi præsentis passivi.
Apto, vasthechten, - maken, passend maken,  aanpassen, maar ook voorbereiden, in orde brengen, klaar maken, meestal geconstrueerd met de dativusvorm  en heeft dan ook betekenissen als geschikt maken voor, bekwamen tot, accomoderen, toepassen, dienstig maken, uitrusten met/voor.  Soms wordt de ablativusvorm gebruikt om datgene aan te geven waarmee / waardoor iets geschikt, passend wordt gemaakt of  is voorzien (ablativus instrumentalis). In het woordenboek zult u ook hebben gezien dat aptare/aptari en aptus ook gebruikt wordt in de context van het krijgsbedrijf: aptus exercitus, gereed voor de strijd, en se aptare pugnæ, zich uitrusten voor de strijd.
Sacramentis: bijwoordelijke bepaling op te splitsen in de dativusvorm meervoud van het substantivum sacramentum, vergezeld van twee congruerende genitivusvormen magnæ pietatis: genitivus explicativus. Het meervoud sacramentis zou begrepen kunnen worden als de sacrale rites waarin en waardoor God zijn heilseconomie uitwerkt: slechts door Gods liefdevolle tegemoetkoming gezuiverd kunnen wij geschikt worden gemaakt voor de ‘sacramenten’: de viering van het H. Misoffer zelf en het nuttigen van de Offerspijs (H. Communie). Het begrip sacramenta laat zich derhalve vertalen met werkzame, effectieve riten waardoor de innerlijke herschepping van de christelijke ziel voortgang vindt. De oratie bidt dus als effect van de gebeden die naar God opstijgen  een participeren in een sacraal mysterie dat de kracht bezat ons te transformeren omdat het ons meer doet delen in de Paasgeheimen van Christus:  Zijn Lijden, Sterven en Verrijzen.
Ad 2b
In deze ondergeschikte bijzin is mundati, een participium perfecti passivi, m. meervoud, een bijstelling bij het subject wij van aptemur. Tua dignatione, door Uw liefdevolle nederdaling, lett.: door Uw gewaardiging: bijwoordelijke bepaling in twee congruerende ablativusvormen: ablativus causæ die een oorzaak aanduidt of ablativus instrumentalis die het middel waarmee uitdrukt.     
V o c a b u l a r i u m
Ascendo, accendi, ascensum, 3, op iets stijgen, op iets klimmen, opstijgen, beklimmen. Verwante substantiva: ascensio, -onis f.,  het opstijgen, het opklimmen en ascensus, -us m., het opstijgen, het bestijgen, het beklimmen, en in metonymische zin (betekenisverschuiving): de plaats waar men opstijgt, toegang, opgang, hoogte.  
In de genealogie zijn de ‘ascendentes’, - ium, m., de aanverwanten in opgaande lijn en de descendentes de afstammelingen.
In het Credo wordt van Christus beleden als sluitstuk van de paasmysteries: “[…] et ascendit in cælum, sedet ad dexteram Patris”- Hij is opgevaren ten hemel, zit aan de rechterhand van de Vader.
Het hoogfeest van de Hemelvaart van Christus dat de Kerk de volgende week viert staat op de Romeinse kalender genoteerd als ‘In  Ascensione Domini’ [te lezen als] de liturgische teksten bij het hoogfeest van de Hemelvaart van de Heer. ‘Christi Filii tui ascensio est nostra provectio’ – De Hemelvaart van Christus Uw Zoon is [ook] onze verheffing, zegt het Collectegebed van genoemd hoogfeest.
Dignatio, - onis f. , substantivum bij het deponente verbum dignor, dignatus sum  met betekenissen betekent in actieve zin de achting die men iemand toedraagt, de erkenning van iemands waarde en in passieve zin de achting die men geniet, de gunst waarin men staat.
In de liturgie betekent het begrip op God toegepast: een welwillend zich gewaardigen, zich minzaam neerbuigen, in liefdevolle goedheid afdalen. Vergelijk de lof tot God op onze verlossing in het Exsultet, de paasjubelzang aan het begin van de Paasvigilie: “O mira circa nos pietatis dignatio. O inæstimabilis dilectio caritatis ut servum redimeres, Filium tradidisti” – O hoe wondervol  is de afdaling van uw liefde  jegens ons.  O onwaardeerbare liefdesuiting: om de slaaf vrij te kopen hebt Gij de Zoon prijsgegeven.
Het begrip dignatio moet niet worden verward met het substantivum dignitas, -atis f. dat betekenissen heeft als het waardig zijn, de waarde, verdienste, bijvoorbeeld laudare aliquem pro dignitate: iemand vanwege zijn verdienste prijzen (Cicero); dignitas consularis, de waardigheid van het ambt van consul. In metonymische zin (betekenisverschuiving): 1.  uiterlijke waardigheid, uiterlijk eer, achting, rang, aanzien, bijv., altus dignitatis gradus, hoge rang (van waardigheid) en 2. innerlijke waarde, eerwaardigheid, bijv. agere cum dignitate, met waardigheid handelen; dignitatem servare, [zijn] waardigheid bewaren; res non habet dignitatem de zaak komt niet met de waardigheid overeen  (Cicero). Het meervoud dignitates betekent ereambten
Pietas, - atis, f. : ook pietas kent een dubbele beweging: de natuurlijke liefde van de vader / de moeder voor hun kinderen en de respectvolle wederliefde van de kinderen voor hun ouders (piëteit) als ook de liefdevolle bejegening van de naasten.
Binnen de antieke Romeinse godencultus was “Pietas” een personificatie van de liefde tot de mensen en van de Romeinse deugd Pietas, de staat en de eerbied voor de goden (vroomheid). Pietas bevatte 3 elementen: geloof in de goden, trouw aan het vaderland en respect voor de ouders. Pietas werd voorgesteld als voor een altaar staand, met de linkerarm in de hoogte geheven, terwijl zij in de rechterhand een offerschaal houdt, ofwel strekt zij met een omsluierd achterhoofd haar beide handen uit, alsof zij tot de goden bidt. Om haar betrekking tot de vrome liefde van kinderen voor hun ouders aan te duiden staat een ibis of een ooievaar aan haar voeten. Deze godin stond vaak afgebeeld op de keerzijde van Romeinse munten met vrouwen van de keizerlijke familie aan de voorzijde, daar pietas een passende deugd was voor keizerlijke vrouwen (bv. Flavia Maximiana Theodora). De keizerlijke vrouwen staan soms zelfs op de munten met het uiterlijk van de godin. 
Dit klassieke begrip kreeg een nieuwe christelijke betekenis in de relatie tussen Schepper-God-Vader en schepselen-mensen-kinderen en duidt de vaderlijke genegenheid en liefdevolle maar tegelijk gezaghebbende zorg van vader naar kind (en op deze wijze was het synoniem met misericordia en clementia) aan en omgekeerd de liefdevolle kinderlijke gehoorzaamheid met inbegrip van natuurlijke ontzag. Pietas is een van de zeven Gaven van de Heilige Geest (verg. KKK 733-736; Jes. 11,2) waardoor wij liefdevol en terecht dankbaar zijn ten opzichte van onze ouders, verwanten en medeburgers, en ook tegenover alle mensen voor zover zij God toebehoren of godvrezend zijn. Ten opzichte van de Moeder Gods en de Heiligen komen daar de aspecten van vrome verering en piëteit bij.  Kort samengevat “pietas” duidt op het vervullen van godsdienstige plichten. Op God toegepast echter, betekent pietas gewoonlijk Zijn genadige liefde jegens ons. In de oraties van het Romeins Missaal komt het substantivum komt in verbindingen als: pietatis tuæ clementia, pietas tua, pietas continua, immensa en ook als pleonasme: tuæ bonitatis pietas. 

C o m m e n t a a r
Inmiddels zijn vele gebeden over de offergaven op dit weblog aan de orde gekomen. Iedere keer wordt daarin de kern van ons geloof besproken. Christus is omwille van ons heil op aarde gekomen en heeft zijn aardse leven gegeven omwille van onze zonden.
Op Witte Donderdag herdenken wij de instelling van het Sacrament van de Heilige Eucharistie. Iedere keer als wij de Eucharistie vieren vindt het wonder plaats dat de gaven van brood en wijn, die wij offeren, door Gods genade veranderen in zijn Lichaam en Bloed.
Onze gebeden stijgen op tot God (opwaarts) en Gods genade daalt op ons neer (neerwaarts). Er is met ander woorden een wisselwerking. In de oratie van vandaag komen zowel de opwaartse beweging (onze gebeden stijgen op – ascendant) als de neerwaartse beweging (gezuiverd door Uw tot ons afdalende gewaardiging - tua dignatione mundati) fraai aan de orde.
Hierbij past ook het gebruik van wierook. Wierook drukt eerbied uit voor het mysterie van Gods aanwezigheid onder ons. Al voor de christelijke tijden werd wierook gebruikt, als middel om de goden gunstig te stemmen. In het antieke Kanaän werd wierook gebruik in de Baalsriten. In de Joodse tempeldienst bevond zich voor het gordijn van het Allerheiligste het rookofferaltaar waar ’s morgens en ’s avonds een rookoffer met wierook gebracht werd. Wierook en mirre worden in het Oude Testament vaak genoemd.
De vroege christenen wezen de goddelijke verering van de keizer af en werden daarom vervolgd. Wierook werd door hen alleen bij begrafenissen gebruikt. Doorslaggevend voor de invoering van wierook in de christelijke kerkdiensten was de reorganisatie van de kerkleiding door keizer Constantijn.
De geurende rook van de smeulende wierookhars wordt tijdens de mis in de katholieke en orthodoxe kerk sinds ca. 500 n.Chr. tot heden vanuit wierookvaten verspreid als symbool voor het ten hemel opstijgende gebed. Het gaat dan meestal om een mengsel van wierook en andere rookmiddelen b.v. benzoë, mirre, galbanum, zistrose, styrax, laurier enz.
Wanneer tijdens de uitvaartliturgie een overledene bewierookt wordt, verwijst dat naar de opname van de overleden in het mysterie van God. Ook bewieroken we de Bijbel, de offergaven van Brood en Wijn en soms zelfs de mensen die in de kerk zijn. “Laat onze gebeden en offergaven tot U komen; maak ons in uw goedheid vrij van zonden”. God is bij ons!