Posts tonen met het label Dominica VI Paschae. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Dominica VI Paschae. Alle posts tonen
zondag 25 mei 2025
Lezingenofficie Zesde zondag van Pasen Liturgia Horarum Het Woord des levens en het licht van God
Lezingen van het Lezingenofficie
Augustinus leest Paulus, fresco van Benozzo Gozzoli
(1420-1497)
Eerste lezing
Uit de Eerste brief van de
Apostel Johannes 1,1-10
Het Woord des levens en het licht van God
Wat er was
vanaf het begin, wat wij gehoord hebben, wat wij met eigen ogen gezien en
aanschouwd hebben, wat onze handen hebben aangeraakt, dat verkondigen wij: het
Woord dat leven is. et leven is verschenen, wij hebben het gezien en getuigen
ervan, we verkondigen u het eeuwige leven dat bij de Vader was en aan ons
verschenen is. Wat wij gezien en gehoord hebben, verkondigen we ook aan u,
opdat ook u met ons verbonden bent. En verbonden zijn met ons is verbonden zijn
met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus. We schrijven u deze brief om onze
vreugde volkomen te maken. Dit is wat wij hem hebben horen verkondigen en wat
we u verkondigen: God is licht, er is in hem geen spoor van duisternis.
Als we zeggen
dat we met hem verbonden zijn terwijl we onze weg in het duister gaan, liegen
we en leven we niet volgens de waarheid. Maar gaan we onze weg in het licht,
zoals hijzelf in het licht is, dan zijn we met elkaar verbonden en reinigt het
bloed van Jezus, zijn Zoon, ons van alle zonde.
Als we zeggen
dat we de zonde niet kennen, misleiden we onszelf en is de waarheid niet in
ons. Belijden we onze zonden, dan zal hij, die trouw en rechtvaardig is, ons
onze zonden vergeven en ons reinigen van alle kwaad. Als we zeggen dat we nooit
gezondigd hebben, maken we hem tot een leugenaar en is zijn woord niet in ons.
Tweede lezing
Uit de Commentaren op de Tweede
Brief aan de Korinthiërs van de H. Cyrillus van Alexandrië, bisschop
(Cap. 5, 5 — 6, 2: PG 74, 942-943)
God heeft ons door Christus met zich verzoend en ons de
bediening van de verzoening toevertrouwd
Zij, die het onderpand van
de Geest bezitten en de hoop op de verrijzenis, en die de toekomstige
verwachting reeds als iets tegenwoordigs beschouwen, zeggen, dat zij van nu af
niemand meer beoordelen naar het vlees. Want allen zijn wij geestelijk en
vreemd aan het vleselijk bederf. Want als de Eniggeborene voor ons oplicht,
worden wij in dat Woord zelf, dat alles levend maakt, omgevormd. Zoals wij namelijk
in de banden van de dood lagen verstikt, toen de zonde heerste, zo hebben wij
het bederf van ons afgeworpen, toen de gerechtigheid van Christus in ons
doordrong.
Derhalve leeft niemand meer
in het vlees, dat is in de vleselijke zwakheid, waartoe met recht en reden o.a.
het bederf gerekend moet worden, als de Apostel eraan toevoegt: Want al hebben wij Christus naar het vlees
beoordeeld, thans beoordelen wij Hem zo niet meer. Alsof hij wilde zeggen: Het Woord is vlees geworden en heeft onder
ons gewoond, en voor ons aller leven heeft Hij de dood naar vlees het
ondergaan, zo hebben wij Hem leren kennen; maar van nu af kennen wij Hem zo
niet meer. Want hoewel Hij het vlees behouden heeft – Hij die toch op de derde
dag herleefde en bij de Vader verblijft in de hemel – weten wij, dat Hij boven het
vlees is uitgestegen: want eenmaal
gestorven, sterft Hij niet meer; de dood heeft geen macht meer over Hem. Want
dat Hij gestorven is wil zeggen, dat Hij stierf voor de zonde, eens en
voorgoed, maar dat Hij leeft, is een leven voor God.
Als Hij zich dan op deze
wijze tot voorvechter heeft gemaakt voor ons leven, moeten wij ook zeker zijn
voetstappen volgen en worden wij verondersteld niet als in het vlees maar boven
het vlees uit te leven. Daarom zegt de H. Paulus zeer terecht: Zo wordt dus wie in Christus is, nieuw
geschapen: het oude is voorbij, zie het nieuwe is daar. Want we zijn
gerechtvaardigd door het geloof in Christus en de kracht van de vloek is
gebroken. Want omdat Hij om ons is verrezen, is de macht van de dood
overwonnen. In waarheid en in zijn eigen natuur erkennen wij God, die wij in
geest en waarheid vereren, met als Middelaar zijn Zoon, die de hemelse
zegeningen van de Vader aan de wereld meedeelt.
Daarom zegt de H. Paulus zo
vol wijsheid: Alles is uit God, die zich
met ons verzoend heeft door Christus. Want inderdaad is het mysterie van de
Menswording, met als gevolg onze vernieuwing, niet buiten de wil van de Vader
om. Immers door Christus hebben wij toegang tot Hem gekregen, daar niemand tot
de Vader komt, zoals Christus zelf zegt, dan door Hem. Derhalve: Alles is uit God, die ons door Christus met
zich verzoende en ons de bediening van die verzoening toevertrouwde.
Lezingen H. Mis 6e zondag van Pasen, jaar C “Als iemand Mij liefheeft zal hij mijn woord onderhouden"
Eerste lezing (Hand. 15, 1-2.22-29)
Uit de Handelingen van de Apostelen.
In die dagen verkondigden enige mensen die van Judea waren gekomen, aan de broeders de leer: “Indien ge u niet naar Mozaïsch gebruik laat besnijden, kunt ge niet gered worden.” Toen hierover onenigheid ontstond en Paulus en Barnabas in een felle woordenwisseling met hen raakten, droeg men Paulus en Barnabas en enkele andere leden van de gemeente op met deze strijdvraag naar de apostelen en oudsten in Jeruzalem te gaan. Deze besloten samen met de hele gemeente enige mannen uit hun midden te kiezen en met Paulus en Barnabas naar Antiochië te sturen: Judas, bijgenaamd Barsabbas en Silas, mannen van aanzien onder de broeders, en hun het volgende schrijven mee te geven: “De apostelen en de oudsten zenden hun broederlijke groet aan de broeders uit de heidenen in Antiochië, Syrië en Cilicië. Daar wij gehoord hebben dat sommigen van ons u door woorden in verwarring hebben gebracht en uw gemoederen hebben verontrust, zonder dat ze van ons enige opdracht hadden gekregen, hebben wij eenstemmig besloten enige mannen uit te kiezen en naar u toe te sturen, in gezelschap van onze dierbare Barnabas en Paulus, mensen die zich geheel en al hebben ingezet voor de naam van onze Heer Jezus Christus. Wij hebben dus Judas en Silas afgevaardigd die ook mondeling hetzelfde zullen overbrengen. De heilige Geest en wij hebben namelijk besloten u geen zwaardere last op te leggen dan het strikt noodzakelijke: namelijk u te onthouden van spijzen die aan afgoden geofferd zijn, van bloed, van verstikt vlees en van ontucht. Als gij uzelf daarvoor in acht neemt zal het u goed gaan. Vaarwel!”
Tweede lezing (Apok. 21, 10-14.22-23)
Uit de Openbaring van de heilige apostel Johannes.
Een engel bracht mij, Johannes in de geest op een zeer hoge berg en toonde mij de heilige Stad, Jeruzalem, terwijl zij van God uit de hemel neerdaalde, stralend van de heerlijkheid Gods; zij schitterde als het kostbaarste gesteente en als kristalheldere jaspis. De Stad was omringd door een zeer hoge muur met twaalf poorten en aan de poorten stonden twaalf engelen; namen waren daarop gegrift, de namen van de twaalf stammen van Israël. Er waren drie poorten op het oosten, drie op het noorden, drie op het zuiden en drie op het westen. En de stadsmuur had twaalf grondstenen en daarop stonden de twaalf namen van de twaalf apostelen van het Lam. Maar een tempel zag ik er niet want God, de Heer, de Albeheerser is haar tempel zoals ook het Lam. En de Stad heeft het licht van zon en maan niet nodig want de luister van God verlicht haar en haar lamp is het Lam.
Evangelie (Joh. 14, 23-29)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes.
.In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Als iemand Mij liefheeft zal hij mijn woord onderhouden; mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en verblijf bij hem nemen. Wie Mij niet liefheeft onderhoudt mijn woorden niet; en het woord dat gij hoort is niet van Mij maar van de Vader die Mij gezonden heeft. Dit zeg Ik u terwijl Ik nog bij u ben, maar de Helper, de heilige Geest, die de Vader in mijn Naam zal zenden, Hij zal u alles leren en u alles in herinnering brengen wat Ik u gezegd heb. Vrede laat Ik u na; mijn vrede geef Ik u. Niet zoals de wereld die geeft, geef Ik hem u. Laat uw hart niet verontrust of kleinmoedig worden. Gij hebt Mij horen zeggen: Ik ga heen maar Ik keer tot u terug. Als Gij mij zoudt liefhebben, zoudt gij er blij om zijn dat Ik naar de Vader ga want de Vader is groter dan Ik. Nu, eer het gebeurt, zeg Ik het u, opdat gij, wanneer het gebeurt, zult geloven.”
Uit de Handelingen van de Apostelen.
In die dagen verkondigden enige mensen die van Judea waren gekomen, aan de broeders de leer: “Indien ge u niet naar Mozaïsch gebruik laat besnijden, kunt ge niet gered worden.” Toen hierover onenigheid ontstond en Paulus en Barnabas in een felle woordenwisseling met hen raakten, droeg men Paulus en Barnabas en enkele andere leden van de gemeente op met deze strijdvraag naar de apostelen en oudsten in Jeruzalem te gaan. Deze besloten samen met de hele gemeente enige mannen uit hun midden te kiezen en met Paulus en Barnabas naar Antiochië te sturen: Judas, bijgenaamd Barsabbas en Silas, mannen van aanzien onder de broeders, en hun het volgende schrijven mee te geven: “De apostelen en de oudsten zenden hun broederlijke groet aan de broeders uit de heidenen in Antiochië, Syrië en Cilicië. Daar wij gehoord hebben dat sommigen van ons u door woorden in verwarring hebben gebracht en uw gemoederen hebben verontrust, zonder dat ze van ons enige opdracht hadden gekregen, hebben wij eenstemmig besloten enige mannen uit te kiezen en naar u toe te sturen, in gezelschap van onze dierbare Barnabas en Paulus, mensen die zich geheel en al hebben ingezet voor de naam van onze Heer Jezus Christus. Wij hebben dus Judas en Silas afgevaardigd die ook mondeling hetzelfde zullen overbrengen. De heilige Geest en wij hebben namelijk besloten u geen zwaardere last op te leggen dan het strikt noodzakelijke: namelijk u te onthouden van spijzen die aan afgoden geofferd zijn, van bloed, van verstikt vlees en van ontucht. Als gij uzelf daarvoor in acht neemt zal het u goed gaan. Vaarwel!”
Tweede lezing (Apok. 21, 10-14.22-23)
Uit de Openbaring van de heilige apostel Johannes.
Een engel bracht mij, Johannes in de geest op een zeer hoge berg en toonde mij de heilige Stad, Jeruzalem, terwijl zij van God uit de hemel neerdaalde, stralend van de heerlijkheid Gods; zij schitterde als het kostbaarste gesteente en als kristalheldere jaspis. De Stad was omringd door een zeer hoge muur met twaalf poorten en aan de poorten stonden twaalf engelen; namen waren daarop gegrift, de namen van de twaalf stammen van Israël. Er waren drie poorten op het oosten, drie op het noorden, drie op het zuiden en drie op het westen. En de stadsmuur had twaalf grondstenen en daarop stonden de twaalf namen van de twaalf apostelen van het Lam. Maar een tempel zag ik er niet want God, de Heer, de Albeheerser is haar tempel zoals ook het Lam. En de Stad heeft het licht van zon en maan niet nodig want de luister van God verlicht haar en haar lamp is het Lam.
Evangelie (Joh. 14, 23-29)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes.
.In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Als iemand Mij liefheeft zal hij mijn woord onderhouden; mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en verblijf bij hem nemen. Wie Mij niet liefheeft onderhoudt mijn woorden niet; en het woord dat gij hoort is niet van Mij maar van de Vader die Mij gezonden heeft. Dit zeg Ik u terwijl Ik nog bij u ben, maar de Helper, de heilige Geest, die de Vader in mijn Naam zal zenden, Hij zal u alles leren en u alles in herinnering brengen wat Ik u gezegd heb. Vrede laat Ik u na; mijn vrede geef Ik u. Niet zoals de wereld die geeft, geef Ik hem u. Laat uw hart niet verontrust of kleinmoedig worden. Gij hebt Mij horen zeggen: Ik ga heen maar Ik keer tot u terug. Als Gij mij zoudt liefhebben, zoudt gij er blij om zijn dat Ik naar de Vader ga want de Vader is groter dan Ik. Nu, eer het gebeurt, zeg Ik het u, opdat gij, wanneer het gebeurt, zult geloven.”
zaterdag 21 mei 2022
Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Dominica VI Temporis Paschalis De bediening van de Verzoening
Ad Officium
lectionis
Lectio altera
Ex Commentário sancti Cyrílli Alexandríni
epíscopi in Epístolam secúndam ad Corínthios (Cap. 5, 5 —
6, 2: PG 7, 4, 942-943))
Tweede lezing
Uit de Commentaren op de Tweede
Brief aan de Korinthiërs van de H. Cyrillus van Alexandrië, bisschop
(Cap. 5, 5 — 6, 2: PG 74, 942-943)
God heeft ons door Christus met zich verzoend en ons de
bediening van de verzoening toevertrouwd
Zij, die het onderpand van
de Geest bezitten en de hoop op de verrijzenis, en die de toekomstige
verwachting reeds als iets tegenwoordigs beschouwen, zeggen, dat zij van nu af
niemand meer beoordelen naar het vlees. Want allen zijn wij geestelijk en vreemd
aan het vleselijk bederf. Want als de Eniggeborene voor ons oplicht, worden wij
in dat Woord zelf, dat alles levend maakt, omgevormd. Zoals wij namelijk in de
banden van de dood lagen verstikt, toen de zonde heerste, zo hebben wij het
bederf van ons afgeworpen, toen de gerechtigheid van Christus in ons doordrong.
Derhalve leeft niemand meer
in het vlees, dat is in de vleselijke zwakheid, waartoe met recht en reden o.a.
het bederf gerekend moet worden, als de Apostel eraan toevoegt: Want al hebben wij Christus naar het vlees
beoordeeld, thans beoordelen wij Hem zo niet meer. Alsof hij wilde zeggen: Het Woord is vlees geworden en heeft onder
ons gewoond, en voor ons aller leven heeft Hij de dood naar vlees het
ondergaan, zo hebben wij Hem leren kennen; maar van nu af kennen wij Hem zo
niet meer. Want hoewel Hij het vlees behouden heeft – Hij die toch op de derde
dag herleefde en bij de Vader verblijft in de hemel – weten wij, dat Hij boven het
vlees is uitgestegen: want eenmaal
gestorven, sterft Hij niet meer; de dood heeft geen macht meer over Hem. Want
dat Hij gestorven is wil zeggen, dat Hij stierf voor de zonde, eens en
voorgoed, maar dat Hij leeft, is een leven voor God.
Als Hij zich dan op deze
wijze tot voorvechter heeft gemaakt voor ons leven, moeten wij ook zeker zijn
voetstappen volgen en worden wij verondersteld niet als in het vlees maar boven
het vlees uit te leven. Daarom zegt de H. Paulus zeer terecht: Zo wordt dus wie in Christus is, nieuw
geschapen: het oude is voorbij, zie het nieuwe is daar. Want we zijn
gerechtvaardigd door het geloof in Christus en de kracht van de vloek is
gebroken. Want omdat Hij om ons is verrezen, is de macht van de dood
overwonnen. In waarheid en in zijn eigen natuur erkennen wij God, die wij in
geest en waarheid vereren, met als Middelaar zijn Zoon, die de hemelse
zegeningen van de Vader aan de wereld meedeelt.
Daarom zegt de H. Paulus zo
vol wijsheid: Alles is uit God, die zich
met ons verzoend heeft door Christus. Want inderdaad is het mysterie van de
Menswording, met als gevolg onze vernieuwing, niet buiten de wil van de Vader
om. Immers door Christus hebben wij toegang tot Hem gekregen, daar niemand tot
de Vader komt, zoals Christus zelf zegt, dan door Hem. Derhalve: Alles is uit God, die ons door Christus met
zich verzoende en ons de bediening van die verzoening toevertrouwde.
Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven” Zesde zondag van Pasen Beter beantwoorden aan dit sacrament van Gods grote liefde
Christus
ontvangt brood en wijn voor de H. Eucharistie
Beter beantwoorden aan dit
sacrament van Gods grote liefde
I n l e i d i n g
De teksten van de Gebeden over
de gaven verwijzen, uiteraard, dikwijls naar de offerande van (offer)gaven en
gebeden. Het zijn de “grondstoffen” voor het sacramentele offer en de
eucharistische maaltijd, stoffelijk en geestelijk. In de oratie van deze zondag
wordt een derde element toegevoegd: het beeld van het ‘opstijgen tot God’
(Ascendant ad te) dat samenhangt met Psalm 141, 2: “Dirigatur oratio mea sicut
incensum in conspectu tuo” - Moge mijn gebed als een reukoffer voor uw
Aanschijn opstijgen. Volgens de rubrieken van het Missale Romanum 1962 werd
deze psalm door de priester tijdens het bewieroken van het altaar gereciteerd.
Daaraan vooraf ging de bewieroking van de offergaven van brood en wijn waarbij
de priester zei: “Incensum istud a te benedictum ascendat ad te, Domine: et
descendat super nos misericordia tua” – Deze wierook, door U gezegend, stijge
tot U op, Heer; en Uw barmhartigheid dale over ons neer. In deze bondige
formulering wordt opnieuw die wonderlijke uitwisseling (commercium) uitgedrukt:
het offer van brood en wijn, anticiperend op de transsubstantiatie in het
Lichaam en Bloed van Christus tijdens de Consecratie, wordt door de Vader
beantwoord met een van Zijn meest sublieme hoedanigheden: misericordia,
barmhartigheid. Ook al zijn bovengenoemde gebeden en deze rite als zodanig in
het MR 1970 niet meer opgenomen, het Algemeen Statuut van MR 1970 formuleert in
ieder geval de mogelijkheid van bewieroking alsook de symbolische betekenis
ervan: “Dona in altari collocata, et ipsum altare, incensari possunt, ut
oblatio Ecclesiæ eiusque oratio sicut incensum in conspectum Dei ascendere
significentur” (nr. 51) – De op het altaar geplaatste gaven en het altaar zelf
kunnen worden bewierookt, om te beduiden dat de offergave en het gebed van de
Kerk als wierook opstijgen voor het Aangezicht van God.
Wat
de oratie van het opstijgen van de gebeden en offergaven verwacht, is dat God
in zijn overgrote genade priester en gelovigen zuivert en hen het grote
mysterie van de goddelijk liefde waardig maakt. Het grote mysterie van de
goddelijke liefde is de H. Eucharistie, het Offer van het Nieuwe Verbond,
waarin de gebeden van de Kerk met de gebeden van Christus, en haar gaven met de
gaven van de H. Eucharistie, het Lichaam en Bloed van Christus, onder de
tekenen van brood en wijn, tot God opstijgen.
T e k s t
Missale
Romanum – 1970
Ascendant ad te, Domine, preces nostræ
cum oblationibus hostiarum,
sacramentis magnæ pietatis aptemur.
Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie –
1979
maak ons in uw goedheid vrij van zonden
Werkvertaling
Mogen
onze gebeden [tegelijk] met [onze] offergaven (letterlijk: met het brengen (met
de aanbiedingen) van de offers, Heer, tot U opstijgen,
opdat/zodat
wij, gezuiverd door Uw tot ons afdalende gewaardiging,
geschikt
worden gemaakt voor Uw sacramenten van Uw grote liefde.
L i t u r g i s c h e a n t e c e d e n t e n
De
bron van tekstelementen van deze oratio super munera/oblata of oratio secreta
gaat terug tot op het Sacramentarium Leonianum, (Verona, Kapittelbibliotheek
LXXXV; tweede helft zesde eeuw) 1191 en 181. De oratio als zodanig kwam niet
voor in eerdere uitgaven van het Missale Romanum.
S
t r u c t u u r a n a l y s e e n s t i j l f i g u r e n
1. Ascendant ad te, Domine, preces
nostræ cum oblationibus hostiarum,
2a. ut, 2b. tua dignatione mundati,
2a. sacramentis magnæ pietatis
aptemur.
De
oratie is opgebouwd uit een enkele zin, bestaande uit een hoofdzin (r. 1) in de
coniunctivusvorm, gevolgd door een finale / doelaanwijzende resp. consecutieve
/ gevolghebbende bijzin in de coniunctivusvorm ingeleid door het voegwoord ut
(r. 2a), welke wordt onderbroken door de ondergeschikte bijwoordelijke bijzin
met aanvullende informatie bij het subject wij (af te leiden uit de
persoonsuitgang aptemur) tua
dignatione mundati (r. 2b).
Ad
1
Ascendant, mogen zij opstijgen,
- prædicaat, 3e pers. meerv. in de coniunctivusvorm van het verbum ascendere,
3, vanwege het wens-/ gebedskarakter van de tekst. Met de plaatsing van dit
werkwoord in de optativus aan de spits van de oratie wordt de betekenis ervan
krachtig onderstreept. Preces nostræ cum oblationibus hostiarum: tweeledig bij
het verbum behorend subject in de twee congruerende nominativusvormen meervoud
(preces nostræ) en in nevenschikking een ablativusvorm (oblationibus) in het
meervoud, bepaald door het voorzetsel cum, gevolgd door een genitivusvorm (genitivus
subiectivus in het meervoud
(hostiarum).
Ad
te, tot U, - object van het prædicaat in de accusativusvorm, bepaald door de
præpositie ad (+ acc.): accusativus van richting.
Het
begrip oblatio komt uiteraard frequent voor in de ‘orationes super oblata’, de
gebeden over de offergaven. Evenals hostia, -æ, f., donum, i, n. en munus,
eris, n. verwijst het naar de gaven die voor de H. Eucharistie worden geofferd,
naar het Eucharistische gebed zelf, of naar de offerande. In combinatie met de
genitivus subiectivus hostiarum kan men in dit geval denken aan de liturgische
actio van het offeren, de offerande. Een parallel vinden we in het Gebed over
de gaven van de Zevende zondag van Pasen (zondag tussen Hemelvaart van de Heer
en Pinksteren): “Suscipe, Domine, fidelium preces cum oblationibus
hostiarum” en in dat van de Achttiende
zondag door het jaar: “[…] hostiæ spiritalis oblatione suscepta..” na de
offerande van deze geestelijke offergave
te hebben ontvangen.
De
tekst van regel 1 verwijst naar het hemelse visioen van de aanbidding van het
Lam dat de apostel Johannes zag (Apoc 5, 8): “En toen Hij [het lam] het boek genomen had, vielen de vier dieren
neer voor het Lam; en ook de vierentwintig
oudsten, elk met een citer in de hand en met gouden schalen vol reukwerk – dat
zijn de gebeden van de heiligen”. Het gebruik van de præpositie cum in plaats
van het nevenschikkende et, drukt uit hoezeer beide – preces et hostias)
elementen bij elkaar horen.
Ad 2a
Ut [ ] sacramentis magnæ pietatis
aptemur:
Aptemur, op-(zo-)dat wij geschikt worden gemaakt, -
prædicaat van de finale/consecutieve bijzin dat een wens of mogelijkheid (ut)
uitdrukt in de 1e persoon meervoud coniunctivi præsentis passivi.
Apto, vasthechten, - maken,
passend maken, aanpassen, maar ook
voorbereiden, in orde brengen, klaar maken, meestal geconstrueerd met de
dativusvorm en heeft dan ook
betekenissen als geschikt maken voor, bekwamen tot, accomoderen, toepassen,
dienstig maken, uitrusten met/voor. Soms
wordt de ablativusvorm gebruikt om datgene aan te geven waarmee / waardoor iets
geschikt, passend wordt gemaakt of is
voorzien (ablativus instrumentalis). In het woordenboek zult u ook hebben
gezien dat aptare/aptari en aptus ook gebruikt wordt in de context van het
krijgsbedrijf: aptus exercitus, gereed voor de strijd, en se aptare pugnæ, zich
uitrusten voor de strijd.
Sacramentis:
bijwoordelijke bepaling op te splitsen in de dativusvorm meervoud van het
substantivum sacramentum, vergezeld van twee congruerende genitivusvormen magnæ
pietatis: genitivus explicativus. Het meervoud sacramentis zou begrepen kunnen
worden als de sacrale rites waarin en waardoor God zijn heilseconomie uitwerkt:
slechts door Gods liefdevolle tegemoetkoming gezuiverd kunnen wij geschikt
worden gemaakt voor de ‘sacramenten’: de viering van het H. Misoffer zelf en
het nuttigen van de Offerspijs (H. Communie). Het begrip sacramenta laat zich
derhalve vertalen met werkzame, effectieve riten waardoor de innerlijke
herschepping van de christelijke ziel voortgang vindt. De oratie bidt dus als
effect van de gebeden die naar God opstijgen een participeren in een sacraal mysterie dat
de kracht bezat ons te transformeren omdat het ons meer doet delen in de
Paasgeheimen van Christus: Zijn Lijden,
Sterven en Verrijzen.
Ad
2b
In
deze ondergeschikte bijzin is mundati, een participium perfecti passivi, m.
meervoud, een bijstelling bij het subject wij van aptemur. Tua dignatione, door
Uw liefdevolle nederdaling, lett.: door Uw gewaardiging: bijwoordelijke bepaling
in twee congruerende ablativusvormen: ablativus causæ die een oorzaak aanduidt
of ablativus instrumentalis die het middel waarmee uitdrukt.
V o c a b u l a r i u m
Ascendo, accendi, ascensum, 3, op iets stijgen, op
iets klimmen, opstijgen, beklimmen. Verwante substantiva: ascensio, -onis
f., het opstijgen, het opklimmen en
ascensus, -us m., het opstijgen, het bestijgen, het beklimmen, en in
metonymische zin (betekenisverschuiving): de plaats waar men opstijgt, toegang,
opgang, hoogte.
In de genealogie zijn de
‘ascendentes’, - ium, m., de aanverwanten in opgaande lijn en de descendentes
de afstammelingen.
In het Credo wordt van Christus
beleden als sluitstuk van de paasmysteries: “[…] et ascendit in cælum, sedet ad
dexteram Patris”- Hij is opgevaren ten hemel, zit aan de rechterhand van de
Vader.
Het
hoogfeest van de Hemelvaart van Christus dat de Kerk de volgende week viert
staat op de Romeinse kalender genoteerd als ‘In
Ascensione Domini’ [te lezen als] de liturgische teksten bij het
hoogfeest van de Hemelvaart van de Heer. ‘Christi Filii tui ascensio est nostra
provectio’ – De Hemelvaart van Christus Uw Zoon is [ook] onze verheffing, zegt
het Collectegebed van genoemd hoogfeest.
Dignatio, - onis f. , substantivum bij het
deponente verbum dignor, dignatus sum
met betekenissen betekent in actieve zin de achting die men iemand
toedraagt, de erkenning van iemands waarde en in passieve zin de achting die
men geniet, de gunst waarin men staat.
In de liturgie betekent het
begrip op God toegepast: een welwillend zich gewaardigen, zich minzaam
neerbuigen, in liefdevolle goedheid afdalen. Vergelijk de lof tot God op onze
verlossing in het Exsultet, de paasjubelzang aan het begin van de Paasvigilie:
“O mira circa nos pietatis dignatio. O inæstimabilis dilectio caritatis ut
servum redimeres, Filium tradidisti” – O hoe wondervol is de afdaling van uw liefde jegens ons.
O onwaardeerbare liefdesuiting: om de slaaf vrij te kopen hebt Gij de
Zoon prijsgegeven.
Het
begrip dignatio moet niet worden verward met het substantivum dignitas, -atis
f. dat betekenissen heeft als het waardig zijn, de waarde, verdienste, bijvoorbeeld
laudare aliquem pro dignitate: iemand vanwege zijn verdienste prijzen (Cicero);
dignitas consularis, de waardigheid van het ambt van consul. In metonymische
zin (betekenisverschuiving): 1.
uiterlijke waardigheid, uiterlijk eer, achting, rang, aanzien, bijv.,
altus dignitatis gradus, hoge rang (van waardigheid) en 2. innerlijke waarde,
eerwaardigheid, bijv. agere cum dignitate, met waardigheid handelen; dignitatem
servare, [zijn] waardigheid bewaren; res non habet dignitatem de zaak komt niet
met de waardigheid overeen (Cicero). Het
meervoud dignitates betekent ereambten
Pietas, - atis, f. : ook pietas kent een dubbele
beweging: de natuurlijke liefde van de vader / de moeder voor hun kinderen en
de respectvolle wederliefde van de kinderen voor hun ouders (piëteit) als ook
de liefdevolle bejegening van de naasten.
Binnen de antieke Romeinse godencultus was
“Pietas” een personificatie van de liefde tot de mensen en van de Romeinse
deugd Pietas, de staat en de eerbied voor de goden (vroomheid). Pietas bevatte
3 elementen: geloof in de goden, trouw aan het vaderland en respect voor de
ouders. Pietas werd voorgesteld als voor een altaar staand, met de linkerarm in
de hoogte geheven, terwijl zij in de rechterhand een offerschaal houdt, ofwel
strekt zij met een omsluierd achterhoofd haar beide handen uit, alsof zij tot
de goden bidt. Om haar betrekking tot de vrome liefde van kinderen voor hun
ouders aan te duiden staat een ibis of een ooievaar
aan haar voeten. Deze godin stond vaak afgebeeld op de keerzijde van Romeinse
munten met vrouwen van de keizerlijke familie aan de voorzijde, daar pietas een
passende deugd was voor keizerlijke vrouwen (bv. Flavia Maximiana
Theodora). De keizerlijke
vrouwen staan soms zelfs op de munten met het uiterlijk van de godin.
Dit klassieke begrip kreeg een nieuwe
christelijke betekenis in de relatie tussen Schepper-God-Vader en
schepselen-mensen-kinderen en duidt de vaderlijke genegenheid en liefdevolle
maar tegelijk gezaghebbende zorg van vader naar kind (en op deze wijze was het
synoniem met misericordia en clementia) aan en omgekeerd de
liefdevolle kinderlijke gehoorzaamheid met inbegrip van natuurlijke ontzag. Pietas
is een van de zeven Gaven van de Heilige Geest (verg. KKK 733-736; Jes. 11,2)
waardoor wij liefdevol en terecht dankbaar zijn ten opzichte van onze ouders,
verwanten en medeburgers, en ook tegenover alle mensen voor zover zij God
toebehoren of godvrezend zijn. Ten opzichte van de Moeder Gods en de Heiligen
komen daar de aspecten van vrome verering en piëteit bij. Kort samengevat “pietas” duidt op het
vervullen van godsdienstige plichten. Op God toegepast echter, betekent pietas
gewoonlijk Zijn genadige liefde jegens ons. In de oraties van het Romeins
Missaal komt het substantivum komt in verbindingen als: pietatis tuæ clementia,
pietas tua, pietas continua, immensa en ook als pleonasme: tuæ bonitatis
pietas.
Inmiddels zijn vele gebeden over de offergaven op dit weblog aan de orde gekomen. Iedere keer wordt daarin de kern van ons geloof besproken. Christus is omwille van ons heil op aarde gekomen en heeft zijn aardse leven gegeven omwille van onze zonden.
Op Witte Donderdag herdenken wij de instelling van het Sacrament van de Heilige Eucharistie. Iedere keer als wij de Eucharistie vieren vindt het wonder plaats dat de gaven van brood en wijn, die wij offeren, door Gods genade veranderen in zijn Lichaam en Bloed.
Onze gebeden stijgen op tot God (opwaarts) en Gods genade daalt op ons neer (neerwaarts). Er is met ander woorden een wisselwerking. In de oratie van vandaag komen zowel de opwaartse beweging (onze gebeden stijgen op – ascendant) als de neerwaartse beweging (gezuiverd door Uw tot ons afdalende gewaardiging - tua dignatione mundati) fraai aan de orde.
Hierbij past ook het gebruik van wierook. Wierook drukt eerbied uit voor het mysterie van Gods aanwezigheid onder ons. Al voor de christelijke tijden werd wierook gebruikt, als middel om de goden gunstig te stemmen. In het antieke Kanaän werd wierook gebruik in de Baalsriten. In de Joodse tempeldienst bevond zich voor het gordijn van het Allerheiligste het rookofferaltaar waar ’s morgens en ’s avonds een rookoffer met wierook gebracht werd. Wierook en mirre worden in het Oude Testament vaak genoemd.
De vroege christenen wezen de goddelijke verering van de keizer af en werden daarom vervolgd. Wierook werd door hen alleen bij begrafenissen gebruikt. Doorslaggevend voor de invoering van wierook in de christelijke kerkdiensten was de reorganisatie van de kerkleiding door keizer Constantijn.
De geurende rook van de smeulende wierookhars wordt tijdens de mis in de katholieke en orthodoxe kerk sinds ca. 500 n.Chr. tot heden vanuit wierookvaten verspreid als symbool voor het ten hemel opstijgende gebed. Het gaat dan meestal om een mengsel van wierook en andere rookmiddelen b.v. benzoë, mirre, galbanum, zistrose, styrax, laurier enz.
Wanneer tijdens de uitvaartliturgie een overledene bewierookt wordt, verwijst dat naar de opname van de overleden in het mysterie van God. Ook bewieroken we de Bijbel, de offergaven van Brood en Wijn en soms zelfs de mensen die in de kerk zijn. “Laat onze gebeden en offergaven tot U komen; maak ons in uw goedheid vrij van zonden”. God is bij ons!
Collectegebed zesde zondag van Pasen "In alles getuigen van hetgeen wij nu gedenken".
"In alles getuigen van hetgeen wij nu gedenken".
I n l e i d i n g
“Deze dagen van vreugde” waarvan het collectegebed
spreekt, zijn de dagen van Pinksteren, de vijftig heilige dagen van Pasen tot
Pinksteren, de “grote” week die geen zeven dagen telt maar zeven weken en
waarvan de vijftigste dag de afsluiting vormt, zoals de octaafdag
de week van zeven dagen afsluit. Deze “sabbata sabbatorum” golden voor
de kerkvaders als dagen van zuiver religieuze vreugde en niemand mocht door
oefeningen van boete “aan de feestelijkheid van de geestelijke vreugde afbreuk
doen” (Hilarius van Poitiers, + 367). Elke dag van deze periode was en is aan
de Verrijzenis gewijd. “Aan Hem [Christus] danken de kinderen van het licht hun
geboorte tot eeuwig leven. Aan Hem danken Gods uitverkoren hun toegang tot het
Rijk der hemelen. Want door zijn sterven zijn wij van de dood verlost, door
zijn verrijzenis zijn ook wij ten leven opgewekt. Vreugde om het Paasfeest
vervult ons, mensen die op aarde wonen, vreugde vervult de Engelen in de hemel”
(Prefatie II van Pasen).
Daarom zegt het collectegebed dat wij deze dagen van
vreugde ter ere van de verrezen Heer
vieren.
T e k s t
Missale
Romanum 1970
Fac nos, omnipotens Deus,
hos lætitiæ dies,
quos in honorem Domini resurgentis exsequimur,
affectu sedulo celebrare,
ut quod recordatione percurrimus semper in opere teneamus.
Altaarmissaal
Nederlandse Kerkprovincie 1979
Almachtige God, geef dat wij deze blijde dagen
ter ere van de verrijzenis van de Heer met toewijding vieren,
om in alles wat wij doen te getuigen van hetgeen wij
nu gedenken.
Werkvertaling
Geef, almachtige God, geef dat wij deze blijde dagen
die wij ter ere van de verrezen Heer voltrekken
met ijverige liefde vieren,
opdat/zodat wij hetgeen wij in onze herinnering
koesteren, altijd in onze werkzaamheid
/ werken bewaren / vasthouden.
L i t u r g i s c h e a n t e c e d e n t
e n
Het collectegebed van deze zondag is een centonisatie
[“lappendeken”], samengesteld uit tekstfragmenten ontleend aan oraties in het
oude Sacramentarium Veronese
(Leonianum, Verona, kapittelbibliotheek LXXXV) tweede helft 6e eeuw en in het Gelasianum Vetus (Vat. Reg. Lat. 316 )
eerste helft 8e eeuw. Het is een geheel nieuwe compositie die niet in de
preconciliaire missaals voorkwam.
S
t r u c t u u r a n a l y s e e n s t i j l v o r m e n
1. Fac nos, omnipotens
Deus, hos lætitiæ dies,
quos in honorem Domini resurgentis exsequimur,
affectu sedulo celebrare,
2. ut quod recordatione percurrimus semper in opere teneamus.
Ad 1
De oratie
opent met de imperativusvorm van het verbum facere, doen, maken,
bewerken. De plaatsing van het gezegde aan de kop van de oratie en in de
gebiedende wijs, geeft een zekere intensiteit aan, een sterk aandringen.
Omnipotens Deus, congruerende vocativusvormen, anaklese : God
wordt niet aangesproken als bijvooorbeeld Bewerker van heilsdaden, maar in zijn
kwaliteit van almacht. Het Credo, de geloofsbelijdenis van de Kerk,
begint ook met het belijden van de almacht van God: deze is universeel en
liefdevol als een Vader (“Ik geloof in God, de almachtige Vader, Schepper van
hemel en aarde…”) regerend. Het is een echo van de belijdenis van Job:
“Inderdaad, Gij kunt alles, voor U is niets onuitvoerbaar” (42, 2). Dat hield
de Engel Gabriël ook Maria voor toen zij zich afvroeg hoe een kind te zullen
ontvangen zonder toedoen van een man: “ Voor
God is niets onmogelijk” (Lk 1,37; zie ook Gen 18,14).
Het beroep op
de almacht van God is het motief van de eigenlijke bede in deze oratie.
Fac nos
celebrare: accusativus cum
infinitive-constructie (a.c.i.): geef/bewerk dat wij vieren.
Nos vormt binnen deze constructie de
subjectsaccusativus en hos dies de objectsaccusativus.
Affectu
sedulo: bijwoordelijke bepaling
in de ablativusvorm van congruerende substantivum- en adiectivusvorm waarmee
een wijze, een modus, wordt uitgedrukt.
Zoals gezegd:
object van de werkwoordengroep fac…celebrare is de woordgroep hos lætitiæ dies,
deze dagen van blijdschap, waarbij de genitivus lætitiæ de congruerende
accusativusvormen hos…dies nader verklaart: genitivus explicativus. In deze
woordgroep is een hyperbaton opgesloten: de twee samenhangende begrippen
hos…dies worden uiteen geplaatst door de genitivusvorm lætitiæ.
De hoofdzin
Fac…celebrare wordt onderbroken door de relatieve bijzin quos…exsequimur
waarbij quos het eerder genoemde hos als antecedent heeft.
Exsequimur, wij vieren, voltrekken, voeren uit:
prædicaatsvorm, stilistisch mooi aan het einde van de bijzin geplaatst, 1e
persoon meervoud in het præsens passivi van het deponens exsequi.
In honorem
Domini resurgentis :
bijwoordelijke bepaling, samengesteld uit de woordgroep in honorem (præpositum in
plus accusativusvorm honorem) gevolgd door de twee congruerende genitivusvormen
Domini resurgentis (genitivus explicativus).
Men zou met
betrekking tot de genitivusvormen Domini resurgentis zich kunnen afvragen
waarom hier het ppa [participium præsentis activi] resurgentis is gebruikt dat de verrijzenis als een
tegenwoordige gebeurtenis weergeeft.
Het
collectegebed is een centonisatie van tekstfragmenten. Het begrip Domini
resurgentis gaat terug op een prefatie uit het Sacramentarium Veronese
waarvan de beginzin luidt: Vere dignum: post illos enim lætitiæ dies, quos
in honorem Domini a mortuis resurgentis et in cælos ascendentis
exigimus… [Truly is it fitting…: for after those days of joy which we spend in
honor of the Lord’s rising from the dead and ascending into heaven….]
Het weglaten
van de toevoeging a mortuis in de herziene postconciliaire oratie maakt
het ppa wat los van de historische context. Niettemin is het gebruikte begrip
theologisch te duiden: Christus is eens en voor altijd op een bepaald moment
verrezen in de geschiedenis. Hij is het Hoofd van zijn Mystiek Lichaam, de
Kerk. Iedere gedoopte is een lidmaat van het Mystieke Lichaam. Zij vormen met
Christus de Totus Christus, de gehele Christus (St. Augustinus). De met
het Hoofd verbonden ledematen zijn met Christus in het waterbad van het Doopsel
“begraven” en zullen met Hem verrijzen als vrucht van de Verlossing. Dit
verlossingswerk is nog in volle gang, het verrijzen van de Totus Christus
derhalve ook. Christus is door zijn verrijzenis de Eersteling die uit de doden
is opgestaan en als God-Mens verheerlijkt, terwijl de ledematen moeten wachten
op de uiteindelijke verrijzenis op de jongste dag. Men zou dus kunnen stellen
dat zolang het verlossingswerk van Christus voortduurt en de gelovigen
deelhebben aan zijn Paasmysterie “Christus verrijzende” is. Het prefix re- in
het participium præsentis activi is dus terecht en duidt immers op een
handeling of gebeurtenis die opnieuw plaatsvindt.
Ad 2
finale/doelaangevende
of consecutieve/gevolghebbende bijzin, ingeleid door het voegwoord ut dat de
coniunctivusvorm van het verbum tenere oproept vanwege het wenskarakter. Semper:
bijwoordelijke bepaling van tijd bij het gezegde teneamus. In opere:
bijwoordelijke bepaling samengesteld uit het præpositum in + ablativusvorm:
ablativus loci.
Het zinsdeel quod
recordatione percurrimus is een afhankelijke bijzin van het verzwegen
antecedent id, illud of istud waarvan quod het betrekkelijk voornaamwoord is.
Recordatione: bijwoordelijke bepaling bij het verbum percurrimus in de
ablativusvorm: locativus.
Deze finale/consecutieve
bijzin is een uitbreiding van de eigenlijke bede van r. 1: [op]-/ [zo]dat wij
hetgeen wij in onze herinnering koesteren, altijd in onze werkzaamheid
/ werken
bewaren / vasthouden
B e k n o p
t v o c a b u l a r i u m
Affectus betekent “een staat of dispositie van het lichaam
of de geest, gesteldheid, gemoedsstemming” of “affectie” in de zin van liefde,
hartstocht, verlangen, gevoel” enz. Sedulus is “bezig, ijverig, bedrijvig,
zorgvuldig”. Er bestaat ook een adverbium (bijwoord), sedulo. Het
begrip “affectu sedulo” zouden we kunnen vertalen met “bezige liefde”,
“ijverige liefde”. Teneo heeft connotaties van “grijpen”, zowel in
fysieke (vastgrijpen, aanvatten, vastehouden, bewaren) als in intellectuele zin
(vatten, begrijpen, omvatten). Recordatio is “een terugroepen in de
geest”. Het betekent iets terugbrengen naar, of iets teruggeven aan het hart
(cor).
C
o m m e n t a a r
In het collectegebed worden wij opgeroepen in onze
herinnering en ons hart de genadegaven te bewaren die zo belangrijk zijn dat we
daaraan hier en nu concreet gehoor moeten geven. Zeer zeker geldt dit tijdens
de H.Mis wanneer de priester doet wat de Heer ons als Kerk heeft bevolen te
doen: “Doet dit tot gedachtenis (commemoratio) aan Mij” .
Recordatio en memoria
De H. Augustinus van Hippo (+ 430) legt een
verband tussen recordatio en memoria in zijn brief aan zijn
jeugdvriend Nebridius die zich tegelijk met hem bekeerde (Epistola 7).
Voor Augustinus was de herinnering de plaats van de ontmoeting tussen de
eigen persoon (het ik) en God in wat
hij noemt beata vita, het “gelukzalige leven”, dat verwijst naar het
geluk dat voortkomt uit de eenheid met God.
Zoekend naar een manier om het mysterie van de H.
Drieëenheid uit te leggen en de weerspiegeling van de Drie-eenheid in de
mens terug te zien, verpersoonlijkt Augustinus herinnering, verstand en
wil, waarbij de herinnering terugvoert naar God de Vader. Voor Augustinus was
de herinnering zowel de plaats van het ik
als het vermogen tot gewaarwording van hetgeen het hier en nu verbindt met het
verleden en de toekomst. De herinnering is daarom een soort “verdwijnpunt”, dat
voortdurend wegglipt naar het verleden. Het is ook het punt, waar het ik en
God elkaar vinden. God zelf belet dat Hij voor ons verdwijnt tot minder
dan een herinnering.
Onze liturgische commemoratie gedurende de H. Mis is
meer dan een eenvoudige “herinnering van dingen uit het verleden”. De
Verrijzenis van de Heer (die volgens sommigen wordt gesymboliseerd door de
hereniging van Christus’ Lichaam en Bloed wanneer de priester een klein
partikel van de gebroken Hostie in de kelk laat vallen) betekent dat ook wij,
zelfs in dit leven op aarde, verrijzen in Hem. Wij zijn verrezen, verrijzen, en
staan op het punt te verrijzen.
We moeten concreet en dankbaar gehoor geven aan de
gave van het leven, de gave van beeld van God te zijn, de gave van de
waardigheid die dit beeld ons geeft, de gave die de Heer ons schonk door
opnieuw de weg te openen van het delen in het leven van de Drie-eenheid en de
zalige aanschouwing van God. Goede werken door ons verricht in liefde en in
bewuste eenheid met Christus, zijn zowel onze daden als Zijn daden.
Wanneer
we in oprechte liefde werken van barmhartigheid verrichten, ervaren we dat als
een bevrijding, een vrij worden van het verleden, het heden en zelfs van de
toekomst. Christenen herinneren zich en gedenken wie zij zijn door zich aan
Christus over te geven, ook in het dienen van anderen.
Herdenk
de Paasmysteries met werkzame liefde.
Onder dank en
met toestemming deels ontleend aan Father J. Zuhlsdorf
Abonneren op:
Posts (Atom)






