Posts tonen met het label 6PC. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 6PC. Alle posts tonen
zondag 25 mei 2025
Lezingenofficie Zesde zondag van Pasen Liturgia Horarum Het Woord des levens en het licht van God
Lezingen van het Lezingenofficie
Augustinus leest Paulus, fresco van Benozzo Gozzoli
(1420-1497)
Eerste lezing
Uit de Eerste brief van de
Apostel Johannes 1,1-10
Het Woord des levens en het licht van God
Wat er was
vanaf het begin, wat wij gehoord hebben, wat wij met eigen ogen gezien en
aanschouwd hebben, wat onze handen hebben aangeraakt, dat verkondigen wij: het
Woord dat leven is. et leven is verschenen, wij hebben het gezien en getuigen
ervan, we verkondigen u het eeuwige leven dat bij de Vader was en aan ons
verschenen is. Wat wij gezien en gehoord hebben, verkondigen we ook aan u,
opdat ook u met ons verbonden bent. En verbonden zijn met ons is verbonden zijn
met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus. We schrijven u deze brief om onze
vreugde volkomen te maken. Dit is wat wij hem hebben horen verkondigen en wat
we u verkondigen: God is licht, er is in hem geen spoor van duisternis.
Als we zeggen
dat we met hem verbonden zijn terwijl we onze weg in het duister gaan, liegen
we en leven we niet volgens de waarheid. Maar gaan we onze weg in het licht,
zoals hijzelf in het licht is, dan zijn we met elkaar verbonden en reinigt het
bloed van Jezus, zijn Zoon, ons van alle zonde.
Als we zeggen
dat we de zonde niet kennen, misleiden we onszelf en is de waarheid niet in
ons. Belijden we onze zonden, dan zal hij, die trouw en rechtvaardig is, ons
onze zonden vergeven en ons reinigen van alle kwaad. Als we zeggen dat we nooit
gezondigd hebben, maken we hem tot een leugenaar en is zijn woord niet in ons.
Tweede lezing
Uit de Commentaren op de Tweede
Brief aan de Korinthiërs van de H. Cyrillus van Alexandrië, bisschop
(Cap. 5, 5 — 6, 2: PG 74, 942-943)
God heeft ons door Christus met zich verzoend en ons de
bediening van de verzoening toevertrouwd
Zij, die het onderpand van
de Geest bezitten en de hoop op de verrijzenis, en die de toekomstige
verwachting reeds als iets tegenwoordigs beschouwen, zeggen, dat zij van nu af
niemand meer beoordelen naar het vlees. Want allen zijn wij geestelijk en
vreemd aan het vleselijk bederf. Want als de Eniggeborene voor ons oplicht,
worden wij in dat Woord zelf, dat alles levend maakt, omgevormd. Zoals wij namelijk
in de banden van de dood lagen verstikt, toen de zonde heerste, zo hebben wij
het bederf van ons afgeworpen, toen de gerechtigheid van Christus in ons
doordrong.
Derhalve leeft niemand meer
in het vlees, dat is in de vleselijke zwakheid, waartoe met recht en reden o.a.
het bederf gerekend moet worden, als de Apostel eraan toevoegt: Want al hebben wij Christus naar het vlees
beoordeeld, thans beoordelen wij Hem zo niet meer. Alsof hij wilde zeggen: Het Woord is vlees geworden en heeft onder
ons gewoond, en voor ons aller leven heeft Hij de dood naar vlees het
ondergaan, zo hebben wij Hem leren kennen; maar van nu af kennen wij Hem zo
niet meer. Want hoewel Hij het vlees behouden heeft – Hij die toch op de derde
dag herleefde en bij de Vader verblijft in de hemel – weten wij, dat Hij boven het
vlees is uitgestegen: want eenmaal
gestorven, sterft Hij niet meer; de dood heeft geen macht meer over Hem. Want
dat Hij gestorven is wil zeggen, dat Hij stierf voor de zonde, eens en
voorgoed, maar dat Hij leeft, is een leven voor God.
Als Hij zich dan op deze
wijze tot voorvechter heeft gemaakt voor ons leven, moeten wij ook zeker zijn
voetstappen volgen en worden wij verondersteld niet als in het vlees maar boven
het vlees uit te leven. Daarom zegt de H. Paulus zeer terecht: Zo wordt dus wie in Christus is, nieuw
geschapen: het oude is voorbij, zie het nieuwe is daar. Want we zijn
gerechtvaardigd door het geloof in Christus en de kracht van de vloek is
gebroken. Want omdat Hij om ons is verrezen, is de macht van de dood
overwonnen. In waarheid en in zijn eigen natuur erkennen wij God, die wij in
geest en waarheid vereren, met als Middelaar zijn Zoon, die de hemelse
zegeningen van de Vader aan de wereld meedeelt.
Daarom zegt de H. Paulus zo
vol wijsheid: Alles is uit God, die zich
met ons verzoend heeft door Christus. Want inderdaad is het mysterie van de
Menswording, met als gevolg onze vernieuwing, niet buiten de wil van de Vader
om. Immers door Christus hebben wij toegang tot Hem gekregen, daar niemand tot
de Vader komt, zoals Christus zelf zegt, dan door Hem. Derhalve: Alles is uit God, die ons door Christus met
zich verzoende en ons de bediening van die verzoening toevertrouwde.
Lezingen H. Mis 6e zondag van Pasen, jaar C “Als iemand Mij liefheeft zal hij mijn woord onderhouden"
Eerste lezing (Hand. 15, 1-2.22-29)
Uit de Handelingen van de Apostelen.
In die dagen verkondigden enige mensen die van Judea waren gekomen, aan de broeders de leer: “Indien ge u niet naar Mozaïsch gebruik laat besnijden, kunt ge niet gered worden.” Toen hierover onenigheid ontstond en Paulus en Barnabas in een felle woordenwisseling met hen raakten, droeg men Paulus en Barnabas en enkele andere leden van de gemeente op met deze strijdvraag naar de apostelen en oudsten in Jeruzalem te gaan. Deze besloten samen met de hele gemeente enige mannen uit hun midden te kiezen en met Paulus en Barnabas naar Antiochië te sturen: Judas, bijgenaamd Barsabbas en Silas, mannen van aanzien onder de broeders, en hun het volgende schrijven mee te geven: “De apostelen en de oudsten zenden hun broederlijke groet aan de broeders uit de heidenen in Antiochië, Syrië en Cilicië. Daar wij gehoord hebben dat sommigen van ons u door woorden in verwarring hebben gebracht en uw gemoederen hebben verontrust, zonder dat ze van ons enige opdracht hadden gekregen, hebben wij eenstemmig besloten enige mannen uit te kiezen en naar u toe te sturen, in gezelschap van onze dierbare Barnabas en Paulus, mensen die zich geheel en al hebben ingezet voor de naam van onze Heer Jezus Christus. Wij hebben dus Judas en Silas afgevaardigd die ook mondeling hetzelfde zullen overbrengen. De heilige Geest en wij hebben namelijk besloten u geen zwaardere last op te leggen dan het strikt noodzakelijke: namelijk u te onthouden van spijzen die aan afgoden geofferd zijn, van bloed, van verstikt vlees en van ontucht. Als gij uzelf daarvoor in acht neemt zal het u goed gaan. Vaarwel!”
Tweede lezing (Apok. 21, 10-14.22-23)
Uit de Openbaring van de heilige apostel Johannes.
Een engel bracht mij, Johannes in de geest op een zeer hoge berg en toonde mij de heilige Stad, Jeruzalem, terwijl zij van God uit de hemel neerdaalde, stralend van de heerlijkheid Gods; zij schitterde als het kostbaarste gesteente en als kristalheldere jaspis. De Stad was omringd door een zeer hoge muur met twaalf poorten en aan de poorten stonden twaalf engelen; namen waren daarop gegrift, de namen van de twaalf stammen van Israël. Er waren drie poorten op het oosten, drie op het noorden, drie op het zuiden en drie op het westen. En de stadsmuur had twaalf grondstenen en daarop stonden de twaalf namen van de twaalf apostelen van het Lam. Maar een tempel zag ik er niet want God, de Heer, de Albeheerser is haar tempel zoals ook het Lam. En de Stad heeft het licht van zon en maan niet nodig want de luister van God verlicht haar en haar lamp is het Lam.
Evangelie (Joh. 14, 23-29)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes.
.In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Als iemand Mij liefheeft zal hij mijn woord onderhouden; mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en verblijf bij hem nemen. Wie Mij niet liefheeft onderhoudt mijn woorden niet; en het woord dat gij hoort is niet van Mij maar van de Vader die Mij gezonden heeft. Dit zeg Ik u terwijl Ik nog bij u ben, maar de Helper, de heilige Geest, die de Vader in mijn Naam zal zenden, Hij zal u alles leren en u alles in herinnering brengen wat Ik u gezegd heb. Vrede laat Ik u na; mijn vrede geef Ik u. Niet zoals de wereld die geeft, geef Ik hem u. Laat uw hart niet verontrust of kleinmoedig worden. Gij hebt Mij horen zeggen: Ik ga heen maar Ik keer tot u terug. Als Gij mij zoudt liefhebben, zoudt gij er blij om zijn dat Ik naar de Vader ga want de Vader is groter dan Ik. Nu, eer het gebeurt, zeg Ik het u, opdat gij, wanneer het gebeurt, zult geloven.”
Uit de Handelingen van de Apostelen.
In die dagen verkondigden enige mensen die van Judea waren gekomen, aan de broeders de leer: “Indien ge u niet naar Mozaïsch gebruik laat besnijden, kunt ge niet gered worden.” Toen hierover onenigheid ontstond en Paulus en Barnabas in een felle woordenwisseling met hen raakten, droeg men Paulus en Barnabas en enkele andere leden van de gemeente op met deze strijdvraag naar de apostelen en oudsten in Jeruzalem te gaan. Deze besloten samen met de hele gemeente enige mannen uit hun midden te kiezen en met Paulus en Barnabas naar Antiochië te sturen: Judas, bijgenaamd Barsabbas en Silas, mannen van aanzien onder de broeders, en hun het volgende schrijven mee te geven: “De apostelen en de oudsten zenden hun broederlijke groet aan de broeders uit de heidenen in Antiochië, Syrië en Cilicië. Daar wij gehoord hebben dat sommigen van ons u door woorden in verwarring hebben gebracht en uw gemoederen hebben verontrust, zonder dat ze van ons enige opdracht hadden gekregen, hebben wij eenstemmig besloten enige mannen uit te kiezen en naar u toe te sturen, in gezelschap van onze dierbare Barnabas en Paulus, mensen die zich geheel en al hebben ingezet voor de naam van onze Heer Jezus Christus. Wij hebben dus Judas en Silas afgevaardigd die ook mondeling hetzelfde zullen overbrengen. De heilige Geest en wij hebben namelijk besloten u geen zwaardere last op te leggen dan het strikt noodzakelijke: namelijk u te onthouden van spijzen die aan afgoden geofferd zijn, van bloed, van verstikt vlees en van ontucht. Als gij uzelf daarvoor in acht neemt zal het u goed gaan. Vaarwel!”
Tweede lezing (Apok. 21, 10-14.22-23)
Uit de Openbaring van de heilige apostel Johannes.
Een engel bracht mij, Johannes in de geest op een zeer hoge berg en toonde mij de heilige Stad, Jeruzalem, terwijl zij van God uit de hemel neerdaalde, stralend van de heerlijkheid Gods; zij schitterde als het kostbaarste gesteente en als kristalheldere jaspis. De Stad was omringd door een zeer hoge muur met twaalf poorten en aan de poorten stonden twaalf engelen; namen waren daarop gegrift, de namen van de twaalf stammen van Israël. Er waren drie poorten op het oosten, drie op het noorden, drie op het zuiden en drie op het westen. En de stadsmuur had twaalf grondstenen en daarop stonden de twaalf namen van de twaalf apostelen van het Lam. Maar een tempel zag ik er niet want God, de Heer, de Albeheerser is haar tempel zoals ook het Lam. En de Stad heeft het licht van zon en maan niet nodig want de luister van God verlicht haar en haar lamp is het Lam.
Evangelie (Joh. 14, 23-29)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes.
.In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Als iemand Mij liefheeft zal hij mijn woord onderhouden; mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en verblijf bij hem nemen. Wie Mij niet liefheeft onderhoudt mijn woorden niet; en het woord dat gij hoort is niet van Mij maar van de Vader die Mij gezonden heeft. Dit zeg Ik u terwijl Ik nog bij u ben, maar de Helper, de heilige Geest, die de Vader in mijn Naam zal zenden, Hij zal u alles leren en u alles in herinnering brengen wat Ik u gezegd heb. Vrede laat Ik u na; mijn vrede geef Ik u. Niet zoals de wereld die geeft, geef Ik hem u. Laat uw hart niet verontrust of kleinmoedig worden. Gij hebt Mij horen zeggen: Ik ga heen maar Ik keer tot u terug. Als Gij mij zoudt liefhebben, zoudt gij er blij om zijn dat Ik naar de Vader ga want de Vader is groter dan Ik. Nu, eer het gebeurt, zeg Ik het u, opdat gij, wanneer het gebeurt, zult geloven.”
Abonneren op:
Posts (Atom)

