Posts tonen met het label H. Bernardus. Alle posts tonen
Posts tonen met het label H. Bernardus. Alle posts tonen

woensdag 25 mei 2022

Christus’ opstijging ten hemel is voor ons een onderpand - Sint Bernardus


Christus’ opstijging ten hemel is voor ons een onderpand

Indien wij met waardige godsvrucht de feesten van de Menswording en de Verrijzenis vieren, dan is het passend dat ook deze dag van de Hemelvaart met niet minder luister worde gevierd. want deze plechtigheid hoort helemaal bij die twee feesten waarvan zij het slot en de voltooiing is. Terecht was het een blijde en feestelijke hoogdag, toen de hoogverheven Zon, de Zon der gerechtigheid, zich aan onze zwakke ogen vertoonde en Zijn ongenaakbaar en verblindend licht als in een wolk temperde door zich te onthullen met het kleed van een sterfelijk lichaam. Nog meer vreugde en jubel was er toen Hij dat omhulsel scheurde, zich omgordde met blijdschap, en zonder iets te veranderen aan het wezen van het kleed, alles er uit verwijderde wat oud en vergankelijk, ellendig en waardeloos was: en aldus gaf Hij het onderpand van onze verrijzenis.

Maar wat betekenen voor mij deze feesten, zolang mijn leven aan de aarde gebonden is? Wie zou ooit durven verlangen in de hemel te worden opgenomen, ware Hij niet eerst opgestegen, die er uit was nedergedaald? Ik mag het u rechtuit zeggen: het verblijf in deze ballingschap zou mij haast zo zwaar vallen als de hel, indien de Heer der legerscharen ons geen onderpand van vertrouwen en van verwachting had achtergelaten, en aan zijn gelovigen geen hoop gegeven had, toen Hij in de wolken opsteeg. Want Hij zegt: indien Ik niet heenga zal de Paracleet niet tot u komen. Wie is deze Paracleet Het is Hij door wie de liefde wordt uitgestort en de hoop niet wordt beschaamd, door wie onze levenswandel in de hemel is; Hij is de kracht uit den hoge die onze harten verheft. “Ik ga u een woning bereiden”, zegt Hij nog, “en als Ik zal heengegaan zijn en u deze woning zal bereid hebben, dan zal Ik terug komen om u tot Mij te nemen” (Jo 14,2-3). “Want waar het aas ligt, daar verzamelen zich de gieren (Mt 24,28)”.
Begrijpt gij nu hoe het feest dat wij vandaag vieren, de andere feesten aanvult, hun geestelijke vruchten uitlegt en ze vermeerdert?

Zoals al de andere gebeurtenissen uit het leven van Hem die voor ons geboren en aan ons gegeven werd, zo is ook Zijn Hemelvaart omwille van ons geschied, en tot ons voordeel doet Hij dat.

(S. Bernardus in Ascens. Dom. IV; PL 183 c. 309)

Preek van Sint Bernardus op Hemelvaart - Wat is nodig om Christus te volgen?


Preek van Sint Bernardus op Hemelvaart

Wat is nodig om Christus te volgen?

Laten wij dan, mijne broeders, onze harten en handen ten hemel heffen en ons best doen om tenminste met enkele schreden van gebed en geloof de opstijgende Heer te volgen. Want er zal een tijd komen, dat wij ineens en zonder moeite Hem tegemoet zullen worden gedragen op de wolken; en dan zal voor de vergeestelijkte lichamen mogelijk zijn, wat belichaamde geesten terecht niet kunnen. Want hoeveel moeite kost het niet zijn hart te verheffen! Ons hart wordt immers (zoals wij spijtig genoeg in het boek van onze eigen ondervinding lezen) en door het bederfelijk lichaam bezwaard en door haar verblijf op aarde terneergedrukt (Sap 9,15).

Maar misschien zal er uitgelegd moeten worden, wat het is, zijn hart te verheffen of hoe het moet verheven worden. Dit uiteen te zetten komt eerder de Apostel dan ons toe; hij zegt: “Als gij met Christus verrezen zijt, zoekt wat daarboven is, waar Christus zetelt aan de rechterhand van God; weest bedacht op wat daarboven is, en niet op het aardse” (Kol 3,1-2), waarmee hij meer uitdrukkelijk zeggen wil: Als gij mede verrezen zijt, stijgt dan ook mede op; als gij met Hem leeft, heerst dan ook met Hem!
Volgen wij het Lam, mijne broeders, laten wij het volgen waarheen het ook gaat. Laten wij het volgen in Zijn geduld (bij het lijden), bij de verrijzenis, en met nog grotere blijde bereidwilligheid als het ten hemel opstijgt.

Moge onze oude mens tegelijk met Hem gekruisigd worden, opdat het lichaam der zonde ten onder gaat; opdat wij in het vervolg geen slaaf meer zullen zijn van de zonde, na onze aardse ledematen verstorven te hebben. Evenals Hij van de doden is verrezen door de glorie van de Vader, zo laat ook ons in een vernieuwd leven wandelen (Rom 6,4). Hij is immers gestorven en verrezen, opdat wij, dood voor de zonde, voor de gerechtigheid zouden leven (1 Petr 2,24).

En omdat nu het nieuwe leven ook een veiliger plaats vraagt en de verrijzenis een hogere levensstand opeist, daarom willen wij Hem ook bij Zijn opstijgen volgen, d.w.z. wij willen zoeken en bedacht zijn op hetgeen van hierboven is, waar Hij is, en niet denken aan wat van de aarde is.

Gij vraagt wat dat voor een plaats is? Luister naar wat de Apostel zegt: “Vrij is het Jeruzalem van hierboven, en dat is onze Moeder” (Gal 4,26). Wilt gij weten wat daar te vinden is? Daar aanschouwt men de vrede! “Looft Jeruzalem de Heer; loof uw God, Sion, die uw gebied vrede schenkt” (Ps 147,12-14).

O vrede, die alle begrip te boven gaat! O vrede boven alle vrede! O maat boven alle maat! geheel gevuld, geschud en overlopend (Luc 6,38).

Daarom, Christenziel, lijd met Christus, verrijs mede met Hem en stijg mede omhoog! en dat is: onthoud u van het kwaad, doe het goede, zoek de vrede en jaag haar na (Ps 33,15).


(S. Bernardus in Ascens. Dom. V: P.L. 183 c. 316-317)

dinsdag 15 februari 2022

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomadæ 6 feria II Ex Sermónibus sancti Bernárdi abbátis (Sermo de diversis 15: PL 183, 577-579) De quærenda sapientia, Over het zoeken naar Wijsheid. On the search for wisdom.

 Ad Officium lectionis 

Lectio altera
Ex Sermónibus sancti Bernárdi abbátis
(Sermo de diversis 15: PL 183, 577-579)
 Tweede lezing

Uit de Preken van de H. Bernardus, abt

Over het zoeken naar wijsheid

Laten wij werken voor voedsel, dat niet vergaat: laten wij werken aan de taak van ons heil. Laten wij werken in de wijngaard van de Heer: opdat wij de tienling als dagloon verdienen te ontvangen. Laten wij werken in de wijsheid, die zegt: Wie zich om Mij beijveren, zondigen niet. De wereld is de akker, zegt de Waarheid; laten wij daarop graven. Er ligt een schat in verborgen, laten wij die uitgraven. Want dat is de wijsheid, die uit het verborgene wordt tevoorschijn gehaald. Wij allen zoeken die, wij allen verlangen die.

Als ge het wenst, zegt Hij, vraagt dan; bekeert u en komt. Ge vraagt me, waarvan ge u moet bekeren? Wend u af van uw begeerten, zegt Hij. Maar, zult gij zeggen, als ik in mijn begeerten niet de wijsheid vind, waar vind ik ze dan? Want mijn ziel verlangt ze vurig; en het zal mij niet genoeg zijn , als ik ze gevonden heb, tenzij ik een goede, gestampte, geschudde en overlopende maat in mijn schoot kan werpen. En, terecht. Want zalig de man, die wijsheid verkreeg en die inzicht bekwam.  Zoek ze derhalve; zolang ze gevonden kan worden; en roep haar, als ze nabij is.

Wilt ge horen, hoe dicht ze nabij is? Het woord is vlak bij, het is in uw mond, het is in uw hart; maar alleen, als ge het met een oprecht hart zoekt. Want zo vindt ge wijsheid in uw eigen hart en zult ge bij het spreken overvloeien van voorzichtigheid; ik zeg overvloeien, maar niet uitvloeien of uitbraken.
 Ge hebt zonder twijfel honing gevonden, als ge wijsheid hebt gevonden; maar eet er alleen niet teveel van, opdat ge die niet, als ge oververzadigd zijt, uit moet braken. Eet zo, dat ge altijd honger hebt. Want de Wijsheid zegt zelf: Die Mij eten, zullen nog honger hebben. Denk niet, dat het veel is wat ge hebt, laat u niet verzadigen om niet te moeten braken, want juist wat ge meent te bezitten, zal u ontnomen worden, omdat ge voor de tijd zijt opgehouden met zoeken. Want men moet niet ophouden met zoeken en roepen, zolang men nog iets kan vinden en dit nabij is. Anders zal, volgens dezelfde Salomon het hem, die te veel honing eet, geen goed doen; en zal ook hij, die de majesteit wil doorgronden, door de glorie ervan verpletterd worden.

Maar zoals de man zalig is, die de wijsheid vindt, zo is ook de man zalig, ja nog zaliger echter, die blijft in de wijsheid, want dit juist wijst op overvloed.

Inderdaad vloeit ge bij het spreken over van wijsheid of voorzichtigheid bij deze drie: wanneer in die mond de erkenning ligt van eigen zondigheid, wanneer er dankzegging en lofzang uit voortkomt, als men daar ook nog een woord van stichting uit hoort. Want het geloof van uw hart brengt de gerechtigheid, en de belijdenis van uw mond het heil. En daarbij: In het begin van het twistgeding beschuldigt de rechtvaardige zichzelf; vervolgens moet hij de Heer prijzen, tenslotte moet hij (in zoverre hem wijsheid toevloeit) de naaste stichten. 

Second Reading

From a sermon by Saint Bernard, abbot

On the search for wisdom

Let us work for the food which does not perish – our salvation. Let us work in the vineyard of the Lord to earn our daily wage in the wisdom which says: Those who work in me will not sin. Christ tells us: The field is the world. Let us work in it and dig up wisdom, its hidden treasure, a treasure we all look for and want to obtain.
  If you are looking for it, really look. Be converted and come. Converted from what? From your own wilfulness. “But,” you may say, “if I do not find wisdom in my own will, where shall I find it? My soul eagerly desires it. And I will not be satisfied when I find it, if it is not a generous amount, a full measure, overflowing into my hands.” You are right, for blessed is the man who finds wisdom and is full of prudence.
  Look for wisdom while it can still be found. Call for it while it is near. Do you want to know how near it is? The word is near you, in your heart and on your lips, provided that you seek it honestly. Insofar as you find wisdom in your heart, prudence will flow from your lips, but be careful that it flows from and not away from them, or that you do not vomit it up. If you have found wisdom, you have found honey. But do not eat so much that you become too full and bring it all up. Eat so that you are always hungry. Wisdom says: Those who eat me continue to hunger. Do not think you have too much of it, but do not eat too much or you will throw it up. If you do, what you seem to have will be taken away from you, because you gave up searching too soon. While wisdom is near and while it can be found, look for it and ask for its help. Solomon says: A man who eats too much honey does himself no good; similarly, the man who seeks his own glorification will be crushed by that same renown.
  Happy is the man who has found wisdom. Even more happy is the man who lives in wisdom, for he perceives its abundance. There are three ways for wisdom or prudence to abound in you: if you confess your sins, if you give thanks and praise, and if your speech is edifying. Man believes with his heart and so he is justified. He confesses with his lips and so he is saved. In the beginning of his speech the just man is his own accuser, next he gives glory to God, and thirdly, if his wisdom extends that far, he edifies his neighbour.

zaterdag 2 oktober 2021

Liturgia Horarum - H. Bernardus over de Heilige Engelbewaarders

2 oktober – HH. Engelbewaarders

Uit de Preken van de H. Bernardus, abt.

Mogen zij u behoeden op al uw wegen

Hij heeft zijn engelen bevolen om u op al uw wegen te behoeden. Laat zijn barmhartigheid getuigenis afleggen voor de Heer en Zijn wonderen voor de kinderen der mensen. Laten zij getuigenis afleggen en zeggen bij de heidenen, dat de Heer wonderbaar met hen heeft gehandeld. Heer, wat is de mens, dat Gij U aan hem openbaart? Of waarom neigt Gij tot hem uw hart? Gij neigt uw hart tot hem, Gij zijt voor hem vol kommer, Gij hebt zorg voor hem. Want Gij zendt hem uw Eniggeborene, Gij laat uw geest over hem komen en belooft hem zelfs uw Aanschijn te mogen zien. En om te voorkomen dat er in de hemel iets zou ontbreken aan de zorg voor ons, zendt Gij die heilige geesten uit om ons te dienen, belast hen met onze bescherming en laat hen onze opvoeders worden.

Hij heeft zijn engelen bevolen om u op al uw wegen te hoeden.
Wat moet dat woord u niet vervullen met eerbied, overgave en vertrouwen. Eerbied voor hun tegenwoordigheid, overgave voor hun welwillendheid, vertrouwen om hun bescherming. Zij zijn u dus nabij en zij niet alleen met u, maar ook voor u. Zij zijn bij u om u te beschermen, zij zijn bij u om u van dienst te zijn. Hoewel God hun dit nu bevolen heeft, mogen wij tegenover hen zelf, die met zoveel liefde God daarin gehoorzamen en ons in grote moeilijkheden bijstaan, niet ondankbaar zijn.

Laten wij hun daarom toegewijd zijn en de zo gewichtige bewaarders dankbaar zijn. Beminnen wij hen wederkerig en eren wij hen zoveel wij kunnen en zoveel wij verplicht zijn. Heel onze liefde en eerbied moet toch aan Hem gegeven worden, van Wie zowel zij zelf als wij alles hebben ontvangen. Door Wie wij kunnen eren en beminnen en door Wie wij verdienen bemind en geëerd te worden.

In Hem daarom, broeders, moeten wij zijn engelen van harte beminnen, als degenen die eens onze mede-erfgenamen zullen zijn. Want nu reeds zijn wij kinderen van God, hoewel dit nog niet zo duidelijk aan het daglicht treedt, in zover wij nog als kinderen zijn, die onder leiding staan van voogden en beheerders, alsof wij in niets verschillen van dienaren.

Maar – ofschoon wij nog zo klein zijn, en er voor ons nog een zo lange, en niet alleen lange maar ook een zo gevaarlijke weg open ligt – wat zouden wij moeten vrezen onder zulke leiders? Zij kunnen niet overweldigd worden of misleid, en nog minder kunnen zij zelf misleiden, die ons bewaken op al onze wegen. Zij zijn getrouw, voorzichtig en machtig, wat zouden wij vrezen? Laten wij hen slechts volgen, hen vasthouden, en zo onder de bescherming blijven van de God des hemels.

(Sermo 12 in psalmum Qui habitat, 3.6-8: Opera omnia. Edit. Cisterc. 4 [1966] 458-462]

donderdag 19 augustus 2021

ABBAYE DE CLAIRVAUX (Aube) mémoire cistercienne

Saint of the Week: St. Bernard of Clairvaux

H. Bernardus "Het vasten schenkt godsvrucht en vertrouwen"

H. Bernardus tot zijn medebroeders 4

Het vasten schenkt godsvrucht en vertrouwen

Over nog iets wil ik u spreken, hetgeen u gemakkelijk begrijpen zult  en wat u, zo ik mij niet vergis, reeds meerdere malen ondervonden hebt: het vasten namelijk schenkt godsvrucht en vertrouwen bij het gebed. Want zie, hoe vasten en gebed met elkaar verbonden zijn, zoals er geschreven staat: “Als de ene broeder de ander helpt, worden beiden getroost” (cf Spr 18.19).
Het gebed verkrijgt kracht om te vasten en het vasten van zijn kant verdient de genade van het gebed. Het vasten versterkt zelfs het gebed, dat wederom het vasten heiligt en het de Heer opdraagt. Welk nut had het vasten wanneer het op aarde bleef? Nee, dat mag niet gebeuren! Maar moge het door een vleugel van het gebed worden opgeheven. Hieraan moet men nog een andere vleugel toevoegen, anders richt het nog niets uit. “Het gebed van de rechtvaardige dringt door tot de hemelen” zegt de H.Schrift (Eccl. 35,21).
Dat ons vasten dan die twee vleugels mogen bezitten: van gebed namelijk en van gerechtigheid, opdat het gemakkelijk tot de hemel kan doordringen. Maar wat is gerechtigheid anders, dan dat men aan ieder geeft wat hem toekomt?
Wil dus niet alleen op God uw aandacht vestigen; u hebt ook verplichtingen tegenover uw oversten en uw medebroeders: God wil niet dat u datgene geringschat, waaraan Hij zelf zoveel waarde hecht. Niet zonder reden zegt de apostel Paulus: “Hebt het goede voor met alle mensen” (Rom 12,17).
Misschien zegt u: “Het is mij genoeg als het God alleen behaagt wat ik doe! Wat zou ik mij bekommeren over het oordeel van de mensen?”
Wees er van verzekerd: Hem bevalt doorgaans niet, wat u tot ergernis van Zijn kinderen doet en tegen de wil van hem, die Zijn vertegenwoordiger is en aan wie u gehoorzaamheid bent verschuldigd”.
(S. Bernardi In Quadrag. IV: P.L. 183, c. 176-177)


August 20 Saint Bernard of Clairvaux

St. Bernard of Clairvaux Novena Day 1

Bernard of Clairvaux (Latin: Bernardus Claraevallensis), O.Cist (1090 – 20 August 1153) was a French abbot and the primary reformer of the Cistercian order.

After the death of his mother, Bernard sought admission into the Cistercian order. "Three years later, he was sent to found a new abbey at an isolated clearing in a glen known as the Val d'Absinthe, about 15 kilometres (9.3 mi) southeast of Bar-sur-Aube. According to tradition, Bernard founded the monastery on 25 June 1115, naming it Claire Vallée, which evolved into Clairvaux. There Bernard would preach an immediate faith, in which the intercessor was the Virgin Mary."[1] In the year 1128, Bernard attended the Council of Troyes, at which he traced the outlines of the Rule of the Knights Templar,[a] which soon became the ideal of Christian nobility.

On the death of Pope Honorius II on 13 February 1130, a schism broke out in the Church. King Louis VI of France convened a national council of the French bishops at Étampes in 1130, and Bernard was chosen to judge between the rivals for pope. After the council of Étampes, Bernard spoke with King Henry I of England, also known as Henry Beauclerc, about Henry I's reservations regarding Pope Innocent II. Henry I was sceptical because most of the bishops of England supported Antipope Anacletus II; Bernard persuaded him to support Innocent. Germany had decided to support Innocent through Norbert of Xanten, who was a friend of Bernard's. However, Innocent insisted on Bernard's company when he met with Lothair II, Holy Roman Emperor. Lothair III became Innocent's strongest ally among the nobility. Although the councils of Étampes, Wurzburg, Clermont, and Rheims all supported Innocent, large portions of the Christian world still supported Anacletus. At the end of 1131, the kingdoms of France, England, Germany, Portugal, Castile, and Aragon supported Innocent; however, most of Italy, southern France, and Sicily, with the patriarchs of Constantinople, Antioch, and Jerusalem,[clarify] supported Anacletus. Bernard set out to convince these other regions to rally behind Innocent. The first person he went to was Gerard of Angoulême. He proceeded to write a letter, known as Letter 126, which questioned Gerard's reasons for supporting Anacletus. Bernard would later comment that Gerard was his most formidable opponent during the whole schism. After persuading Gerard, Bernard traveled to visit William X, Duke of Aquitaine. He was the hardest for Bernard to convince. He did not pledge allegiance to Innocent until 1135. After that, Bernard spent most of his time in Italy persuading the Italians to pledge allegiance to Innocent. He traveled to Sicily in 1137 to convince the king of Sicily to follow Innocent. The whole conflict ended when Anacletus died on 25 January 1138.[2] In 1139, Bernard assisted at the Second Council of the Lateran. Bernard denounced the teachings of Peter Abelard to the pope, who called a council at Sens in 1141 to settle the matter. Bernard soon saw one of his disciples elected Pope Eugene III. Having previously helped end the schism within the church, Bernard was now called upon to combat heresy. In June 1145, Bernard traveled in southern France and his preaching there helped strengthen support against heresy.

After the Christian defeat at the Siege of Edessa, the pope commissioned Bernard to preach the Second Crusade. The last years of Bernard's life were saddened by the failure of the crusaders, the entire responsibility for which was thrown upon him. Bernard died at the age of 63, after 40 years as a monk. He was the first Cistercian placed on the calendar of saints, and was canonized by Pope Alexander III on 18 January 1174. In 1830 Pope Pius VIII bestowed upon Bernard the title "Doctor of the Church".

20 augustus H. Bernardus, abt en kerkleraar - Ik bemin omdat ik bemin; ik bemin om te beminnen.


Bernardus werd in 1090 bij Dijon (Frankrijk) geboren. In 1111 trad hij in bij de monniken van Cîteaux. Niet lang daarna tot abt van het klooster van Clairvaux gekozen, toonde hij zich door woord en voorbeeld een uitstekend geestelijk leidsman voor zijn ordebroeders. Toen schisma’s de kerk verdeelden, trok hij geheel Europa door om de vrede en de eenheid te herstellen. Zijn vele geschriften zijn vooral van theologische aard en hebben veelal betrekking op de opgang van de mens naar God. Hij stierf in 1153. Hierna en in de daarop volgende bijdragen enkele teksten van Sint Bernardus uit het  getijdengebed (Liturgia Horarum).

Lectio altera lezingendienst

Uit een preek van de heilige Bernardus, abt van Clairvaux († 1153), over het Hooglied

Ik bemin omdat ik bemin; ik bemin om te beminnen.

De liefde is op zichzelf voldoende, alleen zij is uit zichzelf en om zichzelf aantrekkelijk. Zij vindt haar verdienste en haar beloning in zichzelf. De liefde zoekt geen beweegredenen of doel buiten zichzelf: haar werking is haar doel. Ik bemin omdat ik bemin, ik bemin om te beminnen. De liefde is iets groots, als zij maar terugkeert naar haar beginsel, als zij maar teruggaat naar haar oorsprong, als zij maar terugvloeit naar haar bron en daar steeds weer kracht put om te blijven stromen.
Onder alle innerlijke bewegingen, gevoelens en gemoedsaandoeningen stelt alleen de liefde het schepsel in staat zijn Schepper te antwoorden - zij het niet in gelijke mate - en Hem op overeenkomstige wijze te vergelden. Want wanneer God bemint, wil Hij niets anders dan bemind worden: het enige doel van zijn liefde is immers bemind te worden, want Hij weet dat al wie Hem beminnen, juist in die liefde hun geluk vinden.
De liefde van een bruidegom, of liever: de Bruidegom die de liefde in eigen persoon is, vraagt alleen om wederliefde en trouw. Daarom moet zijn geliefde wederliefde tonen. Is het mogelijk dat een bruid, de bruid nog wel van de Liefde, niet zou beminnen? Is het mogelijk dat de Liefde zelf niet zou bemind worden?
Terecht verzaakt de bruid aan alle andere gevoelens en legt zij zich geheel toe op de liefde alleen, als zij de liefde zelf moet beantwoorden door wederliefde. Want ook wanneer zij zich in liefde geheel en al zal hebben uitgeput, wat betekent dit dan in vergelijking met het onophoudelijk stromen van die bron?
Volstrekt niet even overvloedig stromen de minnende en de Liefde, de ziel en het Woord, de bruid en de Bruidegom, de Schepper en het schepsel: zij verhouden zich als de dorstige en de bron.
Wat volgt hieruit? Is hierom al het andere zinloos en onvervulbaar: de wens van de toekomstige bruid, haar zuchten en verlangen, haar brandende liefde, haar vertrouwvol verwachten? Is dit alles overbodig, omdat het haar onmogelijk is even snel te lopen als een reus, in zoetheid te wedijveren met honing, in zachtheid met een lam, in reinheid met een lelie, in lichtende pracht met de zon, in liefde met Hem die de liefde zelf is? Neen.
Want ook al bemint het schepsel in mindere mate omdat het nu eenmaal minder is, toch - als het met geheel zijn wezen bemint - ontbreekt er niets, daar zijn liefde totaal is. Daarom is zó beminnen hetzelfde als gehuwd zijn, want het is onmogelijk zo te beminnen en weinig bemind te worden. In de eensgezindheid van beiden bestaat dan ook het volledige en volmaakte huwelijk. Of twijfelt iemand eraan dat het Woord de ziel het eerst en het meest heeft bemind?


dinsdag 20 augustus 2019

Liturgia Horarum Sint Bernardus: Met de volheid van de tijd kwam ook de Godheid in heel haar volheid.

Sint Bernardus:
Met de volheid van de tijd kwam ook de Godheid in heel haar volheid.
‘De goedheid en mensenliefde van God onze Heiland is verschenen’ (Tit. 3, 4). Dank aan God: door Hem gewordt ons overvloedige vertroosting op onze pelgrimstocht, in onze ballingschap, in onze ellende.
Voordat Gods mensenliefde verscheen, bleef zijn goedheid verborgen, hoewel zij er toen ook al was: ‘want Gods erbarmen blijft altijd en eeuwig’ (Ps 103 (102), 17). Maar hoe kon de mens de grootheid ervan weten? Gods barmhartigheid werd beloofd, maar nog niet ervaren, en daarom waren er velen die er niet in geloofden. Immers, ‘vele malen en op velerlei wijzen sprak God door de profeten’ (Hebr 1, 1). Mijn plannen, zei Hij, zijn plannen van vrede, niet van onheil (vgl. Jer 29, 11). Maar wat antwoordde de mens die het onheil wel aan den lijve ondervond, doch geen vrede kende? Hoe lang nog zult gij zeggen: vrede, vrede, terwijl er van vrede geen sprake is? (vgl. Jer 6, 14). Daarom zullen de verkondigers van de vrede bittere tranen storten (vgl. Jes 33, 7): ‘Heer, wie kan nog geloven wat wij hebben gehoord?’ (Jes 53, 1). Maar laten de mensen thans hun eigen ogen geloven, want ‘betrouwbaar is alles wat Gij betuigt’ (Ps 93 (92), 5). Immers, opdat dit zelfs voor een troebel oog niet verborgen zou zijn, heeft Hij in het zonlicht zijn tent geplaatst (vgl. Ps 19A (18A), 6).
Zie, de vrede is niet langer een belofte doch een feit, niet langer uitgesteld maar geschonken, niet langer een voorspelling maar werkelijkheid. Zie, God de Vader stuurde als het ware een geldbuidel vol barmhartigheid naar de aarde, een buidel die door het lijden moest worden opengescheurd om het daarin verborgen losgeld voor ons uit te storten. Weliswaar een kleine buidel, maar een die boordevol was. Want ‘een Kind is ons gegeven’, maar daarin ‘is de Godheid in heel haar volheid aanwezig’ (Jes 9, 6; Kol 2, 9). Immers, met de volheid van de tijd kwam ook de Godheid in heel haar volheid. Deze kwam in een mensenlichaam om voor mensen zichtbaar te worden en om, door de verschijning van God als mens, Gods goedheid bekend te maken. Want waar God als mens verschijnt, daar kan zijn goedheid niet verborgen blijven. Hoe had God een overtuigender bewijs van zijn goedheid kunnen geven dan door mijn lichaam aan te nemen? Ja, mijn lichaam, niet dat van Adam zoals dit was vóór de zondeval.
Wat getuigt meer van zijn barmhartigheid dan dat Hij mijn ellende op zich nam? Kan men zich een volmaakter mensenliefde indenken: Gods Woord is voor ons vergankelijk geworden als gras? ‘Heer, wat is toch de mens dat Gij zoveel belang in hem stelt en hem uw aandacht blijft wijden?’ (Job 7, 17). Hieruit moet de mens toch wel opmaken hoever Gods zorg voor hem gaat. Hierdoor moet hij toch wel weten wat God over hem denkt en hoe Hij hem gezind is. Vraag niet, o mens, wat gij te lijden hebt, maar wat Hij geleden heeft. Hoe dierbaar gij Hem zijt, maak dat op uit wat Hij voor u geworden is; dan zal zijn goedheid u verschijnen vanuit zijn mensheid. Want hoe kleiner Hij zich maakte in zijn menselijkheid, des te groter toonde Hij zich in zijn goedheid. En hoe meer Hij zich voor mij vernederde, des te dierbaarder is Hij mij. ‘Verschenen is de goedheid en mensenliefde van God onze Heiland’, zegt de Apostel (Tit 3, 4). Ja, groot en overduidelijk is Gods goedheid en mensenliefde, en een groot bewijs van zijn goedheid is ons gegeven door Hem die de naam van God verbonden heeft met de mensheid.

S. Bernardi abbatis sermo 1 in Epiphania Domini, 1-2: PL 133, 141-143 

Liturgia Horarum - St. Bernardus "Denk bij alles aan Maria en roep haar aan"

Uit de preken van de heilige Bernardus Abt over de lof van de Moedermaagd (Hom. 2,17,1-33: SCh 390, 1993, 168-170)

Denk bij alles aan Maria en roep haar aan.

‘En de naam van de Maagd was Maria,’ zo zegt de Evangelist. Laten wij ook iets zeggen over deze naam waarvan men zegt dat hij ‘sterre der zee’ betekent en die zeer goed past bij de Moeder en Maagd. Want zij wordt zeer toepasselijk met een ster vergeleken. Zoals namelijk een ster haar straal uitzendt zonder ten onder te gaan, zo baarde ook de Maagd haar Zoon zonder schending van zichzelf. De straal vermindert bij de ster haar helderheid niet; de Zoon vermindert bij de Maagd niet haar maagdelijkheid. Daarom is zijzelf die edele ster, opgerezen uit Jacob. Haar straal verlicht de gehele wereld; haar glans schittert tot in de hemelen en dringt door tot in de onderwereld. En terwijl zij ook de aarde verlicht waarbij zij meer de geesten dan de lichamen verwarmt, koestert zij de deugd en zuivert zij van de zonden. Zij, zeg ik, is de schitterende en voortreffelijke ster die boven deze grote en weidse zee noodzakelijkerwijs verheven is, flonkerend door haar verdiensten, lichtend door haar voorbeeld.
Gij - wie ge ook zijt - die begrijpt dat gij in de wisselvalligheden van deze wereld op aarde eerder temidden van stormen en winden heen en weer geslingerd wordt dan dat gij loopt op de aarde, wend uw ogen niet af van de schittering van deze ster, als gij niet ten onder wilt gaan in de stormen. Als de winden van de kwellingen opsteken, als gij botst tegen de klippen van de verdrukking, kijk naar de ster, roep Maria aan. Als gij heen en weer geslingerd wordt op de golven van hoogmoed of van eerzucht, van kwaadsprekerij of van afgunst, kijk naar de ster, roep Maria aan. Als toorn of hebzucht of de verlokkingen van het vlees het bootje van de ziel hevig heen en weer geschud hebben, kijk naar Maria. Als gij, omdat ge verward zijt door de grote hoeveelheid van uw fouten, omdat ge ontsteld zijt door de onreinheid van uw geweten en bang zijt voor de verschrikking van het oordeel, verzwolgen dreigt te worden door de diepte van de droefheid en door de afgrond van de wanhoop, denk dan aan Maria.
Bij gevaren, in moeilijkheden, bij onzekerheden, denk aan Maria, roep Maria aan. Laat zij niet wijken van uw lippen, laat zij niet wijken van uw hart en, opdat gij de hulp van haar gebed moogt verkrijgen, wend u niet af van het voorbeeld van haar leven. Als gij haar volgt, raakt ge niet van de weg af, als gij haar vraagt, wanhoopt ge niet, als gij aan haar denkt, dwaalt ge niet; als zij u vasthoudt, valt ge niet, als zij u beschermt, vreest ge niet, als zij u leidt, raakt ge niet vermoeid, met haar steun bereikt gij uw doel en zo ervaart ge in uzelf hoe terecht gezegd wordt: ‘En de naam van de Maagd was Maria’.