Posts tonen met het label hebdomada XVII per annum. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hebdomada XVII per annum. Alle posts tonen

zaterdag 23 juli 2022

Overweging bij het Evangelie van vandaag . 17e zondag door het jaar C




Als je brood nodig hebt, dan ga je naar de bakker. En voor groenten naar de groenteboer. Als je ziek bent ga je naar de dokter en als je iets wilt leren ga je naar school. En zo is er voor alles waar je gebrek aan hebt, in ons rijke deel van de wereld wel een leverancier.

Voor sommige mensen vervult God ook een functie als leverancier. Hij is er meestal voor de zwaardere gevallen. Daar waar menselijke inspanningen geen uitzicht meer bieden, wordt Gods hulp ingeroepen. In uitzichtloze situaties. Als je het helemaal niet meer ziet zitten. Ik denk dat voor de beleving van veel mensen, er zich een moeilijkheid voordoet bij dat bidden . Het is moeilijk om vertrouwelijk te praten, want dat is bidden toch, met iemand die je niet voor ogen hebt .

Uit de verhalen in het Nieuwe Testament weten we dat Jezus daar minder moeite mee had. Blijkbaar wist hij heel goed wie Hij voor ogen had als Hij zich afzonderde om te bidden. In het evangelie staat een verhaal waarin leerlingen aan Jezus vragen hoe ze kunnen bidden. Heer, leer ons bidden, vragen de leerlingen. En dat doet Jezus ook.

Maar Jezus geeft ons niet alleen woorden. Hij beschrijft ook hoe het er tussen ons en God toe gaat: als tussen vrienden die elkaar niet in de steek laten, ook al is het midden in de nacht. God is als een vader en moeder die zijn zoon geen stenen geeft als hij vraagt om brood. Zo ziet God er uit, als Iemand die het beste met ons voor heeft.

Tegelijkertijd levert dit verhaal ook de nodige problemen op. Dat komt doordat God al te vaak gezien wordt als een soort super-Sinterklaas.

Iemand bij wie we ons verlanglijstje kunnen inleveren en dan maar zien wat het oplevert. Het is juist door dit beeld van God dat vele mensen hun geloof in Hem verloren hebben .

Want al te vaak voldoet God niet aan de wensen op het verlanglijstje.

De regen blijft uit hoe hard er ook gebeden wordt. Een ziek kind wordt niet beter. Een verloren zoon komt niet thuis. En dan krijgt God de schuld. God is dan in de ogen van sommigen wreed of zonder meeleven of op zijn minst onbetrouwbaar. Maar dat is niet de God waarover Jezus spreekt. Jezus zegt niet dat God alle ellende  die ons overkomt met een knip van zijn vingers doet ophouden. God is niet de grote tovenaar die met ons mensen speelt alsof we zijn speelgoed zijn. Jezus zegt dat we als we daarom vragen, van God de Heilige Geest zullen ontvangen. De Heilige Geest, de Helper, de Trooster, de Inspirator. De Heilige Geest zal ons er voor behoeden in alle ellende van de wereld ten onder te gaan. Hij is de kracht van God zelf die ons weer adem geeft als de last van het bestaan op ons drukt. Maar het is ook de Geest die ons de ogen opent voor het leed in de wereld waar we wel wat aan kunnen doen, het is dezelfde Geest van God die mensen aanspoort om de handen uit de mouwen te steken waar het onrecht mensen treft. Het is dezelfde Geest die de heiligen, die we zo goed voor ogen hebben, geïnspireerd heeft tot een leven waar we nog steeds een voorbeeld aan nemen . Bidden tot God is vragen om zijn Geest, de echte Helper die we geschonken krijgen als we er om vragen . Amen.

(HR)


Lezingen H. Mis 17e zondag door het jaar C Vraagt en u zal gegeven worden.


Eerste lezing
: Gen. 18, 20-32

In die dagen zei de Heer:

“Luid stijgt de roep om wraak uit Sodom en Gomorra op!

Uitermate zwaar is hun zonde!

Ik ga naar beneden om te zien of hun daden werkelijk overeenstemmen met de roep,

die tot Mij is doorgedrongen;

Ik wil het weten.”

Toen gingen de mannen op weg in de richting van Sodom.

De Heer bleef echter nog bij Abraham staan.

Abraham trad op Hem toe en zei:

“Wilt Ge werkelijk met de boosdoeners

ook de rechtvaardigen verdelgen?

Zult Gij de stad geen vergiffenis schenken

omwille van de vijftig rechtvaardigen, die er wonen?

Zoiets kunt Ge toch niet doen:

de rechtvaardigen samen met de boosdoeners laten sterven!

Dan zou het de rechtvaardigen vergaan als de boosdoeners;

dat kunt Ge toch niet doen!

Zal Hij die de hele aarde oordeelt, geen recht laten geschieden?”

En de Heer zei:

“Als Ik in de stad Sodom vijftig rechtvaardigen vind,

zal Ik omwille van hen de hele stad vergiffenis schenken.”

Abraham begon weer en zei:

“Mag ik zo vrij zijn tot mijn Heer te spreken,

ofschoon ik maar stof en as ben?

Misschien ontbreken er aan de vijftig rechtvaardigen vijf;

zult Gij dan toch om die vijf de hele stad verwoesten?”

En Hij zei:

“Ik zal haar niet verwoesten,

als Ik er vijfenveertig vind.”

Opnieuw sprak Abraham tot Hem:

“Misschien zijn er maar veertig te vinden.”

En de Heer zei:

“Dan zal Ik het omwille van die veertig niet doen.”

Nu zei Abraham:

“Laat mijn Heer niet kwaad worden,

als ik nog eens aandring: misschien zijn er maar dertig te vinden.”

En de Heer zei: “Ik zal het niet doen, als Ik er dertig vind.”

Abraham zei opnieuw:

“Ik ben wel vrijpostig als ik bij mijn Heer blijf aandringen;

maar misschien worden er maar twintig gevonden.”

En de Heer zei: “Ook omwille van die twintig zal Ik de stad niet verwoesten.”

Abraham zei nogmaals:

“Laat mijn Heer niet kwaad worden,

als ik nog één keer spreek, misschien zijn er maar tien te vinden.”

En de Heer zei: “Ik zal de stad niet verwoesten, zelfs al zijn er maar tien.”


Tweede lezing: Kol. 2, 12-14

Broeders en zusters,

in de doop zijt gij met Christus begraven,

maar ook met Hem verrezen

door uw geloof in de kracht van God,

die Hem uit de dood deed opstaan.

Ook u,

die dood waart ten gevolge van uw zonden

en door uw morele onbehouwenheid,

heeft God weer levend gemaakt met Hem.

Hij heeft ons al onze zonden vergeven.

Hij heeft de oorkonde verscheurd,

die met haar bezwarende bepalingen tegen ons getuigde.

Hij heeft haar vernietigd en aan het kruis genageld.


Evangelie: Lc. 11, 1-13

Op een keer was Jezus ergens aan het bidden.

Toen Hij ophield zei een van zijn leerlingen tot Hem:

“Heer,

leer ons bidden,

zoals Johannes het ook aan zijn leerlingen geleerd heeft.”

Hij sprak tot hen:

“Wanneer ge bidt, zegt dan:

Vader, uw Naam worde geheiligd,

uw Rijk kome.

Geef ons iedere dag ons dagelijks brood

en vergeef ons onze zonden,

want ook wij vergeven aan ieder die ons iets schuldig is.

En leid ons niet in bekoring.”

Hij vervolgde:

“Stel iemand van u heeft een vriend.

Midden in de nacht gaat hij naar hem toe en zegt:

Vriend, leen mij drie broden,

want een vriend van mij is van een reis bij mij aangekomen

en ik heb niets om hem voor te zetten.

Zou die ander van binnen uit dan antwoorden:

Val me niet lastig;

de deur is al op slot en mijn kinderen en ik liggen in bed;

ik kan niet opstaan om het u te geven?

Ik zeg u,

als hij niet opstaat en het hem geeft omdat hij zijn vriend is,

zal hij toch opstaan en hem geven al wat hij nodig heeft,

om zijn onbescheiden aandringen.

Tot u zeg Ik hetzelfde:

Vraagt en u zal gegeven worden;

zoekt en gij zult vinden;

klopt en er zal worden opengedaan.

Want al wie vraagt verkrijgt;

wie zoekt vindt;

en voor wie klopt doet men open.

Is er soms onder u een vader, die aan zijn zoon een steen zal geven

als deze hem om brood vraagt?

Of als hij om vis vraagt,

zal hij hem toch in plaats van vis geen slang geven?

Of als hij een ei vraagt,

zal hij hem toch geen schorpioen geven?

Als gij dus, – ofschoon ge slecht zijt –

goede gaven aan uw kinderen weet te geven,

hoeveel te meer zal dan uw Vader in de hemel

de heilige Geest geven aan wie Hem erom vragen.”

Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven” 17e zondag per annum / door het jaar Geleid worden tot de eeuwige vreugde

Christus ontvangt brood en wijn voor de H. Eucharistie

Laat deze Eucharistieviering ons leven hier op aarde heiligen
en leiden tot de eeuwige vreugde

I n l e i d i n g

God schenkt ons in zijn vrijgevigheid uit het rijke aanbod van de vergankelijke goederen brood en wijn. Daarvoor zij Hij, God, gezegend in alle eeuwen. Telkens als de priester bij het Offertorium de pateen met brood neemt, horen we de echo van de eeuwenoude oratie van deze zondag: Benedictus es, Domine, Deus universi, quia de tua largitate accepimus panem, quem tibi offerimus…ex quo nobis fiet panis vitæ (Novus Ordo Missæ), Gezegend zijt Gij, God van al wat leeft, want uit uw milde hand hebben wij het brood ontvangen, dat wij U opdragen... waaruit voor ons het brood van eeuwig leven gewordt. Niet uit het onze, het eigene – “wat bezitten wij dat wij niet ontvangen hebben?” (1 Kor 4, 7) – maar uit de overvloed aan gaven van de kant van God, biedt de Kerk Hem de gaven voor de heilige Eucharistie onder dankzegging aan: Hij schenkt ons het brood, de vrucht van de aarde en het werk van onze handen. Mensen bezitten immers niets uit hen zelf dat passend is om aan God te geven. Al hetgeen zij kunnen offeren, komt van dezelfde Bron waarnaar het terugkeert. Uiteindelijk ontvangen zij het weer van Hem.
Wij bidden dat God de gaven van brood en wijn mag aanvaarden voor het heilige Offer en in deze aanvaarding tot Lichaam en Bloed van zijn Zoon maken. Neemt Hij de gaven van brood en wijn aan – en Hij zal dit ook doen -  dan wordt de ‘memoria passionis eius’, de gedachtenisviering van Zijn lijden tot het mysterie van de H. Eucharistie, zoals Christus ons opgedragen heeft. De kracht van zijn genade zal dit bewerken en ons dagelijks leven in Zijn omvormende kracht binnentrekken. Het heilig Mysterie zal ook ons aardse leven heiligen, om ons tenslotte tot de eeuwige vreugde te geleiden.
Zo zal het geschieden, wanneer Hij onze gaven voor het heilige Offer aanvaardt – en Hij zal deze ook aannemen. In dit vertrouwen bidden wij deemoedig dat God dit moge doen.

T e k s t

Missale Romanum – 1970
Suscipe, quæsumus, Domine, munera,
quæ tibi de tua largitate deferimus,
ut hæc sacrosancta mysteria,
gratiæ tuæ operante virtute,
 et præsentis vitæ nos conversatione sanctificent,
et ad gaudia sempiterna perducant.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie – 1979
Heer, aanvaard de gaven,
die wij U brengen, en die uw milde hand ons geschonken heeft.
Laat, door de kracht van uw genade,
deze Eucharistieviering ons leven hier op aarde heiligen
en ons leiden tot de eeuwige vreugde.

Werkvertaling
Aanvaard, smeken wij [U], Heer,
de offergaven, die wij U uit uw mildheid aanbieden,
opdat deze hoogheilige Geheimen,
door de werking van de kracht van uw genade,
ons heiligen op onze levenswandel
en ons geleiden tot de eeuwige vreugden.

L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n
De brontekst van deze oratie is identiek is aan de Secreta van de 8e zondag na Pinksteren in het Missale Romanum 1962. Deze wordt reeds aangetroffen in het Sacramentarium Gelasianum Vetus (Vat. Reg. lat. 316, 1e helft van de 8e eeuw), 1192.

S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l f i g u r e n
1. Suscipe, quæsumus, Domine, munera,
2. quæ tibi de tua largitate deferimus,
3. ut hæc sacrosancta mysteria,
4. gratiæ tuæ operante virtute,
3a. et præsentis vitæ nos conversatione sanctificent,
3b. et ad gaudia sempiterna perducant.

God, die de handelende Persoon is, met almacht bekleed, maakt het liturgische Offer mogelijk. Hij alleen is ook de Bron van de gaven die de Kerk kan aanbieden voor het Eucharistisch Offer. De werkzame kracht van de genade, waarmee de Heilige Geest is bedoeld, zal in de Consecratie de munera tot dragers omvormen (transsubstantiatie) van het hoogheilig mysterie van Christus’ Lichaam en Bloed.
Om in de goede richting te kunnen gaan, moeten de gelovigen op het einddoel worden gericht, de gaudia sempiterna, zoals de oratie zegt. Dat einddoel is werkelijk en in feite Christus, de Heer, de overwinnaar op zonde en dood die voor ons op bijzondere wijze aanwezig komt in de H. Eucharistie. Zo hebben wij  op onze levenswandel in het geloof reeds deel aan de volheid van het verrezen leven en ontvangen wij in de H. Communie de gave van heiliging voor onderweg en tegelijk het onderpand voor het eeuwige leven (vgl. Paus Benedictus XVI, Sacramentum caritatis, nr. 30). Bij de reiniging van de kelk na de H. Communie bidt de priester dan ook in mooi, bondig Latijn: “Quod ore sumpsimus, Domine, pura mente capiamus et de munere temporale fiat nobis remedium sempiternum” waarvan de vertaling luidt: “Heer, laat ons in een zuiver hart opnemen wat wij met de mond hebben genuttigd. Laat de gave die wij hier ontvangen hebben een middel tot heil zijn voor de eeuwigheid” (Ordo Missæ).

Ad 1
Karakteristiek voor de bondigheid van de oratietaal is het gebruik van vaste formules met de imperativus. Dat geldt voor de tekst van de openingszin van deze oratie die de liturgische handeling op het moment van de Offerande begeleidt, alsook voor het meestal presente quæsumus die de imperativus afzwakt. Het quæsumus is niet alleen een belangrijke term in de heidense gebedstaal, maar figureert ook prominent in de christelijke oratietaal. In de oraties wordt het altijd gevonden in de ene vorm, namelijk de 1e pers. pluralis van het præsens indicativi. Zoals gezegd mildert het de imperativusvorm, die ongepast is tegenover God, en vergemakkelijkt ook het ritme van de gezongen oratie.
Suscipe, aanvaard, - prædicaat aan de spits van de oratie waardoor het in specifiek reliëf wordt geplaatst.
Quæsumus, tussenzin met slechts de op zichzelf staande werkwoordsvorm zoals boven besproken.
Domine, [o] Heer, - anaklese in de vocativusvorm. De formuleringen van de oraties drukken vele facetten van de naam Domine uit. Domine is de Heer of Meester van de tijd en de geschiedenis die de Kerk de mogelijkheid heeft gegeven continu het Paasmysterie te vieren en met zijn verlossende kracht telkens aanwezig en actief te zijn wanneer de Kerk de gedachtenisviering van Christus’ Dood en Verrijzenis houdt. Domine is de meest basale, directe en gebruikelijke naam waarmee de Kerk zich richt tot God. In de Super munera van de zondagen door het jaar komt deze aanspreekvorm achtentwintig maal voor.

Munera, de offergaven, (van munus, - eris, n.,) - object van het prædicaat suscipe in de accusativusvorm. Munus (of zijn varianten) is de meest gebruikelijke naam voor het object van de oraties. Het vroegere Secreta-gebed kent men thans onder de naam oratio super munera. Zeventien maal komt het begrip voor in de oraties op de zondagen door het jaar. Afhankelijk van de context kan munus verwijzen naar een officiële dienst, een rituele handeling (zondag XXXIII), inclusief de materiële gaven voor het Offer (III, IV, XV, XVII, XIX, XX, XXV) of zelfs naar het eigenlijke offer, zoals de munera Abel, van vorige zondag. De term kan ook verwijzen naar genade, of Gods gave aan ons.

Ad 2
Quæ… deferimus: relatieve bijzin ingeleid door het betrekkelijk voornaamwoord quæ (accusativus meervoud onzijdig van het reflexivum qui) dat munera uit regel 1 als antecedent heeft. Deze bijzin geeft informatie over de herkomst van de aangeboden munera.
Deferimus, wij brengen aan/bieden aan, - prædicaat in de 1e pers. pluralis van de indicativus præsentis van het verbum deferre, detuli, delatum, 3. De indicativus drukt hier de feitelijke momentele liturgische handeling uit.
Tibi, aan U, - bijwoordelijke bepaling in de dativusvorm van het pronomen personale tu: dativus commodi (van voordeel).
De tua largitate, [van] uit uw vrijgevigheid/mildheid, - bijwoordelijke bepaling, samengesteld uit de præpositie de, die de ablativus regeert, en twee congruerende ablativusvormen.
Opvallend is dat in deze oratie de Heer keer op keer direct, indringend en persoonlijk wordt aangesproken: Domine (r. 1), tibi, tua (r. 2), tua (r. 4)

Ad 3
De finale/doelaanwijzende resp. consecutieve/gevolgaanduidende bijzin, ingeleid door het voegwoord ut (r. 3) bevat een dubbele bede, onderstreept door de versterkende et…et-constructie (r. 3a-3b). Vanwege het wenskarakter staan de beide verba sanctificent en perducant in de coniunctivusvorm. De bijzin met coniunctief karakter wordt onderbroken door een volgende bijzin die een ablativus absolutus-constructie bevat (r. 4).
Hæc sacrosancta mysteria, deze hoogheilige mysteries, - subject, in drie congruerende nominativusvormen, van de verba sanctificent (r. 3a) en perducant (3b).
Ad 3a
Sanctificent, mogen zij heiligen, - 3e pers. præsens coniunctivi activi van het werkwoord sanctificare.
Nos, ons, - object van het prædicaat sanctificent in de accusativusvorm van het pronomen personale nos.
præsentis vitæ […] conversatione, in de wandel van ons huidige/tegenwoordige leven (=in dit leven) – bijwoordelijke bepaling opgebouwd uit de ablativusvorm conversatione (ablativus instrumentalis of modi) vergezeld van de twee congruerende genitivusvormen præsentis vitæ (genitivus explicativus)
Ad 3b
Perducant, mogen zij […] voeren naar, - 3e pers. præsens coniunctivi activi van het werkwoord perducere.
Het nos, ons, uit regel 3a fungeert ook als object bij het prædicaat perducant.
Ad gaudia sempiterna, naar de eeuwige vreugden, - voorzetselbepaling vanwege de præpositie ad + twee congruerende accusativusvormen.
De termen præsentis vitæ (r. 3) en gaudia sempiterna (r. 4) vormen, wanneer men deze onder elkaar plaatst inhoudelijk een chiasme dat een antithese bevat:
De bezigheden van onze levenswandel hier en nu (immanentie) staan tegenover de rust van de eeuwige vreugden (transcendentie).

Ad 4
Bijzin met ablativus absolutus-constructie, operante virtute, vergezeld door twee conguerende genitivusvormen gratiæ tuæ, die benoemd kunnen worden als genitivus explicativus of qualitatis. Vertaling als bijwoordelijke bepaling: terwijl de kracht van uw genade werkzaam is.  Het gebruik van het participium praesentis activi operante duidt op de gelijktijdigheid van de bijwoordelijke bepaling ten opzichte van het hoofdwerkwoord.
Deze bijzin verwijst direct naar de epiclese, de aanroeping van de H. Geest, doorgaans voorafgaand aan de Consecratie, door wie de offergaven moeten worden geheiligd en zo het hoogheilig Mysterie belichamen. In deze oratie wordt de kracht van de H. Geest afgebeden in twee optativusvormen, te weten sanctificent en perducant, het eerste begrip verwijzend naar het dagelijks leven als christen in deze wereld, het tweede naar de bovennatuurlijke, uiteindelijke en eeuwige vreugden.

V o c a b u l a r i u m
Largitas, -atis, vr., vrijgevigheid, edelmoedigheid, mildheid (hoedanigheid van God), behorend bij het verbum largiri, largitus sum, dep. 4,: rijkelijk meedelen, schenken, geschenken uitdelen.
Verwant met largitas is het substantivum largitor, -oris, bv. Deus omnium largitor bonorum, God, milde Gever van al het goede (Collecta S. Bibianæ, 2 dec. Miss. Rom. 1962), Deus, bonorum largitor, God, Gever van het goede (Sacr. Leonianum 1229). Veelvuldiger dan in de oratietaal komen we dit epitheton van God tegen in de hymnen van het Getijdengebed: bijv. Christe, largitor probitatis, Christus, Schenker van rechtschapenheid (hymne, hebd. II, feria II, ad off. lectionis); Lucis largitor splendide, Schitterende Schenker van het licht (hymne, hebd. II, fer. II, ad laudes).

Sacrosanctus, -a, -um (sacer + sanctus) hoogheilig, onschendbaar.  Dit epitheton of adiectivum komt voor in verbindingen met substantiva als
1. Mysterium;
2. Commercium, zoals in de oratie van vandaag;
3. Altare: “in sacrosancto altari” – op het hoogheilig altaar (Caesarius van Arles, Preek 228) 4. Ecclesia: “sacrosanctæ Romanæ ecclesiæ..pontificem” (oratie in de Votiefmis voor de verkiezing van een paus);
5.  Dies: “post illum sacrosanctum Domini natalis diem”- na de hoogheilige dag van de Geboorte van de Heer (Pseudo-Augustinus, Lectio 4, 24 jun.);
6. Concilium: “Sacrosanctum Concilium” –  het heilig Concilie, de naam en tevens de beginwoorden van de Constitutie over de heilige Liturgie, die als eerste conciliedocument  op 4 december 1963 door het IIe Vaticaanse Concilie werd uitgevaardigd.                                             

Conversatio, - onis, vr. Met het begrip “conversatio” kun je op het verkeerde been worden gezet als je niet uitkijkt. Het betekent “gedrag, manier van leven” en niet alleen “conversatie”.
Sanctificare, heilig maken.
Dit is een van de weinig werkwoorden met de uitgang – ficare (zoals justificare, lætificare, purificare), die ondanks zijn oorsprong uit het gewone, vulgaire Latijn, zijn plaats heeft behouden in de verheven oratietaal. Het was de gebruikelijke vroeg-christelijke vertaling van het Griekse αγιαζειν voor heiligmaken. Voorbeelden: Omnipotens sempiterne Deus, cuius Spritu totum corpus Ecclesiæ sanctificatur et regitur / Almachtige, eeuwige God, door uw Geest leidt en heiligt Gij allen die tot de Kerk behoren, Gebed voor de gehele geestelijkheid en alle gelovigen, Namiddagplechtigheid Goede Vrijdag, nr. 3). Meestal wordt het werkwoord sanctificare gebruikt in relatie tot de offergaven. Het drukt ofwel Gods werkzaamheid over de gaven uit, ofwel zijn werkzaamheid in de gelovigen in en doior deze rituele offers. Voorbeeld: Plebis tuæ dona sanctifica / heilig de gaven van uw volk (Secreta, 25 jan. MR 1962); Sanctificati, Deus, salutare mysterio / Geheiligd door het heilbrengende geheim (Postcomm. 25 jan., MR 1962).
Sanctificare wordt geacht een consacrerend effect te hebben, waardoor de gaven worden geheiligd, zodanig dat zij de eigenschappen hebben het effect te bewerken wat zij betekenen. In de Eucharistische Gebeden van de Ordo Missæ vinden wij dat duidelijk verwoord: “Hæc ergo dona, quæsumus, Spiritus tui rore sanctifica, ut nobis Corpus et Sanguis fiant Domini nostri Iesu Christi” / Heilig dan deze gaven met de dauw van uw Heilige Geest, dat zij voor ons worden tot Lichaam en Bloed van Jezus Christus onze Heer (Euch. Gebed II); “Supplices ergo te, Domine, deprecamur, ut hæc munera, quæ tibi sacranda detulimus, eodem Spiritu sanctificare digneris, ut Corpus et Sanguis fiant Filii tui Domini nostri Iesu Christi, cuius mandato hæc mysteria celebramus”/ Wij hebben deze gaven dan ook hier gebracht om ze aan U toe te wijden. In alle ootmoed vragen wij U, ze te heiligen door uw Geest, en ze Lichaam en Bloed te doen zijn van Jezus Christus, uw Zoon, onze Heer, op wiens woord wij deze geheimen vieren (Euch. Gebed III).
Dit element van het Eucharistisch Gebed wordt in de Institutio Generalis van het Romeins Missaal 1970 vermeld en aangeduid als epiclese, “waarbij de Kerk door bijzondere aanroepingen de goddelijke kracht afsmeekt, opdat de gaven door de mensen geschonken, geheiligd worden, dat wil zeggen tot Lichaam en Bloed van Christus worden, en opdat de onbevlekte Offergave, bij de Communie te ontvangen, heilzaam wordt voor degenen die haar nuttigen”.
(Zie J. Hermans, De liturgie van de H. Eucharistie. Brugge 1979, 290).
Perducere, - duxi, - ductum, 3, met betekenis “heenbrengen, heenvoeren”, is “een persoon of zaak naar een bepaald doel leiden, ergens naar toe brengen, of naar een bepaalde periode”. Perduco kan interessant genoeg de bijbetekenis hebben van zalven, of met iets smeren.
Perducere is dus een expressief begrip dat duidt op een beweging in de richting van een bestemming. Het bovennatuurlijke leven is een werkelijkheid die constant in beweging is en de liturgische handeling leidt naar de volledige verwerkelijking. Voorbeeld: “Huius nos, Domine, perceptio sacramenti mundet a crimine: et ad cælestia regna perducat”/ Moge het ontvangen van dit Sacrament ons zuiveren, Heer, van zonde, en ons tot het rijk deshemels geleiden (Postcommunio, feria VI, week III van de Vasten, MR 1962).
We zijn constant op weg naar de volledige verwerkelijking van het hemelse koninkrijk, waarvan we de eerste kiem hebben ontvangen in het H. Doopsel. Vb: “ad cælestia dona perducat” (Oratio super munera, feria III, week II van de Vasten, MR 1970).
In de liturgie van H. Mis en Getijden wordt de formule “perducat vos/nos ad vitam æternam” naar oud gebruik als afsluitende tekst na de schuldbelijdenis in de H. Mis door de priester gezegd en als onderdeel van de zegenformule na de Lauden en de Vespers.

C o m m e n t a a r
Wat Jezus ons in de intimiteit van de kring van zijn Apostelen in de zaal van het Laatste Avondmaal heeft geschonken, dat mag de Kerk,  zijn woorden gedachtig : “Doet dit om Mij te gedenken”, in haar dagelijks Eucharistisch Offer doen,  omdat de liefde van Christus niet voor slechts enkelen is gereserveerd, maar voor allen is bestemd. In de H. Eucharistie worden de gaven van deze aarde, brood en wijn, veranderd, met het doel ons leven te veranderen en ons te bewegen zelf “gebroken brood” voor anderen te worden ten behoeve van een meer rechtvaardige en broederlijke wereld.
“Het brood dat Ik zal geven, is mijn vlees, ten bate van het leven van de wereld” (Jo 6,51). Zo openbaart Jezus de ware betekenis van de gave van zijn leven voor alle mensen. Tegelijk drukt Hij zijn diepe medelijden uit jegens de mensen, in het bijzonder jegens de lijdenden en de zondaars (vgl. Mt 20,34; Mc 6, 34; Lc 19, 41). Door een diep menselijk gevoel brengt Hij Gods heilsplan voor iedere mens tot uitdrukking opdat deze tot het ware leven mag komen.
Zijn leven en zijn sterven aan het kruis actualiseert Jezus sacramenteel in iedere Eucharistieviering als een gave voor ons en voor de hele wereld. En leert Hij ons in de viering van het Eucharistisch mysterie de naastenliefde, namelijk om de medemens die ik vooralsnog helemaal niet mag of zelfs niet ken, vanuit God lief te hebben. Dat is alleen maar mogelijk vanuit de innerlijke ontmoeting met God, waarbij wij onze wil schikken naar zijn liefdevolle Wil. Jezus heeft immers in zijn Apostelen en leerlingen allen “tot het uiterste toe” (Jo 13, 1) liefgehad. Ook vandaag roept Jezus ons voortdurend op : “Geeft gij hen maar te eten!” (Mt 14, 16). De vereniging met Christus in de H. Communie is immers ook vereniging met al degenen aan wie Hij zich schenkt. We kunnen Christus niet alleen voor onszelf hebben; we kunnen Hem alleen toebehoren in gemeenschap met allen die de zijnen zijn geworden of zullen worden. Dit inwendig en uitwendig streven naar verzoening maakt dat wij waardig het Lichaam en Bloed van Christus kunnen ontvangen (vgl. Mt 5, 23-24).
Zoals gezegd is de transsubstantiatie van brood en wijn in het Lichaam en Bloed van Christus de vrucht van de persoonlijke overgave van Christus aan de Vader,  het geschenk van een liefde, die sterker is dan de dood, het geschenk van een goddelijke liefde die Hem van de dood deed opstaan. Daarom is de H. Eucharistie Spijs voor het eeuwige leven, Brood voor het eeuwige leven. Uit het Hart van Christus, uit zijn “Eucharistisch gebed” op de avond voor zijn lijden, ontspringt de dynamische krachtbron die de werkelijkheid in al haar dimensies – kosmisch, menselijk en in de geschiedenis  - verandert.
De heilige Augustinus helpt ons de dynamiek van de Eucharistische gemeenschap te begrijpen, wanneer hij zich op een bepaald visioen beroept, waarin Jezus hem zei: "Ik ben de spijs van de volwassenen: groei en U zult Mij eten. Maar U zult Mij niet veranderen in u, zoals de spijs van uw vlees, maar U zult veranderd worden in Mij" (Belijdenissen, VII, 10, 18). Terwijl dus de materiële spijs door ons organisme wordt opgenomen en zo tot ons onderhoud bijdraagt, gaat het bij de H. Eucharistie om een ander Brood: Niet wij nemen Het in ons op, maar Hij neemt ons in Zich op, zodat wij gelijkvormig aan Christus, ledematen van Zijn lichaam, een met Hem worden. Deze overgang is beslissend: omdat het immers Christus is die in de Eucharistische Communie ons in Hem verandert, gaat onze individualiteit in deze ontmoeting open, wordt zij bevrijd van haar egocentrische gerichtheid en ingevoegd in de Persoon van Jezus, die in de Trinitaire gemeenschap van Vader, Zoon en Heilige Geest is ingebed. Terwijl de Eucharistie ons op deze wijze met Christus verbindt, opent zij ons ook tegenover, maakt ons tot mede-ledematen die niet van elkaar zijn gescheiden maar één zijn in Hem. De Eucharistische gemeenschap verbindt ons dus met de mensen dichtbij, maar ook met hen met wie ik misschien geen goede verhouding heb, maar ook met de broeders en zusters in de verre wereld.  Wie in de heilige Hostie Jezus erkent, herkent Hem in de lijdende broeders die honger en dorst hebben, die vreemdeling zijn, ziek, of in de gevangenis en zet zich concreet voor allen die in nood zijn, in.
Keren we terug naar wat Jezus bij het laatste Avondmaal heeft gedaan.  Wat is op dat ogenblik gebeurd? Wat gebeurde toen Hij zei: Dit is Mijn Lichaam, dat voor u wordt overgeleverd, dit is Mijn Bloed dat voor u en voor velen wordt vergoten? Jezus anticipeert reeds op Golgotha: uit liefde neemt Hij heel zijn lijden met het verraad en gewelddadigheid tot aan zijn dood op het kruis op Zich; door deze te aanvaarden verandert Hij deze in een act van liefdevolle overgave. Het is de omzetting die de wereld nodig heeft, want Hij verlost de wereld van binnen uit, opent de wereld voor de dimensies van de hemel. Maar deze vernieuwing van de wereld wenst God steeds door dezelfde weg te realiseren die Christus is gegaan, door de weg, die Hij zelf is. In het Christendom is niets magisch aan het werk. Integendeel, alles verloopt via de bescheiden en geduldige logica van de zaadkorrel, die sterft om het leven te laten doorbreken, via de logica van het geloof, dat met de zachte kracht van God bergen kan verplaatsen.
Door middel van het geconsacreerde brood en de geconsacreerde wijn, waarin Zijn Lichaam en Bloed daadwerkelijk tegenwoordig zijn, verandert Christus ons, doordat Hij ons in Zich opneemt: Hij betrekt ons bij zijn werk van verlossing, doordat Hij ons door de genade van de Heilige Geest voorbereidt en in staat stelt volgens zijn eigen logica van zich weg te schenken, te leven, als zaadkorrels die in Hem en met Hem zijn verenigd.
Aldus worden in de akkervoren van de geschiedenis de eenheid en de vrede gezaaid en tot rijping gebracht,  die volgens het plan van God het doel zijn waarnaar we streven. Zo gaan we langs de paden van ons leven terwijl wij in ons het Lichaam van de Heer dragen, zoals de Maagd Maria bij het bezoek aan Elizabeth.
Laten wij in het bescheiden bewustzijn eenvoudige zaadkorrels te zijn de vaste zekerheid hoeden dat de vlees geworden Liefde van God groter is dan het kwaad, groter dan het geweld en de dood. Wij weten dat God voor alle mensen een nieuwe hemel en een nieuwe aarde voorbereidt, waar vrede en gerechtigheid heersen, en in geloof zien wij reeds de nieuwe wereld die ons ware vaderland is. Ook al lijkt de zon over deze wereld onder te gaan, wij weten dat de Eucharistische Heer, die verrezen is met ons op weg is en die heeft gezegd: “Ik ben met u alle dagen tot aan het einde van de wereld” (Mt 28, 20).  Dank U, Heer Jezus! Dank U voor Uw trouw, die onze hoop ondersteunt. Blijf bij ons, want het wordt avond.
Beschouwingen van paus Benedictus XVI uit de postsynodale exhortatie Sacramentum Caritatis, 22 februari 2007 en de homilie op Sacramentsdag in de Sint Jan van Lateranen, 23 juni 2011. 

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Dominica XVII per annum Superabundo gaudio in omni tribulatione. Ik vloei over van blijdschap bij al mijn wederwaardigheden.


  

Lectio altera
Ex Homilíis sancti Ioánnis Chrysóstomi epíscopi in Epístolam secúndam ad Corínthios (Hom. 14, 1-2: PG 61, 497-499)
Tweede lezing

Uit de Homilieën op de Tweede Brief aan de Korintiërs, van de H. Johannes Chrysostomus, bisschop
(Hom. 14, 1-2: PG 61, 497-499)

Ik vloei over van blijdschap bij al mijn wederwaardigheden

Wéér begint Paulus over de liefde te spreken, terwijl hij de hardheid van zijn gegeven berisping tracht te verzachten. Want als hij ze eerst voor ogen houdt en ze om die reden berispt, dat zij, door hem bemind, hem niet hun wederliefde hadden geschonken maar zich hadden losgerukt uit zijn liefde en overgelopen waren naar bedorven mensen, verzacht hij de bitterheid van zijn berisping, zeggend: Gunt ons een ruime plaats in uw hart,  dit is ‘Bemint ons’. Hij vraagt hun om een weldaad, die allerminst veel kost, en die voor hen, die deze geven, van groter nut zou kunnen zijn dan voor hen, die hem ontvangen. Ook zegt hij niet ‘Bemint ons’, maar wat meer leek op een klacht: gunt ons een ruime plaats in uw hart.

Wie heeft ons toch, zegt hij, uit uw hart gedreven? wie ons daaruit gebannen; wat is er de oorzaak van, dat wij minder voor u gaan betekenen? Want omdat hij hierboven gezegd heeft: Zelf zijt gij niet ruimhartig genoeg verklaart hij dit hier nog eens openlijker met: Gunt ons een ruime plaats is uw hart, en tracht hij op die grond hen weer tot zich te trekken. Er is immers niets, wat zo tot beminnen beweegt, als dat hij, die bemind wordt, inziet, dat zijn minnaar vurig naar wederliefde verlangt.

Want zegt hij, al eerder heb ik u gezegd: u heb ik in mijn hart gesloten, wij horen bij elkaar in leven en dood. Dat is wel de grootste kracht van de liefde, dat ze, ook al wordt ze zelf veracht, toch met deze geliefde wil leven en sterven. Want gij zijt niet zo zonder meer in ons hart, maar zó als ik het u gezegd heb. Want het kan voorkomen, dat iemand bemint en toch bij gevaren de vlucht neemt; maar zo is het niet met ons.

Dit vervult mij met troost. Met welke? Met die namelijk, die van u uitgaat: omdat gij u weer bezonnen hebt en mij met uw werken hebt verblijd. Want het is een minnaar eigen, zich ofwel erover te beklagen, dat hij niet bemind wordt, ofwel te vrezen dat hij bij zijn verwijten te ver gaat en de andere daardoor bedroeft. Daarom zegt Paulus: Dit vervult mij met troost, en doet mij overvloeien van vreugde.

Alsof hij wilde zeggen: ‘Ik was om u zeer bedroefd, maar toch hebt gij mij overvloedig tevreden gesteld en troost gebracht: want ge hebt niet alleen de oorzaak van mijn droefheid bij mij weggenomen, maar mij ook doen overvloeien van vreugde’.

En dan toont hij zijn grootheid, niet hierdoor alleen, omdat hij zei: Ik vloei over van vreugde, maar ook hierdoor, dat hij eraan toevoegt: Bij al mijn wederwaardigheden. Hij wilde zeggen: zó groot was de vreugde, die gij mij bezorgd hebt, dat die zelfs niet door zo’n grote droefheid verduisterd kon worden, maar door haar uitbundigheid alle moeilijkheden, die ons treffen, te boven kwam, en wij ons daardoor niet lieten bedroeven.


INTROITUS Dominica XVII per annum - Deus in loco sancto suo

zaterdag 24 juli 2021

‘t kump good, en ‘t kumpt ouch good’ - overweging van Peter Nissen, vriend van het klooster bij de 17e zondag door het jaar - overgenomen van Facebook

 


Het hoge water en de overstromingen van de afgelopen anderhalve week hebben ons nog eens geconfronteerd met de ambivalentie van water. Wij hebben water nodig, wij bestaan zelf voor ongeveer zestig procent uit water, wij kunnen niet leven zonder water. Maar tegelijk kan water ook een levensbedreigend fenomeen zijn, een vernietigende kracht, je kunt er letterlijk in ten onder gaan.

In de evangelielezing van deze zesde zondag van de zomer of zeventiende zondag door het jaar, althans die volgens het oecumenisch leesrooster (het katholieke leesrooster heeft vandaag een andere evangelielezing), Marcus 6,45-52, ervaren de leerlingen van Jezus de angst voor het water. Zij zitten in een boot op het meer van Galilea, een meer met de grootte van een zee, en nu voor het eerst zonder Jezus, door exegeet Bas van Iersel zo mooi ‘een vreemde varensgezel’ genoemd, en ze ervaren tegenwind. Ze worden door angst bevangen en raken in paniek. ‘Ze waren helemaal van hun stuk gebracht,’ zegt Marcus.
En dan komt Jezus op hen toe, over het water, en zegt: ‘Ik ben het, wees niet bang!’ Het is, ik heb het al vaker gezegd, de kernboodschap van de Hebreeuwse Bijbel en het Nieuwe Testament: wees niet bang, houd moed. Volgens een vrome joodse traditie zou het 365 keer in de Bijbel staan, voor elke dag één keer. Belangrijk is vooral dat je dat niet alleen tegen jezelf moet zeggen, maar dat een ander dat tegen je zegt. In het evangelieverhaal is het Jezus die het tegen de leerlingen zegt. In het dagelijks leven kunnen wij de stem van God zijn als we het tegen elkaar zeggen. Geloven is vertrouwen.
In mijn dierbare vaderland Nederlands-Limburg zijn geen dodelijke slachtoffers gevallen, maar is wel veel materiële schade geleden. In de media-aandacht voor het hoge water in Limburg viel mij op dat niet-Limburgse journalisten en andere talking heads vooral bezig waren met de schuldvraag en de oer-Hollandse vraag ‘wie gaat de schade betalen?’ De Limburgse slachtoffers hoorde ik in de media vooral uitspraken doen als ‘het zijn maar spullen’ en ‘wij hebben elkaar nog.’ In het NOS-journaal zei een mevrouw uit Valkenburg aan de Geul, van wie het hele huis meer dan een meter hoog onder het water had gestaan en die veel spullen was kwijtgeraakt: ‘Veer zègke in Limburg altied, ‘t kump good, en ‘t kumpt ouch good’ (wij zeggen in Limburg altijd, het komt goed, en het komt ook goed). Ik vond het een ontroerend getuigenis van vertrouwen.
[De in Arnhem wonende Engelse kunstenares Chris Los-Baxter maakte een mooie pentekening bij de tekst van de evangelielezing, die zij enkele jaren geleden exposeerde in de remonstrantse kerk in Oosterbeek waar ik toen predikant was. Zij staat nu in onze huiskamer, maar vanmorgen staat zij in de DoRe-kerk in Nijmegen, als ik daar om 10.30 uur mag voorgaan en over deze tekst zal preken.]

Lezingen H. Mis 17e zondag door het jaar B

Eerste lezing (2 Kon. 4, 42-44)
Uit het tweede boek der Koningen.
In die dagen kwam er iemand uit Baäl-Salisa.
In zijn tas bracht hij voor de man Gods als eerstelingen
twintig gerstebroden en wat vers koren mee.
Elisa zei:
“Geef dit te eten aan de mannen.”
Zijn dienaar antwoordde:
“Hoe kan ik dat nu voorzetten aan honderd man?”
Maar hij herhaalde:
Geef het de mannen te eten. Want zo spreekt de Heer:
Zij zullen eten en overhouden.”
Nu zette hij het de mannen voor.
Zij aten en hielden nog over
zoals de Heer gezegd had.

Tweede lezing (Ef. 4, 1-6)
Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Efeze.
Broeders en zusters,
Ik, de gevangene in de Heer, vraag u met aandrang:
leidt een leven dat beantwoordt
aan de roeping die gij van God ontvangen hebt,
in alle deemoed en zachtheid, in lankmoedigheid,
liefdevol elkaar verdragend.
Beijvert u
de eenheid des Geestes te behouden door de band van de vrede;
één lichaam en één Geest,
zoals gij ook geroepen zijt tot een en dezelfde hoop,
waarvoor Gods roeping borg staat.
Eén Heer, één geloof, één doop.
Één God en Vader van allen,
die is boven allen, en met allen, en in allen.

Evangelie (Joh. 6, 1-15)
In die tijd begaf Jezus zich
naar de overkant van het meer van Galilea, bij Tiberias.
Een grote menigte volgde Hem,
omdat zij tekenen zagen, die Hij aan de zieken deed. Jezus ging de berg op
en zette zich daar met zijn leerlingen neer.
Het was kort voor Pasen, het feest van de Joden. Toen Jezus zijn ogen opsloeg
en zag dat er een grote menigte naar Hem toekwam vroeg Hij aan Filippus:
“Hoe moeten wij brood kopen om deze mensen te laten eten?”
Dit zeide Hij om hen op de proef te stellen,
want zelf wist Hij wel wat Hij ging doen.
Filippus antwoordde Hem:
“Wil ieder ook maar een klein stukje krijgen,
dan is voor tweehonderd denariën brood nog te weinig.”
Een van de leerlingen,
Andreas, de broer van Simon Petrus,
merkte op:
“Er is hier wel een jongen met vijf gerstebroden en twee vissen,
maar wat betekent dat voor zo’n aantal?”
Jezus echter zei:
“Laat de mensen gaan zitten".
Er was daar namelijk veel gras.
Zij gingen dan zitten;
het aantal mannen bedroeg ongeveer vijfduizend.
Toen nam Jezus de broden
en na het dankgebed gesproken te hebben,
liet Hij ze uitdelen onder de mensen die daar zaten,
alsmede de vissen, zoveel men maar wilde.
Toen ze verzadigd waren, zei Hij tot zijn leerlingen:
“Haalt nu de overgebleven brokken op
om niets verloren te laten gaan.”
Zij haalden ze op
en vulden van de vijf gerstebroden twaalf manden met brokken,
welke door de mensen na het eten overgelaten waren.
Toen de mensen het teken zagen, dat Hij had gedaan zeiden ze:
“Dit is stellig de profeet, die in de wereld moet komen.”
Daar Jezus begreep, dat zij zich van Hem meester wilden maken
om Hem mee te voeren en tot koning uit te roepen,
trok Hij zich weer in het gebergte terug,
geheel alleen.

Oratio post Communionem – Gebed na de Communie (Postcommunio) Dominica decima septima per annum Zeventiende zondag door het jaar Laat ons in deze liefdegave uw verlossende kracht ervaren.

  Het Laatste Avondmaal.
Mozaïek in de S. Apollinare Nuovo, Ravenna (vóór 529)

Laat ons in deze liefdegave uw verlossende kracht ervaren

I n l e i d i n g
Door de opdracht van Christus aan zijn Apostelen bij het Laatste Avondmaal “Doet dit om Mij te gedenken” (Lk 22, 19) stelde Hij de H. Eucharistie in als een gedachtenisviering. De Postcommunio van deze zondag beschouwt de gaven van het Lichaam en Bloed van de Heer als een gedachtenisteken (“memoriale”) van het Lijden van Christus, zoals dit sinds de prediking van de H. Paulus (1 Kor 11,26) de gemeenschappelijke overtuiging van alle gelovigen is. Het Lichaam en Bloed van Christus in de gedaanten van brood en wijn verkondigen de Dood van de Heer  “totdat Hij komt”.  Zo zijn zij het “blijvende gedachtenisteken” (“memoriale perpetuum”).  De H. Thomas van Aquino verwoordt dezelfde visie in strofe vijf van de eucharistische aanbiddingshymne  Adoro Te (die wij tijdens het Lof laatstleden Odiliazondag hebben gezongen) waar hij zegt:
“O memoriale mortis Domini
Panis vivus vitam præstans homini,
Præsta meæ menti de te vivere.
Et te illi semper dulce sapere”.
O gedachtenisteken van de dood des Heren,
Levend Brood dat aan de mens het leven geeft,
Geef mij dat mijn geest in U zijn leven vindt,
Geef hem als zijn zoetheid U te smaken.
Dit gedachtenisteken van het Lijden van Christus – MR 1962 had “gedachtenisteken van uw oneindige liefde” – is vol levende kracht en genade zoals Sint Thomas zegt. Het bevat immers het eeuwige leven, deelt het ons mee en drukt het verlangen uit dit levende Brood altijd te mogen smaken, niet krachtens onze verdienste maar voortvloeiend uit de oneindige liefde van onze Heer Jezus Christus. Tot deze liefde richt zich de Postcommunio.

T e k s t
Missale Romanum [MR] 1970
Sumpsimus, Domine, divinum sacramentum, passionis Filii tui memoriale perpetuum; tribue, quaesumus,
ut ad nostram salutem hoc munus proficiat,
quod ineffabili nobis caritate ipse donavit.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie 1979
Heer, wij hebben dit heilig sacrament ontvangen, de blijvende gedachtenis aan het lijden en sterven van uw Zoon.
Wij bidden U:
laat ons uw verlossende kracht ondervinden in deze gaven
die Hij ons in zijn grote liefde geschonken heeft.

Werkvertaling
Wij hebben, Heer, dit goddelijk sacrament, het blijvende gedachtenisteken van het lijden van uw Zoon ontvangen;
Geef, vragen wij U,
dat deze gave, die Hij zelf ons in zijn onuitsprekelijke liefde heeft gegeven,
 ons tot heil strekt.

L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n
De openingszin van de Postcommunio van vandaag vinden we in MR 1962 , 1081 als Postcommunio op het feest van de H. Paulus van het Kruis, 28 april, als volgt geformuleerd: Sumpsimus, Domine, divinum sacramentum immensæ caritatis tuæ memoriale perpetuum, wij hebben, Heer, het goddelijk Sacrament, de immerdurende gedachtenis  van uw onmetelijke liefde ontvangen.
In MR 1962 is dit de enige postcommunio waarin het begrip ‘memoriale’ voorkomt.
In MR 1970 vinden we het begrip ‘memoriale’ slechts in de prefatie van het Misformulier bij een Kerkwijding, met name bij de wijding van het altaar: “ (…) Qui verus Sacerdos veraque effectus hostia, sacrificii, quod ipse in ara crucis tibi obtulit, memoriale nobis præcepit in perpetuum celebrare” (Die tot waarachtig Priester en waarachtige offergave gemaakt, ons heeft bevolen de gedachtenis van het Offer, dat Hijzelf op het altaar van het Kruis aan U heeft opgedragen, voor altijd te vieren).
T e x t u e l e  a n a l y s e 
1. Sumpsimus, Domine, divinum sacramentum, passionis Filii tui memoriale perpetuum; 2.tribue, quaesumus,
3. ut ad nostram salutem hoc munus proficiat,
4.quod ineffabili nobis caritate ipse donavit.

De oratie richt zich tot de Vader nadat priester en gelovigen het H. Sacrament, het blijvend gedachtenisteken van het lijden, sterven en verrijzen van zijn Zoon hebben ontvangen en genuttigd, en vraagt dat deze gave, die de Zoon van God Zelf ons in zijn onmetelijke liefde heeft gegeven, ons tot verlossing mag strekken.
Ad 1
Openingszin met prædicaat sumpsimus, wij hebben ontvangen, in de indicativus,1e pers. meerv. van het perfectum van sumere, sumpsi, sumptum, 3, waarmee het feitelijke moment tijdens de Eucharistieviering en de status van de bidders worden weergegeven.
Domine, Heer  - aanspreektitel van God in de vocativusvorm van Dominus.
Divinum sacramentum, passionis Filii tui memoriale perpetuum: object van sumpsimus, samengesteld uit de congruerende accusativusvormen divinum sacramentum, gevolgd door de bijstelling passionis … perpetuum, die het object divinum sacramentum nader illustreert. De bijstelling is opgebouwd uit de congruerende accusativusvormen memoriale perpetuum  vergezeld van de bijvoeglijke bepaling passionis Filii tui, drie genitivusvormen die nadere uitleg geven aan genoemde accusativusvormen (genitivus explicativus).
Ad 2
Tribue, quæsumus, geef, vragen wij [U], directe bede tot God met prædicaat tribue (van tribuere, tribui, tributum, 3) in de in de imperativusvorm, gemilderd door de losse verbale vorm quæsumus, 1e pers. meerv. van het verbum defectivum (onvolledige werkwoord ) quærere, quæsivi, quæsitum, 3. We hebben al dikwijls gezien dat de inlas quæsumus ook een ritmische functie kan hebben.
Ad 3
Ut ad nostram salutem hoc munus proficiat, op-/zodat deze gave tot ons heil moge strekken: finale/doelaanwijzende respectievelijk consecutieve/ gevolgaanduidende bijzin met het prædicaat proficiat in de 3e pers. enkelvoud præsentis coniunctivi van het verbum proficere vanwege het wens-, gebedskarakter. Proficiat van proficere, profeci, profectum 3, vooruitkomen, vorderen, voordelig-, nuttig zijn, helpen.
Hoc munus, -eris, onz., deze (offer)gave, - subject bij het prædicaat proficiat in congruerende nominativusvormen.
Ad nostram salutem, tot ons heil/tot onze verlossing: voorzetselbepaling van twee congruerende accusativusvormen, geregeerd door de præpositie ad.
Ad 4
Quod ineffabili nobis caritate ipse donavit, die Hij zelf ons in zijn onuitsprekelijke liefde heeft geschonken.
Relatieve bijzin in de indicativusvorm vanwege de voor de gelovigen feitelijkheid. Het pronomen relativum quod met hoc munus in regel 3 als antecedent is het object van het prædicaat donavit, 3e pers. enkelvoud perfecti indicativi van donare, donavi, donatum.
Het subject van donavit wordt extra onderlijnd door ipse, dat verwijst naar Christus Zelf.
Nobis, (aan) ons, - bijwoordelijke bepaling in de dativusvorm van het pronomen personale nos, dativus commodi/van voordeel.
Ineffabili caritate, bijwoordelijke bepaling in congruerende ablativusvormen, ablativus instrumentalis of qualitatis.

S t i j l f i g u r e n
In r. 1 eind-/klankrijm vanwege de gewone congruentieregel bij divinum sacramentum en perpetuum, alsmede in r. 1 en 2 dominant gebruik van de u-klank
In r. 3 ineffabili [nobis] caritate: hyperbaton vanwege uiteenplaatsing van de bij elkaar behorende begrippen (ablativusvormen)  ineffabili en caritate.
In r. 4 valt de i-klank op..

K l e i n  v o c a b u l a r i  u m
Memoriale, is, onz. 
1.herinnering, gedachtenis 2. aandenken, teken van de verlossing 3. gedenkteken, merkwaardigheid 4. naam
Proficio, - feci, - fectum, 3
is een oude vriend en een verbum met veelzijdige betekenis dat dikwijls voorkomt in de oraties, en gewoonlijk betekent “nuttig zijn, baten, helpen, dienstig -, bruikbaar  -, voordelig zijn” enz. en vandaar ook “effect hebben, voltooien, bijdragen tot, leiden tot, tenderen naar”.  (In het Nederlands is “proficiat” een uitdrukking waarmee men iemand geluk wenst, naast de term  “gefeliciteerd” dat ook een Latijnse wortel heeft waarbij de aangesprokene geluk wordt toegewenst (felicitas = geluk)).
Ineffabilis, - e, adiectivum, met de betekenis van onuitsprekelijk. Effabilis betekent uitsprekelijk en vinden we in het oud-Latijn van de Numidische schrijver, filosoof en redenaar L. Apuleius Madaurensis ca. 123/125-ca. 170/180) (noordwestelijk van Algerije), die we hebben ontmoet bij de bespreking van het begrip ‘frequentatio’ van de Postcommunio van de 15e zondag door het jaar.

T o e l i c h t i n g
Het essentiële gedeelte van de H. Mis, de Consecratie, herinnert ons aan het evangelieverhaal over de instelling van de H. Eucharistie en herhaalt de woorden van de Heer zelf: qui pridie pateretur, accepit panem in sanctas ac venerabiles manus suas… benedixit, fregit deditque discipulis suis: “Accipite et manducate (comedite, Math.) ex hoc omnes: hoc est enim corpus meum” (Canon Romanus; cf. Mt 26,26; Mc 14, 22; Lc 22,19; 1 Kor 11, 24), die op de dag vóór zijn lijden het brood heeft genomen in zijn heilige en eerbiedwaardige handen…het zegende, het brak en aan zijn leerlingen gaf, zeggende: “Neemt en eet allen hiervan: want dit is mijn Lichaam”. Ditzelfde voor de consecratie van de wijn: “Hic est enim sanguis meus novi testamenti, qui pro vobis multis effundetur in remissionem peccatorum” (Mt 26,28), want dit is mijn Bloed van het nieuwe Verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden.  Hij had eraan toegvoegd: “hoc facite in meam commemorationem(Lc 22, 19), doet dit om Mij te gedenken; hæc quotiescumque feceritis, in mei memoriam facietis (Canon, Sacament. Gelasianum III, 17), telkens als gij dit zult doen, zult ge het doen ter gedachtenis aan Mij.

In de 4e catechese van de reeks “De sacramentis” die bisschop Ambrosius van Milaan na 380 in de Paasweek voor de neofieten (pasgedoopten) hield, spreekt hij over het eucharistisch  hooggebed en citeert hij fragmenten uit een versie, die ouder is dan de tegenwoordige tekst van de canon. Wij weten – en hebben daartoe het voorbeeld van de catechesen van bisschop Cyrillus van Jeruzalem - dat de uitleg van de betekenis van de initiatiesacramenten pas volgde nà de initiatie zelf. Eerst als de catechumenen volledig ‘gelovigen’ waren geworden, verbrak Ambrosius het zegel (disciplina arcani) en onthulde hij hen de volle zin van de inwijdingsritus, waardoor zij in de kerkgemeenschap werden opgenomen. Zijn taal getuigt van een levendig contact met zijn gehoor en wijst op een vrije improvisatie met los geconstrueerde zinnen, steeds terugkerende korte vragen en uiterst korte verhaaltrant:
Consecratio igitur quibus verbis et cuius sermonibus? Domini Iesu… ubi venitur ut conficiatur venerabile sacramentum, iam non suis sermonibus utitur sacerdos, sed utitur sermonibus Christi (De Sacramentis 4,4,14). Door welke woorden vindt de Consecratie plaats en van Wie zijn die woorden? Van de Heer Jezus…zodra het ogenblik gekomen is waarop het eerbiedwaardig Sacrament tot stand gebracht moet worden, bedient de priester zich niet langer van zijn eigen woorden, maar bedient hij zich van de woorden van Christus. (Dus Christus’ woord brengt dit Sacrament tot stand)”.
Als wij Ambrosius horen, begrijpen we de bekering van de H. Augustinus beter. Augustinus, de bekende redenaar herkende en erkende een evenknie.
En in het volgende hoofdstuk (van De Sacramentis) toont dezelfde auteur aan dat de formuleringen van de Sacramentaria voor wat de Canon betreft, reeds bestonden vóór zijn tijd: “Vis scire quia verbis cælestibus consecratur? Accipe quæ sunt verba.  Dicit sacerdos: fac nobis, inquit, hanc oblationem scriptam (adscriptam, ratam, rationabilem, Gelasianum III, 17), rationabilem, acceptabilem, quod est figura corporis et sanguinis Domini nostri Iesu Christi. Qui pridie quam pateretur …(ibid. 4, 5, 21). Wilt ge zeker zijn dat men door hemelse woorden consacreert? Luister, welke die woorden zijn. De priester zegt: “maak ons deze offerande rechtskrachtig, geestelijk, welgevallig, omdat zij het beeld is van het Lichaam en Bloed van onze Heer Jezus Christus. Die daags voor Hij ging lijden…”, enz. , zie boven.

Het Heilig Misoffer stelt dus opnieuw het mysterie van het Laatste Avondmaal present (door Tertullianus geformuleerd Panem quo ipsum corpus suum repræsentat, het brood waardoor Hij zijn eigen Lichaam tegenwoordig stelt [Adversus Marcianum 1, 14]), maar ook het mysterie van het Lijden van de Heer:
quotiescumque enim manducabitis panem hunc et calicem bibetis, mortem Domini annuntiabitis (1 Kor 11, 26), telkens als gij dit Brood eet en de beker drinkt, verkondigt gij de Dood des Heren;
quæ in tui commemorationem nos facere præcipisti (Postcomm. 22e zondag na Pinksteren, MR 1962 en Leonianum 596), wat Gij ons hebt bevolen te doen om U te gedenken;
qui discipulis suis in sui commemorationem hoc fieri hodierna traditione monstravit (Secreta feria V In Cena Dni in MR 1962 en Gregorianum 77,2), die, door het voorbeeld dat Hij heeft gegeven op die dag, zijn leerlingen toonde wat zij moesten doen om Hem te gedenken;
Deus, qui nobis sub sacramento mirabili passionis tuæ memoriam reliquisti (Collecta in solemn. SS. Corporis et Sanguinis Christi (MR 1970) en Missa votiva de S. Sacramento (MR 1962), God, die ons in dit wonderbaar Sacrament de gedachtenis hebt nagelaten van uw Lijden;
En Thomas van Aquino in zijn Opusculum 57, in festo Corporis Christi, lect. 4:
Unde, ut árctius huius caritátis imménsitas fidélium córdibus infigerétur, in última cena, quando, Pascha cum discípulis celebráto, transitúrus erat de hoc mundo ad Patrem, hoc sacraméntum instítuit, tamquam passionis suæ memoriale perenne, figurárum véterum impletívum, miraculórum ab ipso factórum máximum, et de sua contristátis abséntia solácium singuláre relíquit”. Om dan ook de onmetelijkheid van die liefde inniger in de harten van de gelovigen te prenten, heeft Hij bij het Laatste Avondmaal, toen Hij na de viering van het Paasmaal vanuit deze wereld naar de Vader zou gaan, dit Sacrament ingesteld als een blijvende gedachtenis aan zijn Lijden, als de vervulling van de oude voorafbeeldingen, als het grootste van de wonderen, door Hem verricht, en liet Hij deze na als een uitzonderlijke troost voor hen, die bedroefd over zijn afwezigheid achterbleven.
Het werk van het heil, door God voorbereid, wordt dus door Christus en zijn daden voltrokken, in de Kerk in stand gehouden en in haar liturgie verwezenlijkt. Dit gebeurt met name wanneer de Kerk met de gelovigen de Eucharistie viert, waarin ‘de overwinning en triomf van de dood van de Heer tegenwoordig worden gesteld’.
De H. Eucharistie is het ‘Sacramentum caritatis’ (Titel Postsynodale Apostolische Exhortatie van paus Benedictus XVI, 22.2.2007), “het Sacrament van de liefde (vgl. Thomas van Aquino, Summa Theologiæ III, q. 73, n. 3): het geschenk van de zelfgave van Jezus Christus, waardoor Hij ons Gods oneindige liefde voor iedere mens openbaart” (Beginwoorden Exhortatie).
De H. Eucharistie is ook het ‘Redemptionis Sacramentum’ (Titel Instructie van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de Regeling van de Sacramenten, 25.3.2004), “het Sacrament van de verlossing” (Vgl. Missale Romanum, ed. typ. tertia, 2000, Missa votiva de Dei misericordia, orartio super oblata, p. 1159), door onze Moeder de Kerk met onwrikbaar geloof erkend in de allerheiligste Eucharistie, met vreugde ontvangen, gevierd en vereerd in aanbidding, terwijl zij de Dood van Christus Jezus verkondigt en zijn Verrijzenis belijdt totdat Hij komt in heerlijkheid” (verg. begin Voorwoord Instructie).
Laten wij ons bij elke H. Communie, de zelfgave van Christus bewust zijn, ons in het leven van elke dag conformeren aan zijn liefde tot het uiterste toe, de H. Eucharistie als werkzaam teken van de oneindige schoonheid van het heilig mysterie van God aanbidden en tegelijk actief eraan deelnemen.
Onze dagelijkse ervaring leert ons dat onze zonden diep in onze menselijke natuur zijn geworteld. De frequente deelname aan de H. Eucharistie en het ontvangen van het Lichaam des Heren, maken het mogelijk dat onze menselijke broosheid de werking van het Allerheiligste Sacrament minder in de weg staat en de heilzame aanwezigheid van Christus in dit Sacrament van zijn Lichaam en Bloed voor alle mensen straalt, mits wij onze waardig hebben voorbereid (vgl. Slotwoord ‘Redemptionis Sacramentum’).  Dit wensen wij u toe!
______________________________________
Disciplina arcani
Alle mysteriegodsdiensten (dus ook de niet-christelijke), kenden een “leer van heilige geloofsgeheimen” voor niet-ingewijden: disciplina arcani. Als beweegreden voor de heidense disciplina arcani gold de vrees voor het bekend worden aan buitenstaanders van de cultus der stamgoden waardoor men hun bescherming kon verliezen. Later, bij uitbreiding van de mysteriegodsdiensten buiten het stamverband werd het motief van de disciplina arcani meer algemeen: de huiver voor het goddelijke die tot zwijgen noopt. Ook met de pedagogische overweging dat hetgeen verborgen wordt gehouden des te gretiger en beter wordt opgenomen. Men wilde het mysterie niet prijsgeven aan de nieuwsgierigheid van niet-ingewijden.
Bij de Joden verwees eveneens het begrip arcanum naar een sacrale cultus of gereserveerde sacrale plaats. In de Vulgaat geeft bijvoorbeeld Exodus 7, 11 een beschrijving van het speciale heiligdom van God en van zijn als een schat bewaarde en gekoesterde plaats Jeruzalem (Ez 7, 22).
Binnen de christelijke traditie omvat de disciplina arcani het wezenlijke van de inwijdingsrituelen: H. Doopsel, H. Vormsel en H. Eucharistie. Het verzwijgen van het Symbolum  en het Pater noster was een eerste arcanum uit de liturgische traditie. Het Symbolum omdat het de samenvatting van de geloofsleer was en het Pater noster het gebed van de gelovigen bij uitstek.
De inwijding in de disciplina arcani geschiedde in de laatste periode van het catechumenaat (vorming van de geloofsleerlingen). In de week na hun opname in de Kerk handelde de inleiding in de disciplina arcani speciaal over de H. Eucharistie.