Posts tonen met het label hebdomada IV Paschae. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hebdomada IV Paschae. Alle posts tonen

zondag 11 mei 2025

The Voice in the Depths of Your Soul - Bishop Barron's Sunday Sermon - 4PC

Introitus: Misericordia Domini - Dominica IV Paschae

Collectegebed – Vierde zondag van Pasen Zondag van de Goede Herder

Ego sum pastor bonus

De Paasliturgie van de Kerk is het getrouwe spiegelbeeld van de eerste blijde tijd van het christendom. Elk alleluia van de Paastijd is één dank- en juichkreet van het verloste leven, dat vrij is van zonde.
Deze dankbare jubel en lof van de Kerk geldt Christus de Heer. Machtig sterk ontvlamt de liefde tot Hem. Hij heeft de verlossing gebracht. In Hem is Gods liefde mens geworden en heeft zij het werk der verlossing onder veel smarten ten einde gebracht. Hij is de Leidsman van het nieuwe leven. Hij voert de rei der verlosten naar de Vader. Daarom vult Hij heel het denken en leven van de Kerk. Zij ziet Hem onder telkens nieuwe beelden, Hem haar Verlosser. Hij is de overwinnaar, de held en triomfator, die dood en hel overwonnen en de slang de kop vertrapt heeft. Hij is de bruidegom, die de gevangen bruid – de zondige mensheid – verlost heeft. Hij is de kostbare vrucht aan de nieuwe levensboom van het kruis: de nieuwe appel, die geen dood en ontbinding te proeven geeft, maar geurt van verrijzenis en onsterfelijkheid. Hij is de goddelijke melk, het ongedesemde brood, de wijn van het nieuwe leven. Hij is de Heer van de bruiloft en het feestelijke maal van de genodigden. Hij is de ram, die geslacht werd om de schapen te verlossen – «het Lam (de ram) verloste de schapen (1) » –, en Hij is ook de Herder van de zijnen.
In de wondervolle eenheid van alle aardse beelden, die in de alles omvattende godheid van het Oertype samenvallen, zijn herder en ram één.

T e k s t
Missale Romanum 1970
Omnipotens sempiterne Deus,
deduc nos ad societatem caelestium gaudiorum,
ut eo perveniat humilitas gregis,
quo processit fortitudo pastoris.
Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie 1979
Almachtige, eeuwige God,
leid ons op de weg naar de eeuwige vreugde.
Geef dat de kleine kudde
de Herder daarheen mag volgen waar Deze
 – machtig en groot – is voorgegaan.
Werkvertaling
Almachtige, eeuwige God,
voer ons naar de gemeenschap van de hemelse vreugde
zodat de nederigheid van de kudde daar aankomt
van waar de machtige verhevenheid van de Herder is voortgekomen.

L i t u r g i s c h e   a n t e c e de n t e n
Het collectegebed kwam niet voor in de preconciliaire edities van het Missale Romanum maar gaat terug op het Sacramentarium Gelasianum, 524, (Vat. Reg. Lat.316), 1e helft 8e eeuw. Voor het nieuwe Romeinse Missaal van Paulus VI werden zoals bekend een aantal collectegebeden uit de Pius V- editie van Trente geschrapt en vervangen door oudere bronnen zoals het Gelasianum vetus en het Leonianum 2e helft 6e eeuw. Ook werd voor het postconciliaire Romeinse Missaal geput uit de Ambrosiaanse, Gallicaanse en Visigotische tradities of “componeerde” men nieuwe versies door het adapteren van bestaande formuleringen en zinswendingen (centonisatie) zoals dat ook werd toegepast op het terrein van het gregoriaanse repertoire.
De vierde zondag van Pasen wordt de “Zondag van de Goede Herder” genoemd vanwege de lezing van het 10e hoofdstuk uit het Evangelie van Johannes. Het collectegebed bevat pastorale motieven zoals gregis (van de kudde), pastoris (van de herder) en misschien het werkwoord deduco (leiden).
In de preconciliaire kalender was de derde zondag van Pasen aan de Goede Herder gewijd.
S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t I j l f I g u r e n
1.Omnipotens sempiterne Deus,
2.deduc nos ad societatem caelestium gaudiorum,
3.ut eo perveniat humilitas gregis,
4. quo processit fortitudo pastoris.
Het collectegebed van deze zondag is een kleine parel! In één enkele smeekbede wordt met fraaie retorische motieven God gevraagd om wat iedere mens nodig heeft.
Ad 1
God wordt in de anaklese met drie vocativusvormen, retorisch aangesproken met twee adiectieven die een feitelijk statement uitdrukken: de almacht van God roept de bede op dat Hij ons zal voeren naar het gezelschap van hen die de vreugde van de hemel genieten.
Ad 2
Deduc, voer, leid, is het prædicaat in de imperativusvorm; nos, ons,  het object van het verbum deduc; nos kan begrepen worden als degenen die herboren zijn in de Heilige Geest – alle gedoopten. Het eerste verhoopte effect is dat God degenen die herboren zijn in de Geest de genade mag schenken zijn koninkrijk binnen te gaan. Ad societatem caelestium gaudiorum, bijwoordelijke bepaling bij het verbum in de accusativusvorm, bepaald door het præpositum ad (naar, tot, aan, bij) en op te splitsen in het substantivum societatem gevolgd door twee congruerende genitivusvormen, die genoemd substantief nader illustreren: genitivus explicativus.
Ad 3
Finale/doelaanwijzende of consecutieve/gevolghebbende bijzin ingeleid door het voegwoord ut die Interpretatief het effect verwoordt van de eerste bede aan de hand van een mooi en kunstig parallellisme: dat de humilitas, de nederigheid van de kudde daar mag arriveren, vanwaar de fortitudo, de kracht, de verheven macht van de herder is gekomen.
De aardige constructie eo…quo springt onmiddellijk in het oog. Ook de genitivusvormen gregis en pastoris op het einde van de laatste twee zinnen vormen samen een enkel concept en maken de oratie zingbaar.
De stijlfiguur hier is een synchesis (Grieks
σύγχυσις) een “vermenging”, dikwijls gebruikt door Latijnse en Griekse schrijvers om de lezer te concentreren op de betekenis van woorden door een bepaalde plaatsing in de zin: een parallelisme van grammaticale vormen: “ut A-B-C-D, A-B-C-D” die een antithese vormen: eo/quo, perveniat/processit, humilitas/fortitudo en gregis/pastoris.
Het voegwoord ut heeft het verbum perveniat in de coniunctivusvorm bij zich vanwege het wenskarakter (optativus). Subject is humilitas gregis en dit subject samen met het subject fortitudo pastoris (r. 4) zijn twee voorbeelden van synecdoche (Grieks συν-εκδοχή), iets wat samen met iets anders wordt verstaan, een deel dat in werkelijkheid een groter geheel aanduidt, een vorm van beeldspraak.
Eo …quo (r.4): bijwoordelijke bepalingen die de verba perveniat en processit vergezellen; eo, oude dativusvorm van is, ea, id en quo, oorspronkelijk quoi, dativus- en ablativusvormen van het neutrum van qui, quæ, quod.
Ad 4
Processit, is voortgekomen, is voorgegaan, prædicaat in de indicativusvorm perfecti vanwege de feitelijkheid.
In de woordstructuur van de oratie klinkt het ordelijke voortschrijden als bij een processie.
Het is goed te bedenken hoe deze oraties, gespróken, klinken, en vooral als ze worden gezongen. Het zijn heel vaak kleine stukjes poëzie vol schoonheid. Die dimensie kan gemakkelijk over het hoofd worden gezien als de oratie alleen maar in stilte vanaf het blad wordt gelezen. Het zou goed zijn wanneer toekomstige vertalers van de Latijnse oraties deze gebeden bij hun vertaalarbeid luid zouden lezen en zelfs zingen!

B i j b e l s e  c o n t e x t
Het beeld van de herder en zijn kudde komt veel voor in het O.T. als beeld van het Godsvolk en de leiding en zorg van God of de Messias. Enkele vindplaatsen: Jes 40,11; Jer 23,1-4; Ez 34; Ps 73,1; 76,21; 78,13; 79,2; 94,7.
N.T.: Mt 9,36; 18,12; Joh 10; 21,17; Hebr 13,20, 1 Pe 2,25 (geen volledige opsomming)

C h r i s t e l i j k e  l i t e r a t u u r
Tegenwoordig is het gewoon Christus de “Goede Herder” te noemen. In de oude Kerk werd Christus afgebeeld als een jonge herder met een schaap over zijn schouders. Als titel (aanspreekvorm) evenwel was “Bone Pastor” niet gebruikelijk in oude tijden.


De benaming werd slechts eenmaal gebruikt door de H. Augustinus van Hippo († 430) in een belangrijke preek tegen de Donatisten (Sermo 138) over Christus als de “Goede Herder” (Cf Jo 10). Na Augustinus schijnt de benaming niet vaak meer gebruikt te zijn tot de Carmina van Sedulius Scotus († 828) niet te verwarren met Coelius Sedulius [† 5e eeuw] van wie enkele verzen werden bewaard in het getijdengebed. De H. Thomas van Aquino († 1274) gebruikt “Bone Pastor” in zijn sequens Lauda Sion: “Bone pastor, panis vere … O, goede Herder, O, waarlijk Brood”. Deze zinsnede van de sequens was ooit een gewild aflaatgebed bij de opheffing van de H.Hostie.

Talloos zijn de overwegingen en de preken over het beeld van Christus als de Goede Herder. Wij noemen enkele die als tweede lezing in het Lezingenofficie van het Getijdengebed zijn opgenomen:
· Homilie van de H. Asterius van Amasea (13) Over de navolging van het herderschap van de Heer (donderdag na de 1e zondag van de Vasten)
· Homilie van de H. Gregorius de Grote (14,3-6) Christus, de goede Herder (4e zondag van Pasen)
· Preek van de H.Augustinus (Sermo 47, 1.2.36 Over de schapen (maandag 13e week door het jaar)
· Commentaar van de H. Thomas van Aquino op Johannes 10 (maandag 21e week).
· Preek van de H. Augustinus Over de herders (Sermo 46) (24e zondag t/m vrijdag 25e week). Schitterend commentaar op Ezechiël 34.
· Commentaar van de H. Gregorius van Nyssa op het Hooglied: Gebed tot de goede Herder (donderdag 33e week door het jaar).

V o c a b u l a r i u m
Societas, atis betekent “gezelschap, genootschap, vereniging, associatie, verbond, gemeenschap, samenleving”. Het is meer dan een toevallig bijeengebrachte groep en wel een groep die bijeengebracht is voor een gemeenschappelijk doel. Het begrip roept ook het concept “communio” op: een in het Nieuwe Testament gebezigde term voor de gemeenschap van de gelovigen in de richting gaat van de relatie die we in de hemel zullen hebben en daaraan anticipeert. In de Nederlandse vertaling van de oratie bleef dit begrip dat in het christelijk Latijn frequent wordt gebruikt onvertaald. De teksten van de H.Mis verdienen een mooie en zorgvuldige vertaling. Incorrecte versies doen geen recht aan degenen die de vertaalopdracht geven en de gelovigen die een correcte vertaling verwachten.
Er is een mooi contrast tussen humilitas en fortitudo. Het lijken tegenstellingen. Overeenkomstig het oudromeinse taalgevoel heeft humilitas de negatieve connotatie van “laagheid”, in de zin van verachtelijkheid, minderwaardigheid of ellende. Daarentegen betekent fortitudo “kracht” en zelfs “moed, getoond bij het verduren of op zich nemen van ontbering; onverschrokkenheid, dapperheid,”. In het Sacramentarium Gelasianum van de 8e eeuw waaruit de collecte van vandaag afkomstig is, stond in plaats van fortitudo oorspronkelijk celsitudo. De Lewis and Short-dictionary geeft als betekenissen: 1. Verheven lichaamshouding en 2. In later Latijn een titel: Uwe Hoogheid. Fortitudo kan een dichterlijke verwijzing zijn naar Christus’morele kracht en vastberaden volharding in zijn Lijden en Dood. Bovendien kiest de Heer de zwakken uit en maakt hen sterk met zijn kracht, zijn fortitudo (vgl. 1 Kor 1,26-28). Zwakheid en kracht moeten ook hier niet gewogen worden naar wereldse successen.
Slechts zelden werd in het klassieke Latijn fortitudo gebruikt ter aanduiding van louter fysieke kracht. Dus betekent het “standvastigheid, moed getoond bij het verduren of op zich nemen van ontbering, dapperheid en vastberadenheid”.

Hedendaagse vertalers veranderen soms een abstract idee dat klinkt als een bezit (een troop synecdoche genoemd), zoals “de nederigheid van de kudde” of “de macht van de herder” in een karakteristiek van de bezitter, zoals in “de kleine kudde” of “de machtige herder”. Heel zeker gaat daarbij schoonheid van de Latijnse tekst verloren.

Procedo betekent “tevoorschijn komen, voor de dag komen, voorspruiten” maar ook “voortbewegen, vooruitgaan, voorgaan”. In overdrachtelijke zin krijgt het de betekenis van ”gunstig uitpakken voor, voordelig aflopen” of iets dergelijks.

In het collectegebed hebben we een beeld van Christus als Herder van de schapen die met grote vastberadenheid zijn kleine kudde leidt naar de hemelse vreugden die geen einde kennen.

Hij voert ons terug naar dat waaruit Hij eerst voortkwam, de communio met de Vader en de H. Geest. In de Griekse neoplatoonse filosofie die het vroegchristelijke gedachtegoed voedde, vinden we dikwijls het paradigma van het voortgaan (Grieks: πρó-οδος, of in het Latijn exitus), een rondgaan en een terugkeer (Grieks: επι-ςτροφη, of Latijn reditus). De oude oratie van deze zondag lijkt een echo te zijn van dit algemeen klassieke patroon.

Het collectegebed van deze zondag roept welhaast vanzelf de mozaïeken in de absiden van de oude basilieken in Rome en Ravenna op. (Zie de illustraties)

Deze kunstwerken van het vroege christendom, vervaardigd uit uiterst kleine stukje gekleurde steen en glas zijn samengevoegd tot schitterende werken van grote spirituele betekenis. In zekere zin is de Kerk, het Mystieke Lichaam van Christus, met een mozaïek te vergelijken: wij, kleine individuele katholieken met een verschillende roeping, op diverse plaatsen en zelfs met historische afstanden, hebben elk hun eigen aandeel bij het realiseren van een groter werk: iedere steen (of tessera) dient om de schoonheid van de andere te vergroten, iedere steen heeft een functie ten opzichte van de andere alsof zij leden waren van een societas. Op zichzelf beschouwd zijn de individuele steentjes niet de moeite van het bekijken waard, en blijven onopgemerkt. Eenmaal echter door de hand van de kunstenaar bijeengebracht in een bepaalde ordening, hebben ze iets verbluffends.



In deze absismozaïeken is Christus soms glorierijk afgebeeld met keizerlijke attributen. Aan zijn beide zijden staan dikwijls Apostelen en heiligen als zijn keizerlijke hof, gekoppeld aan voorstellingen van Bethlehem of van het aardse en hemelse Jeruzalem als begin- en eindpunt. Dikwijls ziet men in deze mozaïeken onder de voeten van de verheerlijkte Christus enkele rijen schapen die naar een veilige groene plaats met stromend water – symbool van de Jordaan en ons eigen Doopsel - worden geleid.

Het collectegebed herinnert ons aan het grote werk van de Verlosser bij zijn intrede in deze wereld. Hij heeft ook beloofd terug te zullen komen. De tweede Persoon van de H. Drieëenheid, komt van alle eeuwigheid voort (procedit) uit de Vader. Hij vertoonde zich (procedebat) dus in deze wereld met een machtige gebaar van zelfontlediging om ons te verlossen van onze zonden, om ons te leren wie wij zijn en om ons uit het verderf van de eeuwige dood te voeren naar het glorievolle geluk in vereniging met God in de hemel. Hij kwam bij zijn eerste komst in nederigheid (in humilitate) om onze ellende (humilitas) op Zich te nemen. Bij zijn tweede komst zal Hij, bekleed met zijn eigen fortitudo, ons weiden in de nieuwe societas in de hemel.

(1) Sequens Victimæ paschali laudes van Pasen.

Commentaar gedeeltelijk met toestemming en onder dankzegging ontleend aan wdtprs.com (Father John Zuhlsdorf)

Lezingen H. Mis 4e zondag van Pasen, jaar C Mijn schapen zullen in eeuwigheid niet verloren gaan.

Eerste lezing (Hand. 13, 14.43-52)
Uit de Handelingen van de Apostelen.
In die dagen reisde Paulus en Barnabas langs Perge naar Antiochië in Pisidië, waar zij op de sabbat de synagoge binnengingen. Na afloop van de dienst in de synagoge liepen vele joden en godvrezende proselieten met Paulus en Barnabas mee; deze spraken hen toe en drongen er bij hen op aan in de genade van God te volharden. De volgende sabbat kwam bijna de hele stad bijeen om naar het woord van God te luisteren. Bij het zien van die grote menigte werden de Joden zeer afgunstig en beantwoordden de uiteenzetting van Paulus met beschimpingen. Toen verklaarden Paulus en Barnabas in alle vrijmoedigheid: “Tot u moest wel het eerst het woord van God gesproken worden, maar omdat gij het afwijst en uzelf het eeuwig leven niet waardig keurt, daarom richten wij ons voortaan tot de heidenen. Want aldus luidt de opdracht van de Heer tot ons: Ik heb u bestemd als een licht voor de heidenen, opdat gij redding zoudt brengen tot aan het uiteinde van de aarde.” Toen de heidenen dit hoorden waren zij verheugd en verheerlijkten het woord van God, en allen die tot het eeuwig leven waren voorbestemd namen het geloof aan. Het woord des Heren verbreidde zich door heel die streek, maar de Joden hitsten de godvrezende vrouwen op die uit de toonaangevende kringen kwamen en ook de voornaamste burgers uit de stad; zij veroorzaakten een vervolging tegen Paulus en Barnabas en verjoegen hen uit hun gebied. Dezen schudden het stof van hun voeten ten teken dat zij met hen gebroken hadden en gingen naar Ikonium. De leerlingen echter waren vervuld van vreugde en van de heilige Geest.

Tweede lezing (Apok. 7, 9.14b-17)
Uit de Openbaring van de heilige apostel Johannes.
Ik, Johannes zag een geweldige menigte, die niemand tellen kon, uit alle rassen en stammen en volken en talen. Zij stonden voor de troon en voor het Lam, gekleed in witte gewaden en met palmtakken in de hand. Toen zei een van de oudsten tot mij: “Dat zijn degenen die komen uit de grote verdrukking, die hun gewaden hebben wit gewassen in het bloed van het Lam. Daarom staan zij voor de troon van God en dienen Hem dag en nacht in zijn tempel, en Hij die op de troon is gezeten zal zijn tent over hen uitspreiden. Zij zullen nooit meer honger of dorst lijden, geen zonnesteek of woestijngloed zal hen treffen, want het Lam in het midden van de troon zal hen weiden en voeren naar de waterbronnen van het leven en God zal alle tranen van hun ogen afwissen.”

Evangelie (Joh. 10, 27-30)
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Mijn schapen luisteren naar mijn stem en Ik ken ze en ze volgen Mij. Ik geef hun eeuwig leven; zij zullen in eeuwigheid niet verloren gaan en niemand zal ze van Mij wegroven. Mijn Vader immers die ze Mij gegeven heeft is groter dan allen; en niemand kan iets uit de hand van mijn Vader roven. Ik en de Vader, Wij zijn één.”

zaterdag 30 juli 2022

Liturgy of the Hours Office of Readings Saint Peter Chrysologus, bishop Each one of us is called to be both a sacrifice to God and his priest


Second Reading (tuesday week 4 Paschae)

From a sermon by Saint Peter Chrysologus, bishop

Each one of us is called to be both a sacrifice to God and his priest

I appeal to you by the mercy of God. This appeal is made by Paul, or rather, it is made by God through Paul, because of God’s desire to be loved rather than feared, to be a father rather than a Lord. God appeals to us in his mercy to avoid having to punish us in his severity.
  Listen to the Lord’s appeal: In me, I want you to see your own body, your members, your heart, your bones, your blood. You may fear what is divine, but why not love what is human? You may run away from me as the Lord, but why not run to me as your father? Perhaps you are filled with shame for causing my bitter passion. Do not be afraid. This cross inflicts a mortal injury, not on me, but on death. These nails no longer pain me, but only deepen your love for me. I do not cry out because of these wounds, but through them I draw you into my heart. My body was stretched on the cross as a symbol, not of how much I suffered, but of my all-embracing love. I count it no less to shed my blood: it is the price I have paid for your ransom. Come, then, return to me and learn to know me as your father, who repays good for evil, love for injury, and boundless charity for piercing wounds.
  Listen now to what the Apostle urges us to do. I appeal to you, he says, to present your bodies as a living sacrifice. By this exhortation of his, Paul has raised all men to priestly status.
  How marvellous is the priesthood of the Christian, for he is both the victim that is offered on his own behalf, and the priest who makes the offering. He does not need to go beyond himself to seek what he is to immolate to God: with himself and in himself he brings the sacrifice he is to offer God for himself. The victim remains and the priest remains, always one and the same. Immolated, the victim still lives: the priest who immolates cannot kill. Truly it is an amazing sacrifice in which a body is offered without being slain and blood is offered without being shed.
  The Apostle says: I appeal to you by the mercy of God to present your bodies as a living sacrifice. Brethren, this sacrifice follows the pattern of Christ’s sacrifice by which he gave his body as a living immolation for the life of the world. He really made his body a living sacrifice, because, though slain, he continues to live. In such a victim death receives its ransom, but the victim remains alive. Death itself suffers the punishment. This is why death for the martyrs is actually a birth, and their end a beginning. Their execution is the door to life, and those who were thought to have been blotted out from the earth shine brilliantly in heaven.
  Paul says: I appeal to you by the mercy of God to present your bodies as a sacrifice, living and holy. The prophet said the same thing: Sacrifice and offering you did not desire, but you have prepared a body for me. Each of us is called to be both a sacrifice to God and his priest. Do not forfeit what divine authority confers on you. Put on the garment of holiness, gird yourself with the belt of chastity. Let Christ be your helmet, let the cross on your forehead be your unfailing protection. Your breastplate should be the knowledge of God that he himself has given you. Keep burning continually the sweet smelling incense of prayer. Take up the sword of the Spirit. Let your heart be an altar. Then, with full confidence in God, present your body for sacrifice. God desires not death, but faith; God thirsts not for blood, but for self-surrender; God is appeased not by slaughter, but by the offering of your free will.

dinsdag 10 mei 2022

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada IV Temporis Paschalis feria III Esto Dei sacrificium et sacerdos. Wees een offer en priester voor God.


Ad Officium lectionis


Lectio altera

Ex Sermónibus sancti Petri Chrysólogi epíscopi
(Sermo 108: PL 52, 499-500)

Tweede lezing

Uit de Preken van de H. Petrus Chrysologus, bisschop
(Sermo 108: PL 52, 499-500)
Wees een offer en priester voor God
Ik vermaan u bij de erbarming Gods. Paulus vraagt hier, ja God zelf vraagt hier door Paulus, opdat Hij liever bemind dan gevreesd wil worden. God vraagt hier, omdat Hij niet zozeer Heer als Vader wil zijn. God vraagt hier bij zijn erbarming, om niet te moeten straffen met gestrengheid.
Hoor de Heer vragen: Ziet, ziet in mij uw lichaam, uw ledematen, uw binnenste, uw gebeente, uw bloed. En als gij dan vreest, wat van God is, waarom bemint gij dan niet wat van uzelf is? Als gij vlucht voor de Heer, waarom snelt gij dan niet naar uw Vader?
Maar misschien beschaamt u de grootheid van mijn lijden, dat gij veroorzaakt hebt?  Wilt niet vrezen. Dat kruis is niet d angel voor Mij, maar het is de angel voor de dood. Die spijkers slaan in Mij geen smart, maar dringen uw liefde dieper in Mij. Die wonden brengen mijn zuchten niet voort, maar brengen u dieper in mijn binnenste. De uitstrekking van mijn lichaam op het kruis geeft u meer ruimte in mijn schoot, maar vergroot niet mijn foltering. Mijn Bloed gaat niet voor Mij verloren, maar wordt als prijs voor u betaald.
Komt dus, keert terug en erkent Hem tenminste zo als een vader, vanwie  gij ziet dat Hij goed voor kwaad, liefde voor onrecht en zo grote liefde voor zoveel wonden schenkt.
Maar laten we nu eens horen wat de Apostel dringend verzoekt: Ik bezweer u, zegt hij, uw lichamen aan te bieden. Door zo te spreken verheft de Apostel alle mensen tot de rang van het priesterschap: dat gij uw lichamen aanbiedt als een levend offer.
O ongehoorde bediening van het christelijk priesterschap, wanneer de mens voor zichzelf én offerande én priester is:  wanneer de mens niet iets buiten hem aan God zoekt op te dragen: maar wanneer de mens aanbrengt om aan God op te dragen: wat hij zelf is, wat in hem is en voor hem is; wanneer zowel de offergave dezelfde blijft en ook de priester dezelfde blijft; wanneer het offer wordt geslacht en blijft leven, kan de priester, die offert, niet doden.
Wonderbaar offer, waar het lichaam zonder het lichaam, het bloed zonder het bloed wordt geofferd. Ik bezweer u, zegt de Apostel, bij de erbarming Gods, uw lichamen aan te bieden als een levend offer.
Mijn broeders, dit offer van Christus vloeit voort uit het model, waardoor Hij voor het leven van de wereld zijn lichaam levend heeft opgeofferd; en zijn lichaam werkelijk tot een levende offerande maakte, omdat Hij, gedood, toch leeft. Bij zulk een offer wordt de dood uitbetaald en het slachtoffer blijft. Het slachtoffer leeft, maar de dood wordt gestraft. Vandaar worden de martelaren door hun dood geboren, beginnen bij hun einde, leven door doodslag, en in de hemel schitteren zij, van wie men op aarde meende, dat zij waren vernietigd.
Ik bezweer u, broeders, zegt hij, bij de erbarming Gods, uw lichamen aan te bieden als een levend en heilig offer. Dat is  het wat de profeet zong: Brand- en slachtoffers hebt Gij niet gewild, maar een lichaam hebt Gij mij bereid.
Wees, o mens, wees een offer voor God en wees priester; verlies toch niet wat de goddelijke macht u heeft geschonken en vergund, doe het kleed aan van de heiligheid, omgord u met de gordel van de kuisheid; teken Christus op uw hoofdbedekking; het kruis blijve het beschermende teken op uw voorhoofd; plaats op uw borst het heilig teken van de goddelijke kennis; brand steeds het reukwerk van uw gebed; grijp naar het zwaard van de Geest; maak van uw hart een altaar en bied zo zonder vrees uw lichaam aan tot een slachtoffer voor God.
God verlangt geloof, niet de dood; Hij dorst naar toewijding, niet naar bloed; Hij wordt verzoend door een goede gezindheid, niet door een gewelddadige dood.

zaterdag 7 mei 2022

Postcommunio-gebed – Vierde zondag van Pasen “Zondag van de Goede Herder”


Postcommunio-gebed  –  Vierde zondag van Pasen
 “Zondag van de Goede Herder”

Het misformulier van deze zondag bevat  “herderlijke” taferelen. Tussen het collectegebed en het postcommunio-gebed is een thematische relatie.  
Gregem tuum, Pastor bone, placatus intende,
et oves, quas pretioso Filii tui sanguine redemisti,
in aeternis pascuis collocare digneri
s.
Goede Herder, zie naar ons om: wij zijn uw kudde.
Wil de schapen die Gij hebt vrijgekocht met het kostbaar Bloed van uw Zoon,
een plaats geven in uw eeuwige weiden.
L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n
De tekst komt niet voor in de preconciliaire edities van het Missale Romanum maar is afkomstig zowel uit het Veronese Sacramentarium (Leonianum), 2e helft 6e eeuw, als uit het Gelasianum Vetus (1e helft 8e eeuw). Als u de tekst luidop leest zult u genieten van de mooie alliteraties van de lettergrepen met de p’s en b’s.
W o o r d v e r k l a r i n g
De Lewis and Short Dictionary geeft aan dat intendo veel betekenissen heeft, waaronder “iemands aandacht richten op, zichzelf inspannen voor, zijn doel richten op, nastreven, intenderen.” Placo is “verzoenen” en ook “tot rust brengen, geruststellen, kalmeren, bedaren, sussen”.  In de deelwoordvorm gebruikt als  bijvoeglijk naamwoord betekent het gekalmeerd, gestild, kalm, rustig, zacht, kalm,  vreedzaam.” Denk aan de Engelse term “placated”.
Voor grex hebben we het Engelse cognaat “gregarious” (dit is: kudde-instinct). Een grex is “een kudde, roedel, drift (in de zin van voortgedreven kudde), zwerm” verwijzend naar de dieren en in goede of slechte zin “een gezelschap, samenleving, troep, bende of horde, schare.”
In het Latijn is ovis, schaap, altijd vrouwelijk. Vandaar het vrouwelijke meervoud quas in de oratie voor alle leden van  de kudde.
I n h o u d
In de oratie klinkt de duidelijke echo van Johannes 10: 
Ik ben de goede herder (pastor bonus). De goede herder geeft zijn leven voor de schapen (oves).  Maar de huurling, die geen herder is en geen eigenaar van de schapen, ziet de wolf aankomen, laat de schapen in de steek en vlucht weg; de wolf rooft ze en jaagt ze uiteen. Hij is dan ook maar een huurling en heeft geen hart voor de schapen. Ik ben de goede herder. Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij, zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken. Ik geef mijn leven voor de schapen. Ik heb nog andere schapen, die niet uit deze schaapsstal (ovile) zijn. Ook die moet Ik leiden en zij zullen naar mijn stem luisteren en het zal worden: één kudde, één herder (vv.11-16).
Laten we ook denken aan wat de Verrezen Heer tegen Petrus zei op de oever van het Meer van Galilea: “Pasce oves meas…Weid mijn schapen” (Joh 21,17).  Christus vertrouwde zijn herdersschap toe aan Petrus en de anderen apostelen.
Wij hebben goede herders nodig, die niet achteloos of onverschillig zijn en zeker geen wolven om over ons te waken op onze aardse pelgrimstocht. Zij moeten ervoor zorgen dat we het voedsel krijgen dat we nodig hebben, bijzonder in de H. Eucharistie.  Veel voedsel is voor ons te vinden in de teksten van de H. Mis, de documenten van de H. Stoel en het pauselijk onderricht. Als de herders ons niet geven wat we nodig hebben, lijden we.  Een treffend beeld van de wolf die de schapen bewaakt is te vinden in een zeer oude topos in de literatuur. De in Carthago geboren voormalige slaaf en toneelschrijver Terentius (+ c. 159 v.Chr.) laat zijn personage Thais tot Pythias zeggen, “ovem lupo commisisti…jij vertrouwde de schapen toe aan de wolf” (cf Eunuchus 5, 1 16) en Cicero (+ v. Chr.) tierde tegen Marcus Antonius: “O praeclarum custodem ovium, ut aiunt, lupum… O voortreffelijke wolf, zoals men zegt, bewaker van de schapen….” (Orat. Philippica in Antonium 3, 11, 27).
We kunnen ons volledig legitiem afvragen wie de nauwkeurigheid van de vertalingen van de documenten vandaag de dag bewaakt….
In Johannes hoofdstuk 10 zegt Jezus dat Hij de veilige weide en de deurwachter van de schaapskooi is. Denk aan de mozaïeken in de oude Romeinse basilieken en elders die Christusafbeeelden met de apostelen samen met hoofse schapen voortgaand door een groene weide met stromend water (Doopsel) naar de troon van de zegevierende Heer of naar de poort van het hemelse Jeruzalem. Het tafereel toont zowel de eindtijd  en tegelijkertijd onze aardse pelgrimage.
In tijd van vrede of gevaar, de onderrichting van de Heer blijft een troost.

Wij vertrouwen op wat Christus ons door de Heilige Kerk geeft.  Mogen wij altijd ontvangen wat Hij en de Heilige Kerk ons echt wensen te geven.

Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven” Vierde zondag van Pasen Verlossing is bron van eeuwige vreugde


 Christus ontvangt brood en wijn voor de H. Eucharistie
 Moge de Verlossing ons bron zijn van eeuwige vreugde

I n l e i d i n g
Formeel gezien bestaat het Gebed over de gaven van deze zondag uit twee delen. De vreugde van en over het Paasmysterie in het eerste deel stemt overeen met de eeuwige vreugde in het tweede deel. Vanuit deze parallellie laat zich het begrip ‘gratulari’ goed begrijpen: het betekent ‘zich verheugen’, en daaronder begrepen in ieder geval hier ook ‘vreugdevol danken’. De oratie spreekt het verlangen uit naar een bestendige (‘semper’) vreugde door het mysterie van de Dood en de Verrijzenis van Christus, in Wie het werk van de verlossing door de Kerk wordt voortgezet.
Op zijn eerste reis door Klein-Azië verkondigt Paulus in de synagoge van Antiochië de vreugde van de Verrijzenis van Jezus: ”Wij verkondigen u de blijde boodschap, dat God, de belofte aan de vaderen gedaan, voor ons, hun kinderen, vervuld heeft door Jezus te doen verrijzen” (Hand 13,32-33). De verrijzenis van Jezus is de hoogste waarheid van ons geloof in Christus, door de eerste christenen geloofd en beleefd als kernwaarheid. De verrijzenis van Jezus is het fundament van ons geloof, doorgegeven via de overlevering en vastgelegd in de geschriften van het Nieuwe Testament. De prediking van het Kruis van Christus tegelijk met Zijn Verrijzenis maken wezenlijk deel uit van het paasmysterie. Het werk van onze verlossing, dat een volmaakte verheerlijking van God betekent heeft Christus de Heer juist vooral voltrokken door het paasmysterie van zijn zalig Lijden, zijn Verrijzenis uit het dodenrijk en zijn glorievolle Hemelvaart: een mysterie waarin Hij ‘onze dood heeft tenietgedaan door te sterven en ons leven hersteld (reparatio nostra) door te verrijzen’ (vgl. Romeins Missaal, prefatie van Pasen I) .

T e k s t
Missale Romanum – 1970
Concede, quæsumus, Domine, semper nos per hæc mysteria paschalia gratulari,
ut continua nostræ reparationis operatio perpetuæ nobis fiat causa lætitiæ.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie – 1979
Heer, wij bidden U: geef dat wij ons altijd verheugen over dit paasmysterie:
laat de voortzetting van de verlossing in ons leven een bron zijn van blijvende vreugde.

Werkvertaling 
Geef, vragen wij [U], Heer, dat wij [U] altijd vreugdevol danken door deze paasmysteries,
opdat/zodat het voortdurende werk van ons herstel voor ons oorzaak van eeuwige vreugde wordt.
L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n
De brontekst van deze oratio super munera/oblata of oratio secreta gaat terug tot op het Sacramentarium Gelasianum Vetus, Vat. Reg. lat. 316, 486, - eerste helft achtste eeuw . Sinds de achtste eeuw werd deze oratie met minieme varianten in meer dan 40 codices overgeleverd en stond in deze codices genoteerd onder de rubrieken: Secreta van Feria V(quinta) in albis, donderdag onder het paasoctaaf (toen de nieuwgedoopten nog hun witte kleed droegen) en Secreta van Feria V infra octavam Pentecostes, donderdag onder het octaaf van Pinksteren.
(Zie: E. Moeller, J.M. Clément en B. Coppieters ’t Wallant, Corpus Orationum, I, A-C, Brepols, Turnhout 1992, p. 351-352,  nr. 721, Br 124).
Het Gelasianum Vetus spreekt ‘perpetua’, welke adiectivumvorm bij causa zou horen; Het Missale Romanum [MR] 1970 heeft logischerwijze de genitivusvorm perpetuæ  ingevoerd, behorend bij lætitiæ. Een bestendige oorzaak van vreugde zou immers niet direct op de eeuwige vreugde toegepast behoeven te worden, maar zou ook slechts tijdelijk kunnen zijn.
In het Romeins Missaal 1962 had deze oratie als Secreta haar plaats in het misformulier van  zaterdag in de paasweek (MR 124). In MR 1970 is het Gebed over de gaven van vandaag hetzelfde als dat van zaterdag in de paasweek.

S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l f i g u r e n
1.Concede, quæsumus, Domine, semper nos per hæc mysteria paschalia gratulari,
2.ut continua nostræ reparationis operatio perpetuæ nobis fiat causa lætitiæ.

De oratie bestaat uit één enkele hoofdzin, samengesteld uit een openingszin waarin de eigenlijke bede is vervat (regel 1) en een finale / doelaanwijzende of consecutieve / gevolg hebbende bijzin ingeleid door het voegwoord ut in de coniunctivusmodus (r. 2).
In de openingszin wordt God gevraagd om de genade Hem altijd te danken door de viering van de paasgeheimen (H. Eucharistie, ingesteld op Witte Donderdag, dat wil zeggen vanaf die historische gebeurtenis tot aan het einde der tijden). In haar oorspronkelijke betekenis is Eucharistie  de dankzegging en lofprijzing  over de gaven van brood en wijn tijdens de viering van de H. Mis. In de eerste christentijden was danken en loven de grondgestalte van de Eucharistie.
De openingszin (stelregel) wordt in de finale/consecutieve bijzin (r. 2) krachtig onderstreept door een schets van enkele heilseconomische effecten: actueel (reparatio nostra) – voor degenen die (nos) de H. Mis vieren, en tegelijk eschatologisch (perpetuæ nobis  causa lætitiæ) – oorzaak van hun eeuwige vreugde.

Ad 1
Concede, verleen, schenk, geef – prædicaat in de imperativusvorm, verzacht door de losse werkwoordsvorm quæsumus in een tussenzin. Over de functie van het quæsumus, onmiddellijk achter een imperativusvorm aan de spits van een oratie, is al eerder gesproken. Deze is tweeledig: het mildert de imperativus waartoe de mens ten overstaan van God geen enkel recht heeft en het versterkt het ritme van de oratie. Het begrip concede impliceert een genadig neerbuigen van de kant van God om de werkzaamheid van het offer te schenken.
Domine, [o] Heer, - anaklese in de vocativusvorm.
Met het prædicaat concede is de a.c.i.- [accusativus cum infinitivo] constructie: semper nos…gratulari, dat wij altijd dankzeggen/dat wij ons altijd verheugen – verbonden, die als object gelezen kan worden bij concede.
Per hæc mysteria paschalia, door middel van deze paasmysteries – voorzetselbepaling, bestaande uit de præpositie per gevolgd door drie congruerende accusativusvormen, waarvan de laatste twee eind-, klankrijm vertonen. Deze repeterende a-klank geeft aan de begrippen een bepaalde wijdsheid, die een fraai contrast vormt met het begrenzende nos (de personen hier aanwezig) en hæc (de eucharistische gaven op het altaar) in dezelfde regel.
Semper, altijd, - bijwoordelijke bepaling van tijd.

Ad 2
ut continua nostræ reparationis operatio
Ut […] fiat, opdat/zodat worde - prædicaat in de coniunctivusmodus (optativus), vanwege het wenskarakter ingeleid door ut.
Continua nostræ reparationis operatio, het voortdurende [heils]werk van ons herstel – subject bij fiat, bestaande uit twee congruerende nominativusvormen continua en operatio, in een hyperbaton uiteen geplaatst door de twee congruerende genitivusvormen nostræ reparationis die geduid kunnen worden als een genitivus explicativus (toelichting) of genitivus obiectivus: het voortdurende werk ten behoeve van ons herstel.
De substantiva reparationis en operatio laten klankrijm zien.
Perpetuæ nobis fiat causa lætitiæ, voor ons oorzaak wordt van eeuwige vreugde, - prædicaatsnomen behorende bij het verbum concede en bestaande uit de nominativusvorm causa, oorzaak, reden -, vergezeld door twee congruerende genitivusvormen met klank-/eindrijm die wederom als een hyperbaton uiteen zijn geplaatst. Deze genitiusvormen kunnen aangemerkt worden als een genitivus explicativus, qualitatis, of ook  als genitivus obiectivus: oorzaak tot eeuwige vreugde.
Nobis, voor ons, - bijwoordelijke bepaling in de dativusvorm (dativus commodi, van voordeel) van het meervoud nos.

V o c a b u l a r i u m
Gratulari, gratulatus sum, dep. De woordenboeken geven ons de betekenissen: 1. iemand gelukwensen (to gratulate, gratulieren), zijn vreugde te kennen geven, zich verheugen; of met een laat klassieke betekenis: 2. danken, dankzeggen, dank brengen bijvoorbeeld ten opzichte van een godheid, = grates, gratias agere.  Dit plaatst ons voor een dilemma: zeggen we “geef dat wij ons altijd verheugen” of “geeft dat wij [U] altijd dankzeggen?” De dictionnaire van liturgisch Latijn van Blaise/Dumas geeft als eerste betekenis “réjouir (des fêtes)” en vervolgens “render grâces”.  Aangezien het hier gaat om het Gebed over de gaven in het Eucharistisch (= dankzegging) Offer, kunnen we zeggen “Geef dat wij U vreugdevol danken”.

Reparare betekent “repareren, herstellen, vernieuwen” of in handelstaal “inruilen, verkrijgen, verwerven, bemachtigen”. En in de context van de Biecht ook boete.
De verwante begrippen “reparatio, reparator, reparabilis” laten zich onmiddellijk begrijpen of in de taal van het Burgerlijk Wetboek: herstel in oorspronkelijk staat. Vergelijk de gebeden na de 1e lezing (Scheppingsverhaal) in de Paaswake: “Laat allen die door U verlost zijn begrijpen, dat de schepping van de wereld in den beginne, overtroffen is op het einde der tijden, toen Christus, ons Paaslam is geslacht” en “Laat ons door de kracht van de Geest aan de verleiding van de zonde weerstaan en de eeuwige vreugde bereiken”.
Operatio, -onis: dit interessante begrip betekent in eerste instantie: het werken, werk, , verrichting, arbeid, karwei, operatie, (uit)werking), effect. In antieke inscripties betekent het ook  “een religieuze verrichting, een godsdienstige plechtigheid, offerdienst. Christelijke auteurs gebruiken het ook in de betekenis van “weldadigheid, caritas”.
In de oraties verwijst “operatio” vooral naar het theologisch concept van het innerlijke bovennatuurlijke effect van de liturgische handeling of Eucharistisch Sacrament. Vergelijk de Secreta van vrijdag in de 2e week van de Vastentijd (MR 1962): “Hæc in nobis sacrificia, Deus, et actione permaneant, et operatione firmentur”- O God, moge de werking van dit Offer in ons voortduren, en door onze daden worden bevestigd. En ook in de Collecta van de 18e zondag na Pinksteren (MR 1962): “Dirigat corda nostra…tuæ miserationis operatio”-  Moge de werking van uw barmhartigheid onze harten leiden…
Continuus, -a, -um, adiectivum, heeft als basisbetekenis: ononderbroken, onophoudelijk. Het adiectivum kan ook betrekking hebben op tijd en ruimte. Met betrekking tot ruimte betekent het ‘in verbinding met iets anders’ of ‘in samenhang met iets anders’. In relatie met tijd betekent het ‘achtereenvolgens of volgend na elkaar’, ‘successievelijk, onophoudelijk’.  In deze oratie en toegepast op het H. Misoffer en Kruisoffer is continuus gebruikt in verbondenheid met perpetuus. Het verlossend Lijden van Christus is de bestaansgrond van zijn Menswording: “Daarom juist ben Ik tot dit uur gekomen” (1 Jo 12, 27); “Zou Ik de beker niet drinken die mijn Vader Mij gegeven heeft, niet drinken?” (Jo 18, 11). Het Kruisoffer, eens en voor altijd voltrokken, wordt in het Offer van de H. Mis, continu en universeel, steeds opnieuw geactualiseerd tot aan het einde der tijden en is ‘oorzaak van eeuwige vreugde’. Met dit begrip wordt de eschatolgische dimensie van het Gebed over de gaven uitgedrukt.  Zie ook Sacramentum Redemptionis, Instructie Congregatie voor de Goddelijke Eredienst van 25 maart 2004, Over de H. Eucharistie als Sacrament van de Verlossing.
L i t u r g i s c h e  b r o n
Hymne Vespers Paastijd Ad cenam Agni Providi

Wiens lichaam is als offerspijs,
verbrand op ’t altaar van het kruis,
wiens rode bloed wij drinken tot
ons eeuwig heil, tot vrede in God.

Ons paaslam Christus is geslacht,
Hij die ten offer werd gebracht,
en die aan ons zijn lichaam bood
in rein en ongedesemd brood.

O offerlam dat eeuwig leeft,
de poort der hel verbroken heeft,
gevangenen uit diepe nacht
in ’t eeuwig licht heeft thuisgebracht.

K a n t t e k e n i n g e n
Om te beginnen een enkel woord over het begip ‘in albis’, waarbij in gedachten toegevoegd moet worden ‘vestibus’, in witte gewaden, in witte kleding. Vanaf de nacht van Paaszaterdag droegen de pasgedoopten heel het paasoctaaf hun witte doopklederen die zij vóór het begin van Beloken Pasen aflegden. Beloken Pasen werd dan ook in het liturgisch taalgebruik  Dominica in albis [depositis] genoemd: zondag van de afgelegde witte klederen.
Het begrip ‘in albis’ doet ons denken aan het liturgische gewaad albe, te weten een lang, rond gesloten wit gewaad dat door de cingel (gevlochten koord) wordt bijeengehouden en dat tijdens de H. Mis en bij sommige andere liturgische functies wordt gedragen door de bisschop, de priester en de diaken. De albe wordt gedragen onder het kazuifel (door bisschop en priester) en onder de dalmatiek (door de diaken). Uitzonderingsgewijze wordt de albe zonder bovenkleed wel gedragen door concelebranten.
De albe heeft zich ontwikkeld uit de profane tunica van de oude Romeinen en werd sinds de 6e eeuw ingevoerd in de liturgie. Pas sinds de 12e eeuw  wordt de albe ook wel versierd.
Het begrip ‘in albis’ roept ook gemakkelijk het Nederlandse begrip ‘album’ op: een boek of verzamelband met lege (witte) bladzijden om in te schrijven of in te plakken, zoals een poesiealbum of fotoalbum. Bekend zijn ook de begrippen ‘populus alba’, witte populier en ‘albino’ waarmee een  mens, dier of plant wordt aangeduid met albinisme (het ontbreken van pigment in het hele lichaam of een gedeelte hiervan). ‘Albion’ tenslotte is de oudste bekende benaming voor het eiland Groot-Britannië vanwege de krijtrotsen aan de zuid-oostelijke kust ("There'll Be Bluebirds Over The WhiteCliffs of Dover").

Sommige wetenschappers die zich hebben begeven in de vraag hoe volgtijdig het Laatste Avondmaal en de Kruisdood zijn verlopen, hebben verondersteld dat het Laatste Avondmaal zonder vlees was –omdat “het Paaslam Christus nog niet was geslacht”. Zij postuleren dat de Joodse paaslammeren werden geslacht in de Tempel ten tijde van de Kruisiging van Christus op de Calvarieberg, terwijl de priesters in  de Tempel tot drie maal toe de Hallel-psalmen zongen (113 – 118). Als dat zo is, dan is denkbaar dat Christus aan het Kruis deze psalmen en het gejammer van de lammeren heeft gehoord. Christus zelf was het smetteloze Lam van het geanticipeerde Joodse Paasfeest in de bovenzaal van het Laatste Avondmaal te Jeruzalem en tegelijk het Paaslam van het Nieuwe Verbond: ecce Agnus Dei, ecce qui tollit peccata mundi. Iedere Heilige Mis is de volmaakte “reparatio” waarin de ziel van de gelovige de genade ontvangt tot verlossing en herstel van heiligheid maar de staat van het begin – als nieuw. God blijft in zijn oneindige barmhartigheid ons herstel voortzetten (continuus): voor ons bron van eeuwige vreugde (perpetuus).