donderdag 7 mei 2020

John Henry Newman [1801-1890] Mei-meditaties 8 Onbevlekte Ontvangenis - Eerwaardige Maagd


John Henry Newman [1801-1890]
Mei-meditaties 8
Onbevlekte Ontvangenis - Eerwaardige Maagd

Wij gebruiken het woord Eerwaardig over het algemeen voor iets wat oud is. Want alleen wat oud is heeft gewoonlijk die eigenschappen die eerbied en verering wekken. Een grote geschiedenis is het, een groot karakter, een gerijptheid van deugd, goedheid en ervaring die onze verering wekken, en zo iets is gewoonlijk niet eigen aan de jeugd.

Maar dit gaat niet op, als wij aan Heiligen denken. Voor hen is een kort leven een lang leven. Zo zegt de H. Schrift: “niet om lange levensduur is de ouderdom eervol, niet naar het aantal der jaren wordt hij berekend, maar wijsheid is voor de mensen grijze haren: een smetteloos leven hoge ouderdom. De vrome vindt rust al sterft hij vroeg; vroeg voleindigd heeft hij vele jaren bereikt” (Wijsh 4,7-13).
Zelfs een heidens schrijver, die nooit van Heiligen gehoord heeft, verklaart dat kinderen, alle kinderen een zeer grote eerbied verdienen, en dat wel omdat ze nog onschuldig zijn (Jun. Sat. 14). En datzelfde gevoel is zeer verspreid en komt in alle landen tot uitdrukking. En dat is wel zó sterk dat het zien van onschuldigen (van degenen namelijk die nog niet oud genoeg zijn om een doodzonde te begaan), juist wegens hun onschuldige, lachende jeugd dikwijls een rover of een moordenaar, op het ogenblik van zijn misdrijf, heeft afgeschrikt, hem met plotselinge vrees heeft bevangen, en hem zo niet tot berouw dan toch tot andere gedachten heeft gebracht.

En om nu van de gedachte aan het laagste tot het hoogste over te gaan, als wij iets van de eeuwige God mogen zeggen, dan kunnen wij wel niet anders zeggen dan dit: - omdat Hij eeuwig is, is Hij altijd jong, zonder begin en daarom zonder verandering, in de volheid en volmaaktheid van zijn ondoorgrondelijke hoedanigheden, op dit ogenblik nog wat Hij millioenen jaren geleden was. In de H. Schrift (Dan 7,9) wordt hij terecht genoemd de “hoogbejaarde” en daarom is Hij oneindig eerwaardig; maar de ouderdom is niet nodig om Hem eerwaardig te maken. In werkelijkheid heeft Hij niets van die menselijke uiterlijkheden van eerwaardigheid, die de gewijde schrijvers figuurlijk aan Hem moeten toeschrijven, om ons die volkomen nietswaardigheid en dat eerbiedig ontzag te doen gevoelen, die ons moeten bezielen als wij aan Hem denken.

Iets van die aard geldt nu ook van de grote Moeder van God, voor zover een schepsel kan gelijken op de Schepper. Haar onuitsprekelijke zuiverheid en haar algehele vrijheid van iedere schaduw van zonde, haar Onbevlekte Ontvangenis, haar voortdurende maagdelijkheid, - deze voorrechten die zij genoot niettegenstaande haar prille jeugd toen Gabriël tot haar kwam, zijn zó buitengewoon, dat wij ons gedrongen voelen om in de profetische woorden van de H. Schrift  vol ontzag en tegelijk vol vreugde uit te roepen: “Gij zijt de roem van Jeruzalem, de vreugde van Israël, de trots van ons volk… daarom heeft de hand van de Heer u gesterkt en zult u geprezen zijn voor eeuwig!” (Judith 15,10)