zaterdag 30 januari 2021

Lezingenofficie 4e zondag door het jaar Liturgia Horarum

Lezingen van het Lezingenofficie




Augustinus leest Paulus, fresco van Benozzo Gozzoli (1420-1497)

Eerste lezing
Uit de eerste brief van de apostel Paulus aan Tessalonicenzen 1,1 – 2, 12
Noodzakelijke bekommernis van Paulus met de Kerk van Thessalonica
Van Paulus, Silvanus en Timoteüs. Aan de gemeente in Tessalonica, die toebehoort aan God, de Vader, en de Heer Jezus Christus. Genade zij u en vrede. Wij danken God altijd voor u allen: wij noemen u onophoudelijk in onze gebeden en gedenken dan voor onze God en Vader hoeveel uw geloof tot stand brengt, hoe krachtig uw liefde is en hoe standvastig u blijft hopen op de komst van Jezus Christus, onze Heer. God heeft u lief, broeders en zusters. Wij weten dat hij u heeft uitgekozen: onze verkondiging aan u overtuigde immers niet alleen door onze woorden, maar ook door de overweldigende kracht van de heilige Geest. U weet hoeveel we voor u hebben betekend toen we in uw midden waren. U hebt ons nagevolgd, en daarmee de Heer: onder zware beproevingen hebt u het woord ontvangen met de vreugde van de heilige Geest. Zo bent u een voorbeeld voor alle gelovigen in Macedonië en Achaje geworden. Want het woord van de Heer heeft zich vanuit uw gemeente niet alleen in Macedonië en Achaje verspreid, uw geloof in God vindt ook weerklank buiten die gebieden. Wij hoeven daarover niets te vertellen; iedereen praat erover hoe wij door u zijn ontvangen en hoe u zich van de afgoden hebt afgewend om u tot God te keren – om hem, de levende en ware God, te dienen en om zijn Zoon te verwachten uit de hemel: Jezus, die hij uit de dood heeft doen opstaan en die ons zal redden van het komende oordeel. U weet zelf, broeders en zusters, dat ons bezoek aan u niet tevergeefs is geweest. Ondanks de mishandelingen en beledigingen die wij, zoals u bekend is, in Filippi te verduren hadden, vonden we in vertrouwen op onze God de moed u bekend te maken met zijn evangelie. Daarvoor hebben we ons tot het uiterste ingespannen. Onze oproep berust niet op een dwaling, op oneerlijkheid of bedrog. Wij spreken alleen omdat God ons daartoe waardig heeft gekeurd en ons het evangelie heeft toevertrouwd – niet om mensen te behagen, maar God, die de mensen doorgrondt. U weet dat we u nooit naar de mond hebben gepraat en dat onze woorden nooit een dekmantel voor hebzucht waren. God is onze getuige. We hebben ook niet geprobeerd de gunst van mensen af te dwingen, niet bij u en niet bij anderen. Hoewel we ons als apostelen van Christus hadden kunnen laten gelden, zijn we u tegemoet getreden met de tederheid van een voedster die haar kinderen koestert. In die gezindheid, vol liefde voor u, waren we niet alleen bereid u te laten delen in Gods evangelie, maar ook in ons eigen leven. Zo dierbaar was u ons geworden. U herinnert u, broeders en zusters, hoe we ons hebben ingezet en ingespannen, hoe we dag en nacht hebben gewerkt om niemand van u tot last te zijn. Op die manier hebben we u het evangelie van God verkondigd. U kunt getuigen, en God zelf, hoe toegewijd, hoe oprecht en zuiver we bij u, die tot geloof gekomen bent, hebben geleefd. U weet dat we voor ieder van u waren als een vader voor zijn kinderen. We hebben u aangespoord en bemoedigd en u op het hart gedrukt zo te leven dat u God eer bewijst. Hij roept u tot zijn koninkrijk en luister.
Tweede lezing
Uit de Brief aan de Kerk van Smyrna van de H. Ignatius van Antiochië, bisschop, martelaar
(Inscriptio; nn. 1, 1 — 4, 1: Funk 1, 235-237)
Christus heeft ons geroepen tot zijn rijk en zijn glorie
Ignatius, die ook Theophorus heet: aan de Kerk van God de Vader en van de Beminde, Jezus Christus; aan haar, die alle gaven ontving door barmhartigheid, vervuld van geloof en liefde, van geen enkele genade verstoken, aan God zeer dierbaar en draagster van het heilige die in Smyrna in Asia leeft in een onbesmette geest en in het woord Gods – mijn beste groeten!
Ik verheerlijk Jezus Christus, onze God, die u zoveel wijsheid schonk; want ik heb gezien, dat gij zijt in een onwankelbaar geloof, zodat gij met ziel en lichaam als zijt vastgenageld aan het kruis van Onze Heer Jezus Christus, en bevestigd zijt in de liefde door het Bloed van Christus, vervuld van onwankelbare trouw gelovend in Onze Heer, die waarlijk ontsproten is uit het geslacht van David naar het vlees, maar Gods Zoon is naar de Wil en de macht van God, waarlijk geboren uit de Maagd, door Johannes gedoopt, opdat door Hem alle gerechtigheid zou worden vervuld: waarlijk ook onder Pontius Pilatus en de viervorst Herodes voor ons aan het kruis vastgenageld in het vlees (uit wiens vrucht wij het leven hebben door zijn goddelijk en zalig lijden), om door zijn Verrijzenis alle eeuwen door, vóór zijn heiligen en getrouwen uit, het vaandel te heffen, hetzij onder joden of heidenen, in het éne Lichaam van zijn Kerk.
Dit alles toch heeft Hij geleden om ons, opdat wij het heil zouden verwerven. En Hij heeft in werkelijkheid geleden, zoals Hij ook in werkelijkheid Zichzelf uit de dood heeft opgewekt.
Want ik weet, dat Hij na zijn Verrijzenis in het vlees leefde en ik geloof, dat Hij nog in het vlees is. En toen Hij bij Petrus en zijn gezellen kwam, zij Hij hun: Omvat Mij, betast Mij en ziet, dat Ik geen geest ben zonder lichaam. En terstond raakten zij Hem aan en geloofden, na innig contact met zijn vlees en zijn geest. Daarom ook hebben zij zelf de dood geminacht en werden als overwinnaars van de dood bevonden. Na zijn Verrijzenis at en dronk Hij met hen, als een in het vlees, hoewel Hij geestelijk met zijn Vader was verenigd.
Hieromtrent nu vermaan ik u, mijn zeer geliefden, hoewel ik weet, dat gij al zo gestemd zijt.