Posts tonen met het label Dominica IV per annum. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Dominica IV per annum. Alle posts tonen

zondag 30 januari 2022

Lezingen H Mis 4e zondag door het jaar C Geloof, hoop en liefde blijven, maar de grootste is de liefde.


Eerste lezin
g: Jer. 1, 4-5. 17-19 

In die dagen kwam het woord van de Heer tot mij:

“Voordat Ik u in de moederschoot vormde, kende Ik u;

voordat ge geboren werd, heb Ik u mij voorbehouden,

tot profeet voor de volken heb Ik u bestemd.

Omgord dan uw lenden;

sta op en zeg tot het volk

alles wat Ik u opdraag.

Laat u door hen niet afschrikken;

anders jaag Ik u voor hun ogen de schrik op het lijf.

Ikzelf maak u heden

tot een versterkte stad,

een ijzeren zuil,

een koperen muur

tegenover het hele land,

voor de koningen en edelen van Juda,

de priesters en de burgers van het land.

Zij zullen u bestrijden, maar niets tegen u vermogen.

Want Ik ben bij u om u te redden.”


Tweede lezing: 1 Kor. 12, 31 – 13, 13 of 13, 4-13

Broeders en zusters,

(Gij moet naar de hoogste gaven streven.

Maar eerst wijs ik u een weg die verheven is boven alles.

Al spreek ik met de tongen van engelen en mensen:

als ik de liefde niet heb

ben ik een galmend bekken of een schelle cimbaal.

Al heb ik de gave der profetie,

al kon ik alle geheimen en alle wetenschap,

al heb ik het volmaakte geloof dat bergen verzet:

als ik de liefde niet heb

ben ik niets.

Al deel ik heel mijn bezit uit,

al geef ik mijn lichaam prijs aan de vuurdood:

als ik de liefde niet heb

baat het mij niets.)

De liefde is lankmoedig en goedertieren;

de liefde is niet afgunstig,

zij praalt niet, zij beeldt zich niets in.

Zij geeft niet om de schone schijn,

zij zoekt zichzelf niet,

zij laat zich niet kwaad maken

en rekent het kwade niet aan.

Zij verheugt zich niet over onrecht

maar vindt haar vreugde in de waarheid.

Alles verdraagt zij, alles gelooft zij,

alles hoopt zij, alles duldt zij.

De liefde vergaat nimmer.

De gave der profetie zal verdwijnen,

tongen zullen verstommen,

de kennis zal een einde nemen.

Want ons kennen is stukwerk

en stukwerk ons profeteren.

Maar wanneer het volmaakte komt

heeft het onvolmaakte afgedaan.

Toen ik een kind was

sprak ik als een kind, voelde ik als een kind,

dacht ik als een kind;

en nu ik man geworden ben

heb ik het kinderlijke afgelegd.

Thans zien wij in een spiegel, onduidelijk,

maar dan van aangezicht tot aangezicht.

Thans ken ik slechts ten dele

maar dan zal ik ten volle kennen

zoals God mij kent.

Nu echter blijven geloof, hoop en liefde de grote drie;

maar de liefde is de grootste.


Evangelie: Lc. 4, 21-30

In die tijd begon Jezus in de Synagoge te spreken:

“Het Schriftwoord dat gij zojuist gehoord hebt

is thans in vervulling gegaan.”

Allen betuigden Hem hun instemming

en verbaasden zich,

dat woorden, zo vol genade uit zijn mond vloeiden.

Ze zeiden:

“Is dat dan niet de zoon van Jozef?”

Hij zei hun:

“Natuurlijk zult ge Mij dit spreekwoord voorhouden:

Geneesheer, genees uzelf:

doe al wat, naar wij vernamen, in Kafarnaüm gebeurd is,

nu ook hier in uw vaderstad.”

Maar Hij gaf er dit antwoord op:

“Voorwaar, Ik zeg u:

geen profeet wordt aanvaard in zijn eigen vaderstad.

En het is waar wat Ik u zeg:

in de tijd van Elia immers,

toen de hemel drie jaar en zes maanden gesloten bleef

en een grote hongersnood uitbrak over het hele land,

waren er veel weduwen in Israël;

toch werd Elia tot niemand van haar gezonden

dan tot een weduwe te Sarepta, in het gebied van Sidon.

En in de tijd van de profeet Elisa

waren er vele melaatsen in Israël;

toch werd niemand van hen gereinigd,

behalve de Syriër Naäman.”

Toen ze dit hoorden

werden allen die in de synagoge waren woedend.

Ze sprongen overeind,

joegen Hem de stad uit

en dreven Hem voort

tot aan de steile rand van de berg

waarop hun stad gebouwd was,

om Hem daar in de afgrond te storten.

Maar Hij ging midden tussen hen door en vertrok.


Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Dominica 4 per annum Ad Officium lectionis Christus vocavit nos in suum regnum et gloriam


Lectio altera
Ex Epístola sancti Ignátii Antiochéni epíscopi et mártyris ad Smyrnæos
(Inscriptio; nn. 1, 1 — 4, 1: Funk 1, 235-237)
Tweede lezing
Uit de Brief aan de Kerk van Smyrna van de H. Ignatius van Antiochië, bisschop, martelaar
(Inscriptio; nn. 1, 1 — 4, 1: Funk 1, 235-237)
Christus heeft ons geroepen tot zijn rijk en zijn glorie
Ignatius, die ook Theophorus heet: aan de Kerk van God de Vader en van de Beminde, Jezus Christus; aan haar, die alle gaven ontving door barmhartigheid, vervuld van geloof en liefde, van geen enkele genade verstoken, aan God zeer dierbaar en draagster van het heilige die in Smyrna in Asia leeft in een onbesmette geest en in het woord Gods – mijn beste groeten!
Ik verheerlijk Jezus Christus, onze God, die u zoveel wijsheid schonk; want ik heb gezien, dat gij zijt in een onwankelbaar geloof, zodat gij met ziel en lichaam als zijt vastgenageld aan het kruis van Onze Heer Jezus Christus, en bevestigd zijt in de liefde door het Bloed van Christus, vervuld van onwankelbare trouw gelovend in Onze Heer, die waarlijk ontsproten is uit het geslacht van David naar het vlees, maar Gods Zoon is naar de Wil en de macht van God, waarlijk geboren uit de Maagd, door Johannes gedoopt, opdat door Hem alle gerechtigheid zou worden vervuld: waarlijk ook onder Pontius Pilatus en de viervorst Herodes voor ons aan het kruis vastgenageld in het vlees (uit wiens vrucht wij het leven hebben door zijn goddelijk en zalig lijden), om door zijn Verrijzenis alle eeuwen door, vóór zijn heiligen en getrouwen uit, het vaandel te heffen, hetzij onder joden of heidenen, in het éne Lichaam van zijn Kerk.
Dit alles toch heeft Hij geleden om ons, opdat wij het heil zouden verwerven. En Hij heeft in werkelijkheid geleden, zoals Hij ook in werkelijkheid Zichzelf uit de dood heeft opgewekt.
Want ik weet, dat Hij na zijn Verrijzenis in het vlees leefde en ik geloof, dat Hij nog in het vlees is. En toen Hij bij Petrus en zijn gezellen kwam, zij Hij hun: Omvat Mij, betast Mij en ziet, dat Ik geen geest ben zonder lichaam. En terstond raakten zij Hem aan en geloofden, na innig contact met zijn vlees en zijn geest. Daarom ook hebben zij zelf de dood geminacht en werden als overwinnaars van de dood bevonden. Na zijn Verrijzenis at en dronk Hij met hen, als een in het vlees, hoewel Hij geestelijk met zijn Vader was verenigd.
Hieromtrent nu vermaan ik u, mijn zeer geliefden, hoewel ik weet, dat gij al zo gestemd zijt.

Hymne “O lux beata Trinitas” Tweede Vespers Dominica IV per annum

Laetetur cor quaerentium Introitus Dominica IV per annum

Gebed over de Gaven Vierde Zondag door het jaar Aanvaard, Heer, deze gaven tot het sacrament van onze verlossing

Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven”
Vierde zondag per annum / door het jaar


 Aanvaard, Heer,  deze gaven tot het sacrament van onze verlossing

Christus ontvangt brood en wijn voor de H. Eucharistie

I n l e i d i n g
Wij bewijzen de Heer (“Domine”) een Hem verschuldigde dienst (“servitus”) wanneer wij onze offergaven op het altaar leggen. Het is een dienst die ons is opgedragen door Jezus Zelf bij het Laatste Avondmaal. Het Gebed over de gaven vraagt om aanvaarding van deze gaven waarbij op de werking van de consecratie reeds wordt geanticipeerd, vervat in de bede dat God onze gaven tot sacrament van onze verlossing moge maken. Dit mysterie van onze verlossing is het Eucharistische Offer, waarin de Dood en de Verrijzenis van de Heer als paasmysterie geactualiseerd worden, waardoor wij worden vrijgekocht en tot een nieuwe schepping worden gemaakt. Dit wonder op het altaar wordt door geen macht van mensen bewerkstelligd. Dezelfde Jezus Christus die het wonder van het Laatste Avondmaal verrichtte, hernieuwt nu dit wonder. Christus alleen heiligt de offeranden, verandert deze in zijn Lichaam en Bloed. Dit Geheim heeft Christus aan de Kerk toevertrouwd als een noodzakelijk heilsmiddel. De oratie vraagt niet dat de offergaven die naar het altaar worden gebracht “in zichzelf” (in se) heilzaam mogen zijn, maar dat zij worden tot sacrament van onze verlossing. Dat betekent dat het offeren van de gaven op het altaar en het dienstwerk van de Kerk het waarneembaar teken is van de verloste mensen, die zich niet plooien naar zichzelf, maar naar de Heer in een zelfopofferend en liefdevolle dienstwerk voor welk doel God hen heeft geschapen.
Nooit om eigen verdiensten kunnen wij dit hoogheilig Geheim naderen. Laat ons dit Sacrament met nederig hart en steeds groter verlangen ontvangen voor de genezing van onze ziel, de zuivering van onze geest en tot groter dienstbaarheid jegens God en onze omgeving.
T e k s t
Missale Romanum – 1970
Altaribus tuis, Domine, munera nostræ servitutis inferimus,
quæ, placatus assumens,
sacramentum nostræ redemptionis efficias.
Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie - 1979
Heer, om U te dienen plaatsen wij deze gaven op uw altaar;
neem ze genadig van ons aan
en maak ze tot het sacrament van onze verlossing.

Werkvertaling
Op Uw altaren, Heer, plaatsen wij de gaven van onze dienstbaarheid,
welke Gij, genadig te aanvaardend,
maakt tot het sacrament van onze verlossing.

L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n

Het Gebed super munera is gebaseerd op de Secreta in het Sacramentarium Leonianum, 511, dat berust in de Kapittelbibliotheek Verona, LXXXV, 2e helft 6e eeuw en is met enkele tekstvarianten aangepast voor het Missale Romanum 1970. Het gebed was niet opgenomen in het Missale Romanum van 1962.

S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l f i g u r e n

1. Altaribus tuis, Domine, munera nostræ servitutis inferimus,
2. quæ, placatus assumens,
sacramentum nostræ redemptionis efficias.

De oratie bestaat uit één enkele zin, op te splitsen in een hoofdzin (regel 1) gevolgd door een relatieve bijzin “quæ t/m efficias” (r. 2-3), onderbroken door een tussenzin “placatus assumens” (r. 2) waarin het participium præsentis activi “assumens” wordt gecombineerd met het participium perfecti passivi “placatus” van het passivum placari, beide participia in de nominativus singularis en derhalve congruerend met de aangesproken Dominus in regel 1. Het voltooid deelwoord placatus is hier adverbiaal gebruikt ten opzichte van het tegenwoordige deelwoord.

Inhoudelijk is de openingsregel een beschrijving van de liturgische handeling “het plaatsen van de offergaven op het altaar” van dit moment van de H. Mis, dat wil zeggen als overgang van de voorbereiding van de gaven naar het Eucharistisch Gebed (dat met de prefatie begint), terwijl in de daarop volgende relatieve bijzin “quæ […] sacramentum nostræ redemptionis efficias” geanticipeerd wordt op de status én het effect van de toekomende transsubstantiatie (gedaanteverandering) tijdens de liturgische handeling van de consecratie, waardoor de “munera nostræ servitutis - de gaven van onze dienstbaarheid” worden tot Sacrament van onze verlossing.  De tussenzin “placatus assumens” wijst op de veronderstelde genade die vooraf gaat aan de consecratie: waardoor onze gaven worden tot Zijn gaven, zijnde het Sacrament van onze verlossing.

Ad 1
Inferimus, gezegde, 1e pers. pluralis van het præsens van het verbum inferre, infero, intuli, illatum, 3, in de indicativusmodus vanwege de actuele werkelijkheid. Inferro betekent hier ergens heen dragen, neerleggen, iets ergens inwerpen, en wordt geconstrueerd met de preposities in/ad + accusativus of met de dativusvorm zoals altaribus in de oratie van vandaag, hier congruerend met de dativus meervoud tuis van het pronomen possessivus tuus.
Tuis en nostræ vormen een tegenstelling. Tuis en servitutis tonen eind- of klankrijm.
Domine [o] Heer, anaklese in de vocativusvorm.
Munera nostræ servitutis - de gaven van onze dienstbaarheid: object van het verbum inferimus, samengesteld uit de accusativusvorm onzijdig meervoud munera (van munus, eris, N) en de congruerende genitvusvormen nostræ servitutis.
Ad 2
Het relativum quæ, accusativus meervoud onzijdig, met munera (r. 1) als antecedent, leidt een relatieve bijzin in waarvan het gezegde meestal in de indicativus staat.  Het gezegde efficias van efficere, effeci, effectum 3, staat in de coniunctivis : 2e pers. præsentis coniunctivi. Het subject van deze bijzin Gij (Dominus) zit in het gezegde opgesloten. De coniunctivus kan worden verklaard omdat deze bijzin een doelaanwijzende/gevolgaanduidende bijbetekenis heeft: de op het altaar geplaatste offergaven worden door de genadige aanneming door God en in de Consecratie tot Sacrament van onze verlossing.
Sacramentum nostræ redemptionis: “prædicatieve” accusativus als aanvulling bij het directe  object “quæ”; het verbum efficere, [iets] maken tot, kan een zog. dubbele accusativus hebben.
De accusativus sacramentum gaat vergezeld van twee congruerende genitivusvormen “nostræ redemptionis” die het sacrament, het heilsmiddel van onze verlossing nader bepalen:  genitivus explicativus. Men kan de genitivus echter ook beschouwen als een genitivus  obiectivus die het object van het heilsmiddel uitdrukt: het sacrament voor/tot onze verlossing.
De genitivi nostræ servitutis (r. 1) en nostræ redemptionis (r. 2) vormen een parallellie (identieke opbouw) en bevatten klank- en eindrijm.

V o c a b u l a r i u m
Altare, -ris N, altaar. De oratie van deze zondag is een van de slechts twee oraties waarin wordt verwezen naar het altaar, de plaats waar het offer wordt aangeboden. Het gebruik van de pluralis “altaribus” suggereert niet alleen het aanwezige altaar en het offer hic et nunc, maar alle offergaven op alle altaren van de universele Kerk. Ofschoon voltrokken op menige momenten en menigvuldige plaatsen is het Eucharistisch Offer toch een. De menigvuldige representaties maken derhalve deel uit van het ene Offer door Christus eens en voor altijd aan de Vader gebracht.
Servitus, -utis, f., een substantivum dat ofschoon met de gebruikelijke mannelijke – us uitgang, vrouwelijk is, dat de betekenis heeft van de conditie van een servus, slaaf: slavernij, slavendom, dienstbaarheid, onderdanigheid. In het Nederlands betekent servituut erfdienstbaarheid (een last waarmee een erf bezwaard is, tot gebruik en ten nutte van een erf, toebehorend aan een andere eigenaar). 
Zoals de Heer (Dominus) de bron en de voltooiing van alles is Hij ook de Heer aan wie de mens diensten/ dienstbaarheid is verschuldigd. Begrippen als servire, servitium en servitus moeten dan ook gelezen worden in het kader van een “cultusdienst” en als een Meester-dienaar relatie. Omdat de Heer in heerlijkheid verblijft overtreft Hij immers de mensheid in niet te meten mate. Hij is de Schepper, de Instandhouder en de Redder van al het bestaande en van het leven; bijgevolg heeft Hij recht op de aanbidding en dienstbaarheid van allen, vooral van de mensen. Minstens elf oraties roepen het beeld van deze eigen relatie tussen God en mens op. Het Gebed over de gaven van de 4e zondag door het jaar wijst specifiek op de aan de Heer verschuldigde dienstbaarheid van de kant van de verzamelde geloofsgemeenschap “Altaribus tuis, Domine, munera nostræ servitutis inferimus” (ook weergegeven in de pluraliusuitgang –mus), terwijl in het “Hanc igitur” van de Romeinse Canon de ”oblationem servitutis nostræ” eerst die van de celebrant is, “sed et cunctæ familiæ tuæ”, maar vervolgens ook van al uw dienaren”.
Munera, zie de woordenlijst bij de 3e zondag per annum van deze reeks.
Placatus, - a, -um, bedaard, vreedzaam, rustig, verzoend en vandaar: goedgunstig, genadig
Assumere, - sumpsi,  - sumptum 3, tot zich nemen, opnemen, aannemen, aanvaarden. Dit verbum komt als imperatief en als participium præsens voor in de Super munera en telkens gekoppeld aan placatus, propitiatus of benignus, waarmee de verzoenende effecten van de liturgische handelingen worden geïllustreerd.
Efficere, effeci, effectum 3 met de betekenissen voortbrengen, veroorzaken, bewerken, maken, tot stand brengen. Afleidingen in het Nederlands: effect, effectief en ook efficiënt (ontleend aan efficientis, genitief van het participium præsens efficiēns).
Sacramentum, sacrament, verwijst in de Gebeden over de gaven gewoonlijk primair naar de liturgische viering van de H. Eucharistie en meer speciaal naar de uitwerking van de sacrale riten, waarin en waardoor God zijn heilswerk tot stand brengt.

C o m m e n t a a r
Het altaar neemt een centrale plaats in Katholieke kerken maar ook bij andere godsdiensten. Voor ons is het altaar de plaats van de H. Mis, de Maaltijd van de Heer. Ten tijde van de Romeinen werd het altaar gebruikt voor brandoffers, In de christelijke traditie is het altaar de tafel waarop met brood en wijn de Eucharistie wordt gevierd en zo Christus zelf tegenwoordig wordt gesteld.

In het Oude Testament waren altaren niet alleen offerplaatsen maar ook plaatsen ven gebed. Ze hadden een bemiddelende functie tussen God en mens. Bij de aartsvaders Abraham, Isaak en Jacob spelen altaren een grote rol. Ze markeerden de plaatsen die in hun zwervend leven belangrijk waren, waar ze politiek en sociaal beslissende gebeurtenissen hadden meegemaakt en waar ze de God van Israël ontmoet en aangeroepen hadden. Als het volk in het beloofde land woont, in de tijd van de koningen, bouwt Salomo in Jeruzalem de tempel, plaats voor de ark, en ook plaats voor de offercultus. Bij de inwijding van de tempel wordt de ark erin geplaatst; daarna spreekt Salomo een gebed uit en zegent het volk. Ook volgens latere bronnen kende de tempel dus twee altaren, een bronzen brandofferaltaar en een gouden wierookaltaar. Het is opvallend dat tempelopbouw zich voltrekt in steeds uitbreidende cirkels, te beginnen bij het altaar. Dat wordt blijkbaar als de eerste prioriteit beschouwd. Erna wordt gewerkt aan de bouw van de tempel en de stad. Deze Tweede Tempel wordt enkele eeuwen later, kort voor de gewone jaartelling, door Herodes de Grote herbouwd en uitgebreid. Zeventig jaren na de geboorte van Jezus vernietigden de Romeinen het eerbiedwaardige gebouw en roofden de inventaris weg. De beide altaren verdwenen en er kwam daarmee een eind aan de eeuwenoude offerdienst in de tempel van Jeruzalem.

Het Nieuwe Testament heeft twee verschillende perspectieven op de altaren van de tempel in Jeruzalem. Enerzijds beschrijft het een situatie waarin de tempel nog volop in bedrijf was en waarin ook Jezus, zijn apostelen en zijn volgelingen, die tempel bezoeken en deelnemen aan de offercultus. Anderzijds kent het Nieuwe Testament ook de situatie van de verwoeste tempel. Voor de beginnende christelijke beweging beïnvloedde de vernietiging van het heiligdom de reflectie op de persoon van Jezus als de nieuwe tempel, zijn dood als het nieuwe zoenoffer en de eucharistie als gedachtenis daarvan. In het Nieuwe Testament is sprake van de eucharistie, de ritus die Jezus instelde om zijn dood te gedenken waarbij Hij zijn eigen lichaam en bloed deelde met zijn gelovigen. Al in de instellingsverhalen van de synoptische evangeliën blijkt de verbinding die gelegd wordt tussen de eucharistie en het kruisoffer van Christus: de betekenis die Jezus hecht aan brood en wijn tijdens het Laatste Avondmaal verwijst naar zijn kruisdood de volgende dag. De synoptische evangeliën spreken niet over een tafel; ze noemen alleen het feit dat Jezus met zijn leerlingen aanlag aan deze maaltijd waarbij Hij de eucharistie instelde (Mat. 26,20; Marc. 14,18; Luc. 22,14). Het liggend op rustbanken eten was een van oorsprong Romeins gebruik, waarbij de banken straalsgewijs aansloten aan een halfronde tafel. In verband met de eucharistische maaltijd, ingesteld om die dood te gedenken, wordt het woord ‘altaar’ in het Nieuwe Testament echter nergens gebruikt. Paulus schrijft over ‘de tafel des Heren’. Hij zet daar het deelhebben aan de eucharistie scherp tegenover het deelhebben aan offermaaltijden van afgoden. ‘Ge kunt niet deelhebben aan de tafel des Heren en aan de tafel der demonen’ (1 Kor. 10,21). Hier zien we al wel een inhoudelijke parallel tussen de heidense altaren en de tafel van de eucharistie. In beide gevallen heeft wie ervan eet gemeenschap met degene aan wie geofferd is, zegt Paulus. Zo was het in de tempelcultus van Israël (1 Kor. 10,18), zo is het bij de offers aan de afgoden, die volgens Paulus eigenlijk offers aan demonen zijn, en zo is het ook met het offer van Christus: wie ervan eet staat in gemeenschap met het lichaam van Christus (1 Kor. 10,16). Neemt en eet hiervan, gij allen, want dit is mijn Lichaam dat voor u gegeven wordt. dit is de beker van het nieuwe, altijddurende Verbond. dit is Mijn Bloed dat voor u en alle mensen wordt vergoten tot vergeving van de zonden. Blijft dit doen om Mij te gedenken. Dat bevestigenn wij iedere keer wanneer wij bidden: “Als wij dan eten van dit brood en drinken uit deze beker, verkondigen wij de dood des Heren totdat Hij komt”. Zo drukken wij met deze bevestiging in iedere H. Mis een verlangen naar voltooiing uit, terwijl wij weten dat wij nu nog leven in de wereld van het onvoltooide “totdat Hij komt”. Wij wensen alle lezers veel devotie bij iedere viering van H. Mis die zij mogen beleven.

Collectegebed Vierde zondag “per annum” (door het jaar) “U eren met heel ons hart en alle mensen oprecht beminnen”

“U eren met heel ons hart en alle mensen oprecht beminnen”

I n l e i d i n g

De oratie heeft duidelijk betrekking op het voornaamste gebod van de liefde tot God en de naaste. Het gebed spreekt weliswaar met betrekking tot God over “vereren” (“veneremur”). Maar deze verering is uiteraard de liefde en niet de vrees.
De “naaste” is in nieuwtestamentische zin iedere mens. De liefde wordt in de oratie nader bepaald als “affectus rationabilis”. De Nederlandse versie kiest voor een vertaling die wel niemand hoeft te storen: “alle mensen oprecht beminnen” m.a.w. de mensen beminnen zoals Gij hen bemint. Deze kwalificatie van oprechte naastenliefde is uitstekend bijbels gefundeerd. “Vrienden, als God ons zozeer liefgehad, moeten ook wij elkander liefhebben”.
Een tweede ijkpunt is het beminnen van de naaste zoals wij onszelf beminnen naar het woord van Christus in Mt 22,39 “Gij zult uw naaste beminnen als uzelf”.
De Latijnse tekst spreekt echter slechts van een “logische, verstandige gemoedsbeweging” met op de achtergrond de gedachte hoe ver verwijderd de onderlinge liefde van de mensen en vooral hoe ver verwijderd deze van de Wil Gods kan zijn, die toch de Liefde zelf en de Bron van alle liefde is. Hetgeen de oratie als redelijke/logische gemoedsbeweging beschrijft, zou men treffend met “ware liefde” kunnen vertalen.

T e k s t

Missale Romanum 1970
Concede nobis, Domine Deus noster,
ut te tota mente veneremur,
et omnes homines rationabili diligamus affectu.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie 1979
Heer onze God,
geef dat wij U eren met heel ons hart
en alle mensen oprecht beminnen.
Werkvertaling
Geef ons, Heer onze God,
dat wij U eerbiedig smeken met heel ons hart
en alle mensen met een verstandige genegenheid beminnen.

L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n

De collecta van deze zondag gaat terug tot het Sacramentarium Leonianum (Kapittelbibliotheek Verona, 2e helft 6e eeuw) en heeft sinds de liturgiehervorming van Vaticanum II een plaats gekregen in het Romeinse Missaal van Paulus VI. In het præconciliaire Missaal kwam deze oratie als collecta niet voor.

S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l f i g u r e n

1.Concede nobis, Domine Deus noster,
2.ut te tota mente veneremur,
3.et omnes homines rationabili diligamus affectu.   

Ad 1
Anaklese in de vocativusvorm: Domine Deus noster; het verbum concede, geef, verleen, in de imperativusvorm – de van God gevraagde activiteit - waaraan gekoppeld de bijwoordelijke bepaling nobis, aan ons : dativus commodis (van voordeel). Het noster in het adres ondersteunt het nobis bij concede. (Verleen ons... want Gij zijt de Heer onze God)
Een klein onbelangrijk detail bij de anaklese: de vocativusvorm Domine Deus noster wordt slechts in twee collectegebeden in de Tijd door het jaar gebruikt: deze week en in de 33e.
Ad 2
Eerste gedeelte van de relatieve finale/doelaanwijzende of consecutieve/gevolghebbende bijzin, klassiek ingeleid door het voegwoord ut dat het verbum in de coniunctivus plaatst en waarin het eerste aspect van het gevraagde dubbele object wordt uitgedrukt: ut…veneremur : op-/zodat wij U met heel ons hart vereren (aanbidden); veneremur: 1e persoon meervoud coniunctivus præsentis passivi van het deponens venerari   (passief verbum met actieve betekenis) met te als object en tota mente, met heel ons hart, met heel ons gemoed, met heel ons wezen - als bijwoordelijke bepaling in de ablativus (instrumentalis of modi – middel of manier).
Ad 3
Tweede gedeelte van de onder 2 genoemde relatieve bijzin, aan elkaar gekoppeld door de coniunctie et waarin het tweede aspect van het gevraagde object wordt uitgedrukt, eveneens in de coniunctivus
vanwege het wenskarakter van de bede: et omnes homines rationabili diligamus affectu: 
en [op-/zodat wij] alle mensen met een redelijke/logische gemoedsbeweging beminnen. Diligamus, 1e persoon meervoud præsentis van het verbum diligere, -lexi, lectum: beminnen. Omnes homines is object van het verbum diligamus; rationabili affectu : bijwoordelijke bepaling, samengesteld uit een adiectivum en een substantivum, in de ablativus (instrumentalis of modi).
De woordengroep rationabili diligamus affectu is een hyperbaton: rationabili en affectu horen grammaticaal gezien bij elkaar, maar staan uit elkaar geplaatst gescheiden door het verbum diligamus.

Rationabili, van rationabilis, e, redelijk, verstandig, rationeel. Affectu van affectus, -us, gemoed, gevoel, gemoeds-, zielsgesteltenis, ijver begeerte (vgl. “onze” begrippen: affectief, affectie enz.)  
Rationabiliaffectu lijkt een tegenstelling te zijn, zie het commentaar verderop.

B i j b e l s e   c o n t e x t (selectie)

Liefde tot God O.T.

Ex 20,2-6;23; Deut 5,6-15; Deut 6,4-5.13-14; Deut 30,6.16-17; Ps 18,2

Liefde tot de naaste O.T.

Ex 20,12-17; Lev 19,9-18; Deut 5,16;19-21; Deut 15,11; Deut 24,10-22

Liefde tot God en de naaste in het N.T.

Mt 22,36-39 en parallelplaatsen (Mc 12,29-30; Lc 10,25-28)
Meester, wat is het grootste gebod in de Wet? Jezus zei hem: “Ge zult de Heer uw God beminnen met heel uw hart, met heel uw ziel en heel uw verstand”. Dit is het grootste en eerste gebod. En het tweede daaraan gelijk: “Ge zult uw naaste beminnen als uzelf. Aan deze twee geboden hangt heel de Wet en de Profeten”.

Jo 13, 34
Een nieuw gebod geef Ik u: Bemint elkander; zoals Ik u heb liefgehad, moet gij ook elkander beminnen.

Jo 15, 9
Zoals de Vader Mij heeft bemind, zo ook heb Ik u bemind; blijft in mijn liefde.

Ef 5,1-2
Weest dus navolgers van God, als zijn geliefde kinderen; en leeft in liefde, zoals ook Christus u heeft liefgehad en zich zoor ons heeft gegeven als gave en offer, tot een liefelijke geur voor God.

1 Jo 4,7
Geliefden, laat ons elkander beminnen. Want de liefde is uit God, en wie liefheeft, is uit God geboren en kent God.

1 Jo 4, 21
Want dit gebod hebben we van Hem ontvangen: wie God bemint, moet ook zijn broeder beminnen.

G e t u i g e n i s s e n  v a n  d e  V a d e r s

Augustinus, ex Tractatibus in Ioannem 17,7-9: CCL 36,174-175
De Heer zelf komt, de Leraar der liefde, zelf vol liefde, die zijn spreken op aarde kort samenvat, zoals over Hem voorzegd is, en aantoont dat de wet en de profeten bestaan in de twee geboden van de liefde. Ga nu met mij eens na, broeders, wat die twee geboden betekenen. Zij moeten ons zeer bekend zijn en niet maar toevallig in de gedachten komen, wanneer er bij voorbeeld door ons over gesproken wordt; ze mogen nooit uit ons hart verdwijnen. Beslist altijd moet ge bedenken dat we God en de evenmens moeten liefhebben: God uit geheel uw hart, uit geheel uw ziel en met geheel uw verstand; en uw naaste als uzelf ......Iemand die u deze liefde in de twee geboden zou voorschrijven, moet niet eerst de liefde tot de naaste en daarna de liefde tot God aanbevelen, maar eerst de liefde tot God en daarna die tot de naaste. Door uw naaste te beminnen en zorg voor hem te dragen, zijt ge op weg. En waarheen anders dan naar de Heer, uw God, naar Hem, die we moeten beminnen met heel ons hart, met heel onze ziel, met heel ons verstand. Want tot God zijn we nog niet gekomen, maar we hebben wel de naaste bij ons. Daarom: Draag hem, met wie ge wandelt, om tot Hem te komen, bij Wie ge verlangt te blijven.

Augustinus, ex Tractatibus in Ioannem: Tract. 84,1:  CCL 36,536
De volheid van de liefde, waarmee wij elkaar moeten beminnen, zeer geliefde broeders, heeft de Heer omschreven met de woorden: Geen groter liefde kan iemand hebben dan deze, dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden. Daaruit volgt ook logisch, wat dezelfde evangelist Johannes zegt in zijn Brief: Zoals Christus zijn leven voor ons heeft gegeven, zo moeten ook wij ons leven geven voor onze broeders; derhalve: elkander beminnen, zoals Hij ons heeft liefgehad en zijn leven voor ons heeft gegeven.

Augustinus, ex Tractatibus in Ioannem: Tract. 65,1-3: CCL 36,490-492
De Heer Jezus getuigt, dat Hij zijn leerlingen een nieuw gebod geeft, opdat zij elkander beminnen: Een nieuw gebod, zegt Hij, geef Ik u, dat gij elkander bemint. Was dat gebod er dan al niet in de Oude Wet van God, waar geschreven staat: Ge zult uw naaste liefhebben als uzelf? Waarom wordt het door de Heer dan een nieuw gebod genoemd, dat blijkbaar al zo oud was? Of is het daarom een nieuw gebod, omdat het ons bekleed heeft met de nieuwe mens, nu de oude is afgelegd? Het vernieuwt ongetwijfeld de toehoorder, of liever degene die gehoorzaamt, en dat doet niet iedere liefde, maar die, welke de Heer onderscheidt van de vleselijke liefde, wanneer Hij eraan toevoegt: zoals Ik u heb liefgehad.
Die liefde vernieuwt ons, opdat wij nieuwe mensen zijn, erfgenamen van een nieuw testament, zangers van een nieuw lied.

Leo Magnus, Sermo 10  de Quadragesima, 3-4: PL 299-301
In het Evangelie van Johannes zegt de Heer: Hieraan zullen allen herkennen, dat gij mijn leerlingen zijt, dat gij liefde hebt tot elkander. En in de Brief van dezelfde Apostel leest men: Geliefden, laten wij elkander liefhebben, want de liefde is uit God; en eenieder die liefheeft, is uit God geboren en kent God; wie niét liefheeft, kent God niet, want God is liefde. Laten daarom de gelovigen in zichzelf keren en de innerlijke gevoelens van hun hart aan een waarachtig onderzoek onderwerpen; en als zij er zich bewust van zijn, dat er in hun hart iets te vinden is van de vruchten der liefde, behoeven zij er niet aan te twijfelen, dat God in hen woont, en om steeds meer bevattelijk te worden voor zo’n grote Gast, moeten ze steeds meer werken doen van volgehouden barmhartigheid. Want als God liefde is, mag de liefde geen grens kennen, omdat de Godheid niet door grenzen kan worden beperkt.

Maximus Confessor, Centuria 1, cap. 1,4-5 sqq.: PG 90, 962-963
Wie Mij bemint, zegt de Heer, zal mijn geboden onderhouden. Maar dit is mijn gebod, zegt Hij, dat gij elkander bemint. Wie derhalve zijn naaste niet bemint, onderhoudt zijn gebod niet. En wie zijn gebod niet onderhoudt, kan ook God niet beminnen. Zalig de man, die zonder onderscheid iedere mens kan beminnen.

C o m m e n t a a r
Terwijl in het collectegebed van deze zondag de dubbele liefde wordt afgebeden, bevestigt het collectegebed van de 25e zondag per annum dat God het gebod van de tweevoudige liefde heeft vastgelegd in zijn Wet : Deus, qui sacræ legis omnia constituta in tua et proximi dilectione posuísti ... (God, die alle bepalingen van de heilige wet hebt vervat in de liefde tot U en de naaste...) zoals Christus verklaart in Mt 22,40: “Aan deze twee geboden hangt heel de Wet en de Profeten”.  Dit Schriftwoord wordt door Sint Paulus onderstreept in Rom 9,13: “Plenitudo ergo legis est dilectio” : de liefde is de vervulling van de Wet.
Ook voor het collectegebed van de vierde zondag per annum geldt dat alle genaden die God de mens in principe heeft geschonken, telkens opnieuw binnen de relatie God-mens, Vader-kind, moeten worden afgebeden.
We vragen God ons toe te staan, ons als een grote gave en een toegekend voorrecht  te vergunnnen Hem  te "aanbidden" met heel ons verstand, onze geest, ons gemoed, ons hart. Dit aanbidden heeft, volgens de Lewis & Short Latin Dictionary, een diepe religieuze connotatie en betekent: "eren met religieus ontzag, verheerlijken, aanbidden, eerbiedigen, vereren... eer betonen." Denk aan het gebruik ervan in het bekende Tantum Ergo, waarin onze gebedshouding wordt beschreven als cernui, "met het hoofd gebogen tot op de grond." Om God te “aanbidden” zoals het hoort zal het voor ons noodzakelijk zijn Hem te leren kennen, want wij moeten dit immers doen met geheel ons verstand.
Er is een nauwe relatie tussen kennen en beminnen. 

In dit collectegebed horen we duidelijk een echo van het tweevoudig gebod van Jezus, die het dikwijls herhaalde gebod in Deuteronomium onderwijst en uitbreidt (vergelijk in het bijzonder 6,5, het Shema – “Hoor, o Israël. . .”) God te beminnen en de naaste (vergelijk Mt 22,36-38; Mc 12,2-31; Lc 10,26-28 – dat “omni mente” heeft in plaats van “tota”).

In de drie synoptische Evangelies waar sprake is van een versie van het tweevoudig gebod hebben wij het Griekse woord dianoia voor "geest/verstand". Hieronymus gebruikte in de Vulgaat het Latijnse mens om het Griekse dianoia te vertalen. Dianoia wordt gebruikt in de oude Griekse vertaling van het Oude Testament de zogenaamde Septuagint (meestal afgekort als LXX). Maar kijkend naar de passage uit Deuteronomium, vinden we in Engelse vertalingen "heart" (hart). Dianoia is een vertaling van het Hebreeuwse lebab: hart... en daarnaast van nog veel meer. Bovendien, in de Latijnse Vulgaat vinden we in Deuteronomium voor dianoia het woord cor - "hart".

Zoals het Engelse "heart" (hart), kan ook het Hebreeuws “lebab” heel veel dingen betekenen, waaronder "innerlijke mens, geest, wil, hart, ziel, inzicht, gedachten, kennis, denken, reflectie, geheugen, genegenheid, neiging, volhardendheid, wilskracht, geweten." Heart" (hart) kan de zetel van moreel karakter of moed betekenen. De Bijbelse antropologie en de relatie tussen "geest, hart, ziel" is een ingewikkelde aangelegenheid, en het zou te ver voeren hier diep op in te gaan. Door te kijken naar die “mens” (geest) van ons gebed proberen we een wegwijzer te vinden om voetangels en klemmen te voorkomen  in onze tijd met het begrip "liefde" vaak gepaard gaan. "Geest " en "hart" zijn nauw verwante vermogens bij de mens die niet van elkaar gescheiden kunnen worden.

Onze Verlosser heeft ons opgedragen om lief te hebben. Onze Moeder de H. Kerk brengt dit in herinnering in het collectegebed van deze week. Maar "liefde" heeft tegenwoordig zoveel betekenissen. Sommige lezers kennen wellicht C.S. Lewis’ boek “The Four Loves” (De vier vormen van liefde). Doorgaans verwijst vandaag de dag de kwalificatie “liefde” niet op de eerste plaats naar het type liefde die wij vatten onder de christelijke "caritas", die opofferende liefde die altijd eerst het belang van de ander zoekt en die lijkt op de opofferende liefde van Christus, de theologale deugd die ons in staat stelt lief te hebben als beeld van God. We kunnen spreken over de verschillende wijzen (vormen) van liefde, zoals welwillendheid, of in schikkelijkheid ten opzichte van vijanden, of wellust.

In het collectegebed van deze zondag worden we echter opgewekt tot een bijzonder en specifieke vorm van liefde, te weten de ware caritas: de bezielde deugd die het voor ons mogelijk maakt om God lief te hebben omwille van Hemzelf en al degenen te beminnen die geschapen zijn naar Zijn beeld. De liefde die maakte dat God Zijn Zoon gaf aan ons om de Kruisdood te ondergaan ter vergeving van onze zonden. Dat is de liefde die vanzelfsprekend vraagt om wederliefde, die gericht is op de ander en het eigen ik. De echte liefde, het soort dat afgesmeekt wordt in het gebed van deze zondag, is een daad van de wil. Deze liefde verheugt zich in de ander en verlangt naar het welzijn van de ander. Het is de liefde waar de apostel Paulus zo beeldend schrijft in 1 Korintiërs 13: “Al spreek ik de taal van mensen en engelen – als ik de liefde niet heb, ben ik een galmend bekken of een schelle cimbaal. Al heb ik de gave van de profetie, al ken ik alle geheimen en alle wetenschap, al heb ik het volmaakte geloof dat bergen zou kunnen verzetten – als ik de liefde niet heb, ben ik niets. Al deel ik al mijn bezit uit, al geef ik mijzelf prijs om mij daarop te kunnen beroemen* – als ik de liefde niet heb, helpt het mij niets. De liefde is geduldig en vriendelijk; de liefde is niet afgunstig, zij praalt niet, zij verbeeldt zich niets. Zij gedraagt zich niet onfatsoenlijk, zij zoekt zichzelf niet, zij laat zich niet kwaad maken en rekent het kwade niet aan. Zij verheugt zich niet over onrecht, maar vindt vreugde in de waarheid. Alles verdraagt zij, alles gelooft zij, alles hoopt zij, alles verduurt zij. De liefde vergaat nooit. De gave van de profetie, ze zal verdwijnen; het spreken in talen, het zal verstommen; de kennis, ze zal ooit hebben afgedaan. Want ons kennen is stukwerk, en stukwerk ons profeteren. Maar wanneer het volmaakte komt, heeft het stukwerk afgedaan. Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, voelde ik als een kind, dacht ik als een kind; nu ik volwassen ben, heb ik het kinderlijke achter mij gelaten. Nu kijken wij nog in een spiegel, we zien raadselachtige dingen, maar straks zien we van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik nog slechts ten dele, maar dan zal ik ten volle kennen zoals ik zelf gekend ben.  Deze drie dingen blijven altijd bestaan: geloof, hoop en liefde; maar de liefde is het voornaamste”.

En de liefde waarop Sint Paulus doelt van God tot de mens, de mens tot God en mensen tot elkaar, is iets volstrekt anders dan de niet zelden tijdelijke gehechtheid aan een auto, een huisdier, een smartphone, voetbal, chocolade of patat en … wie dat heeft ervaren die weet dat, ook als dit niet op deze plaats zou zijn toegelicht.


“Geef dat wij U eren met heel ons hart en alle mensen oprecht beminnen”. Amen!