Posts tonen met het label Psalmen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Psalmen. Alle posts tonen

vrijdag 10 december 2021

God geeft ons de kracht om verder te gaan. Dankbaarheid en vreugde in de liturgie

 


Dankbaarheid en blijdschap zijn in de psalmen met elkaar verweven. De biddende mens uit het oude Israël kon niet anders dan terugblikken op Gods goedheid zoals het Godsvolk deze in zijn geschiedenis mocht ondervinden. Het bezingen van Gods weldaden voor zijn volk in die voorbije tijden, deed in hem de zekerheid groeien dat God ook nù, op dezelfde manier zijn geliefden beschermend tegemoet zou komen. Daarom lezen we zo dikwijls dat Gods goedheid moet “geprezen”, hoog geroemd, “gezegend” worden. Deze dankbare “belijdenis” van Gods koninklijke goedheid en vrijgevigheid moest er de Heer als het ware aan herinneren ook nù nog even voorkomend te zijn als voorheen, “getrouw te zijn aan zijn belofte….” Het gaat om een uitgesproken en volgehouden dank- en lofzang, om een zegening van de Heer veeleer dan om een zegening door de Heer. 

“Lætentur cæli et exsultet terra ante faciem Domini, quoniam venit”, laten de hemelen zich verblijden en de aarde jubelen voor het aanschijn van de Heer, want God heeft Zijn volk bezocht ( cf Ps 95, 11).

Ook in de christelijke liturgie borrelt de vreugde op uit het bewustzijn dat het Godsvolk in zijn geheel en elk van ons, als kind van dat Godsvolk, door Gods zorgende genegenheid wordt omringd. In die zin wordt, in de liturgische viering, psalm 135 (136) gezongen: het is één lange litanie waarin Gods vreugde brengende weldaden worden opgesomd, en als een keervers wordt het telkens herhaald: “en zijn barmhartigheid duurt altijd voort!” Op de eerste plaats werd hier teruggedacht aan de uittocht uit Egypte, want dat was de geboortedatum van Gods volk als volk. Toen had God zijn geliefden geruggesteund en zijn volk geleid “door zijn sterke arm en zijn machtige hand…”Maar we vinden in de liturgie wellicht nergens een welsprekender voorval van dit vreugdevol bidden dan in Maria’s Magnificat. Zij prijst de Heer “omdat hij grote dingen tot stand heeft gebracht” (Lc 1, 49). Moge Zij voor ons verkrijgen dat we de vreugde van het Evangelie mogen beleven in de liturgie van de Kerk, binnen de communiteit, onze families, in elk milieu. Een innige vreugde, ontstaan uit verwondering en rust, een geschenk van God waarvoor we dankbaar mogen zijn.

Daarom ziet de liturgie het leven van de christen groeien in het helder licht van de vreugde. Dit leven spaart ons wel het lijden, de beproevingen, de moeilijkheden binnen en buiten onszelf, zelfs rampen en vernieling niet, maar de liturgie herinnert er ons altijd opnieuw aan dat er ergens een lichtend samenzijn met de Heer zal zijn. Al wat wij meemaken wordt door de liturgie beschreven als een opgang naar een bestaan in een hogere blijdschap. En daarom ziet de liturgie ook de dood van de christen niet als een dof en afsluitend eindpunt na een treurig bestaan. De dood is een “pascha”, een doortocht naar de ontmoeting met de verrezen Heer, die ons liefhebbend opwacht om ons binnen te leiden in zijn licht, in zijn rust en zijn blijdschap.

De blijdschap die oplicht uit de liturgie kan misschien best omschreven worden met een woord van Nehemias: “in Gods vreugde ligt onze levenskracht”! (8, 11) Het betekent eerst en vooral dat de Heer zélf vreugde ondervindt voor de heropbouw van zijn huis. En de overtuiging dat de Heer gelukkig is om ons, schenkt ons nieuwe levenskracht. Denken we aan die opmerkelijke zin van de H. Irenæus die vaak wordt geciteerd: “Het leven van de mens is de glorie van God, het leven van de mens is God te zien;” ook te vertalen als: “De glorie van God is de levende mens; het leven van de mens is God te schouwen” (Tegen de Ketters, boek 4, 20:7).

Maar ook het feit zelf dat wij “Gods medearbeiders” mogen zijn, dat Hij beroep wil doen op schamele mensen die wij zijn, om dat heerlijk werk “tot roem van zijn Naam”, tot een goed einde te brengen, is al een blijdschap. Ze wordt levenskracht in ons om telkens opnieuw op te staan en aan het werk te gaan. Deze boodschap van vreugde verkondigt ons de liturgie: de Heer heeft ons bemind en, in de kracht van deze liefde, zijn wij bekwaam geworden Hem op waardige wijze te dienen. Hij heeft ons uitverkoren en Hij rekent op ons. Wij zijn “zijn” volk. Zijn vreugde ligt hierin dat Hij àl zijn vriendschap over ons mag laten uitvloeien. Het is vreugde zich bewust te worden van die zorgende genegenheid. 

Wat is de liturgische viering anders dan het gemeenschappelijk belijden en bezingen van deze vrijgevigheid van God? 

Aan onze kanonikale Orde is de opdracht gegeven de Liturgie van de Uren te bidden en te zingen. Het is een deelnemen aan de lofzang die eeuwig weerklinkt in de hemel, die in en met onze Hogepriester Jezus Christus door de Kerk in de loop der eeuwen steeds is voortgezet met trouw en volharding. Vele priesters en religieuzen werd het brevier een trouw en dierbaar bezit, denk bijvoorbeeld aan het gedicht van Guido Gezelle ‘Den ouden Brevier’ (1894). Moge het brevier ook ons steeds meer een onuitputtelijke bron worden van geestelijke vreugde, troost en sterkte in het besef verbonden te zijn met het onzichtbare, maar werkelijke koor van de H. Kerk, die dagelijks bij monde van duizenden haar ‘Goddelijk Officie’ vervult.

Het is geen wonder dat geheel het liturgisch jaar vreugde ademt. Herhaaldelijk klinkt in de liturgie de uitnodiging om zich te verblijden, om zich te verheugen. De christelijke boodschap wordt immers “evangelie” genoemd, “blijde boodschap”, aankondiging van vreugde voor heel het volk. De Kerk is geen toevluchtsoord voor trieste mensen, de Kerk is het huis van de vreugde! Zij die bedroefd zijn vinden in haar de vreugde, vinden in haar de ware vreugde!

De opeenvolgende fasen van Gods Verlossing worden elk jaar opnieuw “herdacht” en “actueel” gemaakt. Advent en Kerstmis, Epifanie tot en met Maria Lichtmis zijn één seizoen van blijdschap. En zelfs in het donkerste uur van de Goede Week nodigt de liturgie ons - zoals we weten -  uit, het uit te jubelen van blijdschap “omdat door het Kruis de vreugde in de wereld is gekomen”. Daarom ook blijft het “alleluia” als een regenboog van vreugde gespannen over heel de liturgische tijd van Pasen tot en met Pinksteren, en voor onze Orde van het Heilig en Verheerlijkte Graf klinkt het “alleluia” tot aan de Advent.. De blijdschap om de verrezen Heer en om onze verlossing in Hem. 

De vreugde van het Evangelie is echter niet gelijk welke vreugde. Ze vindt, zoals gezegd, haar reden in het zich aanvaard en bemind weten door God. 

Tegen Zijn leerlingen zei Jezus: “Deze dingen heb ik u gezegd, opdat Mijn vreugde in u moge zijn en uw vreugde volkomen mogen worden” (Jo 15, 11)  

God is Degene die ons voortdurend Zijn vreugde aanbiedt. Hij komt ons redden en biedt Zijn hulp aan de verdwaalden van hart aan. Zijn dagelijkse komst onder ons versterkt, maakt stevig, geeft moed, doet de woestijn en de steppe – dat wil zeggen ons verdorde leven - juichen en bloeien. En wanneer wordt ons leven onvruchtbaar? Wanneer het zonder het Woord van God en zonder zijn Geest van liefde valt. Hoe groot onze grenzen en onze verwarringen ook zijn, het is ons niet toegestaan lamlendig en wankel te zijn tegenover de moeilijkheden en tegenover onze eigen zwakheden. Integendeel, we worden uitgenodigd moed te hebben en niet te vrezen, want onze God toont ons steeds de grootheid van zijn barmhartigheid. Hij geeft ons de kracht om verder te gaan. Dank zij zijn hulp kunnen we telkens opnieuw beginnen. Waarom? Omdat Hij ons verwacht, omdat Hij dicht bij ons is, van ons houdt, barmhartig is, ons vergiffenis schenkt én de kracht opnieuw te beginnen! Aan allen! We zijn dus in staat de ogen opnieuw te openen, droefheid en tranen te overwinnen en een nieuw lied aan te heffen. En deze vreugde overleeft ook de beproevingen en het lijden want het is geen oppervlakkige vreugde, ze raakt de diepte van wie zich aan God toevertrouwt en op Hem vertrouwt.

De christelijke vreugde, zoals de hoop, heeft haar grondslag in de trouw van God, in de zekerheid dat Hij altijd zijn beloften getrouw is. Zij die Jezus op hun weg hebben ontmoet, ervaren in hun hart een rust en een vreugde waarvan niets en niemand hen kan beroven. Onze vreugde is Jezus Christus, zijn trouwe onuitputtelijke liefde! Daarom, wanneer een christen triest wordt, betekent het dat hij zich van Jezus verwijdert. Maar dan mag je hem niet alleen laten! We moeten voor hem bidden, en hem de genegenheid van de gemeenschap laten ervaren, hem uitnodigen naar het stralende licht te komen. 

En een van de beste manieren is zelf eenvoudig en op een nuchtere wijze de vreugde van het Evangelie te beleven. Het is een teken dat God in ons leeft.

maandag 6 december 2021

H. Ambrosius, bisschop, over de psalmen "Ik zal Gods lof zingen met mijn geest maar ook met mijn verstand"

Uit het Getijdengebed

De H. Ambrosius, bisschop, over de psalmen

Ik zal God lof zingen met mijn geest maar ook met mijn verstand

Wat is er schoner dan de psalm? Daarom zegt David zelf zo mooi: Looft de Heer, want goed is een psalm-gezang . Voor onze God moet er een lofspraak zijn, bevallig en schoon.  En inderdaad, een psalm is een zegenspreuk van het volk, een lof voor God, een lofzang van het volk, een toejuiching van allen, een preek voor alle schepselen, de stem van de Kerk, een welluidende geloofsbelijdenis, een waardige Godshulde, een vreugde van vrijheid, een uitroep van beminnelijkheid, een weerklank van blijheid. Hij matigt de toorn, verdrijft alle zorg en verlicht de droefheid. Hij is een nachtelijk wapen, een onderricht voor op overdag, een schild in vrees, een feest in heiligheid, een beeld van rust, een onderpand voor vrede en eendracht, als een citer uit meerdere en verschillende stemmen één lied ten gehore brengend. Het begin van de dag doet een psalm horen en de avond is er de weerklank van.

In de psalmen strijden leer en bevalligheid met elkaar; er wordt gezongen voor het genoegen, maar een leer voorgehouden tot onderrichting. Wat al ontmoet men niet, als men de psalmen leest? In lees erin: Lied voor de Beminde, en ik word ontvlamd door het verlangen van de heilige liefde; hierin vind ik de genade van openbaringen, overdenk ik getuigenissen van de verrijzenis, de geschenken van de belofte; hier leer ik de zonde mijden, leer ik af mij te schamen over de boete voor mijn zonden.

Wat is dus de psalm anders dan een muziek-instrument voor deugden, dat de eerbiedwaardige profeet bespeelt met de citer-pen van de Heilige Geest, en zo op aarde de heerlijkheid doet weerklinken van de hemelse muziek?
Zodra hij immers met zijn citer en snaren, dat is met dode resten, de intervallen der verschillende klanken harmonieus tegen elkaar liet klinken, richtte hij een gezang van goddelijke lofprijzing op naar de hemel; en zo leerde hij ons, dat wij eerst aan de zonde moeten sterven, en tenslotte in dit leven de verschillende werken van de te onderscheiden deugden moeten doen uitkomen, waardoor de schoonheid van onze godsdienst tot de Heer zou kunnen opstijgen.

David leerde ons dus, dat wij inwendig moeten zingen, inwendig op de psalter moeten spelen, zoals ook Paulus zong, zeggende: Ik zal dan bidden met mijn geest, maar ook met mijn verstand; ik zal Gods lof zingen met mijn geest en mijn verstand. Hij leerde ons leven en handelen te vormen met onze blik gericht op het hemelse, opdat het heerlijk genoegen niet de hartstochten in ons lichaam opwekt, door welke onze ziel niet verlost maar bezwaard wordt. De heilige profeet toch brengt ons in herinnering, dat hij zijn psalmen zong tot verlossing van zijn ziel, zeggend: Ik zal U, o mijn God, op de citer bezingen, Israëls Heilige, mijn lippen zullen bij mijn lofzangen jubelen met mijn ziel, die Gij hebt verlost.

(S. Ambrosii, Explanatio in Ps 1,912: CSEL 64, 7. 9-10)

maandag 1 februari 2016

Liturgia Horarum / Getijdengebed Lezing van de maandag 4e week per annum "Over de psalmen"


 "Over de Psalmen" van de H. Hilarius van Poitiers

Alle gelovigen waren één van hart en één van geest

Ziet, hoe goed en lieflijk het is, als broeders eendrachtig samen te leven. Ja, het is goed en lieflijk, als broeders eendrachtig samen te leven, want als zij eensgezind samen zijn, komen zij samen in de kring van de Kerk; als zij broeders worden genoemd, zijn zij verenigd in de liefde van eenzelfde wil.

Wij lezen immers, dat bij de eerste prediking van de Apostelen dit het grote gebod was, want er staat: Want alle gelovigen waren één van hart en één van ziel. Dit toch paste aan het Volk Gods: broeders te zijn onder één Vader, onder één Geest één te zijn, eendrachtig in één huis te wonen, onder het beeld van één lichaam leden te zijn van dat éne Lichaam.

Het is lieflijk en goed als broeders eendrachtig samen te leven,. Een vergelijking toch van dit goede een aangename geeft ons de Profeet, als hij zegt: Het is als kostbare balsem op het hoofd, die afdruipt op de baard van Aäron, die afdruipt op de rand van zijn kleed. De balsem van Aäron was samengesteld uit odeuren, waarmee hij gezalfd werd tot priester. Die wijding wilde God op de eerste plaats voor zijn priester; ook onze Heer werd onzichtbaar gezalfd boven zijn gelijken. Dit is geen aardse zalving, niet met een hoorn, zoals bij koningen, maar Hij werd met olie der vreugde gezalfd. Na die zalving werd Aäron dan ook volgens de Wet ʻgezalfdeʼ genoemd.

Zoals derhalve deze zalf de onreine geesten uit de harten verdrijft, waar deze ook wordt toegepast, zo ademen wij door de zalving van de liefde de eendracht, die God reeds aangenaam is, zoals de Apostel zegt: Wij zijn de goede geur van Christus. Zoals derhalve deze olie bij zijn eerste priester, Aäron, God aangenaam was, zo is het goed en aangenaam als broeders eensgezind samen te leven.

De zalving gaat van het hoofd naar de baard. De baard toch is het sieraad van de mannelijke leeftijd. Want wij moeten geen kleine kinderen zijn in Christus, behalve in dat opzicht, dat genoemd wordt, namelijk dat wij klein zijn in boosheid, niet van geest. De ongelovigen echter worden door de Apostel alleen kleine kinderen genoemd, omdat zij te zwak zijn voor stevig voedsel en nog melk nodig hebben, zoals hij zegt: Melk heb ik u gegeven, geen vaste spijs, die kondt gij nog niet verdragen; zelfs nu kunt ge het nog niet.

(Tract. in Ps 132: PLS 1, 244-245)

donderdag 12 februari 2015

Inleiding op de Psalmen 4 - Psalmen speelden vanaf begin van de Kerk grote rol als gebedenboek


Psalmen van Salomo
Een verzameling van 18 psalmen, gedicht in de eerste eeuw vóór Christus naar aanleiding van de verovering van Jeruzalem door de Romein Pompejus in het jaar 63 vóór Christus. De auteur wijt deze catastrofe aan de verdorven heersers die zich de troon van David hebben toegeëigend; zij hebben zich vergrepen aan het ambt van hogepriester en hierdoor Gods toorn over zichzelf en Jeruzalem afgeroepen. Het oordeel zal komen van degene “die komt van het einde der aarde en het kwaad met macht vernietigt”. In nummer 17 en 18 smeekt de dichter God om voor zijn volk een ware zoon van David te doen opstaan die de eigenschappen moet bezitten die de profeten al opgesomd hebben.
Deze psalmen zijn oorspronkelijk in het Hebreeuws geschreven maar we kennen ze alleen in een Griekse vertaling. Om ze gezag te verlenen zijn ze op naam gesteld van Salomo (een algemeen gebruikt middel). Noch in de Joodse noch in de christelijke traditie hebben ze een canonieke status verkregen.

Wraakpsalmen
Er zijn nogal wat psalmen waarin de vijand(en) vervloekt word(en) en waarin gebeden wordt om wraak. Vaak gaat het er heftig aan toe. Ik noem psalm 5; 21; 28; 31; 35; 40; 54; 55; 56; 59; 63; 69; 79; 89; 109; 110; 137; 139 en 140 waarin verzen voorkomen die ons niet zo liggen. Vaak worden hier oude en nieuwe testament tegen elkaar uitgespeeld: God van de toorn tegenover God van de liefde. Een dergelijk onderscheid is geheel verwerpelijk. In de boeken van het eerste testament zijn de uitspraken over Gods barmhartigheid en de liefde tot de naaste veelvuldig. Daarentegen komen ook in het tweede testament dergelijke vervloekingen voor: Matteüs 11,21; 23,13-32; 26,24; Lucas 6,24-26; 1 Tessalonicenzen 2,16; 2 Tessalonicenzen 1,5-9; Jakobus 5,2-6; Judas 11; Openbaring 6,10. Sommige vervloekingen worden in het NT overgenomen: Psalm 28,4 in 2 Timoteüs 4,14; psalm 69,23 in Romeinen 11,9; psalm 69,26 in Handelingen 1,20 en psalm 109,8 in Handelingen 1,20.

Maar hebben we allemaal niet  tot op de dag van vandaag reden tot verontwaardiging over het kwaad dat geschiedt; denk eens al die deportaties en vernietigingskampen; aan alle onschuldige mensen, vaak jongens en meisjes nog, die dag aan dag worden vermoord, verkracht, uitgebuit enz. het moeten maar je kinderen, je vader of moeder zijn! Roepen we dan niet de zwaarste straffen uit over zulke daders (ophangen!), en geven we geen uiting aan onze boosheid op God die dit allemaal maar schijnt toe te laten? De verontwaardiging en de roep om zware straffen spruiten ook voort uit liefde voor de slachtoffers van geweld en onrecht, ook bij de psalmist. Het verdringen van gevoelens van woede bij het zien van zoveel kwaad is verkeerd. De psalmzingers geven uiting aan deze boosheid omdat ze van God gerechtigheid verwachten, omdat ze straf willen voor de daders en eerherstel voor de slachtoffers. En die kwaadheid is geen machteloos gebaar maar een in de handen van God gelegde onmacht! Van Hem komt het oordeel.

In het Romeinse brevier, en dus ook in het Getijdenboek, worden vele van dat soort versregels weggelaten, mijns inziens uit verkeerde overwegingen.
Psalm 5 vers 11; 21 vers 9-13; 28 vers 4-5; 31 vers 18-19; 35 vers 4-8; 40 vers 15-16; 54 vers 7; 55 vers 16; 56 vers 7; 59 vers 6-9 en 12-16; 63 vers 10-12; 69 vers 23-29; 79 vers 6-7 en 12; 89 vers 31-38; psalm 109 in zijn geheel!!; 110 vers 6; 137 vers 7-9; 139 vers 19-22; 140 vers 10-12; 143 vers 12.

De psalmen als poëzie
In veel culturen wordt onderscheid gemaakt tussen het dagelijkse taalgebruik en de meer gestileerde hantering ervan in literatuur zoals proza en dichtkunst. Juist voor dat laatste gelden strenge regels zoals ritme, metrum, rijm, bijzondere woordkeus en grammatica, beeldspraak, metaforen, vergelijkingen, assonantie, woordspelingen, herhalingen, bijzondere woordvolgorde, chiasmen enz. Veel van deze kenmerken komen ook in de bijbelse poëzie voor, maar metrum en rijm maar zelden of nooit. Geheel eigen aan de bijbelse dichtkunst is de herhaalde overeenkomst in gedachtegang. Een idee wordt nog eens met andere woorden of in ontkennende zin herhaald. Niet de klanken rijmen maar in bepaald opzicht de gedachten en de ideeën.

Een vers bestaat meestal uit twee soms uit drie versdelen die met een moeilijk woord cola worden genoemd. Verzen of versdelen kunnen min of meer parallel lopen. In het synoniem parallellisme wordt hetzelfde twee- of driemaal gezegd zonder dat er van een gewone herhaling sprake is. De tweede keer kan er een nieuwe nuance of gezichtspunt in staan. In het antithetische parallellisme wordt er een tegenstelling neergezet, of hetzelfde eerst positief en dan negatief geformuleerd. In het synthetische parallellisme is het tweede deel de voortzetting van het eerste versdeel. Het tweede deel trekt een conclusie uit wat er in het eerste deel beweerd is, of diept de eerder geformuleerde gedachte uit naar een nieuw aspect.
Verzen bestaan dus uit versdelen (cola);
een aantal verzen vormen samen een strofe;
drie of vier strofen noemen we een gedicht, in ons geval een psalm;
wanneer een psalm heel lang is, vormen een aantal strofen een stanza, een aantal stanza’s maken samen het gedicht of de psalm.

De psalmen in de liturgie
We mogen het volk van Israël wel heel dankbaar zijn dat we het Psalmenboek van hen te leen gekregen hebben als gebedenboek. We kunnen ervan uitgaan dat er in de heiligdommen van Silo en Betel en zeker in de tempel van Jeruzalem bij de verschillende plechtigheden al gezangen en lofliederen gebeden werden, ofwel als individueel gebed ofwel als een collectief uitzeggen van noden in moeilijke tijden. De oudste psalmen dateren uit de tijd van David, de jongste uit de eerste eeuwen vóór Christus, grofweg dus een tijdspanne van 1000 duizend jaar. In die vele eeuwen zijn psalmen gebundeld, bewerkt, geredigeerd, en herschreven of aangevuld  in nieuwe omstandigheden. Priesters en levieten verbonden aan de tempel in Jeruzalem en andere heiligdommen plaatsten ze in een liturgische zetting, en zangersgroepen en koorleiders hebben, hoewel we er weinig van weten, gezorgd voor een muzikale uitvoering. Het lijkt niet teveel beweerd als we ervan uitgaan dat allerlei elementen qua zang en uitvoering nog voortleven in de huidige synagogale praktijken, maar ook al vanaf de eerste eeuwen hun sporen hebben nagelaten in de manier waarop psalmen werden gezongen en uitgevoerd in de Syrie-orthodoxe, Grieks-orthodoxe en Latijnse kerken van Noord-Afrika en Italië. Ook het Gregoriaans lijkt mede beïnvloed te zijn door de zangpraktijken in het oude Jodendom. In het monnikendom speelde het psalmenboek als gebedenboek vanaf den beginne een grote rol. Sint Benedictus schreef in zijn Regel voor, alle 150 psalmen 1x per week te reciteren of te zingen, iets wat tot op de huidige dag door kloosters die zijn regel volgen, nog steeds wordt gepraktiseerd. Dit overeenkomstig de versregels in psalm 119 vers 62 en vers 164: “Midden in de nacht sta ik op en loof u …” en “Ik zing u dagelijks zevenmaal lof”. In het Romeinse brevier, gevolgd door het Getijdenboek, gebeurt dat 1x per 4 weken.

In de Nederlandse taal zijn vele vertalingen en berijmingen gemaakt. Zie hierboven Vondel, Aldegonde (1580) en Clemens (1540). In de protestantse kerk van de 16de tot en met de 19de eeuw heeft ook de berijming van Datheen een grote rol gespeeld. Eerst Carmeliet en later Calvenistisch predikant gaf hij in 1566 zijn psalmberijming uit.  Hier vermeld ik nog de vertalingen en berijmingen van Ad. W. Bronkhorst, H.Beex, R.Huf, Gabriël Smit, Ida Gerhardt, Kees Waayman, H. Oosterhuis, en die van de bekende Nederlandse bijbelvertalingen. Ook vertalingen in streektalen zijn tegenwoordig in trek.
Goed te raadplegen als eenvoudig commentaar is in Belichting van het bijbelboek: Psalmen deel I-III, door Nico Tromp, KBS / VBS. Als technisch kommentaar (maar niet meer in de handel) is nog steeds goed en bruikbaar in de serie De boeken van het Oude Testament: Psalmen, I en II, door J.P.M. van der Ploeg.
Wie meer wil weten over de psalmen in de Nederlandse taal en geschiedenis zoals edities en zangwijzen, kan raadplegen: Psalmzingen in de Nederlanden van de zestiende eeuw tot heden, J. de Bruin en W. Heijting, Kok-Kampen, 1991. En: Het verhaal van de psalmen, Gert Jan Buitink en Sipke van der Land, boekmakerij Buitink,2000 (?), ISBN 90-800792-10-9.   

Dr.A. Jaakke pr.

Inleiding op de Psalmen 3 - God werd mijn schild en wapen


Boetepsalmen
In de traditie van de Kerk bestaat al heel lang deze reeks van klaagliederen waarin de bidder zijn of haar nood klaagt vanwege zonde, ziekte of vijandig gedrag van buitenstaanders, en God verzoekt om zijn toorn van de bidder af te wenden. Van oudsher zijn het de volgende zeven: Psalm 6, 32, 38, 51, 102, 130 en 143.
N.B.: Een mooie CD met de 7 boetepsalmen van de componist Andrea Gabrieli (1532-1586) is: Globe (GLO 5210), door het Nederlands Kamerkoor onder leiding van Paul van Nevel.

Aanhalingen in het Nieuwe/ Tweede Testament
De gehele TaNaCh, dat is de Hebreeuwse maar ook de Griekse bijbel, dat is de Septuaginta, is de bron geweest waaruit Jezus putte en zijn Messiaanse roeping ontleende, en waaruit ook later zijn leerlingen de argumentatie haalden voor hun theologische en pastotale opvattingen en uitspraken. We vinden in het Tweede Testament ongeveer 100 citaten en toespelingen uit de Psalmen, meer dan welk ander bijbelboek ook. En hier haal ik letterlijk Nico Tromp aan: “Natuurlijk wil dat niet zeggen dat de Psalmen zonder hun functie in het Nieuwe Testament niet af zouden zijn; ze hebben en houden hun eigen betekenis, ook als we ze toepassen op Jezus Christus en zijn kerk. De kerk blijft Israël veel dank verschuldigd voor deze unieke gebedenschat. Deze liederen zijn ook voor Jezus stem en lering van de Vader, en zijn volgelingen herkennen Hem in deze liederen.”
N.B. De citaten van psalmteksten in het Tweede Testament zijn lang niet altijd letterlijk. Meestal is de Septuaginta bron van aanhalingen maar vaak met aanpassingen voor eigen doeleinden; soms wordt uit het hoofd geciteerd, soms uit het Hebreeuwse Psalmenboek; soms ook mengvormen.

Teksttypen in de psalmen (genres).

Tekst-typen/ genre psalm
Hymne
1. hymne 29; 33; 100; 113; 114; 117; 135; 136; 147; 148; 149; 150
individuele hymne 8; 103; 104; 145; 146
2. God-is-koning hymne 24; 47; 93; 96; 97; 98; 99
3. Zionshymne 46; 48; 76; 84; 87; 122
Klacht & dank -- individueel
4. klaaglied 5; [6;] 7; 13; 17; 22; 25; 26; 28; 31; 35; 36; 38; 39; 42; 43; 51; 54; 55; 56; 57; 59; 61; 63; 64; 69; 70; 71; 86; 88; 102; 109; 120; 130; 140; 141; 142; 143
5. vertrouwenslied 3; 4; 11; 16; 23; 27; 62; 121; 131
6. danklied 9; 10; 30; 32; 34; 40; 41; 92; 116; 138
Klacht & dank -- collectief
7. klaaglied 12; 44; 58; 60; 74; 77; 79; 80; 82; 83; 85; 90; 94; 108; 123; 126; 137
8. vertrouwenslied 115; 125; 129
9. danklied 65; 66; 67; 68; 107; 118; 124
Koningspsalmen
10. koningspsalm 2; 18; 20; 21; 45; 72; 89; 101; 110; 132; 144
Didactische psalmen
11. wijsheidspsalm 1; 19; 37; 49; 73; 91; 111; 112; 119; 127; 128; 133; 139
12. historische psalm 78; 105; 106
13. profetische psalm 14; 50; 52; 53; 75; 81; 95
14. liturgie 15; 134

Belangrijk om te onthouden:
Er zijn 4 grote teksttypen, namelijk de hymnen of de lofzangen, de klaagpsalmen, de koningspsalmen en de didactische (= leer)psalmen. Onderdeel van de Hymnen zijn de God-is-koningpsalmen en de Sionpsalmen, namelijk de psalmen die God als koning toejuichen en Sion als zijn woonstad. De Klaagpsalmen zijn in twee grote blokken te verdelen, namelijk de individuele, dat wil zeggen een ik-figuur is aan het woord, en de collectieve, dat wil zeggen een wij-groep is het onderwerp of ook het volk Israël. Mengvormen waarin de ik-figuur en het wij-collectief elkaar afwisselen komen voor. Tegenspoed en vervolging door tegenstanders zijn meestal het hoofdonderwerp. In die verdrukking van buiten af en van binnen uit maken vertrouwensuitspraken en dankbetuigingen vaak onderdeel uit van klaagpsalmen, als ook spijtbetuigingen over begane zonden. De Koningspsalmen gaan over de door God aangestelde koning (de gezalfde = de messias) en over het door deze koning uit te voeren beleid, vaak een ideaalbeeld. Ze moeten goed onderscheiden worden van de God-is-koningpsalmen, die onder de hymnen vallen. De Didactische psalmen bevatten vaak lessen over de vergankelijkheid van het leven, het probleem van de armen en de rijken, de steun en de kracht van Gods wet, de ervaringen uit het verleden van Israël als Gods volk.
N.B. het is niet altijd duidelijk onder welke categorie een psalm is onder te brengen!

Andere telling
Er is een verschil in telling tussen de traditionele Hebreeuwse tekst en de oude Griekse vertaling, de Septuaginta. Beide tellen 150 psalmen, maar ze zijn niet op dezelfde wijze verdeeld. In de Septuaginta, en dus ook in de Latijnse traditie van de Vulgata, zijn tweemaal twee psalmen aaneengevoegd, namelijk psalm 9 en 10, en psalm 114 en 115. Omgekeerd zijn dus twee psalmen gesplitst, namelijk 116 en 147. Het totaal blijft hetzelfde maar de nummering verschuift dus. Achter in het Getijdenboek kan men een overzicht vinden van
alle psalmen met hun verschillende nummering (blz. 1755-1759).

Psalm 151
In de grotten van Qumran zijn ook een groot aantal teksten met niet-canonieke psalmen gevonden. Een daarvan kennen we uit de overlevering van de Septuaginta die achter de 150ste psalm nog een 151ste  heeft met het opschrift: “deze psalm is van David zelf en staat buiten het officiële aantal van 150 stuks; geschreven toen hij Goliat had verslagen.”
N.B. In het boek Oud-Israëlitische en vroeg-Joodse literatuur, Vriezen/ vd Woude, Kok, 2009, tiende geheel herziene druk, kan men her en der verspreid het nodige vinden over dit soort psalmen.
Hier volgt de vertaling:
DEZE PSALM schreef David eigenhandig, – hij valt buiten het aantal –
toen hij man tegen man streed met Goliat.

1 Klein was ik onder mijn broeders,
     en de jongste in het huis van mijn vader.
     Ik weidde de schapen van mijn vader.
2 Mijn handen maakten een fluit,
     mijn vingers vervaardigden een harp.
3 En wie zal het mijn Heer verkondigen?
     Hijzelf, de Heer, Hij zal het zelf horen.
4Hij zond een engel uit,
     en nam mij weg van de schapen van mijn vader, 
     en zalfde mij 
     met olie van zijn zalving.
5 Mijn broeders waren mooi en groot,
     maar de Heer vond zijn welbehagen niet in hen.
6 Ik trad naar voren, die van de andere stam tegemoet,
     en hij vervloekte mij bij zijn afgoden.
7Maar ik trok zijn eigen zwaard, 
     onthoofde hem,
     en nam de smaad weg van de zonen van Israël.

De kwestie ligt echter nog ingewikkelder. Na de 2de wereldoorlog werden er in de woestijn vele zeer oude rollen gevonden. Tal van bijbelboeken die geschreven waren  in het oorspronkelijke Hebreeuws van het Oude Testament. Bij de nogal vergane rollen vond men ook gedeeltes van een psalm 151. Het zijn twee stukjes tekst. Het ene is ongeveer gelijk aan het Grieks van de Griekse bijbel. Het andere stukje gaat over de strijd van David met Goliath. Veel is daar niet van over:
‘ De eerste heldendaad van (D)avid,
nadat de profeet van God hem gezalfd had.
Toen zag ik een Filistijn, die hoonde vanuit de (...) ik (...) de (...) ‘
Het lijkt erop dat dat laatste stukje uiteindelijk terecht gekomen is in het opschrift van de Griekse bijbel. Maar hoe en wat?
Achter de ons bekende wereld van de bijbel ligt er zo een heel gebied van teksten, handschriften, vertalingen. Inmiddels heeft de nieuwste Amerikaanse oecumenische bijbelvertaling nu ook psalm 151 opgenomen. Want tot op de dag van vandaag is de Griekse vertaling van het oude testament de officiële bijbel van de Grieks Orthodoxe kerk. En die kerk is ook lid van de Amerikaanse Raad van kerken.

In de protestantse traditie tot ongeveer 1950 kende men de tekst van deze 151ste psalm in een oude berijming, die echter in het huidige liedboek is verdwenen. Hier volgt de tekst ervan, in de nieuwe psalmberijming van 1773. In de synode bleek dat het lied al een eeuw lang erg populair geworden was, en de afgevaardigde uit Zeeland zorgde voor een nieuwe, veel betere berijming. En in  tal van psalmbundels is de tekst opgenomen. Velen kennen de woorden daarvan nog. Maar uiteindelijk is de tekst uit de protestantse eredienst verdwenen.

 Psalm 151- EIGEN GESCHRIFT DAVIDS - (melodie psalm 19)

Ik was een jongeling, 
nog teder en gering
Bij broedren laag geacht;
men had mij in het veld 
tot herder aangesteld:
Daar hield ik steeds de wacht. 
En weidde ‘t wollig vee.
Toen maakt’ ik, wel te vree, 
Een harp met eigen handen;
Ik greep het snaarentuig. 
‘k Zong psalmen:van ‘t gejuich 
weergalmden onze landen.

Wat blijdschap! Welk een eer.
Dat zelfs de Hemelheer
wou luistren naar ‘t geklank
van mijne harp en stem!
Mijn lied behaagde Hem!
En ‘k zei zijn goedheid dank.

Hij had mij ‘t rijk gesteld:
Men riep mij uit het veld
Van achter ‘s vaders schaapen:
Ik kwam en stond bedeesd
verlegen en bevreesd:
God werd mijn schild en wapen.

Der broedren schoon gelaat
Noch kracht kwam hun te baat
Geen moed geen krijgsbeleid:
Gods knecht ging hen voorbij
Maar groett’ en zalfde mij
Toen rees mijn dapperheid.
Toen voeld’ ik eenen gloed

van heilgen heldenmoed.
Ik ging den reus bevechten
Ik velde hem ter aard;
‘k Verjoeg hem met zijn zwaard
Tot eer van ‘s HEEREN knechten.
   
Zo staat het afgedrukt op de laatste bladzijde van het Nieuwe Testament met formulieren en psalmen en gezangen; uitgegeven door de Nederlandse Bijbel Compagnie te Amsterdam door J. Brand en Zn., druk Joh. Enschede en Zn. te Haarlem, 1847. (Geschenk bij het verlaten van het Nieuwe Weeshuis in Arnhem in 1852)
Of er een Rooms Katholieke traditie is geweest aangaande deze 151ste psalm is mij onbekend. Leuk om uit te zoeken.
Gegevens ontleend aan het NBG, met name aan Dr. Jaap van Dorp en Joh. H. Maat.

zaterdag 7 februari 2015

Inleiding op de Psalmen 2

Groepen van psalmen
In het Psalmenboek worden vijf grote verzamelingen onderscheiden:

De psalmen 1-41 met een liturgische afsluiting 41:14
De psalmen 42-72 met een liturgische en redactionele afsluiting 72:19-20
De psalmen 73-89 met een liturgische afsluiting 89:53
De psalmen 90-106 met een liturgische afsluiting 106:48
De psalmen 107-150 met een liturgische afsluiting van psalm 150 in zijn geheel

Nog andere groepen:
psalmen 24, 47, 93, 96-99 ‘de HEER is koning’- psalmen
psalmen 120-134          trap- / opgangspsalmen, of bedevaart- / pelgrimspsalmen
Het in het Hebreeuws gebruikte werkwoord slaat ofwel op het bestijgen van de trappen van het altaar in de tempel door de priesters, ofwel op  het optrekken van het volk naar Jeruzalem op de drie grote feesten in het jaar. Het laatste lijkt mij het waarschijnlijkst.
psalmen 113-118; 120-136 Hallel-psalmen
Het werkwoord hallel betekent loven, prijzen.Er zijn natuurlijk veel psalmen (zo een dertigtal) die de lof van God bezingen. Maar als terminus technicus slaat Hallel-psalmen op het Egyptische Hallel, psalmen 113-118, en op het Grote Hallel, de psalmen 120-136. Het Egyptische Hallel werd gezongen bij het pesachmaal (uittochtviering) met psalm 113 en 114  vóór de maaltijd, en psalm 115 tot en met 118 na de maaltijd. Zie wat de evangelist Marcus opmerkt in 14,26: “Nadat ze de lofzang hadden gezangen, vertrokken ze naar de Olijfberg.” Dit slaat waarschijnlijk op het 2de deel van dit Hallel. Volgens de Joodse traditie zou dit Hallel reeds in de tijd van Mozes gezongen zijn. Het wordt in ieder geval in de eredienst gebruikt bij de grote feesten Pesach, Wekenfeest, Loofhutten, Nieuwe Maan en Tempelinwijding.
Het Grote Hallel zijn de psalmen 120 tot en met 136. Vaak wordt volstaan 135 en 136, of met 136 alleen, aangezien 120-134 bekend staan als de pelgrimspsalmen.
psalmen 9-10, 25, 34, 37, 111, 112, 119, 145 staan bekend als alfabetische psalmen, omdat elke versregel of elke strofe ofwel elke stanza begint met een volgende letter van het Hebreeuwse alfabet. Met een moeilijk woord heet zo een psalm een acrostichon. Er komen onregelmatigheden voor; soms ontbreken letters of vallen enkele regels buiten de alfabetische reeks.

Nog andere bijzonderheden:
psalm 14 is gelijk aan psalm 53. Waar psalm 14 de Godsnaam JHWH gebruikt, vervangt psalm 53 die door Elohim = God.
psalm 40,14-18 is gelijk aan psalm 70. Waar psalm 40 de Godsnaam JHWH gebruikt, vervangt psalm 70 die door Elohim =  God.
psalm 108 is de samenvoeging van psalm 57,8-12 + psalm 60,7-14
psalm 18 is gelijk aan 2 Samuel 22 met allerlei kleine verschillen.
psalm 105,1-15 + psalm 96 is gelijk aan 1 Kronieken 16:8-36

Opschriften
Psalmen op naam:
David 3-9; 11-32; 34-41; 51-65; 68-70; 86; 101; 103; 108-110; 122; 124; 131; 133; 138-145 (in totaal 73)
Salomo 72
Mozes 90
Zonen van Korach 42; 44-49; 84-85; 87-88
Zonen van Asaf 50; 73-83
Heman 88
Etan 89
N.B. De Korachieten worden in 1 Kronieken 6,22 en 2 Kronieken 20,19 genoemd als tempelzangers.
De zonen van Asaf vindt men als zangersgilde in Ezra 2,41; 2 Kronieken 5,12; 35,15.
Heman en Etan gelden als beroemde wijzen uit een ver verleden, zie 1 Koningen 4,31. Maar men treft hen ook aan in de lijsten van tempelzangers 1 Kronieken 6,18; 6,29; 15,17 en 19.

Historische aanwijzingen, alle betrekking hebbend op het leven van David:
psalm 3; 7; 18; 34; 51; 52; 54; 56; 57; 59; 60; 63; 142

muzikaal-technische gegevens:
op/ op de wijze van 8; 9; 12; 22; 45; 46; 53; 60; 61; 62; 69; 77; 81; 84; 88
mizmor = lied met begeleiding van snarenspel (= psalm) 3-6; 8-9; 12-13; 15; 19-24; 29-31; 38-41; 47-51; 62-68; 73; 75-77; 79-80; 82-85; 87-88; 92; 98; 100-101; 108-110; 139-141; 143, totaal 57 stuks
sjier = lied 30; 45-46; 48; 65-68; 75-76; 83; 87-88; 92; 108; 120-134
mizmor + sjier: 30:1; 65:1; 67:1; 68:1; 75:1; 76:1; 87:1; 92:1
sjier + mizmor: 48:1; 66:1;  83:1;  88:1; 108:1
maskil =  (betekenis onzeker)  van meditatieve aard; kunstig lied; leerdicht 32; 42; 44-45; 52-55; 74; 78; 88-89; 142. N.B. ook voorkomend in psalm 47:8.
Miktam =  (betekenis onzeker) gouden stuk/ compositie; kleinood 16; 56-60
lamenatseach =   (betekenis onzeker) voorzanger; koorleider; dirigent 4-6; 8-9; 11-14; 18-22; 31; 36; 39-42; 44-47; 49; 51-62; 64-70; 75-77; 80-81; 84-85; 88; 109; 139-140, totaal 55 stuks.
 sela   (vaak in de kantlijn gezet). De betekenis is vanouds her omstreden. Vermoedelijk gaat het om een liturgische of muzikale aanwijzing die te maken had met het zingen van de psalmen. Aanduiding van rust of  wisseling van koor? Voor het eerst in Psalm 3,3; in totaal in 39 psalmen en Habakuk 3,3.9.13. De Septuaginta vertaalt het met diapsalma, een muzikaal tussenspel. Het lijkt van late oorsprong, en Jakob van Edessa verklaart het woord uit het gebruik van de gemeente om aan het einde van een psalmgedeelte een doxologie te zingen. Omdat sela nooit meer dan driemaal in één psalm voorkomt, kan het opgevat worden als teken aan het eind van een der drie delen voor een tussenspel of responsorium. Martin Buber geeft het in zijn Verdeutschung weer met: Empor! Dat betekent zoiets als : ‘verhef’, ofwel uw stem of uzelf, dat is: ga staan.
Higgajon  Een muzikale term, wellicht een aanwijzing voor zacht tussenspel of gedempt zingen. Samen met sela komt het voor bij vers 17 van psalm 9! Vergelijk psalm 92,4 ‘het ruisend spel op de lier’.

vrijdag 6 februari 2015

Inleiding op de Psalmen 1


Het boek der psalmen

De naam
Het psalmenboek heet in de Joodse traditie: Tehilliem. Dat betekent zoiets als lofliederen, lofzangen, afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord halleel wat loven, prijzen betekent. Denk aan de uitroep ‘halleluja’, dat betekent ‘loof de HEER’ (ja is de afgekorte vorm van de Godsnaam Jahweh). Tehilliem is een mannelijk meervoud van tehilla, een vrouwelijke zelfstandig naamwoord. Men heeft dan ook geopperd dat de vertaling vieringen zou moeten luiden. De titel loflied = tehilla komt maar in één opschrift voor, namelijk bij psalm 145. En ook al komen in vele psalmen andere genres voor zoals klachten, uitingen van dank en trouw, gevoelens van woede en wraak enz., toch maakt de lofprijzing van God de hoofdzaak uit.

Vanuit de traditie van de Septuaginta is in de christelijke kerk de naam psalmen algemeen geworden, als de weergave van het Hebreeuwse mizmoor = snarenspel, getokkel. Van Vondel (1657) kennen we de benaming: Harpzangen, van Marnix van Sint Aldegonde (1617) Psalmen Davids, en van Clemens non Papa (1540) Souterliedekens (souter is verbastering van psalter). De Psalmen zijn ook in de Nederlandse taal vele malen vertaald, berijmd en bewerkt.

Psalm 1 en 2 als ‘leesbril’
Waarom staan psalm 1 en 2 aan het begin van het psalmenboek? Hoe zijn ze in hun volstrekt van elkaar afwijkend genre daar terechtgekomen? Is dat soms een kwestie van toeval? Of zijn ze door een fout in de overlevering van plaats verschoven en per toeval op deze plek aangeland? Daartegen pleit allereerst al de omsluiting (inclusio) van psalm 1 vers 1 en psalm 2 vers 12. Namelijk ‘gelukkig de mens’ (psalm 1,1) en  ‘gelukkig wie bij hem schuilen’ (psalm 2,12); en ‘de doodlopende weg’ in psalm 1,16 en 2,12.  Dat wijst op een gewilde omlijsting bij deze twee psalmen en op een doelbewuste plaatsgeving. Beziet men het vervolg van deze twee psalmen, dan ontdekt men onmiddellijk dat vanaf psalm 3 een reeks psalmen volgt met vrijwel steeds een opschrift dat die psalm aan koning David toewijst. Dat lijkt erop te wijzen dat psalm 1 en 2 bewust buiten die reeks zijn gehouden, en om bepaalde redenen voorop zijn gezet, zoals men een vaandeldrager aan de fanfare vooraf laat gaan.

Wenden we ons nu tot het grote geheel van de TaNaCh (Oude Testament). We zien dan dat de drie grote delen Tora, Profetische Boeken en Geschriften op elkaar inhaken. Jozua, het eerste profetische boek, sluit thematisch aan bij het laatste boek van de Tora, het boek Deuteronomium. Zo is het ook met eerste boek van de Ketoebiem/ Chetoebim: de Psalmen. In de Hebreeuwse bijbel haakt het (in tegenstelling tot onze kerkbijbels die de volgorde van de Septuaginta hebben overgenomen) aan bij het laatste boek van de Profeten: Maleachi. Diens boodschap eindigt met: Gedenkt de wet van Mozes, mijn dienaar (3,22), en met: zie ik zend u de profeet Elia voordat de grote en geduchte dag van de HEER komt (3,23). Die dag is een dag van toorn en van vertreding der goddelozen. Mijns inziens hebben de samenstellers of de redacteuren van het psalmenboek, misschien ook de eindredacteuren van de gehele TaNaCh, psalm 1 en 2 daar neergezet als aansluiting bij de slotwoorden van de profeet Maleachi. Ze hebben gewild dat wij het psalmenboek horen, lezen en zingen in het licht van psalm 1 en 2, die als het waren de voortzetting zijn van de slotboodschap van Maleachi. In psalm 1 gaat het om de Tora-spiritualiteit; leven met Gods wet is aantrekkelijk. In psalm 2 wordt verwezen naar de toekomst, naar de hoop op Gods komende rijk. Door die vooropplaatsing van psalm 1 en 2 hebben de redacteuren ons een bril willen opzetten waarmee wij de psalmen moeten lezen. Met die zaligspreking als omlijsting worden wij in een door hen bedoelde leeshouding gestuurd: namelijk de houding van Wets-betrachting (psalm 1) en Messias-verwachting (psalm 2), in aansluiting bij de boodschap van Maleachi 3,22 en 23.