zondag 8 september 2019

Lezingen H. Mis 23e zondag door het jaar C Zo kan niemand van u mijn leerling zijn als hij zich niet losmaakt van al wat hij bezit.

Eerste lezing (Wijsh. 9,13-18b)
Uit het boek Wijsheid.
Wie van de mensen kan Gods plan doorgronden,
wie ontdekken wat de Heer wil?
De gedachten der stervelingen zijn immers onzeker,
en twijfelachtig onze berekeningen.
Het vergankelijke lichaam is een last voor de ziel,
en onze aardse gebondenheid belemmert de beweeglijke geest.
Wij begrijpen amper de dingen van deze wereld,
en wat voor de hand ligt kost ons nog moeite;
hoe zouden we dan het hemelse verstaan?
Wie zou uw wil kunnen kennen,
als Gij hem het inzicht niet geeft,
en uw heilige Geest niet van boven zendt?
Zo alleen kunnen de mensen op aarde rechte wegen gaan,
leren zij kennen wat U welgevallig is,
en worden zij door de wijsheid gered.

Tweede lezing (Filémon 9b-10.12-17)
Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan Filémon.
Dierbare,
Paulus is het die u schrijft, een oud man,
nu bovendien een gevangene van Christus Jezus,
en mijn verzoek geldt het kind
dat ik hier in de gevangenis voor de Heer heb gewonnen,
ik bedoel Onésimus.
Ik stuur hem terug naar u
en met hem heel mijn liefde.
Gaarne had ik hem hier gehouden
als uw plaatsvervanger,
om voor mij te zorgen
in mijn gevangenschap voor het evangelie.
Maar ik wil niets doen zonder uw instemming,
ik wil niets afdwingen:
uw goedheid moet zich spontaan kunnen uiten!
Misschien was dat wel de reden
waarom hij een tijd lang bij u is weg geweest:
dat ge hem voorgoed terug zoudt krijgen,
nu niet meer als slaaf,
maar als veel meer dan een slaaf,
als een geliefde broeder.
Dat is hij voor mij al helemaal,
hoeveel meer dan voor u,
als mens en als christen.
Als gij u dus met mij verbonden voelt,
heet hem dan welkom zoals ge het mij zoudt doen.

Evangelie (Lc. 14,25-33)
In die tijd trokken talloze mensen met Jezus mee;
Hij keerde zich om en zei tot hen:
“Als iemand naar Mij toekomt,
die zijn vader en moeder, zijn vrouw en kinderen,
zijn broers en zusters,
ja, zelfs zijn eigen leven niet haat,
kan hij mijn leerling niet zijn.
Als iemand zijn kruis niet draagt en Mij volgt,
kan hij mijn leerling niet zijn.
Als iemand van u een toren wil bouwen,
zal hij dan niet eerst
er voor gaan zitten om een begroting te maken
of hij wel genoeg bezit om hem te voltooien?
Anders zou het hem kunnen overkomen
– als hij de fundering heeft gelegd
en niet in staat is het werk te voltooien –
dat allen die het zien hem gaan bespotten en zeggen:
Die man begon te bouwen,
maar hij was niet in staat het einde te halen.
Of welke koning zal –
als hij tegen een andere koning ter oorlog wil trekken –
niet eerst overleggen of hij sterk genoeg is
om met tienduizend man het hoofd te bieden
aan iemand, die met twintigduizend man tegen hem optrekt?
Zo niet,
dan stuurt hij, als de tegenstander nog ver weg is,
een gezantschap en vraagt om de vredesvoorwaarden.
Zo kan niemand van u mijn leerling zijn
als hij zich niet losmaakt van al wat hij bezit.”