zondag 24 september 2017

Lezingenofficie 25e zondag door het jaar Liturgia Horarum




Sint Augustinus leest Paulus, fresco van Benozzo Gozzoli (1420-1497)

Eerste lezing

Uit het Boek van de profeet Ezechiël 24, 15-27
Het leven van de profeet een teken voor het volk
De Heer richtte zich tot mij: ‘Door een plotselinge slag zal ik het liefste wat je hebt van je wegnemen. Je mag daar niet om rouwen of treuren, en je tranen niet laten vloeien. Klaag in stilte, rouw niet om de dode. Wikkel een tulband om en doe je sandalen aan; bedek je baard niet en eet niet van het brood dat de mensen je brengen.’ Die ochtend sprak ik nog tegen het volk, en ’s avonds stierf mijn vrouw. De volgende morgen deed ik wat mij was opgedragen. Het volk vroeg mij: ‘Wilt u ons uitleggen waarom u zich zo gedraagt, en wat dat voor ons betekent?’ Ik antwoordde: ‘De Heer heeft zich tot mij gericht. Hij droeg me op tegen het volk van Israël te zeggen: “Dit zegt God, de Heer: Ik ga mijn heiligdom ontwijden, de plaats waaraan jullie je trots en kracht ontlenen, jullie liefste bezit, de plaats waarnaar jullie hart verlangt. De zonen en dochters die jullie daar achtergelaten hebben, zullen vallen door het zwaard. Jullie zullen doen wat ik heb moeten doen: Jullie mogen je baard niet bedekken, en niet eten van het brood dat de mensen jullie brengen. Wikkel een tulband om en doe je sandalen aan, rouw niet en treur niet. Jullie schuld wordt jullie ondergang, en jullie zullen bij elkaar je leed klagen. Zo zal Ezechiël voor jullie een teken zijn: zoals hij heeft gedaan, zo moeten jullie doen. Als het onheil komt, zullen jullie beseffen dat ik God, de Heer, ben.” ‘Mensenkind, op de dag dat ik hun vesting – hun stralende vreugde, hun liefste bezit, hun hartsverlangen – van hen wegneem, en ook hun zonen en dochters, op die dag zal er een overlevende bij je komen om je dat te berichten. Op die dag zal je mond geopend worden, je zult weer kunnen spreken en niet langer stom zijn. Zo zul je voor het volk een teken zijn, en zij zullen weten dat ik de Heer ben.’

Tweede lezing

Preek over ‘De herders’ van de H. Augustinus, bisschop 8
(ontleend aan Ezechiël 34)

Over de zwakke christenen

Wat zwak is, zegt de Heer, hebt gij niet gesterkt. Hij spreekt hier tot de slechte herders , de valse herders, tot de herders, die hun eigen belangen zoeken, niet die van Jezus Christus, die zich verheugen in het goed van de melk en de wol, maar geen enkele zorg hebben voor de schapen zelf en die er slecht aan toe zijn niet sterken. Tussen een zwakke, dit is een niet-sterke – want de zwakke worden ook zieken genoemd – tussen zwakke en zieke, dit is met wie het slecht gesteld is, schijnt mij het volgende verschil te bestaan.
Wat wij nu trachten zo goed mogelijk van elkaar te onderscheiden, kunnen wij misschien nog beter bereiken door grotere zorg, en ook een ander zou dit kunnen doen, die meer ervaren is en rijker in de verlichting van de harten. Opdat gij intussen niet misleid wordt, wat de woorden van de Schrift betreft, zal ik u mijn mening zeggen. Voor de zwakke is het te vrezen, dat hem een beproeving overkomt, die hem knakt. Wie kwijnt is al ziek door een of andere begeerte en wordt daardoor verhinderd de weg naar God in te slaan en het juk van Christus op te nemen.
Let maar eens op die mensen, die de wil hebben goed te leven. Zij maken wel het voornemen goed te leven, maar blijken minder geschikt kwaad te verduren dan zij bereid waren goed te doen. Het behoort evenwel tot de standvastigheid van de christen niet alleen goed te doen, maar ook de beproeving te verdragen. Wie dus vurig schijnen in het doen van het goede, maar het dreigend leed niet kunnen of willen dragen, zijn zwakkelingen. En wie door een slechte neiging als minnaars van de wereld van de goede werken zelf worden afgehouden, die liggen kwijnend en ziek te neer, daar zij juist door die ziekte als het ware zonder enige kracht niets goeds kunnen verrichten.
Zo iemand is in mijn ziel als die lamme (in het Evangelie). Toen anderen hem niet naar de Heer konden binnendragen, opende zij het dak en lieten hem zo naar beneden. Dit is alsof gij in uw ziel het dak wilt openen en uw verlamde ziel voor de Heer wilt neerleggen, in al haar vermogens verlamd en niet in staat tot enig goed werk, bezwaard namelijk door haar zonden en kwijnend door de ziekte van haar begeerten. Als dan al die vermogens zijn verlamd en de verlamming inwendig is, moet  gij naar de geneesheer komen – misschien is die geneesheer verborgen en is hij inwendig aanwezig: dat ware verstaan licht in de Schrift verdekt opgesteld – en open het dak en leg de lamme neer om het verborgene bloot te leggen.
Gij hebt gehoord, wat ook zij moesten horen, die dit niet doen en verwaarlozen: Wat er slecht aan toe is, hebt gij niet gesterkt; en wat neergeslagen was, hebt gij niet verbonden: hierover hebben wij al gesproken. Hij was immers gebroken door de schrik voor de beproevingen. Maar daar komt iets bij, waardoor wat gebroken was wordt verbonden, namelijk deze troost: God is getrouw: Hij zal niet toelaten, dat gij boven uw krachten beproefd wordt, maar met de beproeving bepaalt Hij al het einde, zodat gij ze kunt doorstaan.
(Sermo 46. 13: CCL 41, 539-540)