woensdag 1 juli 2015

St. Augustinus "Hij is de Heer onze God, wij het volk van zijn weide"

Uit Liturgia Horarum / Getijdengebed van dinsdag, de 13e week door het jaar: een preek van de H.Augustinus op Psalm 94, de openingspsalm van het getijdengebed aan het begin van elke dag, vroeg in de morgen.

Uit de Preken van de H. Augustinus, bisschop

Hij is de Heer, onze God, wij het volk van zijn weide 

De woorden, die wij gezongen hebben, bevatten de belijdenis, dat wij Gods schapen zijn: Want Hij is de Heer, onze God, die ons gemaakt heeft. Hij is onze God; wij het volk van zijn weide en de schapen van zijn hand. De menselijke herders hebben de schapen die zij bezitten niet zelf gemaakt; de kudde, die zij weiden, hebben zij niet zelf geschapen. Maar God, onze Heer heeft, als God en Schepper, de schapen die Hij heeft en weidt, voor Zich gemaakt. En die Hij weidt, heeft géén anderen geschapen, noch zal een ander hen weiden, die Hij geschapen heeft.

Als wij dan in dit lied belijden, dat wij zijn schapen zijn, het volk van zijn weide, de schapen van zijn hand, laten wij dan ook luisteren naar wat Hij tot ons, als zijn schapen, zegt. In vroegere tijden sprak Hij tot zijn herders; maar nu spreekt Hij tot zijn schapen. Bij die vroegere woorden van Hem, luisterden wij, als herders, met vrees, maar gij als schapen met vertrouwen. Hoe is dat evenwel bij die tegenwoordige woorden van God? Luisteren wij nu, omgekeerd, met vertrouwen en gij met vrees? Dat zeker niet. Want op de eerste plaats, ook al zijn wij herders, een herder aanhoort niet alleen met vrees, wat tot de herders gericht is, maar ook wat tot de schapen wordt gezegd. Want als de herder onbekommerd aanhoort, wat tot de schapen wordt gezegd, is hij niet waarlijk bezorgd over zijn schapen. Vervolgens, zoals wij al eerder gezegd hebben, moeten wij, uit liefde tot u, twee dingen bij onszelf beschouwen: ten eerste, dat wij christenen zijn, ten tweede, dat wij in gezag zijn gesteld. Wat dat laatste betreft: wij worden tot herders aangesteld, als wij daarvoor geschikt zijn. Wat het eerste betreft, namelijk, dat wij christenen zijn, ook wij behoren dan mét u tot de schapen. Hetzij dus de Heer tot de herders spreekt, hetzij tot de schapen, wij moeten alles met vrees aanhoren, en de bezorgdheid wijke niet van ons hart.

Laten wij, broeders, derhalve luisteren naar de berispingen van de Heer tot zijn slechte schapen en naar wat Hij aan de goede belooft. En gij, zegt Hij, zijt mijn schapen. Op de eerste plaats, als men bedenkt, broeders, wat een groot geluk het is tot de kudde van God te behoren, zal men dit zelfs te midden van de tranen en beproevingen van dit leven als een groot geluk opvatten. En tot de Heer werd gezegd: Gij, die Israël weidt: op Hem slaat het woord: Hij zal niet sluimeren noch slapen, die Israël behoedt. Hij waakt dus over ons, als wij waken en ook als wij slapen. Als dan de kudde al veilig is bij een menselijke herder, hoeveel te groter moet dan onze veiligheid zijn, als God ons weidt, niet alleen omdat Hij ons weidt, maar ook omdat Hij ons geschapen heeft.

En nu, mijn schapen, wat u zelf betreft, dit zegt de Heer uw God: Zie Ik zal het ene schaap van het andere scheiden; de rammen van de bokken. Wat doen hier de bokken in de kudde van God? Zij bevinden zich op dezelfde weide, bij dezelfde bronnen, en toch bevinden zich de bokken, die aan de linkerzijde zullen staan, zich nu onder diegenen, die aan de rechterzijde zullen staan, en vóór die eerste gescheiden worden, worden zij geduld. Hier wordt het geduld van de goede schapen geoefend naar het voorbeeld van Gods geduld. Want de scheiding zal door Hem gebeuren: de enen naar de linker-, de anderen naar de rechterzijde.


(S. Augustini, Sermo 47, 1. 2. 3. 6, De ovibus: CCL 41, 572-573, 575-576)