zaterdag 4 juli 2015

Overweging bij lezingen op de Veertiende Zondag door het jaar (B) "Heer, tot wie zouden wij anders gaan?"

Evangelist Marcus Wtewael, Joachim (1615) Rijksmuseum
Ezechiël 2, 2-5
2 Korintiërs 12, 7-10
Marcus 6, 1-6

Tussen zijn grote broers Matteüs en Lucas, schrijvers van de respectievelijke evangelies, lijkt Marcus  met zijn veel kleiner verslag over de woorden en daden van Jezus er enigszins bekaaid af te komen. Geen Bergrede of geboorteverhalen waarmee Matteüs en Lucas ons verrassen en ontroeren, geen grote redevoeringen van Jezus waarvan we onder de indruk komen, geen bijzondere gelijkenissen die ons tot tranen toe bewegen. Nee, Marcus gaat eigenzinnig te werk. Als woordvoerder van Petrus is hij niet alleen  kritisch op de leerlingen, Petrus incluis, maar ook op Jezus’ verwanten en tijdgenoten. Het geheim van Jezus als profeet, als Messias en als Zoon van God is niet zo maar toegankelijk. Wie Jezus is, ontvouwt zich alleen langs wegen van geleidelijkheid, via onbegrip en twijfel, met vallen en opstaan. In Hem geloven, in Hem kunnen geloven is een lange weg die wij, met Hem als gids, moeten gaan door lijden en dood heen. Profeten vinden meestal geen goed onthaal zoals de profeet Ezechiël in de eerste lezing moet ervaren; onze zwakheden geven maar weinig aanleiding om trots op te zijn zoals Paulus dat blijkens de tweede lezing heeft moeten ondervinden. En in de derde lezing, het evangeliegedeelte blijkt dat Jezus lang niet altijd overal welkom is, ja, juist daar niet waar je het toch zou mogen verwachten.
Enkele zondagen terug hoorden we Jezus een gelijkenis vertellen over het zaad. Dat doet Jezus natuurlijk niet om ons in te lichten omtrent de gang van zaken in de land- en tuinbouw. Het gaat in Jezus’ verkondiging altijd om Gods Koningschap. De vraag wat er van zijn Koninklijke macht in deze wereld terecht komt, wordt als volgt beantwoord: kijk naar de boer die geduldig afwacht en erop vertrouwt dat de natuur zijn werk doet. Kijk naar het zaad dat groeikracht bezit en tegen alle verdrukking in toch boven de grond uitgroeit en rijke vrucht opbrengt ook al is de schijn tegen. Voorafgaand aan het evangeliegedeelte van deze dag heeft Jezus drie grote wonderen verricht. Ze staan beschreven in hoofdstuk 5 en vinden allemaal plaats rond het meer van Galilea. Aan de overzijde, in het heidense gebied, dreef Jezus de onreine geest van een man uit in een kudde varkens, en aan deze kant van het meer, het gebied waar de gelovige Joden wonen, redt hij het dochtertje van Jaïrus van de dood en geneest hij een vrouw die al twaalf jaar lang aan bloedverlies leed. Jezus’ Naam is gevestigd, zijn roem heeft zich door het ganse land verspreid: een man met een nieuw geluid, een profetische boodschap over Gods aanwezige en groeiende koningschap, met macht over de kwaaie krachten in de natuur en de samenleving, kortom een man die heling brengt waar de boel aan stukken ligt, en bevrijding waar mensen geknecht en machteloos zijn. In die situatie van een rondtrekkende profeet en leraar met een schare volgelingen doet Jezus ook zijn geboortedorp aan. Zijn vaderstad wordt het genoemd, de stad waar hij zijn wortels, zijn ‘roots’ heeft, waar zijn familie is achtergebleven, wellicht nog mokkend over het feit dat de oudste zoon zijn familieplichten niet was nagekomen, huis en haard had verlaten en gekozen had voor een ongewis avontuur. De naam wordt niet eens genoemd, een onooglijk dorpje in het heuvelland van Galilea. Marcus vermeldt het maar eenmaal, in hoofdstuk 1 namelijk wanneer de evangelist opmerkt dat Jezus door Gods Geest aangedreven, Nazareth in Galilea verliet en op weg ging naar de woestijn, naar Johannes de Doper.  Er zijn nogal wat radio- en TV- programma’s die verslag doen van kinderen die op zoek zijn naar hun ouders, of van vrienden of klasgenoten die elkaar uit het oog hebben verloren en elkaar weer willen ontmoeten. Vaak maar niet altijd loopt het op een teleurstelling uit. De familie zit helemaal niet te wachten op een zoon die uit het verleden opduikt, en de verloren gewaande vriend of vriendin beantwoordt maar weinig aan het beeld dat wij twintig, dertig jaar geleden of nog langer van hem of haar hadden. Ik zit me al nadenkende voor te stellen hoe een en ander in zijn werk is gegaan. Zouden de inwoners een ereboog voor Hem hebben opgericht met een mooie welkomsttekst? Zouden de vrouwen Hem juichend en dansend hebben ingehaald zoals eens zijn voorvader David na de overwinning op de Filistijnen door de vrouwen bejubeld werd? Zou de dorpsoudste een feestrede hebben voorbereid om de nu alom beroemde dorpsgenoot toe te spreken? We horen daar in het evangelie niets van. Ook niet of Hij misschien eerst naar zijn ouderlijk huis is gegaan om zijn moeder te omhelzen en zijn broers en zusters te begroeten. Hebben ze het huis feestelijk versierd, de vlag voor hem uitgestoken? Niets van dit alles. Marcus is niet geïnteresseerd in familiaire kwesties of dorpse aangelegenheden, in geen enkel opzicht komt hij onze menselijke nieuwsgierigheid tegemoet. Wat hij ons meedeelt luidt: Jezus komt aan in zijn vaderstad, met de leerlingen in zijn gevolg. En wanneer het sabbat is, gaat Hij naar de synagoge en begint er onderricht te geven. Hij meldt zich niet bij de stadspoort waar de belangrijke mannen de stadszaken regelen, Hij klopt niet aan bij zijn ouderlijk huis gelijk de zwerver uit het gedicht De Moeder van Geerten Gossaert die weer na jaren en jaren terugkomt. Ook niet naar de waterput waar de vrouwen samenkomen voor hun dagelijkse taken en gesprekken. Nee, naar de synagoge gaat Hij, zoals Hij van het begin af gewoon is (1,21 en 3,1). Want de synagoge is de plek waar Gods volk elke zevende dag van de week samenkomt, daar wordt gebeden en voorgelezen uit de Tora, het boek van het verbond dat God met hun voorouders sloot. De inwoners van Nazareth zijn diep onder de indruk van zijn wijsheid, zijn woorden brengen hen in vervoering, hun monden vallen open van verbazing. Maar dan slaat hun aanvankelijke trots om in ergernis. Wat verbeeldt Hij zich wel om op te roepen tot een ander leven? Wie is Hij nu helemaal wel om bekering te prediken, om hen te bewegen na te denken over de keuzes die zij in hun leven maken. Ze maken Hem klein om veilig met hun kleine dorpsleven te kunnen doorgaan. Waar zij zich aanvankelijk verwonderden over zijn wijsheid, verwondert Jezus zich nu over hun ongeloof. Ongeloof sluit de deuren voor Gods genade. Daar kan God niet binnenkomen, daar kan Hij die toch de Machtige is, niets uitrichten.
Zo maakt Marcus het stadje Nazaret de regelrechte tegenhanger van Kafarnaüm. In beide plaatsen gaat Jezus op sabbat naar de synagoge en geeft er onderricht. In Kafarnaüm met groot succes omdat Hij erkend wordt als iemand met groot gezag, omdat zij voor hem open stonden en zo de ruimte schiepen voor zijn goddelijke kracht. In Nazaret zonder succes omdat zij God en zijn koninkrijk wilden verengen tot hun klein-menselijke opvattingen. De volksheld mag niet en moet niet boven hun maaiveld uitrijzen. Aldus is Nazaret het schoolvoorbeeld van de harde grond waarin het zaad geen wortel kan schieten, het toonbeeld van situaties waarin zelfs Gods wondermacht niets kan uitrichten. Voor ons mensen van nu die van zondag tot zondag op de eerste dag van de week bijeenkomen in de Kerk, Gods huis, is de vraag aan de orde: ontvangen we Jezus in geloof, maken we ruimte voor Hem in ons hart zodat Gods goede kracht in ons zijn werk kan doen, zoals bij de mensen in Kafarnaüm? Of wijzen we Hem af zoals de inwoners van Nazareth en blijft Jezus’ bijzondere band met God zijn Vader voor ons verborgen? Durven wij in de spiegel te kijken die Jezus ons voorhoudt, te kiezen voor het leven dat Hij heeft voorgeleefd, en Hem te volgen op de weg die Hij is gegaan? Aan ons de dagelijkse opdracht om gewetensvol de oproep van Jezus te beantwoorden. Ofwel met scepsis en teleurgesteld ongeloof, ofwel met spontaan en twijfelend geloof: Heer, tot wie zouden wij anders gaan? Amen.

Alfons Jaakke, pr.