H. Ephræm,
diaken: Het kruis
van Christus, heil voor het menselijk geslacht
Onze Heer is door de dood in elkaar getrapt, maar wederkerig
heeft Hij de dood als een weg kapot getrapt. Hij onderwierp zich aan de dood en
onderging deze vrijwillig om de dood tegen diens wil te vernietigen. Want onze
Heer is, zijn kruis dragend, weggegaan, terwijl de dood dit wilde. Maar aan het
kruis riep de Heer en leidde de gestorvenen uit de onderwereld, hoewel de dood
dit niet wilde.
Door het lichaam, dat Hij droeg, doodde Hem de dood; maar met
dezelfde wapens behaalde Hij de overwinning over de dood. Zijn Godheid verborg
zich onder zijn Mensheid en naderde zo de dood, die Hem wel doodde, maar die
ook gedood werd. De dood doodde het natuurlijke leven, maar wederkering werd
hij zelf gedood door het bovennatuurlijke leven.
Omdat derhalve de dood Hem niet kon verslinden, als Hij
zonder lichaam was, noch de onderwereld Hem kon verzwelgen, als Hij geen vlees
bezat, kwam Hij tot de Maagd, om daarvandaan zijn triomfwagen te nemen en naar
de onderwereld te rijden. In dat aangenomen lichaam ging Hij de onderwereld
binnen, brak de schatkamers open en verdeelde de schatten.
Dan kwam Hij bij Eva, de moeder van alle levenden. Zij is de
wijngaard, waarvan de dood de omheining opende met de eigen handen van Eva,
opdat zij zijn vrucht zou proeven; zo werd Eva, de moeder van alle levenden, de
bron van de dood voor alle levenden.
Maar Maria, de nieuwe wijnstok, bloeide op, verheven boven de
oude wijnstok Eva, en daarin woonde het nieuwe leven Christus, opdat voor de
dood, die voortgraasde en naar gewoonte in overmoed naderbij kwam, in een
sterfelijke vrucht (Christus) het Leven schuil zou gaan, dat de dood
vernietigt. Toen dan ook de dood, niets vrezend, Hem verslonden had, bevrijdde
Hij het leven en daarmee velen.
Dezelfde uitstekende timmermans-zoon, die zijn kruis verhief
boven de alles-verslindende onderwereld, bracht ook het menselijk geslacht over
naar het huis van het leven. Maar omdat het menselijk geslacht door het hout
[de paradijsboom] was vervallen naar de onderwereld, ging het op het hout het
huis van het leven binnen. Op het hout, waarop een bittere loot was geënt, werd nu een zoete
geënt, opdat wij Hem zouden erkennen, aan Wie geen schepsel kan weerstaan.
U zij de glorie, Gij
die met uw kruis een brug hebt geslagen over de dood heen, opdat daarover de
zielen uit het land van de dood naar dat van het leven zouden kunnen overkomen.
U zij de
glorie! Die Uzelf bekleed hebt met het lichaam van een sterfelijk mens en dat
tot een bron van leven hebt gemaakt voor alle stervelingen.
Gij leeft volkomen;
want die U doodden, hebben ten opzichte van uw leven gehandeld als landbouwers;
zij hebben namelijk uw leven als tarwe in de grond gezaaid, opdat het daaruit
zou verrijzen en velen met zich tot leven zou wekken.
Komt, laten wij onze
liefde offeren als een groot en universeel offer; laten wij onze rijkste
gezangen en gebeden voor Hem uitstorten, die zijn kruis opdroeg als een offer
voor God, om
daardoor ons allen rijk te maken.
(Sermo de Domino nostro, 3-4.9; Opera edit. Lamy, 1,152-158. 166-168)