T e k s t
maandag 27 januari 2025
Collectegebed Derde zondag “per annum” (door het jaar)
T e k s t
zondag 26 januari 2025
Overweging bij lezingen Derde Zondag door het jaar - 2025 jaar C - Laten wij dit verhaal weer doorgeven aan anderen!
De tijd waarin Lucas zijn evangelie schreef, was een tijd van overgang en doorbraak. In de Kerk hadden zich verschillende groeperingen gevormd. Verschillende tendensen deden zich binnen de Kerk gelden en door deze nieuwe stromingen ontstond er bij veel christenen een grote onzekerheid en twijfel in het geloof. Zo was de situatie en Lucas wilde door zijn evangelie de christelijke gemeenschappen helpen om trouw te zijn aan het geloof.
Hij is bezorgd om de eenheid en de geloofwaardigheid van de blijde boodschap. Hij grijpt terug naar de traditie, want hoe meer je teruggaat naar de bron, hoe helderder het water is.
Hij verzamelt zorgvuldig de verhalen over Jezus en zijn leven. Lucas vond al deze getuigenissen zo belangrijk, dat hij ze niet alleen verkondigde, maar hij wilde ze ook voor het nageslacht bewaren. Daarom schreef hij zijn evangelie.
Lucas wil ons een boodschap vertellen die nog altijd gebeurt. Hij getuigt dat de liefdevolle God nog altijd onder ons werkzaam is. Wat Jesaja voorspeld had, gebeurt nu, vandaag. De heilstijd ís definitief doorgebroken ... Jezus wendt zich tot alle mensen. Als God zich openbaart, is er geen discriminatie meer. Wij leven in de tijd van de doorbraak van de Geest, die een nieuwe heilsorde bewerkt. In die wereld moet er plaats zijn voor de armen, voor de kleinen, voor de verdrukten ...
Dit jaar gaan we met Lucas op weg en vertellen ons verhaal van Jezus´ goedheid en menslievendheid. Wij vertellen ons verhaal van bevrijding en gerechtigheid. Wij zullen het verhaal van Lucas weer opnemen, want dat verhaal is nog niet af. Wij zullen het verder schrijven met onze daden van liefde.
Nu wij het begin van het evangelie van Lucas gehoord hebben, nu wij het begin kennen van het verhaal over Jezus, zullen wij dit verhaal weer doorgeven aan anderen, zodat het ook verder verteld kan worden.
Lezingen H. Mis 3e zondag door het jaar C - Het Schriftwoord is thans in vervulling gegaan.
Eerste lezing: Neh. 8, 2-4a. 5-6. 8-10
In die dagen bracht de priester Ezra, het boek van de wet
voor de vergadering
van mannen en vrouwen
en van allen die de voorlezing konden volgen.
Het was de eerste dag van de zevende maand
Vanaf de dageraad tot de middag las Ezra voor uit het boek
op het plein voor de Waterpoort
ten aanhoren van mannen en vrouwen
en van allen die het konden volgen.
Het volk luisterde aandachtig
naar de voorlezing van het wetboek.
Ezra, de schriftgeleerde, ging op een houten verhoog staan
dat voor die gelegenheid opgeslagen was.
Ten aanschouwe van heel het volk,
hij stak immers boven allen uit,
opende Ezra het boek.
Op dat ogenblik gingen allen staan.
Ezra prees de heer, de grote God,
en heel het volk antwoordde: “Amen, amen!”
De Levieten staken hun handen omhoog, zij bogen het hoofd
en zij aanbaden de Heer
met het gezicht tegen de grond.
Zij lazen uit het boek van Gods wet,
legden het uit en verklaarden de betekenis,
zodat allen de lezing verstonden.
Vervolgens zeiden Nehemia, de landvoogd,
Ezra de priester en schriftgeleerde
en de levieten die de uitleg gaven tot heel het volk:
“Deze dag is aan de Heer, uw God, gewijd.
Gij moogt dus niet treurig zijn en niet wenen.”
Het hele volk was namelijk in tranen uitgebarsten
toen het de woorden van de wet hoorde.
En ze zeiden hun:
“Komt, gaat lekker eten en drinkt er zoete wijn bij
en deelt ervan mee aan wie niets heeft,
want deze dag is aan onze Heer gewijd.
Weest niet bedroefd, maar de vreugde die de Heer u schenkt zij uw kracht.”
Tweede lezing: 1 Kor. 12, 12-30 of 12-14.27
Broeders en zusters,
Het menselijke lichaam
vormt met zijn vele ledematen één geheel;
alle ledematen, hoe vele ook, maken te zamen één lichaam uit.
zo is het ook met Christus.
Wij allen, Joden en Grieken, slaven en vrijen
zijn immers in de kracht van een en dezelfde Geest
door de doop één enkel lichaam geworden
en allen werden wij gedrenkt met één Geest.
Een lichaam bestaat nu eenmaal niet uit één lid
maar uit vele leden.
(Veronderstel dat de voet zegt:
“Omdat ik geen hand ben
behoor ik niet tot het lichaam.”
Behoort hij daarom niet tot het lichaam?
En veronderstel dat het oor zegt:
“Omdat ik geen oog ben
behoor ik niet tot het lichaam.”
Behoort het daarom niet tot het lichaam
Als het hele lichaam oog was
waar bleef dan het gehoor?
Als het helemaal gehoor was
waar bleef de reuk?
In werkelijkheid echter heeft God de ledematen en organen
elk afzonderlijk hun plaats in het lichaam aangewezen
zoals Hij het gewild heeft.
Als zij alle samen één lid vormden
waar bleef dan het lichaam?
In feite echter zijn er vele ledematen,
maar slechts één lichaam.
Het oog kan niet tot de hand zeggen:
“Ik heb je niet nodig.”
en evenmin het hoofd tot de voeten
“Ik heb je niet nodig.”
Nog sterker:
juist die delen van het lichaam die het zwakst schijnen te zijn
zijn onmisbaar.
En die wij beschouwen als minder eerbaar
omgeven wij met grote eer.
Onze minder edele ledematen worden
met groter kiesheid behandeld,
de andere hebben dat niet nodig.
God heeft het lichaam zo samengesteld
dat Hij aan het mindere méér eer gaf
opdat er in het lichaam geen verdeeldheid zou zij
en de ledematen eendrachtig voor elkaar zouden zorgen.
Wanneer één lid lijdt
delen alle ledematen in het lijden;
wordt één lid geëerd,
alle delen in de vreugde.)
Welnu, gij zijt het lichaam van Christus
en ieder van u is een lid van dit lichaam.
(Nu heeft God in de kerk allerlei mensen aangesteld:
ten eerste apostelen,
ten tweede profeten,
ten derde leraars;
voorts zijn er wonderkrachten
dan gaven van genezing, hulpbetoon, bestuur en velerlei taal.
Zijn soms allen apostelen,
allen profeten, allen leraars,
allen wonderdoeners?
Hebben allen gaven van genezing?
Spreken allen in vervoering?
Kunnen allen uitleg geven?)
Evangelie: Lc. 1, 1-4; 4, 14-21
Reeds velen hebben getracht
de gebeurtenissen te verhalen
die onder ons hebben plaats gevonden,
aan de hand van de gegevens welke ons werden overgeleverd
door mensen die van het begin af aan ooggetuigen waren
en in dienst van het woord zijn getreden.
Vandaar, edele Teofilus, dat ook ik besloot
– na van meet af aan alles nauwkeurig te hebben onderzocht –
voor u een ordelijk verslag te schrijven,
met de bedoeling u te doen zien
hoe betrouwbaar de leer is waarin gij onderwezen zijt.
In die tijd keerde Jezus in de kracht van de Geest
uit de woestijn terug naar Galilea
en men sprak over Hem in heel de streek.
Hij trad nu op als leraar in hun synagogen
en werd algemeen geprezen.
Zo kwam Hij ook in Nazaret, waar Hij was grootgebracht.
Hij ging volgens zijn gewoonte
op de sabbatdag naar de synagoge
en stond op om voor te lezen.
Ze reikten Hem de boekrol van de profeet Jesaja aan.
Hij opende de rol
en vond de plaats waar geschreven stond:
“De Geest des Heren is over Mij gekomen,
omdat Hij Mij gezalfd heeft.
Hij heeft Mij gezonden
om aan armen de Blijde Boodschap te brengen,
aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken
en aan blinden dat zij zullen zien:
om verdrukten te laten gaan in vrijheid,
om een genadejaar af te kondigen van de Heer.”
Daarop rolde Hij het boek dicht,
gaf het terug aan de dienaar en ging zitten.
In de synagoge waren aller ogen gespannen op Hem gevestigd.
Toen begon Hij hen toe te spreken:
“Het Schriftwoord dat gij zojuist gehoord hebt
is thans in vervulling gegaan.”
woensdag 26 januari 2022
Lectio Divina Derde week door het jaar. Donderdag. Sint Augustinus. God beproeft om te onderrichten.
Uit een preek van de heilige Augustinus, bisschop van Hippo († 430), over de beproeving van Abraham
God beproeft om te onderrichten.
Mijn geliefden, ge moet weten dat de beproeving van God niet dient opdat Hij zelf iets te weten zou komen wat Hij tevoren niet wist. Maar Hij wil, door ons op de proef te stellen of door ons te ondervragen, aan het licht brengen wat in de mens verborgen is. Want de mens is aan zichzelf niet zo bekend als aan zijn Schepper, noch kent de zieke zo zichzelf als zijn geneesheer hem kent. De mens is ziek, hij lijdt; de dokter lijdt niet, en van hem die niet lijdt, verwacht een zieke te horen waaraan hij lijdt. Daarom roept de mens in de psalm uit: ‘Vergeef mij, Heer, ook wat ik niet weet’ (Ps. 19 (18), 13). Want er zijn in de mens verborgen dingen, verborgen ook voor de mens zelf in wie ze zijn. En ze komen niet te voorschijn, ze komen niet aan het licht, ze worden niet ontdekt tenzij in de beproevingen.
Wanneer God ophoudt te beproeven, houdt de Meester op te onderrichten. God beproeft om te onderrichten.
Waarom zeggen we dit? Omdat de mens zichzelf niet kent, als hij zich niet leert kennen in de beproeving. Wanneer hij echter zichzelf heeft leren kennen, mag hij zichzelf niet veronachtzamen. Want als hij onachtzaam was toen hij zich niet kende, mag hij dat niet meer zijn nu hij zichzelf kent.
Wat willen wij met dit alles zeggen, broeders en zusters? Ook al kende Abraham zichzelf, wij kenden Abraham niet. Ofwel aan zichzelf of zeker aan ons moest hij bekend worden: aan zichzelf opdat hij zou weten waarvoor hij dankbaar moest zijn; aan ons opdat wij zouden weten wat wij van de Heer moeten vragen of wat wij in de mens Abraham moeten navolgen.
Wat leert ons Abraham? Om het in het kort te zeggen: dat wij niet boven God stellen wat God geeft. Wanneer Hij u zijn gaven wil ontnemen, moet Hij u niet minder waard zijn, want wij moeten God om niet liefhebben. Want welke beloning van God is ons liever dan God Zelf’?
zondag 23 januari 2022
Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Feria II Hebdomadæ III per annum Ad Officium lectionis Sanctitas matrimonii et familiæ Heiligheid van huwelijk en gezin.
Ex Constitutióne pastoráli Gáudium et spes Concílii Vaticáni secúndi de Ecclésia in mundo huius témporis
(Nr. 48)
Sanctitas matrimonii et familiæ
Vir et múlier, qui fœdere coniugáli iam non sunt duo, sed una caro, íntima personárum atque óperum coniunctióne mútuum sibi adiutórium et servítium præstant, sensúmque suæ unitátis experiúntur et plénius in dies adipiscúntur.
Quæ íntima únio, útpote mútua duárum personárum donátio, sicut et bonum liberórum, plenam cóniugum fidem éxigunt atque indissolúbilem eórum unitátem urgent.
Christus Dóminus huic multifórmi dilectióni, e divíno caritátis fonte exórtæ et ad exémplar suæ cum Ecclésia uniónis constitútæ, abundánter benedíxit.
Sicut enim Deus olim fœdere dilectiónis et fidelitátis pópulo suo occúrrit, ita nunc hóminum Salvátor Ecclesiæque Sponsus per sacraméntum matrimónii christifidélibus coniúgibus óbviam venit. Manet porro cum eis, ut quemádmodum ipse diléxit Ecclésiam et semetípsum pro ea trádidit, ita et cóniuges, mútua deditióne, se ínvicem perpétua fidelitáte díligant.
Germánus amor coniugális in divínum amórem assúmitur atque virtúte redemptíva Christi et salvífica actióne Ecclésiæ régitur ac ditátur, ut cóniuges efficáciter ad Deum ducántur atque in sublími múnere patris et matris adiuvéntur et conforténtur.
Quaprópter cóniuges christiáni ad sui status offícia et dignitátem peculiári sacraménto roborántur et véluti consecrántur; cuius virtúte munus suum coniugále et familiáre expléntes, spíritu Christi imbúti, quo tota eórum vita fide, spe et caritáte perváditur, magis ac magis ad própriam suam perfectiónem mutuámque sanctificatiónem, ideóque commúniter ad Dei glorificatiónem accédunt.
Unde, ipsis paréntibus exémplo et oratióne familiári prægrediéntibus, fílii, immo et omnes in famíliæ convíctu degéntes, humanitátis, salútis atque sanctitátis viam facílius invénient. Cóniuges autem, dignitáte ac múnere paternitátis et maternitátis ornáti, offícium educatiónis præsértim religiósæ, quod ad ipsos imprímis spectat, diligénter adimplébunt.
Líberi, ut viva famíliæ membra, ad sanctificatiónem paréntum suo modo cónferunt. Gratæ enim mentis afféctu, pietáte atque fidúcia benefíciis paréntum respondébunt ipsísque in rebus advérsis necnon in senectútis solitúdine filiórum more assístent.
Second reading
The intimate partnership of married life and love has been established by the Creator and qualified by His laws, and is rooted in the jugal covenant of irrevocable personal consent. Hence by that human act whereby spouses mutually bestow and accept each other a relationship arises which by divine will and in the eyes of society too is a lasting one. For the good of the spouses and their off-springs as well as of society, the existence of the sacred bond no longer depends on human decisions alone. For, God Himself is the author of matrimony, endowed as it is with various benefits and purposes. (St. Augustine, De Bene coniugali PL 40, 375-376 and 394, St. Thomas, Summa Theologica, Suppl. Quaest. 49, art. 3 ad 1, Decretum pro Armenis: Denz.-Schoen. 1327; Pius XI, encyclical letter Casti Connubii: AAS 22 (1930, pp. 547-548; Denz.-Schoen. 3703-3714.) All of these have a very decisive bearing on the continuation of the human race, on the personal development and eternal destiny of the individual members of a family, and on the dignity, stability, peace and prosperity of the family itself and of human society as a whole. By their very nature, the institution of matrimony itself and conjugal love are ordained for the procreation and education of children, and find in them their ultimate crown. Thus a man and a woman, who by their compact of conjugal love "are no longer two, but one flesh" (Matt. 19:ff), render mutual help and service to each other through an intimate union of their persons and of their actions. Through this union they experience the meaning of their oneness and attain to it with growing perfection day by day. As a mutual gift of two persons, this intimate union and the good of the children impose total fidelity on the spouses and argue for an unbreakable oneness between them. (Pius XI, encyclical letter Casti Connubii: AAS 22 (1930), pp. 546-547; Denz.-Schoen. 3706)
Christ the Lord abundantly blessed this many-faceted love, welling up as it does from the fountain of divine love and structured as it is on the model of His union with His Church. For as God of old made Himself present (Osee 2; Jer. 3:6-13; Ezech. 16 and 23; Is. 54) to His people through a covenant of love and fidelity, so now the Savior of men and the Spouse (Matt. 9: 15; Mark 2: 19-20; Luke 5:34-35; John 3:29; Cf. also 2 Cor. 11:2; Eph. 5:27; Apoc. 19:7-8; 21:2 and 9) of the Church comes into the lives of married Christians through the sacrament of matrimony. He abides with them thereafter so that just as He loved the Church and handed Himself over on her behalf, (Eph. 5:25) the spouses may love each other with perpetual fidelity through mutual self-bestowal.
Authentic married love is caught up into divine love and is governed and enriched by Christ's redeeming power and the saving activity of the Church, so that this love may lead the spouses to God with powerful effect and may aid and strengthen them in sublime office of being a father or a mother. (Second Vatican Council, Dogmatic Constitution on the Church: AAS 57 (1965), pp. 15-16; 40-41; 47) For this reason Christian spouses have a special sacrament by which they are fortified and receive a kind of consecration in the duties and dignity of their state. (Pius XI, encyclical letter Casti Connubii: AAS 22 (1930), p. 583) By virtue of this sacrament, as spouses fulfil their conjugal and family obligation, they are penetrated with the spirit of Christ, which suffuses their whole lives with faith, hope and charity. Thus they increasingly advance the perfection of their own personalities, as well as their mutual sanctification, and hence contribute jointly to the glory of God.
As a result, with their parents leading the way by example and family Prayer, children and indeed everyone gathered around the family hearth will find a readier path to human maturity, salvation and holiness. Graced with the dignity and office of fatherhood and motherhood, parents will energetically acquit themselves of a duty which devolves primarily on them, namely education and especially religious education.
Tweede lezing
Heiligheid van huwelijk en gezin
De diepe levens- en liefdesgemeenschap van de gehuwden, die door de Schepper is ingesteld en waaraan Hij eigen wetten heeft gegeven, komt tot stand door het huwelijksverbond, d.i. door een persoonlijke onherroepelijke instemming. Zo ontstaat uit de menselijke akt, waardoor de echtgenoten zich aan elkaar schenken en elkaar ontvangen, ook voor de menselijke samenleving het instituut, dat zijn stabiliteit ontleent aan Gods ordening. Omdat deze heilige band het welzijn zowel van echtgenoten en kinderen als van de samenleving beoogt, is hij niet afhankelijk van menselijke willekeur. Want God zelf is de maker van het huwelijk, dat verschillende waarden en doelstellingen heeft, die alle van het grootste belang zijn voor de instandhouding van het menselijk geslacht, voor de persoonlijke vervolmaking en de eeuwige bestemming van de afzonderlijke leden van het gezin, voor de waardigheid, de stabiliteit, de vrede en de voorspoed van het gezin zelf en van heel de menselijke samenleving. Krachtens hun natuurlijke aard zijn het instituut van het huwelijk en de huwelijksliefde gericht op het voortbrengen en opvoeden van kinderen, en ze vinden hierin als het ware hun hoogtepunt en bekroning. En zo geven man en vrouw, die door het huwelijksverbond "niet langer twee zijn, maar één vlees” (Mt. 19, 6), elkaar hulp en dienstbetoon door de innige verbondenheid van hun persoon en hun activiteit; zo ervaren zij de zin van hun eenheid en verdiepen deze steeds meer. Deze innige verenging, als zijnde het zich wederzijds wegschenken van twee personen, en eveneens het welzijn van de kinderen, vereisen de algehele trouw van de echtgenoten en hun onverbreekbare eenheid.
Christus de Heer heeft zijn overvloedige zegen geschonken aan deze liefde met haar vele aspecten, die ontsprongen is aan de goddelijke liefdebron en gevormd naar het model van zijn eenheid met de Kerk.
Want gelijk God eens het initiatief nam tot een verbond van liefde en trouw met zijn volk, , zo komt nu de Verlosser der mensen, de Bruidegom van de Kerk
, door het sacrament van het huwelijk tegemoet aan de christelijke echtgenoten. Hij blijft met hen, opdat de echtgenoten elkaar door hun wederzijdse overgave zouden liefhebben in eeuwige trouw, zoals Hij zelf de Kerk heeft liefgehad en zich voor haar heeft overgeleverd
De echte huwelijksliefde wordt opgenomen in de goddelijke liefde en wordt gericht en verrijkt door de verlossende kracht van Christus en de heilbrengende werkzaamheid van de Kerk, opdat de echtgenoten veilig en zeker de weg zouden vinden naar God en hulp en kracht ontvangen in hun sublieme taak van vader en moeder. Daarom worden de christelijke echtgenoten door een bijzonder sacrament gesterkt en als het ware gewijd met het oog op de plichten en de waardigheid van hun staat.
Doordat zij uit de kracht van dit sacrament hun taak in huwelijk en gezin vervullen in de geest van Christus, die heel hun leven doordringt van geloof, hoop en liefde, verwezenlijken zij steeds meer hun persoonlijke volmaaktheid en hun wederzijdse heiliging; en daardoor brengen zij samen eer aan God.
Gesteund door het voorbeeld van hun ouders en het gebed in het gezin, zullen de kinderen en ook alle huisgenoten gemakkelijker openstaan voor echte menselijkheid en de weg vinden naar het heil en de heiligheid. Wat de echtgenoten betreft, die bekleed zijn met de waardigheid en de taak van het vaderschap en het moederschap: zij moeten nauwgezet de plicht van opvoeding vervullen, die op hen allereerst rust, vooral die van de godsdienstige opvoeding.




