"Dat wij in naam van Uw welbeminde Zoon niet ophouden het goede te doen".
T
e r i n l e i d i n g
Sommige christenen die
niet voldoende op de hoogte zijn van de theologische doctrine hebben soms het
verkeerde idee dat katholieken denken, dat wij de hemel kunnen “verdienen” door
onze eigen goede werken, alsof onze goede werken, los van God, hun eigen
verdiensten zouden hebben. Katholieken geloven dat oprecht goede werken altijd
hun oorsprong in God hebben, maar onze werken zijn eveneens werkelijk onze werken,
als wij met God samenwerken om ze te kunnen verrichten. Gezien hun oorsprong en
gerichtheid op God, verdienen zij de beloning die gelegen is in de vervulling
van Gods beloften. Als we dus in onze liturgische gebeden een verwijzing vinden
naar “werken”, interpreteren we deze vanuit de katholieke opvatting over het
concept “werken”.
T e k s t
Missale Romanum 1970
Omnipotens sempiterne Deus,
dirige actus nostros
in beneplacito tuo,
ut in nomine dilecti
Filii tui mereamur bonis operibus abundare.
Altaarmissaal Nederlandse
Kerkprovincie 1979
Almachtige eeuwige God,
laat uw liefde ons leiden bij al onze daden:
geef dat wij in de Naam van uw welbeminde Zoon niet ophouden het goede
te doen.
Werkvertaling
Almachtige eeuwige God,
leid onze daden naar uw welbehagen,
opdat/zodat wij in de Naam van uw geliefde Zoon rijk mogen zijn aan
goede werken.
L i t u r g i s c h
e a n t e c e d e n t e n
Het collectegebed van deze dag was reeds opgenomen in het Libersacramentorum
Engolismensis (8e eeuw)alsook in het Sacramentarium Gregorianum, 9e eeuw (Hadr 15,1) als collectegebed van de zondag
onder het Octaaf van Kerstmis. Tót de liturgiehervorming door Vaticanum II behield
het deze plaats (MR 761), maar werd in
het Missale Romanum van Paulus VI
(1970) geplaatst op de 3e zondag per annum.
S t r u c t u u r a n a l y s e
1. Omnipotens sempiterne Deus,
2. dirige actus nostros in beneplacito tuo,
3. ut in nomine dilecti Filii tui mereamur bonis operibus abundare.
Ad 1
De wijze waarop God wordt aangesproken met een drievoudige
vocativusvorm in het collectegebed van deze zondag is dezelfde als die van de
het collectegebed van vorige zondag. Als eeuwige en almachtige overstijgt Hij
alle geschapen verhoudingen: God is leven, onbeperkt en eeuwig; Hij is kracht,
volmaakt, ongebonden en almachtig. “Alle lof gaat Hij te boven” (H. Thomas van
Aquino).
Ad 2
De eigenlijke bede met het verbum dirige, leid, richt (van
dirigo, direxi, directum) in de imperativusvorm gekoppeld aan het object actusnostros, onze daden, in de accusativus; in beneplacito tuo:
bijwoordelijke vertaling die vertaald kan worden als ‘naar uw welbehagen’.
Ad 3
Finale / doelaanwijzende of consecutieve / gevolghebbende bijzin
ingeleid door het voegwoord ut, opdat / zodat.. verbonden met het gezegde
mereamur in de coniunctivus , 1e pers. meervoud van het deponens
mereri, opdat wij verdienen. De werkwoordsvorm mereamur wordt gevolgd door de
infinitivusvorm abundare, (overvloed hebben, overvloedig zijn, rijk zijn
aan/in, overvloeien van) welke infinitief als bijwoordelijke bepaling bonis
operibus – in de ablativus – bij zich heeft : opdat / zodat wij verdienen
rijk te zijn aan/in goede werken.
In nomine dilecti Filii tui – in de Naam van uw geliefde Zoon – bijwoordelijke
bepaling bij de werkwoordengroep ut mereamur abundare.
De Naam “Jezus” betekent “Jahweh is redding”, “de Naam die boven alle
namen is” (Fil 2,9-10), het is de
goddelijke Naam die alleen het heil brengt, er is geen andere Naam onder de
hemel waarin wij gered moeten worden (Hand
4,12), de boze geesten vrezen zijn Naam (vgl. Hand 16,16-18), in Jezus’ Naam verrichten de apostelen wonderen
(vgl. Mc 16,17), in zijn Naam kunnen
onze goede werken vrucht dragen, want al wat wij de Vader in Jezus’ Naam vragen
zal Hij ons geven (vgl. Jo 15,16).
De begrippen beneplacito en Filii dilecti doen indirect denken aan
de mysteries van de Doop van Jezus en de Gedaanteverandering op de Thabor (Mt 3,17 en paralelplaatsen): “Dit is
mijn welbeminde Zoon in Wie Ik mijn welbehagen heb”. (Luk 9,35 en par.plaatsen)
K l e i n v
o c a b u l a r i u m
Beneplacitum betekent “welbehagen,
welgevallen”. In de Vulgaat wordt de oorspronkelijke Griekse term eudokia
in bijvoorbeeld Ef 1,9 en 1 Kor 10,5 vertaald met “welbehagen”.
Eudokia
wordt ook vertaald met bona voluntas in Lukas 2,14 in de bekende pericope
“vrede op aarde aan de mensen van goede wil”. Paulus gebruikte het begrip eudokia
in het begin van zijn Tweede Brief aan de Tessalonicenzen 1,11-12, in de
Vulgaat vertaald met voluntas bonitatis: “…wij bidden altijd voor u, dat
onze God u de roeping waardig mag maken, en elk verlangen naar het goede (omnem
voluntatem bonitatis), als de daad zelf uit het geloof, mag vervullen van
kracht en zó de Naam van onze Heer Jezus in u moge worden verheerlijkt en gij
in Hem, naar de mate der genade van onze en van de Heer Jezus Christus”.
Abundo betekent “van iets overlopen,
buiten de oevers treden, in overvloed aanwezig zijn, in overvloed hebben, volop
hebben, in overvloed leven = rijk zijn aan/in. Met het voorzetsel in met de ablativusvorm, een ruimte of
plaats aanduidend (in beneplacito tuo) hebben we een beeld van onze goede
werken die in God hun oorsprong vinden, en komend van Hem, naar ons toevloeien
en van ons verder vloeien. (Het bijv. naamwoord ‘abundant’ heeft in het Nederlands betekenissen als
overvloedig, rijkelijk, scheutig, ruimschoots. Vgl. ook het substantief
‘abundantie’, overvloed)
Dirigo,
-rexi, rectum, betekent Rechtmaken; richten, besturen, de rechte weg
bewandelen met in het Nederlands afleidingen als dirigent, directeur, directie,
directorium.
I n h o u d
Het ondoorgrondelijke mysterie van de samenwerking van de genade met
de vrije wil wordt op bijzondere wijze geformuleerd in de Brief aan de
Filippenzen (2,13): “God is het die in u zowel het willen als het werken
teweegbrengt om zijn heilsplan te verwezenlijken”. Het bovenstaande
collectegebed vlakt deze stelling van de H.Paulus af door te verklaren dat God
slechts ons handelen leidt. Toch tonen de oraties steeds opnieuw aan dat
weliswaar de vrijheid van het menselijk handelen wordt erkend, maar wel vanuit
de overtuiging dat God deze bewerkt. Bijzonder sterk komt dit tot uitdrukking
in de bedes: “Fac, ut…”- Maak, dat wij…/ Bewerk, dat wij…
Bijgevolg mag ook het “dirige!” in dit collectegebed niet als een
leiden van buitenaf worden opgevat.
Het is veeleer een ingrijpen van de genade in de wil zelf, opdat de
wil, onze wil, moge overeenstemmen met Gods welbehagen. Dat betekent van onze
kant liefdevolle toewijding en overgave aan Gods leiding alsmede het nastreven
van goede werken die ons zullen brengen tot het eeuwig geluk.
Het collectegebed van de 28e zondag door het jaar plaatst
de rol van de genade zeer duidelijk in reliëf:
Tua nos, quæsumus Domine, gratia semper et
præveniat et sequatur,
ac bonis operibus iugister
præstet esse intentos.
Heer, laat uw
genade ons altijd voorafgaan en begeleiden,
zodat wij er
voortdurend op bedacht zijn het goede te doen.
Ook uit dit gebed blijkt dat de verwezenlijking van ons levensprogram
als christen binnen het kader van Gods heilsplan het eigen werk van Gods genade
in ons is.
Wil God in ons doen behagen scheppen dan moet dit doen in een levende
relatie staan met “Zijn geliefde Zoon in wie Hij welbehagen heeft” (Mt 3,17). Deze enge verbinding met
Christus is de genade die in de gelijkenis van de wijnstok en de ranken tot
uitdrukking komt: “Los van Mij kunt gij niets” (Jo 15,5). De bemiddelende rol die in deze parabel Jezus wordt
toegeschreven, blijft in de oratie niet onbenoemd, ook al wordt deze niet in
het beeld van de wijnstok uitgedrukt. Het begrip “in de Naam van uw welbeminde
Zoon” heeft dezelfde betekenis als de stelling in de gelijkenis: “Wie in Mij
blijft, terwijl Ik blijf in hem, die draagt veel vrucht” (Jo 15,5).
Deze overvloedig rijke vrucht is het object van het collectegebed.
G e t u i g
e n i s s e n v a n d e
V a d e r s
Ondersteuning van de
wil door de genade
Als we slechts willen zijn we in staat door de kracht van de wil het
tegenstreven van de kant van onze natuur
te overwinnen. Tot alles wat Christus heeft geboden, is de mens in staat. Als
wij ons met heel onze wil overgeven, verleent God de Heer ons grote en
krachtige genade zodat we door geen enkele vijandelijke macht kunnen worden
overweldigd. Het is niet verwerpelijk als men bang is voor geselstriemen, maar
wel als men zich door deze vrees tot stappen laat verleiden die met het
christelijke leven niet te verenigen zijn. Wie anders in de strijd niet is te
overwinnen, is juist vanwege deze vrees nog meer te bewonderen dan een ander
die niet vreest; de sterkte van zijn wil wordt daardoor immers nog in een meer
helder en mooier licht geplaatst. Vrees voor slaag is een natuurlijke
gemoedsbeweging van de mensen: wie zich echter uit vrees niet tot een
ongeoorloofde stap laat overhalen, bewijst daardoor dat zijn wil het gebrek van
de natuur vergoedt en die zwakte heeft overwonnen. Zo is ook bijvoorbeeld droefheid niet afkeurenswaardig,
wel echter zondige woorden en werken, waartoe men zich door droefheid laat
verleiden.
S. Ioannis
Chrysostomi Hom. 6 de laudibus S. Pauli
Zonder Gods voorkomende genade kan niemand Zijn geboden vervullen
Houd met een rotsvast en onwrikbaar geloof er aan vast, dat geen mens
boete kan doen, als God hem niet verlicht en hem zonder verdienste van zijn
kant door de van Hem afkomstige genade bekeert. De Apostel zegt immers:
“Misschien brengt God hen tot inkeer en tot erkenning van de waarheid, zodat
zij tot bezinning komen en zich losmaken uit de strikken waarin de duivel hen
gevangen houdt om zijn wil te doen” (2
Tim 2,25). Houd met een rotsvast en onwrikbaar geloof er aan vast dat
iemand die niet wordt gehinderd door onbekendheid met de Schrift noch door een
of andere ontoegankelijkheid of door welke andere hindernis dan ook, de woorden
van de Heilige Wet en van het Evangelie weliswaar te lezen of uit de mond van
een of andere prediker te vernemen, toch niet de goddelijke wetten kan
gehoorzamen, als niet God hem met zijn genade voorafgaat, zodat hij, hetgeen
hij met zijn zintuigen verneemt, ook met het hart begrijpt en, na van God de
goede wil en de kracht te hebben ontvangen, vastbesloten en in staat is de
geboden van God te onderhouden! “Want
noch hij die plant betekent iets, noch hij die begiet, maar alleen God die de
wasdom geeft” (1 Kor 3,7), die ook in
ons het willen en het werken teweegbrengt om zijn heilsplan te verwezenlijken (Fil 2,13).
S. Fulgentii Ruspensis
De Fide 32-32
Zaligheid niet door de
vrije wil, maar alleen door de genade van God
Kan dat deel van het menselijk
geslacht aan wie God de verlossing en het bezit van Zijn eeuwig koninkrijk heeft
beloofd, door verdiensten van eigen werken worden hersteld? Onmogelijk! Want
welk goed zou hetgeen bedorven is tot stand kunnen brengen, indien het tevoren
niet uit zijn staat van bederf zou verlost zijn? Zou dit kunnen bereikt worden
door een vrije beschikking van de menselijke wil? Ook dat is onmogelijk! Want
de mens misbruikte zijn vrije wilsbeschikking en richtte zichzelf en daarmee
tegelijkertijd zijn wil ten gronde. Evenals iemand, die zelfmoord pleegt,
terwijl hij nog leeft, zichzelf doodt, maar door zichzelf te doden niet meer
leeft en zichzelf niet meer na de zelfmoord ten leven kan opwekken, zo ook
wordt, nadat door een vrije wilsbeschikking de zonde wordt bedreven, de zonde
heerseres en gaat de vrije wil verloren: (1) “door wie men overwonnen is, van
hem is men de slaaf” (2 Pe 2,19). Dit
althans is de zienswijze van de apostel Petrus. En omdat dit inzicht juist is
vraag ik hoe groot kan dan de vrijheid zijn van de knecht, die de onderdaan van
de vijand werd; zij kan alleen daarin bestaan dat hij vreugde vindt in de
zonde. Uit vrije wil is hij knecht, die graag de wil van zijn heer doet. Zo ook
is degene, die knecht van de zonde is, vrij om te zondigen. ij zal dus niet vrij zijn tot rechtvaardig
handelenHij zal dus niet vrij zijn tot rechtvaardig handelen, tenzij
hij, bevrijd van de zonde, begint met knecht van de rechtvaardigheid te worden.
Want in de vreugde om het rechtvaardig handelen bestaat de ware vrijheid en in
gehoorzaamheid aan de wet het goddelijk knechtschap. Vanwaar echter zou deze vrijheid
komen, indien zij niet zou zijn teruggekocht door Hem, die zei: “Wanneer de
Zoon u vrijmaakt, dan zult gij werkelijk vrij zijn?” (Jo 8,36). Hoe zou iemand zich bij een goed werk, zolang deze
vrijmaking niet heeft plaats gehad, kunnen beroemen op zijn vrije wil? Hij
bezit immers de vrijheid om een goed werk te verrichten nog niet, al verheft
hij zich ook vol opgeblazen trots. Zo’n laster wordt echter door de Apostel
afgewezen: “uit genade zijt gij gered door het geloof” (Ef 2,8).
En opdat niemand zich op zijn werken en evenmin op zijn vrije
wilsbeschikking zou beroemen, alsof bij hem de verdienste begon, waaruit de
vrijheid om goed te handelen als een beloning moest volgen, luistere men naar
het woord van diezelfde prediker van de genade [Paulus]: “want God is het die in u zowel het willen als het werken
teweegbrengt” (Fil 2,13). En elders
zegt hij: “Het hangt dus niet af van de wil of de inspanning van de mens maar
van Gods ontferming” (Rom 9,16); toch kan de mens die tot het gebruik
van zijn verstand is gekomen, niet geloven, niet hopen en niet beminnen, indien
hij niet wil en hij kan de palm van Gods hemelse roeping (cf Fil 3,14) niet bereiken wanneer hij niet met inspanning
van al zijn wilskracht daarnaar streeft. Wat zou dus het Schriftwoord: “Het
hangt niet af van de wil of de inspanning van de mens maar van Gods ontferming”
anders kunnen betekenen dan, dat ook de wil zelf, zoals geschreven staat “door
de Heer bereid wordt gemaakt” (Spr
8,35). Zou het Schriftwoord: “Het hangt niet
af van de wil of de inspanning van de mens maar van Gods ontferming”
uitgesproken zijn, omdat beide, de menselijke wil en Gods ontferming,
samenwerken, dan zou men de tekst “Het hangt niet af van de wil of de
inspanning van de mens maar van Gods ontferming” als volgt moeten verklaren: de
menselijke wil alleen is onvoldoende wanneer de goddelijke ontferming niet te
hulp komt. De goddelijke ontferming alleen is derhalve eveneens onvoldoende
voor het geval de menselijke wil daar niet bij komt. Zo blijft dus alleen over dat
men het Schriftwoord: “Het hangt niet af van de wil of de inspanning van de
mens maar van Gods ontferming”, zó verstaat, dat het geheel aan God wordt
toegeschreven. Hij bereidt de goede wil van de mens voor tot het aanvaarden van
Zijn hulp en na hem zo te hebben voorbereid schenkt Hij nog daadwerkelijk Zijn
hulp. Wij lezen immers in de H. Schrift: “Zijn barmhartigheid treedt mij
tegemoet”
(Ps 59,11) en “Zijn
barmhartigheid zal mij op de voet volgen” (Ps
23,6). Aan degene die niet wil, gaat zij vooraf, opdat hij zal willen;
degene echter die wil, begeleidt zij, opdat hij niet tevergeefs zal willen.
S. Augustini, Enchiridion
De Fide, Spe et Caritate (Handboekje over het geloof, de hoop en de liefde)
9,30-32
Voordat tijd en het universum
werden geschapen, kende God eenieder van ons.
Van alle mogelijke werelden die Hij zou kunnen hebben geschapen, koos
Hij ervoor om deze ene te scheppen, waarin Hij ons op het juiste moment in Zijn
plan vormde dat Hij voorzag als nodig voor ons.
Samen met het bestaan geeft Hij ons werk te doen, en schenkt Hij de
genaden om het te doen. Als wij
meewerken, zijn wij rijk (vloeien wij over) vanwege Gods werken in ons, door de
goede werken die Hij verdienstelijk maakt.
Zij vloeien van ons uit vanwege Zijn vrijgevigheid.
Sint Augustinus van Hippo (+ 430), die zich inspande de
dwalingen van het Pelagianisme te weerleggen, schreef in een monumentaal
belangrijke brief aan de Romeinse priester Sixtus (later paus Sixtus in 432):
"Welke verdienste,
vervolgens, heeft een mens ten opzichte van de genade, waardoor hij genade zou
kunnen ontvangen, wanneer ieder van onze goede verdienste in ons alleen wordt
voortgebracht door de genade, en als God, onze verdiensten kronend, niets
anders kroont dan zijn eigen gaven aan ons?" (Ep. 194, 5, 19)
Om over te kunnen vloeien, moeten
wij buigen en moeten we doorbuigen. Wanneer wij onze wil doorbuigen naar Gods
wil en plan, in het bijzonder zoals deze zich manifesteert door middel van de
leringen en disciplines van de Heilige Kerk, verliezen we niets van ons zelf of
onze gewaardeerde "vrijheid".
In feite worden we vrijer in ons “zelf geketend-willen-zijn-aan-God”.
Paus Benedictus XVI nam een thema over dat paus
Johannes-Paulus II vanaf het begin van zijn pontificaat propageerde, “Wees niet
bang! Doe de deuren wijd open voor
Christus!”, toen hij in april 2005 tijdens zijn homilie bij de Inaugurale Mis
van zijn pontificaat zei:
Hebben we niet allemaal op de een of andere manier angst
dat, als we Christus helemaal in ons toelaten, als we ons helemaal voor Hem
openstellen, Hij iets van ons leven kan wegnemen? Zijn we niet bang dat we dan
van iets groots, iets unieks moeten afzien dat het leven zo mooi maakt? Lopen
we dan niet het risico in benauwenis terecht te komen en onze vrijheid kwijt te
raken? . . . Nee! Wie Christus binnenlaat, verliest niets, niets - absoluut
niets van wat het leven vrij maakt, mooi en groots. Nee! Alleen in deze
vriendschap gaan de deuren van het leven wagenwijd open. Alleen in deze
vriendschap ontsluiten zich pas werkelijk de grote mogelijkheden van het
menszijn. Alleen in deze vriendschap ervaren wij wat mooi is en wat vrij maakt.
(1)De vrije wil gaat natuurlijk niet volledig
verloren, maar er treedt een verzwakking in van de wil en in die zin kan gesproken worden van
verlies, zoals Augustinus verduidelijkte.
verderop.
De tijd waarin Lucas zijn evangelie schreef, was een tijd van overgang en doorbraak. In de Kerk hadden zich verschillende groeperingen gevormd. Verschillende tendensen deden zich binnen de Kerk gelden en door deze nieuwe stromingen ontstond er bij veel christenen een grote onzekerheid en twijfel in het geloof. Zo was de situatie en Lucas wilde door zijn evangelie de christelijke gemeenschappen helpen om trouw te zijn aan het geloof.
Hij is bezorgd om de eenheid en de geloofwaardigheid van de blijde boodschap. Hij grijpt terug naar de traditie, want hoe meer je teruggaat naar de bron, hoe helderder het water is.
Hij verzamelt zorgvuldig de verhalen over Jezus en zijn leven. Lucas vond al deze getuigenissen zo belangrijk, dat hij ze niet alleen verkondigde, maar hij wilde ze ook voor het nageslacht bewaren. Daarom schreef hij zijn evangelie.
Lucas wil ons een boodschap vertellen die nog altijd gebeurt. Hij getuigt dat de liefdevolle God nog altijd onder ons werkzaam is. Wat Jesaja voorspeld had, gebeurt nu, vandaag. De heilstijd ís definitief doorgebroken ... Jezus wendt zich tot alle mensen. Als God zich openbaart, is er geen discriminatie meer. Wij leven in de tijd van de doorbraak van de Geest, die een nieuwe heilsorde bewerkt. In die wereld moet er plaats zijn voor de armen, voor de kleinen, voor de verdrukten ...
Dit jaar gaan we met Lucas op weg en vertellen ons verhaal van Jezus´ goedheid en menslievendheid. Wij vertellen ons verhaal van bevrijding en gerechtigheid. Wij zullen het verhaal van Lucas weer opnemen, want dat verhaal is nog niet af. Wij zullen het verder schrijven met onze daden van liefde.
Nu wij het begin van het evangelie van Lucas gehoord hebben, nu wij het begin kennen van het verhaal over Jezus, zullen wij dit verhaal weer doorgeven aan anderen, zodat het ook verder verteld kan worden.
Uit de Constitutie
‘Sacrosanctum Concilium’ van het 2de Vaticaans Concilie over de
Heilige Liturgie
Christus is tegenwoordig in zijn Kerk
Christus is altijd aanwezig
in zijn Kerk, vooral in de liturgische handelingen. Hij is tegenwoordig in het
Misoffer, zowel in de persoon van de bedienaar - Hij, die zich nu offert in de
bediening van de priesters, is dezelfde als die zich toen offerde op het kruis
-, vooral ook is Hij tegenwoordig onder de eucharistische gedaanten. Hij is
door zijn kracht echt aanwezig in de sacramenten, zodat, wanneer iemand doopt,
Christus zelf doopt. Hij is echt aanwezig in zijn woord, omdat, wanneer de
Heilige Schrift in de Kerk gelezen wordt, Hij zelf spreekt. Hij is tenslotte
echt aanwezig, als de Kerk bidt en psalmen zingt, omdat Hij gezegd heeft: Waar er twee of drie in mijn naam vergaderd
zijn, daar ben Ik in hun midden. Inderdaad toch, in dit grote werk, waardoor
God volmaakt verheerlijkt wordt en de mensen worden geheiligd, verenigt
Christus zich steeds met de Kerk, zijn zeer geliefde Bruid, wanneer zij haar
Heer aanroept en door Hem aan de eeuwige Vader haar eredienst aanbiedt.
Daarom wordt de Liturgie
terecht gezien als de uitoefening van het Priesterschap van Jezus Christus,
waarin door de uitwendig waarneembare tekenen de heiliging van de mens wordt
betekend en tegelijk ook op een wijze, aan ieder teken eigen, wordt
verwezenlijkt; hierin wordt door het mystieke Lichaam van Christus, het Hoofd
namelijk met zijn ledematen, de volledige en openbare eredienst uitgeoefend.
Derhalve is iedere
liturgische viering, als het werk van Christus, Priester, met zijn Lichaam, dat
de Kerk is, een bij uitstek heilige handeling. Geen enkele andere handeling van
de Kerk is op gelijke titel of in dezelfde mate aan de krachtdadigheid van deze
viering gelijk.
Bij de aardse liturgie
hebben wij al bij wijze van voorsmaak deel aan de hemelse, die in de heilige
stad Jeruzalem gevierd wordt, waarheen wij als pelgrims naar toe streven en
waar Christus is gezeten aan de
rechterhand Gods als Bedienaar van het heiligdom en van de ware Tabernakel; met
heel het hemels heir zingen wij voor de Heer het loflied van zijn glorie.
Terwijl wij de gedachtenis der heiligen vereren en hopen eens hun gezelschap te
mogen delen, verwachten wij de Verlosser
Onze Heer Jezus Christus totdat Hij zelf verschijnt als ons leven en wij met Hem zullen verschijnen in de
heerlijkheid.
Steunend op haar
apostolische traditie, die wortelt in de dag zelf van Christus’ Verrijzenis,
viert de Kerk het Paasmysterie op iedere achtste dag, die daarom ook terecht de
‘Dag des Heren’ wordt genoemd. Op die dag immers moeten de gelovigen
samenkomen, om het woord Gods te aanhoren en de Eucharistie te vieren, het
lijden, de verrijzenis en de heerlijkheid van de Heer Jezus te gedenken, en God
te danken, die hen heeft doen herboren
worden tot een nieuw leven van hoop door de opstanding van Jezus Christus uit
de doden. Aldus is de dag des Heren de oorspronkelijke feestdag, die de
gelovigen in hun godsdienstzin moet worden voorgehouden en ingescherpt, zodat
die dag tegelijk ook een dag wordt van vreugde en van vrij zijn van arbeid.
Alleen die kerkelijke feesten, die werkelijk van het grootste gewicht zijn,
mogen de voorrang hebben boven de Dag des Heren, omdat deze het fundament is en
de kern van heel het liturgisch jaar.
Christus
ontvangt brood en wijn voor de H. Eucharistie
I n l e i d i n g
De vraag waarom “onze gaven” heil kunnen
bewerken, beantwoordt de oratie eenvoudig zelf. Zij vraagt God het
‘sacrificando’ te bewerken, dat wil zeggen door middel van de consecratie,
waardoor de gaven Lichaam en Bloed van Christus worden. Het zijn weliswaar nog
steeds onze gaven, omdat wij in het mysterie met Christus zijn verenigd. Maar
het zijn ook de gaven van Christus, dezelfde, die Hij op het Kruis de Vader
heeft geofferd. Na de consecratie komen de gaven in een heilige uitwisseling
(sacrum commercium) tot en in ons terug met de geheimnisvolle werkingen van het
heil, die de Heer heeft beloofd. “Wie Mijn Vlees eet en Mijn Bloed drinkt,
heeft eeuwig leven en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag” (Jo 6, 54).
“Niets anders immers werkt de deelname aan het
Lichaam en Bloed van Christus uit, dan dat wij veranderd worden in datgene, wat
wij nuttigen; en dat wij Hem, in Wie wij medegestorven, medebegraven en
medeverrezen zijn, in alle opzichten in onze geest en in ons vlees dragen,
volgens het woord van de Apostel: “Gij zijt immers gestorven en uw leven is met
Christus verborgen in God. Maar wanneer Christus, uw Leven, verschijnen zal,
dan zult gij ook verschijnen in de heerlijkheid tesamen met Hem” (Kol 3, 3
sqq), die met de Vader en de Heilige Geest leeft en heerst in de eeuwen der
eeuwen” (S. Leonis Magni Sermo 63, 7).
“En daarom bidden wij, dat ons Brood, dat
is Christus, ons dagelijks wordt gegeven, dat wij, die in Christus verblijven
en leven, ons van zijn heiliging en Lichaam niet verwijderen” ( S. Cyprianus,
De oratione dominica, 18).
T e k s
t
Missale Romanum – 1970
Munera
nostra, Domine, suscipe placatus,
quæ
sanctificando nobis, quæsumus,
salutaria
fore concede.
Altaarmissaal
Nederlandse Kerkprovincie
- 1979
Heer, aanvaard in uw goedheid dit brood en
deze wijn.
Heilig deze gaven en laat ze heilzaam voor
ons zijn.
Werkvertaling
Heer, aanvaard goedgunstig onze gaven,
[en] verleen, bidden wij, dat deze, doordat
ze geheiligd worden,
voor ons heilzaam zullen zijn.
L i t u
r g i s c h e a n t e c e d e n t e n
Het Gebed super munera is afkomstig uit
Sacramentarium Leonianum, 529, dat berust in de Kapittelbibliotheek Verona,
LXXXV, 2e helft 6e eeuw. Het gebed was niet opgenomen in
het Missale Romanum van 1962.
S t r u c t u u r a n a l y s e
1. Munera
nostra, Domine, suscipe placatus,
2. quæ
sanctificando nobis, quæsumus,
salutaria
fore concede.
De oratie bestaat uit één enkele zin, op te
splitsen in twee halfzinnen, elk met een imperativusvorm als gezegde, elk met
een bede, waarbij het object van de bede in de tweede halfzin afhankelijk is
van de genadevolle aanneming van de offergaven door God in de eerste halfzin. De
tweede halfzin wordt ingeleid door het relativum quæ en heeft als antecedent de
munera nostra in de eerste halfzin. Het vertalen van dit relativum levert
enigszins problemen op. Men kan derhalve kiezen uit de volgende twee
mogelijkheden:
1. Beschouw het zinsdeel dat door quæ wordt
ingeleid als een nieuwe zin, waardoor quæ de functie van relatieve aansluiting
krijgt. Om de verbinding met de munera nostra te verduidelijken gebruikt men de
coniunctie ‘en’ en verandert men het relativum in een persoonlijk voonaamwoord
‘ze’. Men leest dan: En verleen (ons), wij bidden u, dat ze door het heiligen,
heilzaam zullen zijn (voor ons).
2. Quæ behoudt de functie van relativum en
vertaal daartoe de imperativus met ‘U moet toestaan’. Men leest dan: de gaven,
die U moet toestaan heilzaam (voor ons) te zullen zijn, door ze (voor ons) te
heiligen. Door deze vertaling krijgt de imperativus echter een haast ongepaste
toon.
Ad 1
Suscipe, - aanvaard, neem aan, gezegde in de imperativusvorm van het
verbum sucipere, 3. Deze imperativus vraagt God de gaven van de Kerk, haar
offers, haar aanbidding en gebeden aan te nemen of te ontvangen. Ook hier
mildert de losse werkwoordsvorm quæsumus het imperatieve karakter. Dezelfde
functie heeft quæsumus bij de tweede imperativusvorm concede.
Munera nostra, onze gaven – object in twee congruerende
accusativusvormen in het onzijdig meervoud.
Domine, [o] Heer – anaklese van Dominus, mooi geplaatst in het
midden van de openingszin en – bede.
Ad 2 quæ
sanctificando nobis, quæsumus,
salutaria fore concede.
Concede, verleen, geef, in de imperativusvorm van concedere 3. Zie
Vocabularium. De werkwoordsvorm quæsumus
vormt een tussenzin.
Quæ…salutaria fore: een a.c.i. (accusativus cum
infinitivo-constructie) waarbij het relativum quæ (onzijdig meervoud) munera (r.1)
als antecedent heeft.
Salutaria fore: fore = koppelwerkwoord in de futurumvorm van
het verbum esse vergezeld van het prædicaatsnomen salutaria dat congrueert met
het antecedent munera.
Salutaria: pluralis neutrum van de
adiectivumvorm salutaris, - e, heilzaam, reddens.
Sanctificando nobis, bijwoordelijke bepaling, samengesteld uit
de gerundiummodus van het passieve verbum sanctificari in de ablativusvorm (causæ
of instrumentalis) en uit de dativusvorm nobis (van voordeel, dativus commodi),
te vertalen als: geef dat deze, door ze ten bate van ons te heiligen…De
dativumvorm nobis kan ook inhoudelijk bij salutaria fore worden betrokken.
V o c a
b u l a r i u m
Munera,
gaven, offergaven, van munus, -eris N. Munus - of zijn varianten oblata,
sacrificia, dona - is de meest voorkomende naam voor het object van de Gebeden
over de gaven. Afhankelijk van de context kan munus verwijzen naar een
officiële dienst of een rituele act (33e zondag), naar offergaven–
inclusief materiële giften voor het offer (3e, 4e, 9e,
15e, 17e , 19e, 20e, 25e
zondag) of ook naar het eigenlijke offer
(16e zondag). Verder kan het begrip munus verwijzen naar genade, of
naar Gods gave aan ons.
Placatus,
adiectief afkomstig van het verbum placare met de betekenis: verzoenen,
bevredigen, tot bedaren brengen. De passieve vorm placari betekent zich laten
verzoenen.
Vier
maal komt dit begrip voor in de oratio super munera in de tijd door het jaar
respectievelijk op de zondagen III, IV, XIX en XXXII. Het geeft een status of
een conditie aan van verzoend zijn met, tevreden gesteld met, of in vrede.
Placatus
is gerelateerd aan propitius en heeft dan ook betekenissen zoals gunstig
gestemd, genadig, vriendelijk gestemd tegenover het offer van de Kerk.
Concede:
deze imperatiefvorm van het verbum concedere 3, concessi, concesssum (herinner
u ons ‘Nederlands’ woord concessie) die
in vijf orationes super munera voorkomt, heeft in het liturgisch taalgebruik positieve
betekenissen zoals verleen, geef, schenk. In negatieve zin betekent dit verbum verbeuren,
verspelen, zich compromitteren. In beide betekenissen omvat concede een zich
welwillend, minzaam neerbuigen van de kant van God waarbij Hij genadig het
offer de gevraagde uitwerking verleent.
Sanctificare
komt in de orationes super munera op de zondagen per annum viermaal voor (III,
XVI, XVII en XVIII) en betekent heilg-maken, heiligen. Het verbum staat op twee
manieren in relatie met de gaven: ofwel de gaven zelf worden geheiligd – hæc
dona sanctifica, heilig deze gaven
(XVIIIe zondag) – ófwel het offeren van deze gaven heiligt hen die deze
offeren - præsentis vitæ nos conversatione sanctificent, opdat [deze mysteries]
ons leven hier op aarde heiligen (XVIIe
zondag).
B e k n o p t c o m m e
n t a a r
De oratie verwijst naar de offergaven van
brood en wijn (aldus benoemd door de Nederlandse vertaling in het AM), maar anticipeert
ook op de dank en lof in het Eucharistisch Gebed. Het gebed over de Gaven vormt
immers als het ware een scharnier tussen Offerande en Eucharistisch Gebed.
Aanwijzing hiervoor is het meervoud “munera” en de frase “quæ sanctificando
nobis, quæsumus, salutaria fore concede”. Hier worden álle eucharistische
handelingen en niet alleen de aanbieding van de materiële elementen beschouwd
als de offergaven die geheiligd en daardoor tot heilsmiddelen zullen worden.
Door wie worden de offergaven specifiek
geheiligd? Daarover lichten de ‘Constitutiones apostolicæ’ (1) ons in: “Zend uw
Heilige Geest over deze gaven, getuige van het lijden van de Heer Jezus, opdat
Hij dit brood in het lichaam van uw Christus, en deze kelk in het bloed van Uw Christus
consacrere” (VIII, 12).
De Eucharistische Gebeden II,III en IV van
de Ordo Missæ wijzen naar dezelfde auctor mysterii, de Bewerker van het
Mysterie. Het Eucharistisch Gebed II
zegt: “Heilig dan deze gaven met de dauw van uw Heilige Geest, dat zij voor ons
worden tot Lichaam en Bloed van Jezus Christus onze Heer”.
En het Eucharistisch Gebed III: “In alle
ootmoed vragen wij U ze [deze gaven] te heiligen door uw Geest, en ze Lichaam
en Bloed te doen zijn van Jezus Christus” en in IV bidt de Kerk: “Daarom smeken
wij U, Heer, dat uw Heilige Geest deze offergaven wil bezielen (de Latijnse
tekst geeft hier sanctificare), opdat zij het Lichaam en Bloed worden van onze
Heer Jezus Christus”.
De oratie van deze zondag vraagt God dat de
heiligende kracht van de sacrale offerritus heilzaam mag zijn voor degenen die
deelnemen aan de liturgie: “.. quæ sanctificando nobis, quæsumus, salutaria
fore concede”. Het is de genade van de kant van God die het offer naar zijn
voltooiing leidt in de H. Communie en in haar uitwerkingen. Door genade worden
de liturgische handelingen voltooid en ook de uitgesproken woorden vormen de
aanzet tot voortdurende zuivering en heiliging van hen die de H. Communie
ontvangen en ook tot de uiteindelijke vervulling van de liturgische gedachtenisviering
die is: eeuwig heil en zaligheid bij God. Laten wij alles doen wat in ons
vermogen ligt om deze heiliging waardig te zijn.
(1)Ook Apostolische
Constituties genoemd: belangrijke canonieke en liturgische verzameling uit ca
380 van anonieme hand, onder andere geput uit de Didachè, de Traditio
apostolica en de Didascalia.
Geraadpleegde auteurs: J. Pascher + en G. A. Nursey.
Mozaïek in de S. Apollinare Nuovo,
Ravenna (vóór 529)
Geef dat wij ons altijd over Uw levend makende
genade blijven verheugen.
I n l e i d i n
g
Tegen de achtergrond van Christus’ belofte: “Wie mijn
Vlees eet en mijn Bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem doen opstaan
op de laatste dag” (Jo 6, 54), is het niet moeilijk de tekst van de
Postcommunio van deze zondag te begrijpen.
“Munus”, de “gave” Gods waarvan hier sprake is, is de
Heilige Communie. Wanneer wij het Lichaam en Bloed van de Heer nuttigen,
ontvangen we de ‘genade van de levendmaking’ (“gratia vivificationis”).
Het Lam Gods, Jezus, voert de mensen naar de bron des
levens. Tot deze bron behoort de Heilige Schrift, de ‘Tafel van het woord’
zoals we bij de bespreking van de Postcommunio op het feest van Jezus’ Doop
hebben gezien. In dit woord spreekt God Zelf tot onsen leert ons hoe we als christenen moeten
leven. Tot de bron van het leven behoort veeleer en in eigenlijke zin Jezus
Zelf, in wie God zich aan ons schenkt, met name, en in de meest specifieke zin
in de H. Communie, waarbij we als het ware direct uit de bron des levens kunnen
drinken. God komt Zelf naar ons toe en verenigt zich met een ieder van ons. We
zien het ook: door de H. Eucharistie, het sacrament van de H. Communie – van de
communio – vormt zich een gemeenschap die grenzen, talen en rassen overschrijdt,
een Kerk wereldwijd, waar God met ons spreekt en leeft. Zo moeten we de H.
Communie ook ontvangen: als een ontmoeting met Jezus, met God Zelf, die ons tot
de bronnen van het ware leven voert. Deze genade kan ons niet anders dan met
vreugde vervullen. De oratie houdt echter rekening met onze door de erfzonde
verzwakte ontvankelijkheid, wanneer zij gelooft om die vreugde te moeten
bidden.
T e k s t
Missale Romanum [MR] 1970
Præsta
nobis, quæsumus, omnipotens Deus,
ut, vivificationis tuæ gratiam consequentes,
in tuo semper munere gloriemur.
Altaarmissaal
Nederlandse Kerkprovincie 1979
Almachtige
God,
wij hebben
van U de genade ontvangen die ons in leven houdt.
Wij bidden
U: laat ons altijd dankbaar blijven voor uw gaven.
Werkvertaling
Verleen ons, vragen wij [U], almachtige God,
dat wij, die de genade van uw levendmaking deelachtig
worden,
ons altijd over uw gave kunnen verblijden.
L i t u r g i s
c h ea n t e c e d e n t e n
De brontekst van de Postcommunio van deze zondag wordt
gevonden in het Sacramentarium Gelasianum Vetus (Vat. Reg. Lat. 316) 545, dat dateert uit de eerste helft van de achtste
eeuw. In MR 1962, 840 was dit de Postcommunio van het misformulier van de IIe
zondag na Pasen.
G e t u i g e n i s s e nv a nd eV
a d e r s
H. Fulgentius van Ruspe (460-533)
(Contra gesta Fabiani, 28, 16-19 in CCL
19A, 813-814)
Christus is uit liefde voor ons gestorven. Daarom
vragen wij, telkens als wij zijn dood gedenken in het Offer, dat Hij ons zijn
liefde schenkt door de komst van de Heilige Geest. Met aandrang bidden wij dat
door de liefde waarmee Christus zich voor ons heeft laten kruisigen, en door de
genade van de Heilige Geest, wij de wereld als gekruisigd mogen beschouwen voor
ons, en onszelf laten kruisigen voor de wereld. [ …] ‘Zo moeten ook wij eeen
nieuw leven leiden’ en nu wij de genade van de liefde ontvangen hebben, sterven
voor de wereld en leven voor God.
H. Cyrillus van Alexandrië (378-444)
(Commentarium in Ioannis Evangelium IV,
2)
Ik heilig Mij, zegt Hij [Christus] , dat wil zeggen;
Ik wijd Mij U toe en offer Mij als een onbevlekte offerande tot aangename geur.
Want datgene werd geheiligd of volgens de wet heilig genoemd, wat op het altaar
werd geofferd. Christus nu gaf zijn Lichaam voor het leven van allen, en door
Hemzelf schonk Hij ons weer het leven; en op welke wijze Hij dit deed, zal ik u
naar vermogen uiteenzetten.
Nadat het leven-makende Woord Gods inwoonde in het
vlees, heeft Het dit tot zijn eigen goed, dit is tot zijn leven, omgevormd, en
nadat Het op een geheel onuitsprekelijke wijze ermee was verenigd, heeft Het
dat vlees ook leven-makend gemaakt, niet anders dan Het [Woord] Zelf volgens
zijn natuur is.
Derhalve maakt het Lichaam van Christus hen levend,
die aan zijn Lichaam deelhebben. Want Het verdrijft de dood, wanneer Het bij
hen, die aan de dood onderworpen zijn, is en neemt het bederf weg, omdat Het in
zichzelf de reden veroorzaakt, die het verderf volkomen doet verdwijnen.
S t r u c t u u r a n a l y s ee ns
t i j l f i g u r e n
1. Præsta
nobis, quæsumus, omnipotens Deus,
2a.ut,3. vivificationis
tuæ gratiam consequentes,
2b. in tuo semper munere gloriemur.
De oratie bestaat uit één
enkele doorlopende zin die samengesteld is uit een hoofdzin (regel 1) waarin
God middels een imperativusvorm, verzacht door de toevoeging van quæsumus in
een tussenzin,wordt aangesproken met een alleen op Hem toepasselijk epitheton:
omnipotens gevolgd door een finale/doelaanwijzende respectievelijk consecutieve
/ gevolgaanduidende bijzin in de coniunctivusvorm, ingeleid door het voegwoord
ut (2a-2b), welke bijzin wordt onderbroken door een kwalitatieve bijzin die het
in de verba quæsumus en gloriemur opgesloten subject nader illustreert.
Ad 1
Præsta,
verleen, schenk, geef, - prædicaat in de imperativusvorm van het verbum
præstare, gemilderd door quæsumus;
Nobis, (aan) ons – bijwoordelijke bepaling/meewerkend voorwerp in de dativus
pluralis van het pronomen personale nos.
Omnipotens
Deus, almachtige God - adres in twee congruerende vocativusvormen. Wanneer God
(Deus / Dominus) wordt aangesproken in de oraties wordt dikwijls een epitheton
(een nadere kwalificatie of omschrijving) toegevoegd dat meestal verwijst naar
een van zijn goddelijke eigenschappen. Het meest voorkomend en exclusieve is
wel omnipotens dat ook figureert in het bijbels Latijn. Begrippen van dezelfde
familie: potens, potentia, potenter.
Ad 2a-2b
Finale / consecutieve
bijzin, ingeleid door het voegwoord ut, in de coniunctivusvorm, die de
eigenlijke bede bevat, namelijk het zich ten alle tijd kunnen verheugen over
Gods gave: God Zelf in de Eucharistische spijs. De coniunctivusvorm is als een
potentialis vertaald: In potentie is het mogelijk, geholpen door de de
levenschenkende genade ons over de H. Communie te verblijden.
Gloriemur, op-/zodat wij
ons verheugen/verblijden – prædicaat in de 1e persoon pluralis van
het præsens coniuntivi passivi van het deponens gloriari.
In tuo munere, in/over uw
gave – bijwoordelijke bepaling bij het prædicaat gloriemur in twee congruerende
ablativusvormen, als ‘object’ van het prædicaat.
Semper, altijd, -
bijwoordelijke bepaling van tijd.
Ad 3
Bijzin met
prædicaat consequentes in de nominativus pluralis van het participium præsentis
consequens die het subject wij opgesloten in de verba quæsumus(r.1)en gloriemur (r. 2b) nadert illustreert en
die kan worden vertaald als een relatieve bijzin: op-/zodat wij, die de levendmakende
genade ontvangen, altijd in uw Gave onze roem stellen.
S t i j l f i g u r e n
Hyperbaton (uiteenplaatsing)
van tuo. . .munere (r. 2b)
Klankrijm in mu-nere
en glorie-mu-r (r. 2b)
K l e i nv o c a b u l a r i u m
Vivificatio, - onis, f., letterlijk: het levend maken, de
verlevendiging: een begrip dat door dekerkvader Tertullianus (160-230) met Christus werd verbonden:
vivificatio in Christo, en dat duidt op de werkzaamheid en het effect van
degenade wanneer men met Christus is
verbonden. De H. Communie voedt en onderhoudt het geestelijk leven. Zoals het
lichamelijk voedsel de verloren krachten hersteld, zo versterkt de H. Communie
de liefde die in het dagelijks leven de neiging heeft te verzwakken; door zich
aan ons te geven brengt Christus onze liefde tot nieuw leven en stelt
Hij ons onder meer in staat te breken met onze ongeregelde hartstochten en
gehechtheden om ons aan Hem te hechten.
De Postcommunio van de 6e
zondag door het jaar vraagt “ut semper eadem [cælestia delicia] per quæ
veraciter vivimus, appetamus”: om altijd te mogen verlangen naar deze hemelse
gaven waardoor wij werkelijk leven. En op de 13e zondag door het
jaar bidt de Kerk: “Vivificet nos, quæsumus, Domine, divina quam obtulimus et
sumpsimus hostia”: Heer geef ons nieuwe levenskrachtdoor de heilige offergave
die wij hebben opgedragen en genuttigd.
De Postcommunio-gebeden van
de Paastijd geven uiteraard vele voorbeelden van dit concept waarvan de
Postcommunio van donderdag in de 5e week de kern mooi weergeeft:
“[Populum tuum ]…quem mysteriis cælestibus imbuisti, fac ad novitatem vitæ de vetustate
transire”:laat uw volk dat Gij in uw
hemelse mysterie hebt ondergedompeld van het oude naar het nieuwe leven
overgaan.
Consequor, consecutus sum, 2, dep.is een interessant werkwoord dat onder andere
betekent:meteen volgen, achtervolgen,
achterna gaan, aanwezig zijn, begeleiden, vergezellen, volgen” en ook “een
voorbeeld volgen, kopiëren, gehoorzamen, volgzaam zijn”.Het drukt “het volgen van een effect uit een
voorafgaande oorzaak uit”: “to follow a preceding cause as an effect,
voortvloeien, resulteren in, het gevolg zijn van, opkomen of voortkomen uit,
bereiken, verlangen, verkrijgen, verwerven, deelachtig worden, treffen, ten
deel vallen.
Munus, - eris, N. – Dit begrip, specifiek en geëigend
voor een gebed ‘post Communionem’,kwam
uitvoerig aan bod bij de bespreking van de Postcommunio van het feest van de
Doop van de Heer in deze reeks.
Gloriari, gloriatus sum, 1, deponens. Letterl.: zich
beroemen op, pralen, pochen. De associatie met de Brieven van de H. Paulus is
evident: hij kent het “zich beroemen op” als een “ zich beroemen in de Heer”:
“Wij mogen zelfs roem dragen op God door Jezus Christus, onze Heer” (Rom 5,
11). “Op niets anders wil ik roemen dan op het Kruis van onze Heer Jezus
Christus, waardoor de wereld voor mij is gekruisigd en ik voor de wereld” (Gal
6, 14). Om dit roemen gaat het dan ook in de liturgie telkens wanneer dit woord
gebezigd wordt en dat is dikwijls het geval. Het zijn de weldaden van God, waarop
de biddende Kerk zich beroemt: “de perceptis beneficiis non in nobis, sed in
tuo nomine gloriari” -niet op onszelf
te roemen over de ontvangen weldaden, maar op uw Naam” zegt Sacramentarium
Leonianum (509). Aldus beschouwd is het zich (be) roemen” in feite een
lofprijzing op God zoals bedoeld in de Postcommunio van vandaag. Dit “gloriari” raakt inhoudelijk aan “gratulari”,
een verbum dat vreugdevol danken betekent.
C o m m e n t a a r
In de pericope Jo 6, 48-58: Ik ben het Brood des levens, spreekt
Jezus over het Eucharistisch Brood, dat men niet figuurlijk maar letterlijk
moet nuttigen. Men nuttigt daarin zijn Vlees en Bloed, dat het geestelijk leven
voedt en ons steeds inniger met Jezus verbindt. Dat hier een werkelijk eten
bedoeld is, blijkt uit de vergelijking met het manna (Jo 6, 49), dat ook in
letterlijke zin gegeten werd en uit het feit, dat men juist daartegen bezwaren
oppert. Ondanks die bezwaren houdt Jezus aan de letterlijke zin vast, ook al
trekken velen van zijn leerlingen zich terug.
De H. Eucharistie doet voor het geestelijk leven van
de mens alles wat stoffelijk voedsel doet voor zijn lichaam. Maar het is de
genade, die het leven van de ziel van de mens onderhoudt, herstelt en doet
toenemen. Daardoor zal zij de mens beschermen tegen komende beproevingen en
zonden.
De
H. Eucharistie is ook het middel waardoor de mensen de eeuwige glorie van de
aanschouwing van God bereiken. “Wie mijn Vlees eet en mijn Bloed drinkt, heef
het eeuwige leven; en Ik zal Hem op de jongste dag doen verrijzen” (Jo 6, 54).
Dit sacrament geeft de mens de glorie niet onmiddellijk. Maar het geeft hem
Christus, door Wie hij de glorie kan verkrijgen.
‘Inlijving in Christus, bewerkstelligd
door het Doopsel, wordt steeds hernieuwd en bevestigd door deelname aan het Eucharistisch
Offer, vooral bij de volledige deelname die plaats vindt in de sacramentele
Communie. We kunnen niet alleen zeggen dat ieder van ons Christus ontvangt,
maar ook dat Christus ieder van ons ontvangt. Hij gaat vriendschap met ons aan:
“Gij zijn Mijn vrienden” (Jo 15, 14). Dankzij Hem hebben wij het leven: “Hij
die Mij eet, zal leven door Mij” (Jo 6, 57). Eucharistische gemeenschap brengt
op verheven wijze tot stand dat Christusin zijn volgelingen blijft en zij in Hem: “Blijft in Mij, zoals Ik in u”
(Jo 15, 4)’.
(Joh.-Paulus II, Encycliek ‘Ecclesia de Eucharistia’,
Over de Eucharistie in relatie tot de Kerk, 17 april 2003, nr. 22).
De
transsubstantiatie van brood en wijn in het Lichaam en Bloed van Christus tijdens
de consecratie is de vrucht van de persoonlijke overgave van Christus aan de
Vader,het geschenk van een liefde, die
sterker is dan de dood, het geschenk van een goddelijke liefde die Hem van de
dood deed opstaan. Daarom is de H. Eucharistie Spijs voor het eeuwige leven,
Brood voor het eeuwige leven. De vereniging met Christus in de H. Communie is ook
vereniging met al degenen aan wie Hij zich schenkt. We kunnen Christus niet
alleen voor onszelf hebben; we kunnen Hem alleen toebehoren in gemeenschap met
allen die de zijnen zijn geworden of zullen worden, inclusief degenen die dat
tijdens hun aardse leven zijn geweest.
De
heilige Augustinus helpt ons de dynamiek van de Eucharistische gemeenschap te
begrijpen, wanneer hij zich op een bepaald visioen beroept, waarin Jezus hem
zei: "Ik ben de spijs van de volwassenen: groei en U zult Mij eten. Maar U
zult Mij niet veranderen in u, zoals de spijs van uw vlees, maar U zult veranderd
worden in Mij" (Belijdenissen, VII, 10, 18). Terwijl dus de materiële
spijs door ons organisme wordt opgenomen en zo tot ons onderhoud bijdraagt,
gaat het bij de H. Eucharistie om een ander Brood: Niet wij nemen Het in ons
op, maar Hij neemt ons in Zich op, zodat wij gelijkvormig aan Christus,
ledematen van Zijn lichaam, een met Hem worden. Deze overgang is beslissend:
omdat het immers Christus is die in de Eucharistische Communie ons in Hem
verandert, gaat onze individualiteit in deze ontmoeting open, wordt zij bevrijd
van haar egocentrische gerichtheid en ingevoegd in de Persoon van Jezus, die in
de Trinitaire gemeenschap van Vader, Zoon en Heilige Geest is ingebed. Terwijl
de Eucharistie ons op deze wijze met Christus verbindt, opent zij ons ook
tegenover, maakt ons tot mede-ledematen die niet van elkaar zijn gescheiden
maar één zijn in Hem. (Benedictus
XZVI, Postsynodale Apostolische Exhortatie ‘Sacramentum caritatis’ 22 febr.
2007, vgl. nr. 70)
We zijn blij dat U dat steeds toenemend waardeert en stellen het zeer op prijs als ook U door een donatie bijdraagt aan het voortbestaan van ons klooster en onze on line-presentie.