Posts tonen met het label dominica III per annum. Alle posts tonen
Posts tonen met het label dominica III per annum. Alle posts tonen

maandag 27 januari 2025

Collectegebed Derde zondag “per annum” (door het jaar)


"Dat wij in naam van Uw welbeminde Zoon niet ophouden het goede te doen".

T e r  i n l e i d i n g
Sommige christenen die niet voldoende op de hoogte zijn van de theologische doctrine hebben soms het verkeerde idee dat katholieken denken, dat wij de hemel kunnen “verdienen” door onze eigen goede werken, alsof onze goede werken, los van God, hun eigen verdiensten zouden hebben. Katholieken geloven dat oprecht goede werken altijd hun oorsprong in God hebben, maar onze werken zijn eveneens werkelijk onze werken, als wij met God samenwerken om ze te kunnen verrichten. Gezien hun oorsprong en gerichtheid op God, verdienen zij de beloning die gelegen is in de vervulling van Gods beloften. Als we dus in onze liturgische gebeden een verwijzing vinden naar “werken”, interpreteren we deze vanuit de katholieke opvatting over het concept “werken”.

T e k s t
Missale Romanum 1970
Omnipotens sempiterne Deus,
dirige actus nostros in beneplacito tuo,
ut in nomine dilecti Filii tui mereamur bonis operibus abundare.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie 1979
Almachtige eeuwige God,
laat uw liefde ons leiden bij al onze daden:
geef dat wij in de Naam van uw welbeminde Zoon niet ophouden het goede te doen.

Werkvertaling
Almachtige eeuwige God,
leid onze daden naar uw welbehagen,
opdat/zodat wij in de Naam van uw geliefde Zoon rijk mogen zijn aan goede werken.

L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n

Het collectegebed van deze dag was reeds opgenomen in het Liber sacramentorum Engolismensis (8e eeuw) alsook in het Sacramentarium Gregorianum, 9e eeuw (Hadr 15,1) als collectegebed van de zondag onder het Octaaf van Kerstmis. Tót de liturgiehervorming door Vaticanum II behield het deze plaats (MR 761), maar werd in het Missale Romanum van Paulus VI (1970) geplaatst op de 3e zondag per annum.

 S t r u c t u u r a n a l y s e

1. Omnipotens sempiterne Deus,
2. dirige actus nostros in beneplacito tuo,
3. ut in nomine dilecti Filii tui mereamur bonis operibus abundare.

Ad 1
De wijze waarop God wordt aangesproken met een drievoudige vocativusvorm in het collectegebed van deze zondag is dezelfde als die van de het collectegebed van vorige zondag. Als eeuwige en almachtige overstijgt Hij alle geschapen verhoudingen: God is leven, onbeperkt en eeuwig; Hij is kracht, volmaakt, ongebonden en almachtig. “Alle lof gaat Hij te boven” (H. Thomas van Aquino).
Ad 2
De eigenlijke bede met het verbum dirige, leid, richt (van dirigo, direxi, directum) in de imperativusvorm gekoppeld aan het object actus nostros, onze daden, in de accusativus; in beneplacito tuo: bijwoordelijke vertaling die vertaald kan worden als ‘naar uw welbehagen’.
Ad 3
Finale / doelaanwijzende of consecutieve / gevolghebbende bijzin ingeleid door het voegwoord ut, opdat / zodat.. verbonden met het gezegde mereamur in de coniunctivus , 1e pers. meervoud van het deponens mereri, opdat wij verdienen. De werkwoordsvorm mereamur wordt gevolgd door de infinitivusvorm abundare, (overvloed hebben, overvloedig zijn, rijk zijn aan/in, overvloeien van) welke infinitief als bijwoordelijke bepaling bonis operibus – in de ablativus – bij zich heeft : opdat / zodat wij verdienen rijk te zijn aan/in goede werken.
In nomine dilecti Filii tui – in de Naam van uw geliefde Zoon – bijwoordelijke bepaling bij de werkwoordengroep ut mereamur abundare.
De Naam “Jezus” betekent “Jahweh is redding”, “de Naam die boven alle namen is” (Fil 2,9-10), het is de goddelijke Naam die alleen het heil brengt, er is geen andere Naam onder de hemel waarin wij gered moeten worden (Hand 4,12), de boze geesten vrezen zijn Naam (vgl. Hand 16,16-18), in Jezus’ Naam verrichten de apostelen wonderen (vgl. Mc 16,17), in zijn Naam kunnen onze goede werken vrucht dragen, want al wat wij de Vader in Jezus’ Naam vragen zal Hij ons geven (vgl. Jo 15,16).
De begrippen beneplacito en Filii dilecti doen indirect denken aan de mysteries van de Doop van Jezus en de Gedaanteverandering op de Thabor (Mt 3,17 en paralelplaatsen): “Dit is mijn welbeminde Zoon in Wie Ik mijn welbehagen heb”. (Luk 9,35 en par.plaatsen)
K l e i n  v o c a b u l a r i u m
Beneplacitum betekent “welbehagen, welgevallen”. In de Vulgaat wordt de oorspronkelijke Griekse term eudokia in bijvoorbeeld Ef 1,9 en 1 Kor 10,5 vertaald met “welbehagen”.  Eudokia wordt ook vertaald met bona voluntas in Lukas 2,14 in de bekende pericope “vrede op aarde aan de mensen van goede wil”. Paulus gebruikte het begrip eudokia in het begin van zijn Tweede Brief aan de Tessalonicenzen 1,11-12, in de Vulgaat vertaald met voluntas bonitatis: “…wij bidden altijd voor u, dat onze God u de roeping waardig mag maken, en elk verlangen naar het goede  (omnem voluntatem bonitatis), als de daad zelf uit het geloof, mag vervullen van kracht en zó de Naam van onze Heer Jezus in u moge worden verheerlijkt en gij in Hem, naar de mate der genade van onze en van de Heer Jezus Christus”.
Abundo betekent “van iets overlopen, buiten de oevers treden, in overvloed aanwezig zijn, in overvloed hebben, volop hebben, in overvloed leven = rijk zijn aan/in.  Met het voorzetsel in met de ablativusvorm, een ruimte of plaats aanduidend (in beneplacito tuo) hebben we een beeld van onze goede werken die in God hun oorsprong vinden, en komend van Hem, naar ons toevloeien en van ons verder vloeien. (Het bijv. naamwoord ‘abundant’  heeft in het Nederlands betekenissen als overvloedig, rijkelijk, scheutig, ruimschoots. Vgl. ook het substantief ‘abundantie’, overvloed)
Dirigo, -rexi, rectum, betekent  Rechtmaken; richten, besturen, de rechte weg bewandelen met in het Nederlands afleidingen als dirigent, directeur, directie, directorium.

I n h o u d

Het ondoorgrondelijke mysterie van de samenwerking van de genade met de vrije wil wordt op bijzondere wijze geformuleerd in de Brief aan de Filippenzen (2,13): “God is het die in u zowel het willen als het werken teweegbrengt om zijn heilsplan te verwezenlijken”. Het bovenstaande collectegebed vlakt deze stelling van de H.Paulus af door te verklaren dat God slechts ons handelen leidt. Toch tonen de oraties steeds opnieuw aan dat weliswaar de vrijheid van het menselijk handelen wordt erkend, maar wel vanuit de overtuiging dat God deze bewerkt. Bijzonder sterk komt dit tot uitdrukking in de bedes: “Fac, ut…”- Maak, dat wij…/ Bewerk, dat wij…
Bijgevolg mag ook het “dirige!” in dit collectegebed niet als een leiden van buitenaf worden opgevat.
Het is veeleer een ingrijpen van de genade in de wil zelf, opdat de wil, onze wil, moge overeenstemmen met Gods welbehagen. Dat betekent van onze kant liefdevolle toewijding en overgave aan Gods leiding alsmede het nastreven van goede werken die ons zullen brengen tot het eeuwig geluk.

Het collectegebed van de 28e zondag door het jaar plaatst de rol van de genade zeer duidelijk in reliëf:
               Tua nos, quæsumus Domine, gratia semper et præveniat et sequatur,
               ac bonis operibus iugister præstet esse intentos.
               Heer, laat uw genade ons altijd voorafgaan en begeleiden,
               zodat wij er voortdurend op bedacht zijn het goede te doen.

Ook uit dit gebed blijkt dat de verwezenlijking van ons levensprogram als christen binnen het kader van Gods heilsplan het eigen werk van Gods genade in ons is.

Wil God in ons doen behagen scheppen dan moet dit doen in een levende relatie staan met “Zijn geliefde Zoon in wie Hij welbehagen heeft” (Mt 3,17). Deze enge verbinding met Christus is de genade die in de gelijkenis van de wijnstok en de ranken tot uitdrukking komt: “Los van Mij kunt gij niets” (Jo 15,5). De bemiddelende rol die in deze parabel Jezus wordt toegeschreven, blijft in de oratie niet onbenoemd, ook al wordt deze niet in het beeld van de wijnstok uitgedrukt. Het begrip “in de Naam van uw welbeminde Zoon” heeft dezelfde betekenis als de stelling in de gelijkenis: “Wie in Mij blijft, terwijl Ik blijf in hem, die draagt veel vrucht” (Jo 15,5).
Deze overvloedig rijke vrucht is het object van het collectegebed.

G e t u i g e n i s s e n   v a n   d e   V a d e r s
Ondersteuning van de wil door de genade
Als we slechts willen zijn we in staat door de kracht van de wil het tegenstreven van de kant van onze  natuur te overwinnen. Tot alles wat Christus heeft geboden, is de mens in staat. Als wij ons met heel onze wil overgeven, verleent God de Heer ons grote en krachtige genade zodat we door geen enkele vijandelijke macht kunnen worden overweldigd. Het is niet verwerpelijk als men bang is voor geselstriemen, maar wel als men zich door deze vrees tot stappen laat verleiden die met het christelijke leven niet te verenigen zijn. Wie anders in de strijd niet is te overwinnen, is juist vanwege deze vrees nog meer te bewonderen dan een ander die niet vreest; de sterkte van zijn wil wordt daardoor immers nog in een meer helder en mooier licht geplaatst. Vrees voor slaag is een natuurlijke gemoedsbeweging van de mensen: wie zich echter uit vrees niet tot een ongeoorloofde stap laat overhalen, bewijst daardoor dat zijn wil het gebrek van de natuur vergoedt en die zwakte heeft overwonnen. Zo is ook  bijvoorbeeld droefheid niet afkeurenswaardig, wel echter zondige woorden en werken, waartoe men zich door droefheid laat verleiden.
S. Ioannis Chrysostomi Hom. 6 de laudibus S. Pauli
Zonder Gods voorkomende genade kan niemand Zijn geboden vervullen
Houd met een rotsvast en onwrikbaar geloof er aan vast, dat geen mens boete kan doen, als God hem niet verlicht en hem zonder verdienste van zijn kant door de van Hem afkomstige genade bekeert. De Apostel zegt immers: “Misschien brengt God hen tot inkeer en tot erkenning van de waarheid, zodat zij tot bezinning komen en zich losmaken uit de strikken waarin de duivel hen gevangen houdt om zijn wil te doen” (2 Tim 2,25). Houd met een rotsvast en onwrikbaar geloof er aan vast dat iemand die niet wordt gehinderd door onbekendheid met de Schrift noch door een of andere ontoegankelijkheid of door welke andere hindernis dan ook, de woorden van de Heilige Wet en van het Evangelie weliswaar te lezen of uit de mond van een of andere prediker te vernemen, toch niet de goddelijke wetten kan gehoorzamen, als niet God hem met zijn genade voorafgaat, zodat hij, hetgeen hij met zijn zintuigen verneemt, ook met het hart begrijpt en, na van God de goede wil en de kracht te hebben ontvangen, vastbesloten en in staat is de geboden van God te onderhouden!  “Want noch hij die plant betekent iets, noch hij die begiet, maar alleen God die de wasdom geeft” (1 Kor 3,7), die ook in ons het willen en het werken teweegbrengt om zijn heilsplan te verwezenlijken (Fil 2,13).
S. Fulgentii Ruspensis De Fide 32-32

Zaligheid niet door de vrije wil, maar alleen door de genade van God
Kan dat deel van het menselijk geslacht aan wie God de verlossing en het bezit van Zijn eeuwig koninkrijk heeft beloofd, door verdiensten van eigen werken worden hersteld? Onmogelijk! Want welk goed zou hetgeen bedorven is tot stand kunnen brengen, indien het tevoren niet uit zijn staat van bederf zou verlost zijn? Zou dit kunnen bereikt worden door een vrije beschikking van de menselijke wil? Ook dat is onmogelijk! Want de mens misbruikte zijn vrije wilsbeschikking en richtte zichzelf en daarmee tegelijkertijd zijn wil ten gronde. Evenals iemand, die zelfmoord pleegt, terwijl hij nog leeft, zichzelf doodt, maar door zichzelf te doden niet meer leeft en zichzelf niet meer na de zelfmoord ten leven kan opwekken, zo ook wordt, nadat door een vrije wilsbeschikking de zonde wordt bedreven, de zonde heerseres en gaat de vrije wil verloren: (1) “door wie men overwonnen is, van hem is men de slaaf” (2 Pe 2,19). Dit althans is de zienswijze van de apostel Petrus. En omdat dit inzicht juist is vraag ik hoe groot kan dan de vrijheid zijn van de knecht, die de onderdaan van de vijand werd; zij kan alleen daarin bestaan dat hij vreugde vindt in de zonde. Uit vrije wil is hij knecht, die graag de wil van zijn heer doet. Zo ook is degene, die knecht van de zonde is, vrij om te zondigen. ij zal dus niet vrij zijn tot rechtvaardig handelenHij zal dus niet vrij zijn tot rechtvaardig handelen, tenzij hij, bevrijd van de zonde, begint met knecht van de rechtvaardigheid te worden. Want in de vreugde om het rechtvaardig handelen bestaat de ware vrijheid en in gehoorzaamheid aan de wet het goddelijk knechtschap. Vanwaar echter zou deze vrijheid komen, indien zij niet zou zijn teruggekocht door Hem, die zei: “Wanneer de Zoon u vrijmaakt, dan zult gij werkelijk vrij zijn?” (Jo 8,36). Hoe zou iemand zich bij een goed werk, zolang deze vrijmaking niet heeft plaats gehad, kunnen beroemen op zijn vrije wil? Hij bezit immers de vrijheid om een goed werk te verrichten nog niet, al verheft hij zich ook vol opgeblazen trots. Zo’n laster wordt echter door de Apostel afgewezen: “uit genade zijt gij gered door het geloof” (Ef 2,8).
En opdat niemand zich op zijn werken en evenmin op zijn vrije wilsbeschikking zou beroemen, alsof bij hem de verdienste begon, waaruit de vrijheid om goed te handelen als een beloning moest volgen, luistere men naar het woord van diezelfde prediker van de genade [Paulus]: “want God is het  die in u zowel het willen als het werken teweegbrengt” (Fil 2,13). En elders zegt hij: “Het hangt dus niet af van de wil of de inspanning van de mens maar van Gods ontferming” (Rom  9,16); toch kan de mens die tot het gebruik van zijn verstand is gekomen, niet geloven, niet hopen en niet beminnen, indien hij niet wil en hij kan de palm van Gods hemelse roeping (cf Fil 3,14)  niet bereiken wanneer hij niet met inspanning van al zijn wilskracht daarnaar streeft. Wat zou dus het Schriftwoord: “Het hangt niet af van de wil of de inspanning van de mens maar van Gods ontferming” anders kunnen betekenen dan, dat ook de wil zelf, zoals geschreven staat “door de Heer bereid wordt gemaakt” (Spr 8,35).  Zou het Schriftwoord: “Het hangt niet af van de wil of de inspanning van de mens maar van Gods ontferming” uitgesproken zijn, omdat beide, de menselijke wil en Gods ontferming, samenwerken, dan zou men de tekst “Het hangt niet af van de wil of de inspanning van de mens maar van Gods ontferming” als volgt moeten verklaren: de menselijke wil alleen is onvoldoende wanneer de goddelijke ontferming niet te hulp komt. De goddelijke ontferming alleen is derhalve eveneens onvoldoende voor het geval de menselijke wil daar niet bij komt. Zo blijft dus alleen over dat men het Schriftwoord: “Het hangt niet af van de wil of de inspanning van de mens maar van Gods ontferming”, zó verstaat, dat het geheel aan God wordt toegeschreven. Hij bereidt de goede wil van de mens voor tot het aanvaarden van Zijn hulp en na hem zo te hebben voorbereid schenkt Hij nog daadwerkelijk Zijn hulp. Wij lezen immers in de H. Schrift: “Zijn barmhartigheid treedt mij tegemoet”
(Ps 59,11) en “Zijn barmhartigheid zal mij op de voet volgen” (Ps 23,6). Aan degene die niet wil, gaat zij vooraf, opdat hij zal willen; degene echter die wil, begeleidt zij, opdat hij niet tevergeefs zal willen.
S. Augustini, Enchiridion De Fide, Spe et Caritate (Handboekje over het geloof, de hoop en de liefde) 9,30-32
Voordat tijd en het universum werden geschapen, kende God eenieder van ons.  Van alle mogelijke werelden die Hij zou kunnen hebben geschapen, koos Hij ervoor om deze ene te scheppen, waarin Hij ons op het juiste moment in Zijn plan vormde dat Hij voorzag als nodig voor ons.  Samen met het bestaan geeft Hij ons werk te doen, en schenkt Hij de genaden om het te doen.  Als wij meewerken, zijn wij rijk (vloeien wij over) vanwege Gods werken in ons, door de goede werken die Hij verdienstelijk maakt.  Zij vloeien van ons uit vanwege Zijn vrijgevigheid.
Sint Augustinus van Hippo (+ 430), die zich inspande de dwalingen van het Pelagianisme te weerleggen, schreef in een monumentaal belangrijke brief aan de Romeinse priester Sixtus (later paus Sixtus in 432):
"Welke verdienste, vervolgens, heeft een mens ten opzichte van de genade, waardoor hij genade zou kunnen ontvangen, wanneer ieder van onze goede verdienste in ons alleen wordt voortgebracht door de genade, en als God, onze verdiensten kronend, niets anders kroont dan zijn eigen gaven aan ons?" (Ep. 194, 5, 19)
Om over te kunnen vloeien, moeten wij buigen en moeten we doorbuigen. Wanneer wij onze wil doorbuigen naar Gods wil en plan, in het bijzonder zoals deze zich manifesteert door middel van de leringen en disciplines van de Heilige Kerk, verliezen we niets van ons zelf of onze gewaardeerde "vrijheid".  In feite worden we vrijer in ons “zelf geketend-willen-zijn-aan-God”.
Paus Benedictus XVI nam een thema over dat paus Johannes-Paulus II vanaf het begin van zijn pontificaat propageerde, “Wees niet bang! Doe  de deuren wijd open voor Christus!”, toen hij in april 2005 tijdens zijn homilie bij de Inaugurale Mis van zijn pontificaat zei:
Hebben we niet allemaal op de een of andere manier angst dat, als we Christus helemaal in ons toelaten, als we ons helemaal voor Hem openstellen, Hij iets van ons leven kan wegnemen? Zijn we niet bang dat we dan van iets groots, iets unieks moeten afzien dat het leven zo mooi maakt? Lopen we dan niet het risico in benauwenis terecht te komen en onze vrijheid kwijt te raken? . . . Nee! Wie Christus binnenlaat, verliest niets, niets - absoluut niets van wat het leven vrij maakt, mooi en groots. Nee! Alleen in deze vriendschap gaan de deuren van het leven wagenwijd open. Alleen in deze vriendschap ontsluiten zich pas werkelijk de grote mogelijkheden van het menszijn. Alleen in deze vriendschap ervaren wij wat mooi is en wat vrij maakt.

(1)    De vrije wil gaat natuurlijk niet volledig verloren, maar er treedt een verzwakking in van de wil  en in die zin kan gesproken worden van verlies, zoals Augustinus verduidelijkte.  verderop.


zondag 26 januari 2025

Overweging bij lezingen Derde Zondag door het jaar - 2025 jaar C - Laten wij dit verhaal weer doorgeven aan anderen!


De tijd waarin Lucas zijn evangelie schreef, was een tijd van overgang en doorbraak. In de Kerk hadden zich verschillende groeperingen gevormd. Verschillende tendensen deden zich binnen de Kerk gelden en door deze nieuwe stromingen ontstond er bij veel christenen een grote onzekerheid en twijfel in het geloof. Zo was de situatie en Lucas wilde door zijn evangelie de christelijke gemeenschappen helpen om trouw te zijn aan het geloof.

Hij is bezorgd om de eenheid en de geloofwaardigheid van de blijde boodschap. Hij grijpt terug naar de traditie, want hoe meer je teruggaat naar de bron, hoe helderder het water is.

Hij verzamelt zorgvuldig de verhalen over Jezus en zijn leven. Lucas vond al deze getuigenissen zo belangrijk, dat hij ze niet alleen verkondigde, maar hij wilde ze ook voor het nageslacht bewaren. Daarom schreef hij zijn evangelie.

Lucas wil ons een boodschap vertellen die nog altijd gebeurt. Hij getuigt dat de liefdevolle God nog altijd onder ons werkzaam is. Wat Jesaja voorspeld had, gebeurt nu, vandaag. De heilstijd ís definitief  doorgebroken ... Jezus wendt zich tot alle mensen. Als God zich openbaart, is er geen discriminatie meer. Wij leven in de tijd van de doorbraak van de Geest, die een nieuwe heilsorde bewerkt. In die wereld moet er plaats zijn voor de armen, voor de kleinen, voor de verdrukten ...

Dit jaar gaan we met Lucas op weg en vertellen ons verhaal van Jezus´ goedheid en menslievendheid. Wij vertellen ons verhaal van bevrijding en gerechtigheid. Wij zullen het verhaal van Lucas weer opnemen, want dat verhaal is nog niet af. Wij zullen het verder schrijven met onze daden van liefde.

Nu wij het begin van het evangelie van Lucas gehoord hebben, nu wij het begin kennen van het verhaal over Jezus, zullen wij dit verhaal weer doorgeven aan anderen, zodat het ook verder verteld kan worden.


Lezingen H. Mis 3e zondag door het jaar C - Het Schriftwoord is thans in vervulling gegaan.


Eerste lezing
: Neh. 8, 2-4a. 5-6. 8-10

In die dagen bracht de priester Ezra, het boek van de wet

voor de vergadering

van mannen en vrouwen

en van allen die de voorlezing konden volgen.

Het was de eerste dag van de zevende maand

Vanaf de dageraad tot de middag las Ezra voor uit het boek

op het plein voor de Waterpoort

ten aanhoren van mannen en vrouwen

en van allen die het konden volgen.

Het volk luisterde aandachtig

naar de voorlezing van het wetboek.

Ezra, de schriftgeleerde, ging op een houten verhoog staan

dat voor die gelegenheid opgeslagen was.

Ten aanschouwe van heel het volk,

hij stak immers boven allen uit,

opende Ezra het boek.

Op dat ogenblik gingen allen staan.

Ezra prees de heer, de grote God,

en heel het volk antwoordde: “Amen, amen!”

De Levieten staken hun handen omhoog, zij bogen het hoofd

en zij aanbaden de Heer

met het gezicht tegen de grond.

Zij lazen uit het boek van Gods wet,

legden het uit en verklaarden de betekenis,

zodat allen de lezing verstonden.

Vervolgens zeiden Nehemia, de landvoogd,

Ezra de priester en schriftgeleerde

en de levieten die de uitleg gaven tot heel het volk:

“Deze dag is aan de Heer, uw God, gewijd.

Gij moogt dus niet treurig zijn en niet wenen.”

Het hele volk was namelijk in tranen uitgebarsten

toen het de woorden van de wet hoorde.

En ze zeiden hun:

“Komt, gaat lekker eten en drinkt er zoete wijn bij

en deelt ervan mee aan wie niets heeft,

want deze dag is aan onze Heer gewijd.

Weest niet bedroefd, maar de vreugde die de Heer u schenkt zij uw kracht.”


Tweede lezing: 1 Kor. 12, 12-30 of 12-14.27

Broeders en zusters,

Het menselijke lichaam

vormt met zijn vele ledematen één geheel;

alle ledematen, hoe vele ook, maken te zamen één lichaam uit.

zo is het ook met Christus.

Wij allen, Joden en Grieken, slaven en vrijen

zijn immers in de kracht van een en dezelfde Geest

door de doop één enkel lichaam geworden

en allen werden wij gedrenkt met één Geest.

Een lichaam bestaat nu eenmaal niet uit één lid

maar uit vele leden.

(Veronderstel dat de voet zegt:

“Omdat ik geen hand ben

behoor ik niet tot het lichaam.”

Behoort hij daarom niet tot het lichaam?

En veronderstel dat het oor zegt:

“Omdat ik geen oog ben

behoor ik niet tot het lichaam.”

Behoort het daarom niet tot het lichaam

Als het hele lichaam oog was

waar bleef dan het gehoor?

Als het helemaal gehoor was

waar bleef de reuk?

In werkelijkheid echter heeft God de ledematen en organen

elk afzonderlijk hun plaats in het lichaam aangewezen

zoals Hij het gewild heeft.

Als zij alle samen één lid vormden

waar bleef dan het lichaam?

In feite echter zijn er vele ledematen,

maar slechts één lichaam.

Het oog kan niet tot de hand zeggen:

“Ik heb je niet nodig.”

en evenmin het hoofd tot de voeten

“Ik heb je niet nodig.”

Nog sterker:

juist die delen van het lichaam die het zwakst schijnen te zijn

zijn onmisbaar.

En die wij beschouwen als minder eerbaar

omgeven wij met grote eer.

Onze minder edele ledematen worden

met groter kiesheid behandeld,

de andere hebben dat niet nodig.

God heeft het lichaam zo samengesteld

dat Hij aan het mindere méér eer gaf

opdat er in het lichaam geen verdeeldheid zou zij

en de ledematen eendrachtig voor elkaar zouden zorgen.

Wanneer één lid lijdt

delen alle ledematen in het lijden;

wordt één lid geëerd,

alle delen in de vreugde.)

Welnu, gij zijt het lichaam van Christus

en ieder van u is een lid van dit lichaam.

(Nu heeft God in de kerk allerlei mensen aangesteld:

ten eerste apostelen,

ten tweede profeten,

ten derde leraars;

voorts zijn er wonderkrachten

dan gaven van genezing, hulpbetoon, bestuur en velerlei taal.

Zijn soms allen apostelen,

allen profeten, allen leraars,

allen wonderdoeners?

Hebben allen gaven van genezing?

Spreken allen in vervoering?

Kunnen allen uitleg geven?)


Evangelie: Lc. 1, 1-4; 4, 14-21

Reeds velen hebben getracht

de gebeurtenissen te verhalen

die onder ons hebben plaats gevonden,

aan de hand van de gegevens welke ons werden overgeleverd

door mensen die van het begin af aan ooggetuigen waren

en in dienst van het woord zijn getreden.

Vandaar, edele Teofilus, dat ook ik besloot

– na van meet af aan alles nauwkeurig te hebben onderzocht –

voor u een ordelijk verslag te schrijven,

met de bedoeling u te doen zien

hoe betrouwbaar de leer is waarin gij onderwezen zijt.


In die tijd keerde Jezus in de kracht van de Geest

uit de woestijn terug naar Galilea

en men sprak over Hem in heel de streek.

Hij trad nu op als leraar in hun synagogen

en werd algemeen geprezen.

Zo kwam Hij ook in Nazaret, waar Hij was grootgebracht.

Hij ging volgens zijn gewoonte

op de sabbatdag naar de synagoge

en stond op om voor te lezen.

Ze reikten Hem de boekrol van de profeet Jesaja aan.

Hij opende de rol

en vond de plaats waar geschreven stond:

“De Geest des Heren is over Mij gekomen,

omdat Hij Mij gezalfd heeft.

Hij heeft Mij gezonden

om aan armen de Blijde Boodschap te brengen,

aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken

en aan blinden dat zij zullen zien:

om verdrukten te laten gaan in vrijheid,

om een genadejaar af te kondigen van de Heer.”

Daarop rolde Hij het boek dicht,

gaf het terug aan de dienaar en ging zitten.

In de synagoge waren aller ogen gespannen op Hem gevestigd.

Toen begon Hij hen toe te spreken:

“Het Schriftwoord dat gij zojuist gehoord hebt

is thans in vervulling gegaan.”


Adorate Deum - Introitus Dominica III per annum

zondag 23 januari 2022

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Dominica III per annum Ad Officium lectionis Christus præsens adest Ecclesiæ suæ




Lectio altera
Ex Constitutióne Sacrosánctum Concílium Concílii Vaticáni secúndi de sacra Liturgía
(Nn. 7-8. 106)
Tweede lezing
Uit de Constitutie ‘Sacrosanctum Concilium’ van het 2de Vaticaans Concilie over de Heilige Liturgie

Christus is tegenwoordig in zijn Kerk

Christus is altijd aanwezig in zijn Kerk, vooral in de liturgische handelingen. Hij is tegenwoordig in het Misoffer, zowel in de persoon van de bedienaar - Hij, die zich nu offert in de bediening van de priesters, is dezelfde als die zich toen offerde op het kruis -, vooral ook is Hij tegenwoordig onder de eucharistische gedaanten. Hij is door zijn kracht echt aanwezig in de sacramenten, zodat, wanneer iemand doopt, Christus zelf doopt. Hij is echt aanwezig in zijn woord, omdat, wanneer de Heilige Schrift in de Kerk gelezen wordt, Hij zelf spreekt. Hij is tenslotte echt aanwezig, als de Kerk bidt en psalmen zingt, omdat Hij gezegd heeft: Waar er twee of drie in mijn naam vergaderd zijn, daar ben Ik in hun midden. Inderdaad toch, in dit grote werk, waardoor God volmaakt verheerlijkt wordt en de mensen worden geheiligd, verenigt Christus zich steeds met de Kerk, zijn zeer geliefde Bruid, wanneer zij haar Heer aanroept en door Hem aan de eeuwige Vader haar eredienst aanbiedt.
Daarom wordt de Liturgie terecht gezien als de uitoefening van het Priesterschap van Jezus Christus, waarin door de uitwendig waarneembare tekenen de heiliging van de mens wordt betekend en tegelijk ook op een wijze, aan ieder teken eigen, wordt verwezenlijkt; hierin wordt door het mystieke Lichaam van Christus, het Hoofd namelijk met zijn ledematen, de volledige en openbare eredienst uitgeoefend.
Derhalve is iedere liturgische viering, als het werk van Christus, Priester, met zijn Lichaam, dat de Kerk is, een bij uitstek heilige handeling. Geen enkele andere handeling van de Kerk is op gelijke titel of in dezelfde mate aan de krachtdadigheid van deze viering gelijk.
Bij de aardse liturgie hebben wij al bij wijze van voorsmaak deel aan de hemelse, die in de heilige stad Jeruzalem gevierd wordt, waarheen wij als pelgrims naar toe streven en waar Christus is gezeten aan de rechterhand Gods als Bedienaar van het heiligdom en van de ware Tabernakel; met heel het hemels heir zingen wij voor de Heer het loflied van zijn glorie. Terwijl wij de gedachtenis der heiligen vereren en hopen eens hun gezelschap te mogen delen, verwachten wij de Verlosser Onze Heer Jezus Christus totdat Hij zelf verschijnt als ons leven en wij met Hem zullen verschijnen in de heerlijkheid.
Steunend op haar apostolische traditie, die wortelt in de dag zelf van Christus’ Verrijzenis, viert de Kerk het Paasmysterie op iedere achtste dag, die daarom ook terecht de ‘Dag des Heren’ wordt genoemd. Op die dag immers moeten de gelovigen samenkomen, om het woord Gods te aanhoren en de Eucharistie te vieren, het lijden, de verrijzenis en de heerlijkheid van de Heer Jezus te gedenken, en God te danken, die hen heeft doen herboren worden tot een nieuw leven van hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de doden. Aldus is de dag des Heren de oorspronkelijke feestdag, die de gelovigen in hun godsdienstzin moet worden voorgehouden en ingescherpt, zodat die dag tegelijk ook een dag wordt van vreugde en van vrij zijn van arbeid. Alleen die kerkelijke feesten, die werkelijk van het grootste gewicht zijn, mogen de voorrang hebben boven de Dag des Heren, omdat deze het fundament is en de kern van heel het liturgisch jaar.





Reeks Oratio super munera - Derde zondag door het jaar

Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven”
Derde zondag per annum / door het jaar

Laat deze gaven heilzaam voor ons zijn.


Christus ontvangt brood en wijn voor de H. Eucharistie

I n l e i d i n g
De vraag waarom “onze gaven” heil kunnen bewerken, beantwoordt de oratie eenvoudig zelf. Zij vraagt God het ‘sacrificando’ te bewerken, dat wil zeggen door middel van de consecratie, waardoor de gaven Lichaam en Bloed van Christus worden. Het zijn weliswaar nog steeds onze gaven, omdat wij in het mysterie met Christus zijn verenigd. Maar het zijn ook de gaven van Christus, dezelfde, die Hij op het Kruis de Vader heeft geofferd. Na de consecratie komen de gaven in een heilige uitwisseling (sacrum commercium) tot en in ons terug met de geheimnisvolle werkingen van het heil, die de Heer heeft beloofd. “Wie Mijn Vlees eet en Mijn Bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag” (Jo 6, 54).
“Niets anders immers werkt de deelname aan het Lichaam en Bloed van Christus uit, dan dat wij veranderd worden in datgene, wat wij nuttigen; en dat wij Hem, in Wie wij medegestorven, medebegraven en medeverrezen zijn, in alle opzichten in onze geest en in ons vlees dragen, volgens het woord van de Apostel: “Gij zijt immers gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God. Maar wanneer Christus, uw Leven, verschijnen zal, dan zult gij ook verschijnen in de heerlijkheid tesamen met Hem” (Kol 3, 3 sqq), die met de Vader en de Heilige Geest leeft en heerst in de eeuwen der eeuwen” (S. Leonis Magni Sermo 63, 7).
“En daarom bidden wij, dat ons Brood, dat is Christus, ons dagelijks wordt gegeven, dat wij, die in Christus verblijven en leven, ons van zijn heiliging en Lichaam niet verwijderen” ( S. Cyprianus, De oratione dominica, 18).
T e k s t
Missale Romanum – 1970
Munera nostra, Domine, suscipe placatus,
quæ sanctificando nobis, quæsumus,
salutaria fore concede.
Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie - 1979
Heer, aanvaard in uw goedheid dit brood en deze wijn.
Heilig deze gaven en laat ze heilzaam voor ons zijn.

Werkvertaling
Heer, aanvaard goedgunstig onze gaven,
[en] verleen, bidden wij, dat deze, doordat ze geheiligd worden,
voor ons heilzaam zullen zijn.

L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n
Het Gebed super munera is afkomstig uit Sacramentarium Leonianum, 529, dat berust in de Kapittelbibliotheek Verona, LXXXV, 2e helft 6e eeuw. Het gebed was niet opgenomen in het Missale Romanum van 1962.

S t r u c t u u r a n a l y s e 

1. Munera nostra, Domine, suscipe placatus,
2. quæ sanctificando nobis, quæsumus,
salutaria fore concede.

De oratie bestaat uit één enkele zin, op te splitsen in twee halfzinnen, elk met een imperativusvorm als gezegde, elk met een bede, waarbij het object van de bede in de tweede halfzin afhankelijk is van de genadevolle aanneming van de offergaven door God in de eerste halfzin. De tweede halfzin wordt ingeleid door het relativum quæ en heeft als antecedent de munera nostra in de eerste halfzin. Het vertalen van dit relativum levert enigszins problemen op. Men kan derhalve kiezen uit de volgende twee mogelijkheden:
1. Beschouw het zinsdeel dat door quæ wordt ingeleid als een nieuwe zin, waardoor quæ de functie van relatieve aansluiting krijgt. Om de verbinding met de munera nostra te verduidelijken gebruikt men de coniunctie ‘en’ en verandert men het relativum in een persoonlijk voonaamwoord ‘ze’. Men leest dan: En verleen (ons), wij bidden u, dat ze door het heiligen, heilzaam zullen zijn (voor ons).
2. Quæ behoudt de functie van relativum en vertaal daartoe de imperativus met ‘U moet toestaan’. Men leest dan: de gaven, die U moet toestaan heilzaam (voor ons) te zullen zijn, door ze (voor ons) te heiligen. Door deze vertaling krijgt de imperativus echter een haast ongepaste toon. 

Ad 1
Suscipe, - aanvaard, neem aan, gezegde in de imperativusvorm van het verbum sucipere, 3. Deze imperativus vraagt God de gaven van de Kerk, haar offers, haar aanbidding en gebeden aan te nemen of te ontvangen. Ook hier mildert de losse werkwoordsvorm quæsumus het imperatieve karakter. Dezelfde functie heeft quæsumus bij de tweede imperativusvorm concede.
Munera nostra, onze gaven – object in twee congruerende accusativusvormen in het onzijdig meervoud.
Domine, [o] Heer – anaklese van Dominus, mooi geplaatst in het midden van de openingszin en – bede.
Ad 2 quæ sanctificando nobis, quæsumus,
salutaria fore concede.
Concede, verleen, geef, in de imperativusvorm van concedere 3. Zie Vocabularium. De  werkwoordsvorm quæsumus vormt een tussenzin.
Quæsalutaria fore: een a.c.i. (accusativus cum infinitivo-constructie) waarbij het relativum quæ (onzijdig meervoud) munera (r.1) als antecedent heeft.
Salutaria fore:  fore = koppelwerkwoord in de futurumvorm van het verbum esse vergezeld van het prædicaatsnomen salutaria dat congrueert met het antecedent munera.
Salutaria: pluralis neutrum van de adiectivumvorm salutaris, - e, heilzaam, reddens.
Sanctificando nobis, bijwoordelijke bepaling, samengesteld uit de gerundiummodus van het passieve verbum sanctificari in de ablativusvorm (causæ of instrumentalis) en uit de dativusvorm nobis (van voordeel, dativus commodi), te vertalen als: geef dat deze, door ze ten bate van ons te heiligen…De dativumvorm nobis kan ook inhoudelijk bij salutaria fore worden betrokken.

V o c a b u l a r i u m

Munera, gaven, offergaven, van munus, -eris N. Munus - of zijn varianten oblata, sacrificia, dona - is de meest voorkomende naam voor het object van de Gebeden over de gaven. Afhankelijk van de context kan munus verwijzen naar een officiële dienst of een rituele act (33e zondag), naar offergaven– inclusief materiële giften voor het offer (3e, 4e, 9e, 15e, 17e , 19e, 20e, 25e zondag)  of ook naar het eigenlijke offer (16e zondag). Verder kan het begrip munus verwijzen naar genade, of naar Gods gave aan ons.

Placatus, adiectief afkomstig van het verbum placare met de betekenis: verzoenen, bevredigen, tot bedaren brengen. De passieve vorm placari betekent zich laten verzoenen.
Vier maal komt dit begrip voor in de oratio super munera in de tijd door het jaar respectievelijk op de zondagen III, IV, XIX en XXXII. Het geeft een status of een conditie aan van verzoend zijn met, tevreden gesteld met, of in vrede.
Placatus is gerelateerd aan propitius en heeft dan ook betekenissen zoals gunstig gestemd, genadig, vriendelijk gestemd tegenover het offer van de Kerk.

Concede: deze imperatiefvorm van het verbum concedere 3, concessi, concesssum (herinner u ons ‘Nederlands’ woord concessie)  die in vijf orationes super munera voorkomt, heeft in het liturgisch taalgebruik positieve betekenissen zoals verleen, geef, schenk. In negatieve zin betekent dit verbum verbeuren, verspelen, zich compromitteren. In beide betekenissen omvat concede een zich welwillend, minzaam neerbuigen van de kant van God waarbij Hij genadig het offer de gevraagde uitwerking verleent.

Sanctificare komt in de orationes super munera op de zondagen per annum viermaal voor (III, XVI, XVII en XVIII) en betekent heilg-maken, heiligen. Het verbum staat op twee manieren in relatie met de gaven: ofwel de gaven zelf worden geheiligd – hæc dona sanctifica, heilig deze gaven  (XVIIIe zondag) – ófwel het offeren van deze gaven heiligt hen die deze offeren - præsentis vitæ nos conversatione sanctificent, opdat [deze mysteries] ons leven hier op aarde heiligen  (XVIIe zondag).

B e k n o p t  c o m m e n t a a r

De oratie verwijst naar de offergaven van brood en wijn (aldus benoemd door de Nederlandse vertaling in het AM), maar anticipeert ook op de dank en lof in het Eucharistisch Gebed. Het gebed over de Gaven vormt immers als het ware een scharnier tussen Offerande en Eucharistisch Gebed. Aanwijzing hiervoor is het meervoud “munera” en de frase “quæ sanctificando nobis, quæsumus, salutaria fore concede”. Hier worden álle eucharistische handelingen en niet alleen de aanbieding van de materiële elementen beschouwd als de offergaven die geheiligd en daardoor tot heilsmiddelen zullen worden.
Door wie worden de offergaven specifiek geheiligd? Daarover lichten de ‘Constitutiones apostolicæ’ (1) ons in: “Zend uw Heilige Geest over deze gaven, getuige van het lijden van de Heer Jezus, opdat Hij dit brood in het lichaam van uw Christus, en deze kelk in het bloed van Uw Christus consacrere” (VIII, 12).
De Eucharistische Gebeden II,III en IV van de Ordo Missæ wijzen naar dezelfde auctor mysterii, de Bewerker van het Mysterie. Het Eucharistisch Gebed  II zegt: “Heilig dan deze gaven met de dauw van uw Heilige Geest, dat zij voor ons worden tot Lichaam en Bloed van Jezus Christus onze Heer”.
En het Eucharistisch Gebed III: “In alle ootmoed vragen wij U ze [deze gaven] te heiligen door uw Geest, en ze Lichaam en Bloed te doen zijn van Jezus Christus” en in IV bidt de Kerk: “Daarom smeken wij U, Heer, dat uw Heilige Geest deze offergaven wil bezielen (de Latijnse tekst geeft hier sanctificare), opdat zij het Lichaam en Bloed worden van onze Heer Jezus Christus”.

De oratie van deze zondag vraagt God dat de heiligende kracht van de sacrale offerritus heilzaam mag zijn voor degenen die deelnemen aan de liturgie: “.. quæ sanctificando nobis, quæsumus, salutaria fore concede”. Het is de genade van de kant van God die het offer naar zijn voltooiing leidt in de H. Communie en in haar uitwerkingen. Door genade worden de liturgische handelingen voltooid en ook de uitgesproken woorden vormen de aanzet tot voortdurende zuivering en heiliging van hen die de H. Communie ontvangen en ook tot de uiteindelijke vervulling van de liturgische gedachtenisviering die is: eeuwig heil en zaligheid bij God. Laten wij alles doen wat in ons vermogen ligt om deze heiliging waardig te zijn.

(1)   Ook Apostolische Constituties genoemd: belangrijke canonieke en liturgische verzameling uit ca 380 van anonieme hand, onder andere geput uit de Didachè, de Traditio apostolica en de Didascalia.

 Geraadpleegde auteurs: J. Pascher + en G. A. Nursey.  

Oratio post Communionem – Gebed na de Communie (Postcommunio) Dominica tertia per annum Derde zondag door het jaar



 Het Laatste Avondmaal.
Mozaïek in de S. Apollinare Nuovo, Ravenna (vóór 529)

Geef dat wij ons altijd over Uw levend makende genade blijven verheugen.
  
I n l e i d i n g
Tegen de achtergrond van Christus’ belofte: “Wie mijn Vlees eet en mijn Bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag” (Jo 6, 54), is het niet moeilijk de tekst van de Postcommunio van deze zondag te begrijpen.
“Munus”, de “gave” Gods waarvan hier sprake is, is de Heilige Communie. Wanneer wij het Lichaam en Bloed van de Heer nuttigen, ontvangen we de ‘genade van de levendmaking’ (“gratia vivificationis”).
Het Lam Gods, Jezus, voert de mensen naar de bron des levens. Tot deze bron behoort de Heilige Schrift, de ‘Tafel van het woord’ zoals we bij de bespreking van de Postcommunio op het feest van Jezus’ Doop hebben gezien. In dit woord spreekt God Zelf tot ons  en leert ons hoe we als christenen moeten leven. Tot de bron van het leven behoort veeleer en in eigenlijke zin Jezus Zelf, in wie God zich aan ons schenkt, met name, en in de meest specifieke zin in de H. Communie, waarbij we als het ware direct uit de bron des levens kunnen drinken. God komt Zelf naar ons toe en verenigt zich met een ieder van ons. We zien het ook: door de H. Eucharistie, het sacrament van de H. Communie – van de communio – vormt zich een gemeenschap die grenzen, talen en rassen overschrijdt, een Kerk wereldwijd, waar God met ons spreekt en leeft. Zo moeten we de H. Communie ook ontvangen: als een ontmoeting met Jezus, met God Zelf, die ons tot de bronnen van het ware leven voert. Deze genade kan ons niet anders dan met vreugde vervullen. De oratie houdt echter rekening met onze door de erfzonde verzwakte ontvankelijkheid, wanneer zij gelooft om die vreugde te moeten bidden.

 T e k s t
Missale Romanum [MR] 1970
Præsta nobis, quæsumus, omnipotens Deus,
ut, vivificationis tuæ gratiam consequentes,
in tuo semper munere gloriemur.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie 1979
Almachtige God,
wij hebben van U de genade ontvangen die ons in leven houdt.
Wij bidden U: laat ons altijd dankbaar blijven voor uw gaven.

Werkvertaling
Verleen ons, vragen wij [U], almachtige God,
dat wij, die de genade van uw levendmaking deelachtig worden,
ons altijd over uw gave kunnen verblijden.

L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n
De brontekst van de Postcommunio van deze zondag wordt gevonden in het Sacramentarium Gelasianum Vetus (Vat. Reg. Lat. 316) 545,  dat dateert uit de eerste helft van de achtste eeuw. In MR 1962, 840 was dit de Postcommunio van het misformulier van de IIe zondag na Pasen.

G e t u i g e n i s s e n  v a n  d e  V a d e r s
H. Fulgentius van Ruspe (460-533)
(Contra gesta Fabiani, 28, 16-19 in CCL 19A, 813-814)
Christus is uit liefde voor ons gestorven. Daarom vragen wij, telkens als wij zijn dood gedenken in het Offer, dat Hij ons zijn liefde schenkt door de komst van de Heilige Geest. Met aandrang bidden wij dat door de liefde waarmee Christus zich voor ons heeft laten kruisigen, en door de genade van de Heilige Geest, wij de wereld als gekruisigd mogen beschouwen voor ons, en onszelf laten kruisigen voor de wereld. [ …] ‘Zo moeten ook wij eeen nieuw leven leiden’ en nu wij de genade van de liefde ontvangen hebben, sterven voor de wereld en leven voor God.

H. Cyrillus van Alexandrië (378-444)
(Commentarium in Ioannis Evangelium IV, 2)
Ik heilig Mij, zegt Hij [Christus] , dat wil zeggen; Ik wijd Mij U toe en offer Mij als een onbevlekte offerande tot aangename geur. Want datgene werd geheiligd of volgens de wet heilig genoemd, wat op het altaar werd geofferd. Christus nu gaf zijn Lichaam voor het leven van allen, en door Hemzelf schonk Hij ons weer het leven; en op welke wijze Hij dit deed, zal ik u naar vermogen uiteenzetten.
Nadat het leven-makende Woord Gods inwoonde in het vlees, heeft Het dit tot zijn eigen goed, dit is tot zijn leven, omgevormd, en nadat Het op een geheel onuitsprekelijke wijze ermee was verenigd, heeft Het dat vlees ook leven-makend gemaakt, niet anders dan Het [Woord] Zelf volgens zijn natuur is.
Derhalve maakt het Lichaam van Christus hen levend, die aan zijn Lichaam deelhebben. Want Het verdrijft de dood, wanneer Het bij hen, die aan de dood onderworpen zijn, is en neemt het bederf weg, omdat Het in zichzelf de reden veroorzaakt, die het verderf volkomen doet verdwijnen.

S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l f i g u r e n
1. Præsta nobis, quæsumus, omnipotens Deus,
2a.ut,  3. vivificationis tuæ gratiam consequentes,
2b. in tuo semper munere gloriemur.

De oratie bestaat uit één enkele doorlopende zin die samengesteld is uit een hoofdzin (regel 1) waarin God middels een imperativusvorm, verzacht door de toevoeging van quæsumus in een tussenzin,wordt aangesproken met een alleen op Hem toepasselijk epitheton: omnipotens gevolgd door een finale/doelaanwijzende respectievelijk consecutieve / gevolgaanduidende bijzin in de coniunctivusvorm, ingeleid door het voegwoord ut (2a-2b), welke bijzin wordt onderbroken door een kwalitatieve bijzin die het in de verba quæsumus en gloriemur opgesloten subject nader illustreert.
Ad 1
Præsta, verleen, schenk, geef, - prædicaat in de imperativusvorm van het verbum præstare,  gemilderd door quæsumus; Nobis, (aan) ons – bijwoordelijke bepaling/meewerkend voorwerp in de dativus pluralis van het pronomen personale nos.
Omnipotens Deus, almachtige God - adres in twee congruerende vocativusvormen. Wanneer God (Deus / Dominus) wordt aangesproken in de oraties wordt dikwijls een epitheton (een nadere kwalificatie of omschrijving) toegevoegd dat meestal verwijst naar een van zijn goddelijke eigenschappen. Het meest voorkomend en exclusieve is wel omnipotens dat ook figureert in het bijbels Latijn. Begrippen van dezelfde familie: potens, potentia, potenter.
Ad 2a-2b
Finale / consecutieve bijzin, ingeleid door het voegwoord ut, in de coniunctivusvorm, die de eigenlijke bede bevat, namelijk het zich ten alle tijd kunnen verheugen over Gods gave: God Zelf in de Eucharistische spijs. De coniunctivusvorm is als een potentialis vertaald: In potentie is het mogelijk, geholpen door de de levenschenkende genade ons over de H. Communie te verblijden.
Gloriemur, op-/zodat wij ons verheugen/verblijden – prædicaat in de 1e persoon pluralis van het præsens coniuntivi passivi van het deponens gloriari.
In tuo munere, in/over uw gave – bijwoordelijke bepaling bij het prædicaat gloriemur in twee congruerende ablativusvormen, als ‘object’ van het prædicaat.
Semper, altijd, - bijwoordelijke bepaling van tijd.
Ad 3
Bijzin met prædicaat consequentes in de nominativus pluralis van het participium præsentis consequens die het subject wij opgesloten in de verba quæsumus(r.1)  en gloriemur (r. 2b) nadert illustreert en die kan worden vertaald als een relatieve bijzin: op-/zodat wij, die de levendmakende genade ontvangen, altijd in uw Gave onze roem stellen. 

S t i j l f i g u r e n
Hyperbaton (uiteenplaatsing) van tuo  . . .  munere (r. 2b)
Klankrijm in mu-nere en glorie-mu-r (r. 2b)
K l e i n  v o c a b u l a r i  u m
Vivificatio, - onis, f., letterlijk: het levend maken, de verlevendiging: een begrip dat door de  kerkvader Tertullianus (160-230) met Christus werd verbonden: vivificatio in Christo, en dat duidt op de werkzaamheid en het effect van de  genade wanneer men met Christus is verbonden. De H. Communie voedt en onderhoudt het geestelijk leven. Zoals het lichamelijk voedsel de verloren krachten hersteld, zo versterkt de H. Communie de liefde die in het dagelijks leven de neiging heeft te verzwakken; door zich aan ons te geven brengt Christus onze liefde tot nieuw leven en stelt Hij ons onder meer in staat te breken met onze ongeregelde hartstochten en gehechtheden om ons aan Hem te hechten.
De Postcommunio van de 6e zondag door het jaar vraagt “ut semper eadem [cælestia delicia] per quæ veraciter vivimus, appetamus”: om altijd te mogen verlangen naar deze hemelse gaven waardoor wij werkelijk leven. En op de 13e zondag door het jaar bidt de Kerk: “Vivificet nos, quæsumus, Domine, divina quam obtulimus et sumpsimus hostia”: Heer geef ons nieuwe levenskrachtdoor de heilige offergave die wij hebben opgedragen en genuttigd.
De Postcommunio-gebeden van de Paastijd geven uiteraard vele voorbeelden van dit concept waarvan de Postcommunio van donderdag in de 5e week de kern mooi weergeeft: “[Populum tuum ]…quem mysteriis cælestibus imbuisti, fac ad novitatem vitæ de vetustate transire”:  laat uw volk dat Gij in uw hemelse mysterie hebt ondergedompeld van het oude naar het nieuwe leven overgaan.

Consequor, consecutus sum, 2, dep.  is een interessant werkwoord dat onder andere betekent:  meteen volgen, achtervolgen, achterna gaan, aanwezig zijn, begeleiden, vergezellen, volgen” en ook “een voorbeeld volgen, kopiëren, gehoorzamen, volgzaam zijn”.  Het drukt “het volgen van een effect uit een voorafgaande oorzaak uit”: “to follow a preceding cause as an effect, voortvloeien, resulteren in, het gevolg zijn van, opkomen of voortkomen uit, bereiken, verlangen, verkrijgen, verwerven, deelachtig worden, treffen, ten deel vallen. 

Munus, - eris, N. – Dit begrip, specifiek en geëigend voor een gebed ‘post Communionem’,  kwam uitvoerig aan bod bij de bespreking van de Postcommunio van het feest van de Doop van de Heer in deze reeks.

Gloriari, gloriatus sum, 1, deponens. Letterl.: zich beroemen op, pralen, pochen. De associatie met de Brieven van de H. Paulus is evident: hij kent het “zich beroemen op” als een “ zich beroemen in de Heer”: “Wij mogen zelfs roem dragen op God door Jezus Christus, onze Heer” (Rom 5, 11). “Op niets anders wil ik roemen dan op het Kruis van onze Heer Jezus Christus, waardoor de wereld voor mij is gekruisigd en ik voor de wereld” (Gal 6, 14). Om dit roemen gaat het dan ook in de liturgie telkens wanneer dit woord gebezigd wordt en dat is dikwijls het geval. Het zijn de weldaden van God, waarop de biddende Kerk zich beroemt: “de perceptis beneficiis non in nobis, sed in tuo nomine gloriari” -  niet op onszelf te roemen over de ontvangen weldaden, maar op uw Naam” zegt Sacramentarium Leonianum (509). Aldus beschouwd is het zich (be) roemen” in feite een lofprijzing op God zoals bedoeld in de Postcommunio van vandaag.  Dit “gloriari” raakt inhoudelijk aan “gratulari”, een verbum dat vreugdevol danken betekent.
C o m m e n t a a r
In de pericope Jo 6, 48-58: Ik ben het Brood des levens, spreekt Jezus over het Eucharistisch Brood, dat men niet figuurlijk maar letterlijk moet nuttigen. Men nuttigt daarin zijn Vlees en Bloed, dat het geestelijk leven voedt en ons steeds inniger met Jezus verbindt. Dat hier een werkelijk eten bedoeld is, blijkt uit de vergelijking met het manna (Jo 6, 49), dat ook in letterlijke zin gegeten werd en uit het feit, dat men juist daartegen bezwaren oppert. Ondanks die bezwaren houdt Jezus aan de letterlijke zin vast, ook al trekken velen van zijn leerlingen zich terug.
De H. Eucharistie doet voor het geestelijk leven van de mens alles wat stoffelijk voedsel doet voor zijn lichaam. Maar het is de genade, die het leven van de ziel van de mens onderhoudt, herstelt en doet toenemen. Daardoor zal zij de mens beschermen tegen komende beproevingen en zonden.
De H. Eucharistie is ook het middel waardoor de mensen de eeuwige glorie van de aanschouwing van God bereiken. “Wie mijn Vlees eet en mijn Bloed drinkt, heef het eeuwige leven; en Ik zal Hem op de jongste dag doen verrijzen” (Jo 6, 54). Dit sacrament geeft de mens de glorie niet onmiddellijk. Maar het geeft hem Christus, door Wie hij de glorie kan verkrijgen.
‘Inlijving in Christus, bewerkstelligd door het Doopsel, wordt steeds hernieuwd en bevestigd door deelname aan het Eucharistisch Offer, vooral bij de volledige deelname die plaats vindt in de sacramentele Communie. We kunnen niet alleen zeggen dat ieder van ons Christus ontvangt, maar ook dat Christus ieder van ons ontvangt. Hij gaat vriendschap met ons aan: “Gij zijn Mijn vrienden” (Jo 15, 14). Dankzij Hem hebben wij het leven: “Hij die Mij eet, zal leven door Mij” (Jo 6, 57). Eucharistische gemeenschap brengt op verheven wijze tot stand dat Christus  in zijn volgelingen blijft en zij in Hem: “Blijft in Mij, zoals Ik in u” (Jo 15, 4)’.
(Joh.-Paulus II, Encycliek ‘Ecclesia de Eucharistia’, Over de Eucharistie in relatie tot de Kerk, 17 april 2003, nr. 22).
De transsubstantiatie van brood en wijn in het Lichaam en Bloed van Christus tijdens de consecratie is de vrucht van de persoonlijke overgave van Christus aan de Vader,  het geschenk van een liefde, die sterker is dan de dood, het geschenk van een goddelijke liefde die Hem van de dood deed opstaan. Daarom is de H. Eucharistie Spijs voor het eeuwige leven, Brood voor het eeuwige leven. De vereniging met Christus in de H. Communie is ook vereniging met al degenen aan wie Hij zich schenkt. We kunnen Christus niet alleen voor onszelf hebben; we kunnen Hem alleen toebehoren in gemeenschap met allen die de zijnen zijn geworden of zullen worden, inclusief degenen die dat tijdens hun aardse leven zijn geweest.
De heilige Augustinus helpt ons de dynamiek van de Eucharistische gemeenschap te begrijpen, wanneer hij zich op een bepaald visioen beroept, waarin Jezus hem zei: "Ik ben de spijs van de volwassenen: groei en U zult Mij eten. Maar U zult Mij niet veranderen in u, zoals de spijs van uw vlees, maar U zult veranderd worden in Mij" (Belijdenissen, VII, 10, 18). Terwijl dus de materiële spijs door ons organisme wordt opgenomen en zo tot ons onderhoud bijdraagt, gaat het bij de H. Eucharistie om een ander Brood: Niet wij nemen Het in ons op, maar Hij neemt ons in Zich op, zodat wij gelijkvormig aan Christus, ledematen van Zijn lichaam, een met Hem worden. Deze overgang is beslissend: omdat het immers Christus is die in de Eucharistische Communie ons in Hem verandert, gaat onze individualiteit in deze ontmoeting open, wordt zij bevrijd van haar egocentrische gerichtheid en ingevoegd in de Persoon van Jezus, die in de Trinitaire gemeenschap van Vader, Zoon en Heilige Geest is ingebed. Terwijl de Eucharistie ons op deze wijze met Christus verbindt, opent zij ons ook tegenover, maakt ons tot mede-ledematen die niet van elkaar zijn gescheiden maar één zijn in Hem. (Benedictus XZVI, Postsynodale Apostolische Exhortatie ‘Sacramentum caritatis’ 22 febr. 2007, vgl. nr. 70)

U i t  h e t  G r e g o r i a a n s  e r f g o e d

O PANIS DULCÍSSIME              
O zoetste Brood

O panis dulcíssime
O fidélis ánimæ
Vitális reféctio!

O zoetste Brood,
O leven-gevende verkwikking
voor de getrouwe ziel!

O Paschális víctimæ
Agne mansuetíssime
legális oblátio!
O zachtmoedigste Lam,
als Paasoffer geslacht
volgens de wet!

Jesu dilectíssime,
quæ sub panis spécie
veláris divínitus!
Liefste Jezus,
die onder de gedaante van Brood
schuil gaat door Gods macht!

Victu multifárie
récrea nos grátiæ
septifórmis Spíritus!
Sterk ons met het rijke voedsel
der zeven gaven
van de Heilige Geest!

Suméntem, cum súmeris,
quia non consúmeris,
ætérne vivíficas.
Wie U nuttigt, geeft Gij,
daar Gij wel genuttigd maar niet verteerd wordt,
eeuwig leven.

Nam reátum scéleris
dono tanti múneris
cleménter puríficas.
Want wie gezondigd heeft,
reinigt Gij door
deze grote gave goedgunstig

In te nos ut únias,
et virtúte múnias,
da te digne súmere.
Opdat Gij ons een maakt in U
en sterk maakt door uw kracht,

Ut carmáles fúrias
propéllens, nos fácias
tecum pie vívere.
Geeft dat wij U waardig ontvangen,
opdat Gij, de boze begeerte bedwingend,
ons met U in liefde laat leven.

Sic refécti póculis
sánguinis, et épulis
tuæ carnis óptimis.
Laat ons, zo gevoed door de kelk van uw Bloed
en de onvergelijkelijke Spijs van uw Lichaam,

Sæculórum sǽculis,
epulémur sédulis
invitáti ázymis. Amen.
Genodigd tot het eeuwig paasmaal,
in alle eeuwigheid
feest vieren. Amen.