Posts tonen met het label Postcommunio.. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Postcommunio.. Alle posts tonen

zaterdag 5 februari 2022

Oratio post Communionem – Gebed na de Communie (Postcommunio) Vijfde zondag door het jaar Eén worden in Christus en met blijdschap vruchten voortbrengen die heilzaam zijn voor heel de wereld.


Het Laatste Avondmaal.
Mozaïek in de S. Apollinare Nuovo, Ravenna (vóór 529)

Eén worden in Christus en met blijdschap vruchten voortbrengen die heilzaam zijn voor heel de wereld.

I n l e i d i n g
Net als de Postcommunio van de 2e zondag per annum, die Deo volente het volgend jaar wordt besproken,  heeft de Postcommunio van deze zondag betrekking op de pericope 1 Kor 10, 17:  quoniam unus panis unum corpus multi sumus omnes quidem de uno pane participamus /omdat het brood één is, vormen wij allen tesamen één lichaam, want allen hebben wij deel aan het ene brood. In het bewustzijn in Christus een lichaam te zijn, bidt de Kerk om vruchtbaarheid. Dit roept de gelijkenis van de wijnstok op, welke krachtig en beslist de noodzaak benadrukt vruchten voort te brengen. “Ik ben de wijnstok, gij de ranken. Wie in Mij blijft, brengt vele vruchten voort ( . . . ) Als iemand niet in Mij blijft, wordt hij weggeworpen als de rank, en verdort  (Vgl. Jo 15, 5.6). Dat  de oratie het 15e hoofdstuk van het Johannesevangelie voor ogen heeft, blijkt uit de bede “ut fructum afferamus” / opdat wij vrucht dragen - , die letterlijk steunt op het woord van Christus in dezelfde passage: “ Ik heb u de taak gegeven op tocht te gaan en vrucht te dragen: “ut fructum afferatis” (Jo 15, 16). Op deze plaats is er echter geen sprake meer van een gelijkenis, maar richt de Heer zich rechtstreeks tot zijn leerlingen, die nu niet langer dienaren zijn, maar vrienden zijn geworden. Hier is de ‘vrucht’ de arbeid arbeiden van de dienaren/vrienden.
Het vruchten voortbrengen “in blijdschap” (gaudentes) verwijst in de context van de gelijkenis van de wijnstok naar de jubel en de feestelijke vreugde bij de druivenoogst.
De Postcommunio van vandaag kan ook in bijzondere relatie worden gezien met de eucharistische kelk, waarop  de liturgie zo graag het psalmwoord toepast: “Calix meus inebrians quam præclarus est!”/ Hoe voortreffelijk is mijn van bruisende wijn overlopende kelk! (Ps 23, 5 Vulgaat).  Ook verwijzen de gebeden graag naar vers 14 van Psalm 103 (104), het loflied op God als Schepper: “(…) educens panem de terra, et vinum quod lætificat cor hominis” / Brood laat Gij de aarde voortbrengen en wijn, die het hart van de mensen verblijdt.
Niet zonder reden gaat Johannes 15 van de gelijkenis (verzen 1-8) over naar het vrucht opbrengen door de dienaren, die voortaan vrienden worden genoemd. Met de vrucht van de wijnstok worden immers de daadwerkelijke vruchten bedoeld die het leven van de leerlingen van Christus  voortbrengt. Want de vrucht die een leven in vereniging met Christus opbrengt, draagt bij tot het heil van de wereld. Hiertoe immers heeft de Vader zijn Zoon naar de wereld heeft gezonden om de mensheid te verlossen uit de zonde.
De oratie bidt ”zó te leven dat wij één worden in Christus en met blijdschap vruchten voortbrengen die heilzaam zijn voor heel de wereld. Hierbij gaat het dus niet alleen om een bepaald domein van ons leven, bijvoorbeeld waar we zorg dragen voor onze ziel, maar uiteindelijk om heel ons leven, alles wat we zijn en doen. In de H. Communie is niet slechts een fragment van ons bestaan met Christus één geworden, maar héél ons leven en zijn.

T e k s t
Missale Romanum [MR] 1970
Deus, qui nos de uno pane et de uno calice
participes esse voluisti,
da nobis, quaesumus, ita vivere,
ut, unum in Christo effecti,
fructum afferamus pro mundi salute gaudentes.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie 1979
God, wij hebben deel mogen hebben
aan het ene brood en de ene beker.
Wij bidden U: laat ons zó leven
dat wij één worden in Christus
en met blijdschap vruchten voortbrengen die heilzaam zijn voor heel de wereld.
Werkvertaling
God, die hebt gewild dat wij
het ene brood en de ene beker deelachtig zijn,
geef [ons], vragen wij U, zó te leven,
dat wij, in Christus één gemaakt,
met vreugde vrucht voortbrengen voor het heil van de wereld.

L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n
De Postcommunio is als een nieuwe compositie opgenomen in het MR 1970 en volgende edities. Het is ‘quiltwerk’ van verschillende bijbelse tekstfragmenten, zie beneden.
Een quilt is een doorgestikte deken. Hij wordt gemaakt van drie lagen textiel die op elkaar genaaid worden door middel van quilten. De top kan een hele lap stof zijn of patchwork (allegaartje van stukjes textiel) . Het woord quilt is afgeleid van het Latijnse culcita, dat gevulde zak betekent.

B i j b e l s e  c o n t e x t  (Vulgaat)
Rom 12, 5: ita multi unum corpus sumus in Christo singuli autem alter alterius membra /
zo zijn wij tesamen één lichaam in Christus, maar ieder afzonderlijk zijn wij ledematen over en weer.
1 Kor 10, 17: quoniam unus panis unum corpus multi sumus omnes quidem de uno pane participamur / omdat het brood één is, vormen wij allen tesamen één lichaam want allen hebben wij deel aan het ene brood.
1 Kor 11, 28: probet autem se ipsum homo et sic de pane illo edat et de calice bibat / laat dus een ieder zichzelf onderzoeken en dan eerst eten van dat brood en drinken van de kelk.
Jo 15, 16: non vos me elegistis sed ego elegi vos et posui vos ut eatis et fructum adferatis et fructus vester maneat ut quodcumque petieritis Patrem in nomine meo det vobis / niet gij hebt Mij uitverkoren, maar Ik heb ú uitverkoren; en Ik heb u aangesteld om vrucht te gaan dragen, en wèl de blijvende vrucht, en al wat gij de Vader in Mijn Naam zult vragen, zal Hij u geven.
Jo 17, 11: et iam non sum in mundo et hii in mundo sunt et ego ad te venio Pater sancte serva eos in nomine tuo quos dedisti mihi ut sint unum sicut et nos / Ik ben niet meer in de wereld, maar zij blijven in de wereld, terwijl Ik tot U kom; heilige Vader bewaar hen in Uw Naam opdat zij één mogen zijn, zoals Wij.
Jo 17, 21: ut omnes unum sint sicut tu Pater in me et ego in te ut et ipsi in nobis unum sint ut mundus credat quia tu me misisti / mogen ze allen één zijn, zoals Gij, Vader, het zijt in Mij en Ik in U; mogen ze ook één zijn in Ons opdat de wereld gelooft dat Gij Mij hebt gezonden.

G e t u i g e n i s s e n  v a n  d e  V a d e r s
Ignatius van Antiochie [*35-50 + 110-117]
Leg er u dus op toe één Eucharistie te vieren; want er is maar één Lichaam van Onze Heer Jezus Christus en slechts één Kelk tot eenheid in zijn Bloed, één altaar, zoals er één bisschop is met zijn priestercollege en diakens, mijn mededienaren, opdat gij, wanneer gij de Eucharistie viert dit doen mag volgend God.
Ep. ad Philad. 4
Cyrillus van Jeruzalem [313-387]
Onder het teken van brood wordt u Zijn Lichaam, onder het teken van wijn Zijn Bloed geschonken, opdat u door het nuttigen van het Lichaam en Bloed van Christus één van lichaam en één van bloed met Hem wordt.
Catech. Mystag. 22

Augustinus van Hippo [354-430]
Door middel van brood en kelk heeft Christus ons Zijn Lichaam willen toevertrouwen en Zijn Bloed, dat Hij voor ons vergoot tot vergiffenis van de zonden. Hebt ge het goed ontvangen, dan zijt ge wat ge ontvangen hebt. Want de apostel zegt: wij velen zijn één brood, één lichaam. In dit brood wordt u op het hart gedrukt hoezeer ge de eenheid moet beminnen. […] Ontvangt het dus zo, dat ge er aan denkt de eenheid in uw hart te bezitten en uw hart steeds vastgehecht te houden aan hetgeen boven is.
Sermo 227 in die Paschae IV

Zoals echter uit afzonderlijke graankorrels, die tot één geheel verenigd zijn en zich als het ware door bevochtiging met elkaar vermengen,  één brood ontstaat, zo ontstaat het éne Lichaam van Christus door de eendracht der liefde.
Wat er echter met Christus’ Lichaam geschiedt in de graankorrels, dat geschiedt met zijn bloed in de druiven: de wijn immers vloeit uit de pers, en hetgeen er in die vele druiven afzonderlijk bestond, vloeit samen tot één geheel en wordt wijn. Het mysterie van eenheid is dus zowel in het brood gelegen als in de kelk.
Sermo Guelf. 7,2 de dominica Paschae

Johannes Chrysostomus [344-407]
Wij moeten noodzakelijkerwijze, zeer geliefden, het wonderbare der mysterieën leren kennen, wat het is en waarom het gegeven is. Één lichaam worden wij; ledematen, zegt Hij, van Zijn Vlees en van Zijn beenderen. Volgen wij die ingewijd zijn, nu wat er gezegd wordt. Vermengen wij ons dus met Zijn Vlees om niet alleen door de liefde, maar ook in werkelijkheid één te worden met Hem; dit immers geschiedt door de spijs die Hij ons geschonken heeft, omdat Hij Zijn groot verlangen naar ons wilde tonen. Daarom heeft Hij zichzelf met ons vermengd en Zijn Lichaam in ons doen opgaan opdat wij in eenheid zouden zijn als één lichaam met het Hoofd verbonden; dit is het verlangen van degenen die vurig beminnen.
Hom. 46 in Joan.
A n a l y s e  e n  s t i j l f i g u r e n
1. Deus, qui nos de uno pane et de uno calice
participes esse voluisti,
2. da nobis, quaesumus, ita vivere,
3a . ut, 4. unum in Christo effecti,
3b. fructum afferamus pro mundi salute gaudentes.

De oratie bestaat uit een enkele zin, samengesteld uit een hoofdzin (r. 1-2) met adres en relatieve bijzin,  gevolgd door een finale / consecutieve bijzin in de coniunctivus die het inhoudelijke effect noemt van de in regel 2 geformuleerde bede.
 
Ad 1
Deus, God – aanspreekvorm aan de kop van de oratie in de vocativusvorm
Qui..voluisti: relatieve bijzin, die een wilsbesluit van de Vader vermeldt.
Voluisti, U/Gij hebt gewild: prædicaat in de 2e pers. enkelvoud van het perfectum activi van velle – volui gevolgd door de a.c.i. (accusativus cum infinitivo) – constructie: nos… participes esse /  dat wij deelachtig worden aan het ene Brood en de ene kelk. De constructie particeps esse wordt middels het voorzetsel de verbonden met het dubbele object: het ene Brood en de ene kelk.
Ad 2
Da ..vivere , geef/verleen – prædicaat van de hoofdzin in de imperativusvorm gevolgd door de infinitivusvorm vivere. De tussenzin quæsumus, wij bidden/vragen U, is een veel voorkomende vorm in de oraties hetzij om ritmische redenen gebruikt hetzij ter afzwakking van de imperativus ten opzichte van de Majesteit van God. Nobis, [aan] ons – bijwoordelijke bepaling in de dativusvorm van het pronomen personale nos: dativus commodis (van voordeel).
Ita, zó: eerste lid van de vergelijking ita …ut: zó…dat : bijwoordelijke bepaling
Ad 3a-3b
Finale / doelaanwijzende of consecutieve / gevolghebbende bijzin met het prædicaat afferamus, dat wij opbrengen, in de coniuntivus (optativus /wens of potentialis/mogelijkheid)
Fructum, vrucht – object van het gezegde afferamus in de accusativus enkelvoud van fructus, - us.
Pro mundi salute, voor het heil van de wereld, - bijwoordelijke bepaling samengesteld uit het præpositum pro dat de ablativusvorm salute ten gevolge heeft waartussen de genitivus  (explicativus) mundi is ingeklemd als een bijvoeglijke bepaling. Pro en salute vormen de stijlfiguur hyperbaton..
Gaudentes, met vreugde, ons verheugend: prædicatieve bepaling in de 1e pers. meervoud van het participium præsentis gaudens, -ntis  die het in afferamus opgesloten subject wij nader illustreert.
Ad 4
Effecti unum, één gemaakt: eveneens een prædicatieve bepaling bij het in het gezegde afferamus opgesloten subject wij in de 1e pers. meervoud van het perfectum passivi van efficere, -feci, - fectum, 3, met betekenissen 1. voortbrengen 2. veroorzaken, bewerken  (effect hebben) en 3. maken.  
Unum, adverbium; een praedicatief gebruikt cardinalium, aansluitend bij het in effecti opgesloten subject wij.
Inhoudelijk moet deze bijstelling worden gelezen vóór het gevraagde effect van de bede  in 3b aangezien de gevraagde vruchtbaarheid volgt op de vereniging in eenheid met Christus.  Hier is opnieuw een belangrijk detail in de Nederlandse vertaling verloren gegaan. Uit kracht van de ontvangen H. Communie (het waarachtige Lichaam des Heren) worden de gelovigen tot een eenheid gemaakt.
S t i j l f i g u r e n
Repetitio en alliteratie bij uno…uno…(regel 1) en unum (r. 4)
Eindrijm bij unum (r. 4) en fructum (r. 3b).
Hyperbaton (uiteenplaatsing van bij elkaar behorende begrippen): pro mundi salute
Mooie antithese effecti versus unum: wij (allen) gemaakt tot een.
Dominantie van u-klank: Deus, uno, uno, quæsumus, ut, unum, fructum, mundi, salute, in 9 van de 29 woorden.

K l e i n  v o c a b u l a r i  u m
Affero (ad-ferr), attuli, allatum
betekent basaal aan-, bij, -toebrengen, aandragen, verschaffen, leveren, iets naar een plaats brengen (van draagbare zaken terwijl adduco betekent mensen of dieren met zich ergens heen voeren, - brengen, begeleiden). Het wordt ook gebruikt met betekenissen als: een zaak brengen, dragen bijvoorbeeld nieuws, rapporteren, aankondigen, melden, overbrengen, boodschappen, informeren, openbaar maken en in concepten als “een product voortbrengen”, oogsten, dragen, produceren, zoals ‘vruchten dragen’ (Vgl. Jo 15, 16 boven).
In de verzen 15 en 16 van Psalm 44 (Bruiloftsgedicht voor een koning) komen de begrippen afferentur en adducentur beide voor:
“Afferentur regi virgines proximæ eius, afferentur tibi in lætitia et exsultatione; adducentur in templo regi Domino” – Meisjes worden naar de koning geleid, gezellinnen in haar gevolg, ook zij worden voortgeleid onder vreugde en jubel tot bij de koning in zijn troonzaal. Getoonzet in het Gregoriaans worden deze verzen in de gemeenschappelijke misformulieren ‘van de maagden’ als offertorium (offerandezang) gebruikt.
Afferre heeft ook de betekenis van het aanbieden van een geestelijke of mentale gesteltenis: “Ad mensam cælestis convivii fac nos, Domine, eam mentis et ciorporis puritatem afferre, qui…” / letterl.: Maak, Heer, dat wij die zuiverheid van lichaam en geest naar de tafel van het hemels gastmaal brengen…(Secreta misformulier H. Antonius Maria Zaccaria, 5 juli [MR 1962])
Particeps, - cipis
Als adiectivum: deelnemend, deelachtig
Als substantivum: m. en vr. : deelgeno(o)t(e).
Het substantief wordt zowel voor God gebruikt voor zovere Hij de menselijke natuur heeft aangenomen en met betrekking tot de mensen voor zover deze verheven zijn tot het bovennatuurlijk niveau. Een voorbeeld zagen we reeds in de aanhef van het Gebed over de gaven van de 5e zondag van Pasen in de reeks Orationes Super munera:  Deus, qui nos, per huius sacrificii veneranda commercia, unius summæque divinitatis participes effecisti / God,  die ons, door de vererenswaardige uitwisselingen van dit offer deelgenoot heeft gemaakt van de ene, allerhoogste goddelijkheid…
De H. Augustinus drukt dit zeer toepasselijk uit: Neque enim efficeremur participes divinitatis eius, nisi ipse mortalitatis nostræ particeps fieret (Ennar. in ps. 118, S 16, 16) / Wij zouden niet deelachtig zijn (geworden) aan Zijn Godheid, als Hij niet deelachtig was geworden aan onze sterfelijkheid. In de eucharistische oraties verwijst het begrip gewoonlijk naar de status van deelnemer in de eucharistische handeling: quos tanti mysterii tribuis esse participes  / ons, die Gij laat deelnemen aan een zo groot Mysterie (Postcomm. Dom. 3 Quadrag. [MR 1962]); ut mysterium cuius  nos participes esse voluisti / opdat wij het Mysterie, waaraan Gij ons deelachtig hebt willen maken … (Postcomm. 13 jan. Doopsel van de Heer [MR 1962]). Het begrip staat ook voor de status van de gelovigen nadat zij van hun zonden zijn bevrijd: ut eas a peccatis omnibus exuas, et tuæ redemptionis facias esse participes / opdat Gij hen van alle zonden moogt ontslaan en aan uw Verlossing deelachtig maken (Postcomm. Misformulier: Pro omnibus fidelibus defunctis [MR 1962]).
Het tot dezelfde familie behorende verbum participare betekent deelachtig maken, iemand aan iets laten deelnemen, met iemand delen, berichten, deelachtig worden, deelhebben aan, en het kan geconstrueeerd worden met het præpositum de.
C o m m e n t a a r
De H. Communie is tegelijkertijd een uitwendig teken en een inwendige oorzaak van onze vereniging met Christus. Wij zijn ledematen van het Mystieke Lichaam van de Kerk. Bij het Laatste Avondmaal bad Christus tot de Vader voordat Hij de sacramenten van de Eucharistie en het priesterschap instelde.  Daarna ging Hij uit naar Zijn Lijden en Zijn Offer.
Hij bad: “.. dat zij allen één mogen zijn (ut omnes unum sint), zoals Gij, Vader het zijt in Mij en Ik in U, mogen zij ook één zijn in Ons (ut et ipsi in nobis unum sint)….De heerlijkheid die U Mij hebt gegeven, heb Ik aan hen gegeven, zodat zij één mogen zijn, zoals Wij één zijn  (ut sint unum sicut nos unum sumus), Ik in hen en U in Mij, opdat zij volmaakt één zijn (ut sint consummati in unum), zodat de wereld zal erkennenm dat Gij Mij hebt gezonden en hen hebt liefgehad, zoals Gij Mij hebt liefgehad” (Verg. Jo 17, 20-23) .
Deze passage is essentieel  voor het pogen van de Kerk om tot een daadwerkelijke dialoog te komen met de niet-katholieke christenen, een authentieke oecumene.
De H. Vader Johannes-Paulus II schreef een encycliek met de titel Ut unum sint

Bij diverse gelegenheden sprak paus Benedictus VI over het Sacrament van eenheid:
Christus, die we hier in het H. Sacrament ontmoeten is hier in Bari dezelfde als in Rome, in Europa, in Azië , Amerika of Oceanië. Het is een en dezelfde Christus die overal op de wereld in het Eucharistische Brood aanwezig is. En dat betekent dat wij Hem slechts samen met alle anderen kunnen ontmoeten. We kunnen Hem alleen in eenheid ontvangen zoals de Apostel Paulus zojuist in de lezing zei:  Het is één Brood. Daarom vormen wij, velen, één lichaam; want allen hebben wij deel aan het éne Brood” (1 Kor 10, 17).   De consequentie is duidelijk: We kunnen niet met de Heer communiceren, als we niet onderling communiceren. Als we voor Hem willen verschijnen, moeten we ons ook naar anderen toe bewegen en elkaar tegemoet gaan. Daarom moeten we de grote les van de vergeving leren: niet langer in het hart gevoelens van wrok koesteren, maar grootmoedig het hart openen, de ander aanhoren, met  begripvol hart hem tegemoet gaan, mogelijkerwijs zijn verontschuldigingen aannemen  en de onze edelmoedig aanbieden.
Uit de homilie in de Eucharistieviering bij de afsluiting van het Eucharistisch Congres, Bari 29 mei 2005.
De H. Eucharistie is – we herhalen het – het Sacrament van de eenheid. Maar helaas zijn de christenen juist in dit Sacrament van de eenheid onderling verdeeld. Des te meer moeten wij ons, gedragen door de H. Eucharistie, aangespoord voelen met alle krachten naar de volle eenheid te streven, die Christus in de zaal van het Laatste Avondmaal zo vurig heeft gewenst.
Uit dezelfde preek.
Door de H. Eucharistie schenkt de Heer de zijnen niet alleen Zichzelf, maar ook de werkelijkheid van een nieuwe onderlinge gemeenschap die voortduurt in de tijd “totdat Hij komt” (vgl 1 Kor 11, 16). Door de Eucharistie worden zijn leerlingen tot zijn levend huis, dat in de loop van de tijd uitgroeit tot de nieuwe en levende Tempel van God in deze wereld.
Uit de homilie bij de H. Mis op het hoogfeest van de HH. Petrus en Paulus, 29 juni 2006.
Denk na over de manier waarop je met je omgeving omgaat. Misschien  kan je voorbeeld en uitnodiging leiden tot een werkelijke vereniging met Christus  zodat we uiteindelijk een mogen zijn in Christus.

zondag 23 januari 2022

Oratio post Communionem – Gebed na de Communie (Postcommunio) Dominica tertia per annum Derde zondag door het jaar



 Het Laatste Avondmaal.
Mozaïek in de S. Apollinare Nuovo, Ravenna (vóór 529)

Geef dat wij ons altijd over Uw levend makende genade blijven verheugen.
  
I n l e i d i n g
Tegen de achtergrond van Christus’ belofte: “Wie mijn Vlees eet en mijn Bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag” (Jo 6, 54), is het niet moeilijk de tekst van de Postcommunio van deze zondag te begrijpen.
“Munus”, de “gave” Gods waarvan hier sprake is, is de Heilige Communie. Wanneer wij het Lichaam en Bloed van de Heer nuttigen, ontvangen we de ‘genade van de levendmaking’ (“gratia vivificationis”).
Het Lam Gods, Jezus, voert de mensen naar de bron des levens. Tot deze bron behoort de Heilige Schrift, de ‘Tafel van het woord’ zoals we bij de bespreking van de Postcommunio op het feest van Jezus’ Doop hebben gezien. In dit woord spreekt God Zelf tot ons  en leert ons hoe we als christenen moeten leven. Tot de bron van het leven behoort veeleer en in eigenlijke zin Jezus Zelf, in wie God zich aan ons schenkt, met name, en in de meest specifieke zin in de H. Communie, waarbij we als het ware direct uit de bron des levens kunnen drinken. God komt Zelf naar ons toe en verenigt zich met een ieder van ons. We zien het ook: door de H. Eucharistie, het sacrament van de H. Communie – van de communio – vormt zich een gemeenschap die grenzen, talen en rassen overschrijdt, een Kerk wereldwijd, waar God met ons spreekt en leeft. Zo moeten we de H. Communie ook ontvangen: als een ontmoeting met Jezus, met God Zelf, die ons tot de bronnen van het ware leven voert. Deze genade kan ons niet anders dan met vreugde vervullen. De oratie houdt echter rekening met onze door de erfzonde verzwakte ontvankelijkheid, wanneer zij gelooft om die vreugde te moeten bidden.

 T e k s t
Missale Romanum [MR] 1970
Præsta nobis, quæsumus, omnipotens Deus,
ut, vivificationis tuæ gratiam consequentes,
in tuo semper munere gloriemur.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie 1979
Almachtige God,
wij hebben van U de genade ontvangen die ons in leven houdt.
Wij bidden U: laat ons altijd dankbaar blijven voor uw gaven.

Werkvertaling
Verleen ons, vragen wij [U], almachtige God,
dat wij, die de genade van uw levendmaking deelachtig worden,
ons altijd over uw gave kunnen verblijden.

L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n
De brontekst van de Postcommunio van deze zondag wordt gevonden in het Sacramentarium Gelasianum Vetus (Vat. Reg. Lat. 316) 545,  dat dateert uit de eerste helft van de achtste eeuw. In MR 1962, 840 was dit de Postcommunio van het misformulier van de IIe zondag na Pasen.

G e t u i g e n i s s e n  v a n  d e  V a d e r s
H. Fulgentius van Ruspe (460-533)
(Contra gesta Fabiani, 28, 16-19 in CCL 19A, 813-814)
Christus is uit liefde voor ons gestorven. Daarom vragen wij, telkens als wij zijn dood gedenken in het Offer, dat Hij ons zijn liefde schenkt door de komst van de Heilige Geest. Met aandrang bidden wij dat door de liefde waarmee Christus zich voor ons heeft laten kruisigen, en door de genade van de Heilige Geest, wij de wereld als gekruisigd mogen beschouwen voor ons, en onszelf laten kruisigen voor de wereld. [ …] ‘Zo moeten ook wij eeen nieuw leven leiden’ en nu wij de genade van de liefde ontvangen hebben, sterven voor de wereld en leven voor God.

H. Cyrillus van Alexandrië (378-444)
(Commentarium in Ioannis Evangelium IV, 2)
Ik heilig Mij, zegt Hij [Christus] , dat wil zeggen; Ik wijd Mij U toe en offer Mij als een onbevlekte offerande tot aangename geur. Want datgene werd geheiligd of volgens de wet heilig genoemd, wat op het altaar werd geofferd. Christus nu gaf zijn Lichaam voor het leven van allen, en door Hemzelf schonk Hij ons weer het leven; en op welke wijze Hij dit deed, zal ik u naar vermogen uiteenzetten.
Nadat het leven-makende Woord Gods inwoonde in het vlees, heeft Het dit tot zijn eigen goed, dit is tot zijn leven, omgevormd, en nadat Het op een geheel onuitsprekelijke wijze ermee was verenigd, heeft Het dat vlees ook leven-makend gemaakt, niet anders dan Het [Woord] Zelf volgens zijn natuur is.
Derhalve maakt het Lichaam van Christus hen levend, die aan zijn Lichaam deelhebben. Want Het verdrijft de dood, wanneer Het bij hen, die aan de dood onderworpen zijn, is en neemt het bederf weg, omdat Het in zichzelf de reden veroorzaakt, die het verderf volkomen doet verdwijnen.

S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l f i g u r e n
1. Præsta nobis, quæsumus, omnipotens Deus,
2a.ut,  3. vivificationis tuæ gratiam consequentes,
2b. in tuo semper munere gloriemur.

De oratie bestaat uit één enkele doorlopende zin die samengesteld is uit een hoofdzin (regel 1) waarin God middels een imperativusvorm, verzacht door de toevoeging van quæsumus in een tussenzin,wordt aangesproken met een alleen op Hem toepasselijk epitheton: omnipotens gevolgd door een finale/doelaanwijzende respectievelijk consecutieve / gevolgaanduidende bijzin in de coniunctivusvorm, ingeleid door het voegwoord ut (2a-2b), welke bijzin wordt onderbroken door een kwalitatieve bijzin die het in de verba quæsumus en gloriemur opgesloten subject nader illustreert.
Ad 1
Præsta, verleen, schenk, geef, - prædicaat in de imperativusvorm van het verbum præstare,  gemilderd door quæsumus; Nobis, (aan) ons – bijwoordelijke bepaling/meewerkend voorwerp in de dativus pluralis van het pronomen personale nos.
Omnipotens Deus, almachtige God - adres in twee congruerende vocativusvormen. Wanneer God (Deus / Dominus) wordt aangesproken in de oraties wordt dikwijls een epitheton (een nadere kwalificatie of omschrijving) toegevoegd dat meestal verwijst naar een van zijn goddelijke eigenschappen. Het meest voorkomend en exclusieve is wel omnipotens dat ook figureert in het bijbels Latijn. Begrippen van dezelfde familie: potens, potentia, potenter.
Ad 2a-2b
Finale / consecutieve bijzin, ingeleid door het voegwoord ut, in de coniunctivusvorm, die de eigenlijke bede bevat, namelijk het zich ten alle tijd kunnen verheugen over Gods gave: God Zelf in de Eucharistische spijs. De coniunctivusvorm is als een potentialis vertaald: In potentie is het mogelijk, geholpen door de de levenschenkende genade ons over de H. Communie te verblijden.
Gloriemur, op-/zodat wij ons verheugen/verblijden – prædicaat in de 1e persoon pluralis van het præsens coniuntivi passivi van het deponens gloriari.
In tuo munere, in/over uw gave – bijwoordelijke bepaling bij het prædicaat gloriemur in twee congruerende ablativusvormen, als ‘object’ van het prædicaat.
Semper, altijd, - bijwoordelijke bepaling van tijd.
Ad 3
Bijzin met prædicaat consequentes in de nominativus pluralis van het participium præsentis consequens die het subject wij opgesloten in de verba quæsumus(r.1)  en gloriemur (r. 2b) nadert illustreert en die kan worden vertaald als een relatieve bijzin: op-/zodat wij, die de levendmakende genade ontvangen, altijd in uw Gave onze roem stellen. 

S t i j l f i g u r e n
Hyperbaton (uiteenplaatsing) van tuo  . . .  munere (r. 2b)
Klankrijm in mu-nere en glorie-mu-r (r. 2b)
K l e i n  v o c a b u l a r i  u m
Vivificatio, - onis, f., letterlijk: het levend maken, de verlevendiging: een begrip dat door de  kerkvader Tertullianus (160-230) met Christus werd verbonden: vivificatio in Christo, en dat duidt op de werkzaamheid en het effect van de  genade wanneer men met Christus is verbonden. De H. Communie voedt en onderhoudt het geestelijk leven. Zoals het lichamelijk voedsel de verloren krachten hersteld, zo versterkt de H. Communie de liefde die in het dagelijks leven de neiging heeft te verzwakken; door zich aan ons te geven brengt Christus onze liefde tot nieuw leven en stelt Hij ons onder meer in staat te breken met onze ongeregelde hartstochten en gehechtheden om ons aan Hem te hechten.
De Postcommunio van de 6e zondag door het jaar vraagt “ut semper eadem [cælestia delicia] per quæ veraciter vivimus, appetamus”: om altijd te mogen verlangen naar deze hemelse gaven waardoor wij werkelijk leven. En op de 13e zondag door het jaar bidt de Kerk: “Vivificet nos, quæsumus, Domine, divina quam obtulimus et sumpsimus hostia”: Heer geef ons nieuwe levenskrachtdoor de heilige offergave die wij hebben opgedragen en genuttigd.
De Postcommunio-gebeden van de Paastijd geven uiteraard vele voorbeelden van dit concept waarvan de Postcommunio van donderdag in de 5e week de kern mooi weergeeft: “[Populum tuum ]…quem mysteriis cælestibus imbuisti, fac ad novitatem vitæ de vetustate transire”:  laat uw volk dat Gij in uw hemelse mysterie hebt ondergedompeld van het oude naar het nieuwe leven overgaan.

Consequor, consecutus sum, 2, dep.  is een interessant werkwoord dat onder andere betekent:  meteen volgen, achtervolgen, achterna gaan, aanwezig zijn, begeleiden, vergezellen, volgen” en ook “een voorbeeld volgen, kopiëren, gehoorzamen, volgzaam zijn”.  Het drukt “het volgen van een effect uit een voorafgaande oorzaak uit”: “to follow a preceding cause as an effect, voortvloeien, resulteren in, het gevolg zijn van, opkomen of voortkomen uit, bereiken, verlangen, verkrijgen, verwerven, deelachtig worden, treffen, ten deel vallen. 

Munus, - eris, N. – Dit begrip, specifiek en geëigend voor een gebed ‘post Communionem’,  kwam uitvoerig aan bod bij de bespreking van de Postcommunio van het feest van de Doop van de Heer in deze reeks.

Gloriari, gloriatus sum, 1, deponens. Letterl.: zich beroemen op, pralen, pochen. De associatie met de Brieven van de H. Paulus is evident: hij kent het “zich beroemen op” als een “ zich beroemen in de Heer”: “Wij mogen zelfs roem dragen op God door Jezus Christus, onze Heer” (Rom 5, 11). “Op niets anders wil ik roemen dan op het Kruis van onze Heer Jezus Christus, waardoor de wereld voor mij is gekruisigd en ik voor de wereld” (Gal 6, 14). Om dit roemen gaat het dan ook in de liturgie telkens wanneer dit woord gebezigd wordt en dat is dikwijls het geval. Het zijn de weldaden van God, waarop de biddende Kerk zich beroemt: “de perceptis beneficiis non in nobis, sed in tuo nomine gloriari” -  niet op onszelf te roemen over de ontvangen weldaden, maar op uw Naam” zegt Sacramentarium Leonianum (509). Aldus beschouwd is het zich (be) roemen” in feite een lofprijzing op God zoals bedoeld in de Postcommunio van vandaag.  Dit “gloriari” raakt inhoudelijk aan “gratulari”, een verbum dat vreugdevol danken betekent.
C o m m e n t a a r
In de pericope Jo 6, 48-58: Ik ben het Brood des levens, spreekt Jezus over het Eucharistisch Brood, dat men niet figuurlijk maar letterlijk moet nuttigen. Men nuttigt daarin zijn Vlees en Bloed, dat het geestelijk leven voedt en ons steeds inniger met Jezus verbindt. Dat hier een werkelijk eten bedoeld is, blijkt uit de vergelijking met het manna (Jo 6, 49), dat ook in letterlijke zin gegeten werd en uit het feit, dat men juist daartegen bezwaren oppert. Ondanks die bezwaren houdt Jezus aan de letterlijke zin vast, ook al trekken velen van zijn leerlingen zich terug.
De H. Eucharistie doet voor het geestelijk leven van de mens alles wat stoffelijk voedsel doet voor zijn lichaam. Maar het is de genade, die het leven van de ziel van de mens onderhoudt, herstelt en doet toenemen. Daardoor zal zij de mens beschermen tegen komende beproevingen en zonden.
De H. Eucharistie is ook het middel waardoor de mensen de eeuwige glorie van de aanschouwing van God bereiken. “Wie mijn Vlees eet en mijn Bloed drinkt, heef het eeuwige leven; en Ik zal Hem op de jongste dag doen verrijzen” (Jo 6, 54). Dit sacrament geeft de mens de glorie niet onmiddellijk. Maar het geeft hem Christus, door Wie hij de glorie kan verkrijgen.
‘Inlijving in Christus, bewerkstelligd door het Doopsel, wordt steeds hernieuwd en bevestigd door deelname aan het Eucharistisch Offer, vooral bij de volledige deelname die plaats vindt in de sacramentele Communie. We kunnen niet alleen zeggen dat ieder van ons Christus ontvangt, maar ook dat Christus ieder van ons ontvangt. Hij gaat vriendschap met ons aan: “Gij zijn Mijn vrienden” (Jo 15, 14). Dankzij Hem hebben wij het leven: “Hij die Mij eet, zal leven door Mij” (Jo 6, 57). Eucharistische gemeenschap brengt op verheven wijze tot stand dat Christus  in zijn volgelingen blijft en zij in Hem: “Blijft in Mij, zoals Ik in u” (Jo 15, 4)’.
(Joh.-Paulus II, Encycliek ‘Ecclesia de Eucharistia’, Over de Eucharistie in relatie tot de Kerk, 17 april 2003, nr. 22).
De transsubstantiatie van brood en wijn in het Lichaam en Bloed van Christus tijdens de consecratie is de vrucht van de persoonlijke overgave van Christus aan de Vader,  het geschenk van een liefde, die sterker is dan de dood, het geschenk van een goddelijke liefde die Hem van de dood deed opstaan. Daarom is de H. Eucharistie Spijs voor het eeuwige leven, Brood voor het eeuwige leven. De vereniging met Christus in de H. Communie is ook vereniging met al degenen aan wie Hij zich schenkt. We kunnen Christus niet alleen voor onszelf hebben; we kunnen Hem alleen toebehoren in gemeenschap met allen die de zijnen zijn geworden of zullen worden, inclusief degenen die dat tijdens hun aardse leven zijn geweest.
De heilige Augustinus helpt ons de dynamiek van de Eucharistische gemeenschap te begrijpen, wanneer hij zich op een bepaald visioen beroept, waarin Jezus hem zei: "Ik ben de spijs van de volwassenen: groei en U zult Mij eten. Maar U zult Mij niet veranderen in u, zoals de spijs van uw vlees, maar U zult veranderd worden in Mij" (Belijdenissen, VII, 10, 18). Terwijl dus de materiële spijs door ons organisme wordt opgenomen en zo tot ons onderhoud bijdraagt, gaat het bij de H. Eucharistie om een ander Brood: Niet wij nemen Het in ons op, maar Hij neemt ons in Zich op, zodat wij gelijkvormig aan Christus, ledematen van Zijn lichaam, een met Hem worden. Deze overgang is beslissend: omdat het immers Christus is die in de Eucharistische Communie ons in Hem verandert, gaat onze individualiteit in deze ontmoeting open, wordt zij bevrijd van haar egocentrische gerichtheid en ingevoegd in de Persoon van Jezus, die in de Trinitaire gemeenschap van Vader, Zoon en Heilige Geest is ingebed. Terwijl de Eucharistie ons op deze wijze met Christus verbindt, opent zij ons ook tegenover, maakt ons tot mede-ledematen die niet van elkaar zijn gescheiden maar één zijn in Hem. (Benedictus XZVI, Postsynodale Apostolische Exhortatie ‘Sacramentum caritatis’ 22 febr. 2007, vgl. nr. 70)

U i t  h e t  G r e g o r i a a n s  e r f g o e d

O PANIS DULCÍSSIME              
O zoetste Brood

O panis dulcíssime
O fidélis ánimæ
Vitális reféctio!

O zoetste Brood,
O leven-gevende verkwikking
voor de getrouwe ziel!

O Paschális víctimæ
Agne mansuetíssime
legális oblátio!
O zachtmoedigste Lam,
als Paasoffer geslacht
volgens de wet!

Jesu dilectíssime,
quæ sub panis spécie
veláris divínitus!
Liefste Jezus,
die onder de gedaante van Brood
schuil gaat door Gods macht!

Victu multifárie
récrea nos grátiæ
septifórmis Spíritus!
Sterk ons met het rijke voedsel
der zeven gaven
van de Heilige Geest!

Suméntem, cum súmeris,
quia non consúmeris,
ætérne vivíficas.
Wie U nuttigt, geeft Gij,
daar Gij wel genuttigd maar niet verteerd wordt,
eeuwig leven.

Nam reátum scéleris
dono tanti múneris
cleménter puríficas.
Want wie gezondigd heeft,
reinigt Gij door
deze grote gave goedgunstig

In te nos ut únias,
et virtúte múnias,
da te digne súmere.
Opdat Gij ons een maakt in U
en sterk maakt door uw kracht,

Ut carmáles fúrias
propéllens, nos fácias
tecum pie vívere.
Geeft dat wij U waardig ontvangen,
opdat Gij, de boze begeerte bedwingend,
ons met U in liefde laat leven.

Sic refécti póculis
sánguinis, et épulis
tuæ carnis óptimis.
Laat ons, zo gevoed door de kelk van uw Bloed
en de onvergelijkelijke Spijs van uw Lichaam,

Sæculórum sǽculis,
epulémur sédulis
invitáti ázymis. Amen.
Genodigd tot het eeuwig paasmaal,
in alle eeuwigheid
feest vieren. Amen.