Posts tonen met het label Hoop in visie Augustinus. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Hoop in visie Augustinus. Alle posts tonen

maandag 4 november 2024

DE CHRISTELIJKE HOOP IN DE VISIE VAN SINT AUGUSTINUS III

Op weg naar de verheerlijking

De Kerk vervolgt haar pelgrimsweg tot aan het einde van de dingen, tussen de vervolgingen van de kant van de wereld en de vertroostingen van God. Wakend in zoveel nachten, lijdend in zoveel ellende, vooruitkijkend en afwachtend, sterk in het verdragen en standvastig in het volhouden. Welke vrucht, denkt u, zal haar deel zijn?

“Komt, gezegenden van mijn Vader, neemt bezit van het rijk dat reeds voor u is bereid vanaf de grondvesting van de wereld” (Mt 25, 34).

De Kerk leidt als het ware een tweevoudig leven overeenkomstig de verkondiging en de belofte van de Heer: het ene in geloof, het andere in aanschouwing, het ene als pelgrim onderweg, het andere in het eeuwige huis van de Vader; het ene in moeizame inspanning, het andere in rust; het ene werkend, het andere beschouwend. Het ene verwijst naar de apostel Petrus, het tweede naar Johannes. 

Welke schat zij dragen, weten goede christenen zelf niet; eens zullen zij het echter weten. 

De wortel leeft, maar in de winter is ook de levende boom gelijk aan een verdorde boom. In de winter dragen beide - de verdorde en de levende boom - geen blad en zijn ook niet beladen met vruchten. Maar de zomer komt en toont wat in de bomen is verborgen: de levende stam en takken brengen bladeren en vruchten voort; de verdorde boom zal in de zomer leeg blijven zoals in de winter.

Onze winter is de verborgenheid van Christus, onze zomer is de openbaring van Christus. Daarom troost de apostel Paulus de goede bomen, de gelovigen: ”U bent immers gestorven, maar uw leven ligt met Christus verborgen in God” (Kol 3, 3) - u bent dood, maar dat is slechts schijn: in de wortel leeft u, en wanneer “Christus, uw leven zal verschijnen, dan zult ook u met Hem verschijnen in heerlijkheid” (Kol 3, 4).

Onze ellende enerzijds en de barmhartigheid van God anderzijds brengen mee dat een tijd van droefheid aan de tijd van vreugde vooraf moet gaan. Eerst moet er een tijd van droefheid zijn, er dan komt de verlossing; eerst een tijd van moeite en inspanning, dan de rust; eerst een tijd van geweeklaag, dan de zaligheid. De tijd van droefheid, inspanning, geweeklaag zijn het gevolg van onze zonden, de tijd van vreugde, rust en zaligheid zijn niet te danken aan onze verdiensten, maar aan de genade van Christus, onze Verlosser. We hopen op iets anders dan we verdienen: we verdienen het kwade, maar we hopen op het goede. Komt het een voort uit onze erbarmelijke toestand, het laatste komt van de erbarming van Hem die ons heeft geschapen. 

Zó groot is het geluk van de gerechtigheid, dat we daarvoor, zelfs wanneer we dit slechts een enkele dag zouden kunnen genieten, een onmetelijk lang leven met alle mogelijke goederen en genietingen gering zouden moeten schatten. 

De vrede die ons hier ten deelt valt, vloeit voort uit het geloof dat ons met God verbindt, in de eeuwigheid zal deze ons met God in de aanschouwing van Hem verbinden. Hier beneden is de vrede meer een troost in het lijden dan een zalig genieten.

De heiligheid die wij in dit leven bereiken, berust meer op de vergeving van de zonden dan op volmaaktheid in de deugd. Heiligheid betekent dat God de heerschappij bezit over de mens die Hem gehoorzaamt, en in de mens de geest over het lichaam, het verstand over de begeerte - namelijk dat men méér door de genade van God om vergeving van zonde smeekt en voor de ontvangen goedheid dankbaar is dan door eigen verdienste. Daar zal de gehoorzaamheid zelfs zo zoet en gemakkelijk zijn, als leven en heersen zalig zijn. In de vrede van deze zaligheid - in de zaligheid van deze vrede - zal het hoogste goed bestaan.

Thans leven we niet zonder strijd. We zijn tot eendracht geroepen en om onderling de vrede bewaren, maar dikwijls moeten we strijden met hen, voor wie wij menen te moeten zorgen. Iemand slaat de verkeerde weg in; u wilt hem terughalen, hij verzet zich - u strijdt met hem. De heidenen verzetten zich - u strijdt tegen het bedrog van de afgoden en demonen. De afvallige verzet zich - u strijdt tegen een andere vorm van demonische dwaalleer. Slechte katholieken willen niet rechtschapen leven; ook iemand die u na aan het hart ligt, gelooft u te moeten terechtwijzen - hoeveel niet te vermijden strijd overal! Menigeen zegt ook: “Waarom moet ik zo lijden? Ik wil mij op mezelf terugtrekken, in mijn eigen huis blijven en God in de stilte aanroepen!”

Trekt u zich nu maar op u zelf terug; u vindt strijd! “Wat wij uit onszelf najagen is in strijd met de Geest, en wat de Geest verlangt is in strijd met onszelf” (Gal 5, 17). U bent dit zelf; u bent alleen met u zelf, hebt met niemand anders te doen; maar u voelt (Rom 7, 23-25) “in alles wat ik doe een andere wet. Deze voert strijd tegen de wet waarmee ik met mijn verstand instem en maakt van mij een gevangene van de zonde die in mij leeft. Wie zal mij, ongelukkige mens, redden uit dit bestaan dat beheerst wordt door de dood? Dat doet God! Dank aan Hem door Jezus Christus onze Heer.

De Heer zegt: “Nog een korte tijd en jullie zien Mij niet meer, maar kort daarna zien jullie Mij terug” ( Jo 16,16). Deze belofte geldt de gehele Kerk, evenals aan de gehele Kerk werd beloofd: “Ik ben bij u, tot aan het einde van de wereld” (Mt 28,20). De Heer talmt niet met zijn belofte: een korte tijd en we zullen Hem zien. Dan zullen we Hem om niets meer vragen, niets meer te vragen hebben; niets verder nog te verlangen hebben, niets meer zoeken wat verborgen is.

Deze “korte tijd” komt ons voor als lang, omdat deze tijd nog voortduurt; als deze voorbij is, zullen we inzien hoe kort deze tijd was.

Daarom moet onze vreugde niet zijn, zoals de wereld die kent, waarover Johannes zegt: “De wereld zal zich echter verheugen” (Jo 16,20); en toch moeten we niet zonder vreugde zijn in ons smartelijk verlangen, veeleer (zoals de Apostel zegt): “Wees verheugd door de hoop die u hebt, wees standvastig wanneer u tegenspoed ondervindt” (Rom 12, 12). Zo verheugt zich ook de barende over het kindje dat op komst is méér, dan dat zij lijdt door haar ogenblikkelijke nood. We lijden een tijd, maar niet altijd. Kort duurt de droefheid, eeuwig de zaligheid. Het verdriet houdt slechts een tijdje aan, eeuwig duurt de vreugde.

“Ons vertrouwen in de woorden van de profeten is daardoor alleen maar toegenomen. U doet er goed aan uw aandacht altijd daarop gericht te houden, als op een lamp die in een donkere ruimte schijnt, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw hart” (2 Pe 1, 19). Op die dag zal onze Heer Jezus Christus komen om te verlichten wat in het duister verborgen is. Als die dag aanbreekt zal geen licht meer nodig zijn, geen profeet meer worden gelezen en geen geschriften van de Apostelen nog worden opengeslagen - zelfs het Evangelie zullen wij niet meer nodig hebben. Alle geschriften die als heldere lampen in deze donkere wereld voor ons werden ontstoken opdat wij niet in duisternis zouden leven, zijn niet meer nodig. 

Waarover zal de blik zich dan verblijden, waarin zal dan onze zaligheid bestaan, die “geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord en die in geen enkel mensenhart is opgekomen?“ (1 Kor 2,9)?

Ik vraag u, broeders - zegt de H. Augustinus - bemin met mij, verlang met mij in geloof! Laten we verlangen naar ons vaderland hierboven waarover Johannes zegt: “In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God” (Jo 1,1).

De dauw waarmee we hier besprenkeld worden, zal daar een bron zijn. De straal die een verduisterd, gewond en afgedwaald hart binnendringt, zal daar een onverhuld licht zijn. Met het oog op de zalige aanschouwing van de Heer worden wij nu gelouterd. 

(De wapenspreuk van de nieuwe bisschop van Roermond, Cornelis van den Hout: In exilio spes - hoop in de ballingschap, is ook op ons van toepassing)

“Zeer geliefden, we zijn nu al kinderen van God en nog niet is geopenbaard, wat wij zullen zijn; maar we weten dat wij aan Hem gelijk zullen zijn wanneer Hij zal verschijnen, want dan zien we Hem zoals Hij is (1 Jo 3, 2).         

Wat zal ik zeggen, geliefden? O, zalig huis! O, zeker vaderland! O, als het hart, ook al is het gering, toch eens zou verlangen naar die onuitsprekelijke heerlijkheid! O, als we onze pelgrimstocht weliswaar onder zuchten afleggen en de wereld niet beminnen, maar steeds in gelovige gezindheid aankloppen bij Hem die ons geroepen heeft! Verlangen is de adem van de ziel. Dat ons hart groter worde, opdat ons verlangen steeds groter mag zijn! Mogen de H. Schrift dit, moge de gemeenschap van de Kerk, moge de viering van de H. Geheimen, moge dit het Doopsel, de lofzang voor God en moge ook ons bidden en spreken dit in ons verwerkelijken! Als u zó gezind bent, verheft uw hart, u allen, zoveel u kunt en u zult ontvangen wat Hij heeft beloofd. 

Niet zonder reden heeft de Kerk volgens oude overlevering de gewoonte bewaard in de Paastijd het Alleluia te zingen. Alleluia is de lof van God; het zegt ons ten tijde van beproeving wat wij eens zullen doen wanneer wij zijn rust zijn binnengegaan.

Laat ons het Alleluia zingen naar vermogen, opdat we eens verdienen het te zingen zonder onderbreking; de lof van God daar en hier: hier door hen die waken, daar door hen die zeker zijn; hier door sterfelijke mensen, daar door de zaligen die niet meer kunnen sterven; hier in hoop, daar in bezit; hier onderweg, daar in het vaderland!

Laat ons nu reeds lof zingen, niet om een zoete rust te genieten maar om de arbeid te verzoeten!

Laat ons zingen zoals pelgrims zingen: zingen onderweg! Het gezang zal ons tot troost zijn bij onze inspanningen. Laat u niet ophouden door traagheid: zingt en loopt door! Laat ons de Heer loven, onze God! Laat ons Hem loven, niet alleen met onze stem maar ook in ons gedrag. Laat onze tong hem loven, laat ons leven Hem loven. Laat zo het Alleluia uit uw mond klinken! Laten we bij het zingen van het Alleluia onze blik verheffen naar de Dag die geen einde kent naar het land van de onsterfelijkheid! Laten we ons haasten naar ons eeuwig thuis! “Zalig, die wonen in uw huis: van eeuwigheid tot eeuwigheid zullen zij U prijzen” (Ps 83[84],5).

Keren we ons tot God, laten wij Hem smeken voor ons en voor heel zijn volk opdat Hij ons in zijn barmhartige liefde behoedt en bewaart door Jezus Christus zijn Zoon, onze Heer, die met Hem leeft in de eeuwen der eeuwen

Slotgebed

Heer, onze God, U hebt ons alles gegeven - schenk ons de vrede! De vrede van de sabbat, van de sabbat zonder avond: wanneer U zo in ons zult rusten zoals U nu in ons werkt (want Gij, Heer, werkt en rust steeds daar) - waar wij U toegedaan zijn met heel ons wezen! Dan zal geen smart en ook geen plaag ons neerdrukken. Dan zal heel ons leven door uw volheid een leven in de waarheid zijn. En dit wonderlijke ‘universum’ dat U zelf ‘goed’ noemde, zal voorbij zijn wanneer de maat ervan bereikt is; en het zal geweest zijn ”een morgen en een avond”. De sabbat echter heeft geen avond en kent geen ondergang: U hebt deze dag geheiligd, opdat hij steeds mag voortduren.

Heer, onze God, U heeft ons geroepen, wij roepen tot U. 

Wij horen U roepen, wil ons roepen aanhoren! 

Leid ons daarheen waarheen U beloofde ons te leiden. 

Voltooi, God, wat u begonnen bent; verlaat de uwen niet! Amen.


dinsdag 30 juli 2024

De christelijke hoop in de visie van Sint Augustinus II

 




 

Zien we naar Christus: vanuit de hemelse zaligheid kwam Hij tot ons, maar hier beneden vond Híj zelfs geen zaligheid. Hij werd uitgelachten, beschimpt, vastgegrepen, gegeseld, met roeden geslagen; men wierp Hem een purperen mantel om, Hij werd met doornen gekroond, aan het kruis geslagen en het laatste - het laatste voor de Heer - was de dood.

Wat zoekt u dus, knecht, hier zaligheid, in een land dat de Heer door de dood verliet?

Hier beneden vergaan de dagen en zijn daarom pijnlijk. Waar niets vergaat, daar is ‘de Dag’ en de Dag is Christus, de Dag is de Vader. Christus kwam om te lijden, maar ook om verheerlijkt te worden; Hij kwam om veracht te worden, maar ook om verheven te worden, om te sterven, maar ook om te verrijzen.

Schrikt het werk u af, kijk naar het loon! Het goede leven betekent werken, het zalige leven is het avondloon. Waarom wilt u op weke wijze daarheen worden gedragen, waar slechts ingespannen strijd daar geraakt? Waarom bent u verward? Door de stormen van de wereld wordt uw hart in het nauw gebracht, zoals dat scheepje waarin Jezus sliep.

Het scheepje, waarin Jezus slaapt, is uw hart, waarin het geloof slaapt. Wat ongehoords gebeurt er met u, christen? Heeft niet de Heer gezegd, dat de wereld zal worden verwoest? Heeft Hij niet gezegd dat de wereld zal vergaan? U gelooft dat het voorzegd werd - en nu bent u verward, omdat u het beleeft? Ook al beukt de storm tegen uw scheepje - let op dat het niet breekt: roep Christus! Christus “woont door het geloof in uw hart” (Ef 3,17). Is daar geloof, dan is Christus daar. Is het geloof wakker, dan is Christus wakker. De wereld gaat ten onder, de wereld vergaat, kreunend - maar wees niet bang, “als een adelaar wordt immers uw jeugd vernieuwd” (Ps 103, 5).

 

Wij zijn christenen, wij behoren Christus toe. Laat de wereld te keer gaan, we worden niet gebroken: we zijn van Christus! Laat de wereld ons vleien, de wereld verleidt ons niet, we behoren Christus toe.

De afwezigheid van de Heer betekent geen scheiding: heb geloof en Hij, die u niet ziet, is bij u!

“Vrede (sprak Hij) laat ik u, mijn vrede geef ik u” (Jo 14, 27). In Hem en door Hem hebben we vrede - zowel de vrede die Hij ons heeft achtergelaten toen Hij naar de Vader ging, als de vrede die Hij ons zal geven als Hij ons bij de Vader thuis brengt. Hij zelf is onze vrede, die met zijn dood de twee werelden één heeft gemaakt” (Ef 2, 14). Hij is onze vrede omdat wij in Hem geloven. Hij is in de volle zin van het woord onze vrede, wanneer we Hem eens zullen aanschouwen.

Nu hebben we voorlopig een vrede die heet “Vergeef ons onze schuld”- dus slechts een bepaalde vrede, omdat wij “innerlijk vol vreugde instemmen met de wet van God”, maar het is geen volkomen vrede, omdat “in alles wat ik doe ik een andere wet zie die strijd voert tegen de wet waarmee ik met mijn verstand instem” (Rom 7, 22 e.v.). Op dezelfde manier hebben we onderling een bepaalde vrede, omdat we geloven dat we elkaar beminnen: maar ook dit is geen volkomen vrede, elkaar beminnen, omdat we de gedachten van elkaars hart niet kunnen lezen en daardoor gemakkelijk vermoeden wat er niet is, in goede of minder goede zin.

“Zijn” vrede echter, de volle vrede, zullen we genieten, wanneer wij “Hem zullen zien, zoals Hij is” (1 Joh 3,2). Want, als Hij de pelgrims die van verre komen niet in de steek laat, hoeveel te meer zal Hij eens ons met Zichzelf vervullen, wanneer wij de gelukzalige aanschouwing zullen hebben bereikt!

Daarom vinden wij, christenen, het leven hier in de wereld niet zalig maar hoogstens te verdagen. We dragen en verdragen het lijden dat van Hem komt met een goede intentie en met Gods genade standvastig, omdat wij ons met het oog op Gods trouwe beloften verheugen in de verwachting van de eeuwige goederen, zoals de Apostel Paulus aanspoort: “Weest verheugt door de hoop die u hebt, weest standvastig wanneer u tegenspoed ondervindt en bidt onophoudelijk” (Rom 12, 12). Als we niet te lijden zouden hebben, zouden we kunnen menen dat het tijdelijke geluk het hoogste is wat God zijn dienaren schenkt en zouden we van Hem niets hogers verwachten. Zo voegt Hij aan het zoete van dit leven lasten en beproevingen toe, opdat wij dát leven zoeken, waarvan de zoetheid heil is.

Het gaat diep als de Heilige Geest ons maant en leert verzuchten, dat wij hier pelgrims zijn en ons heimwee inboezemt naar het vaderland, en ook dit heimwee ons verzuchten doet (cf 2 Kor 5, 4 e.v.). Wie zich goed voelt in de wereld (of beter wie gelooft dat het hem goed gaat), wie genoegen beleeft aan het aardse, jubelt, in het bezit van overvloed aan tijdelijke goederen en ijdel geluk heeft de stem van een raaf: krassend is zijn stem en niet ‘zuchtend”. Wie echter weet dat hij zich in de benauwenis van dit sterfelijke leven bevindt en “nog ver van de Heer pelgrimeert” (2 Kor 5,6), kan slechts verzuchten; en zolang hij naar het hemelse vaderland verlangend uitziet, is hij goed: de Geest heeft hem geleerd te verzuchten, van de ‘Duif’ heeft hij het zuchten geleerd.

Velen echter zuchten hier op aarde en voelen zich ongelukkig, terneergedrukt door verlies, met ziekte overladen of in de gevangenis in boeien geslagen, op de golven van de zee heen en weer geslingerd of door vijandelijke achtervolging ingesloten - zij zuchten, maar niet als de duiven, niet uit liefde tot God, niet in de Geest. Wanneer zij van deze benauwdheden worden bevrijd jubelen zij met luide stem en dan blijkt dat ook zij raven zijn en geen duiven. Ware christenen verlangen en bidden. Zij die beladen zijn zuchten, de behoeftigen bidden. Het bidden gaat voorbij, de lofzang volgt, het wenen gaat voorbij, de vreugde volgt.

Onder de druk van benauwenissen het geduld bewaren, standvastig blijven, aan het geloof vasthouden, niet toegeven aan zonde - als u hiertoe in staat bent - dan wordt de druk u niet tot verderf, maar zal u tot voordeel en nut zijn; zoals de druk van de wijnpers niet dient om de druiven te persen, maar om het zoete sap te behouden. En wanneer u zelfs onder deze druk God kunt loven, hoe kostbaar is dan de druk die zo’n sap uitperst!

Zo waren de Apostelen in hun boeien gekweld en zongen God lof. De heiligen beminnen God, ook wanneer Hij hen tuchtigt. De niet-heiligen morren, zij zijn tevreden. Onder de gesel Gods hebben de heiligen Gods lof gezongen: want ook wanneer Hij hen kastijdt, blijft Hij hun liefde. De ziel, die nog zwak is, zoekt zich weliswaar in dit leven iets aards, om daarin te rusten. Want de dubbele inspanning van de dagelijkse arbeid en tegelijk die van de Geest, die zich geheel en al naar God wil plooien, kan zij op den duur moeilijk dragen. Zo zoekt zij dan op aarde iets waarin zij rust kan vinden, waar zij haar toevlucht kan vinden om op adem te komen.

Maar Gods plan is het dat onze liefde zich steeds meer op het eeuwige leven richt. Daarom voegt Hij wanneer wij gelaafd worden ook bitterheid toe, dat wij ook in vreugde verdriet hebben. Klaag niet: Iets hogers moet u beminnen! Daarom is het voor u bitter dat u als pelgrim naar dat hoge, naar het vaderland onderweg bent en geen voldoening vindt in de rust onderweg, in plaats van uw bestemming, uw thuis, te kunnen beminnen.

Wanneer Christus, de Heer, een ziel is binnengegaan en in haar zijn intrek heeft genomen door het geloof, leert Hij haar, zich over een geluk dat haar toevalt niet al te zeer te verheugen en door ongeluk zich niet te zeer te laten neerdrukken. De gelovige mens staat gelijkmoedig tegenover de wereld. Hij wordt niet hoogmoedig als het hem goed gaat en niet kleinmoedig als hij tegenspoed ervaart. Hij looft en prijst in alles zijn Heer: bij overvloed en bij nood, bij gezondheid en bij ziekte. “Elke dag wil ik U prijzen, uw Naam loven tot in eeuwigheid” (Ps 144 [145], 2) zegt de psalmist.

 

Het vergankelijke leven kan men afbreken, het eeuwige kan niemand roven. Wat men u kan afnemen zijn de boeien die u hier houden - zo zult u eens te meer God aanhangen met Wie u reeds op voorhand verbonden was door hoop en liefde.

De wereld valt, de christen blijft recht staan, want Christus valt niet. Weest getroost: “Ik heb de wereld overwonnen!” (Jo 16, 33). Zijn leerlingen hebben Hem hun vertrouwen geschonken hebben overwonnen; aan wie anders, behalve aan Hem?

Als Christus de wereld niet had overwonnen, dan had de wereld Zijn ledematen overwonnen.

Maar “Laten we God danken, die ons door Jezus Christus, onze Heer, de overwinning geeft!” (1 Kor 15, 57).

“Weest daarom getroost: Ik heb de wereld overwonnen!“ zegt Jezus. Waarom “weest getroost!” als niet om reden dat Hij voor ons gestreden en overwonnen heeft? Want Hij heeft ons verzekerd van de verrijzenis.ij oins heeft achtergelaten toen Hij naar de Vader ging, als de vrede die Hij ons zal geven, wanneer Hij oins bij de Vader thuis brengt.




 


donderdag 20 juni 2024

DE CHRISTELIJKE HOOP IN DE VISIE VAN SINT AUGUSTINUS, 1

Christus, ons Hoofd werd gegeseld alvorens Hij opstond uit de doden. Dus laten wij als wij worden gegeseld, niet de moed verliezen, opdat wij ons eens verheugen in onze verrijzenis.


Alles wat Christus te beurt viel, bij zijn kruisiging, zijn graflegging, zijn verrijzenis op de derde dag, bij zijn hemelvaart en bij zijn zetelen aan de rechterhand van de Vader is zó voltrokken, dat in deze geheimnisvolle gebeurtenissen (niet alleen maar in geheimnisvolle woorden) het leven van de christen wordt uitgedrukt, zoals het door de gelovigen wordt geleefd.

In zijn lijden heeft Christus ons laten zien wat wij moeten doorstaan, in zijn verrijzenis wat wij mogen verhopen. Wij bevinden ons reeds aan de rechterhand van de Vader en Hij (Jezus) hier met ons in onze nood; wij, zoals wij hopen aan de rechterhand van de Vader, Hij, hier met ons in de eenheid van liefde. Hij draagt in u de lasten, lijdt dorst en honger in u, ondergaat in u benauwdheid en angst, sterft nog steeds in u - en u bent in Hem reeds verrezen. In Hem zijn wij gestorven, in Hem zijn we opgestaan. Hij vormt de eenheid van Hoofd en mystiek Lichaam: Hoofd en Lichaam vormen de éne Christus.

Christus heeft geleden om uwentwil en u daarmee een voorbeeld gegeven. Treedt dus in zijn voetstappen (cf 1 Pe 2, 21). Met een vurige liefde zijn Hem de martelaren gevolgd; en willen wij niet nutteloos hun gedachtenis eren en niet nutteloos tot dezelfde maaltijd, waardoor zij werden verzadigd, toetreden, tot de tafel van de Heer -, dan moeten ook wij naar hun voorbeeld ons voorbereiden. Daarom gedenken we de martelaren bij die viering, niet zoals de anderen die in vrede rusten, dat we namelijk voor hen zouden bidden, maar eerder dat zij voor ons zouden bidden, opdat wij hun voorbeeld zouden volgen.

Christus, ons Hoofd werd gegeseld alvorens Hij opstond uit de doden. Dus laten wij als wij worden gegeseld, niet de moed verliezen, opdat wij ons eens verheugen in onze verrijzenis.

 “Zijn ziel was bedroefd tot de dood toe” (Mt 26, 38) - Hij, die “de macht bezat, zijn leven te geven en de macht om het weer terug te nemen” (Jo 10, 18). Beseffen wij dat wij de ledematen zijn van wie Hij het Hoofd is: herkennen wij onszelf in zijn droefheid, opdat wij, wanneer wij zelf bedroefd zijn, niet aan vertwijfeling ten onder gaan!

 Met Christus tenslotte zijn wij opgestaan; ook wij zijn nu bij ons Hoofd - eerstens in geloof en hoop, die echter voltooid worden bij de opstanding van de doden; en wanneer onze hoop voleindigd is, dan ook onze rechtvaardiging, - “opdat wij door Hem rechtvaardig voor God kunnen worden” (2 Kor 5, 21).

 In ons sterfelijk lichaam, dat “voor de ziel een last is” (Wijsh 19, 15) leven we armzalig. Weliswaar zijn we verlost door Christus, onze Middellaar en hebben wij de H. Geest ontvangen als onderpand, en daarom bezitten we reeds een ‘zalig leven’ verankerd in onze hoop, maar nog niet in werkelijkheid. “Als we echter nu al zouden zien waarop we hopen, zou het geen hoop meer zijn. Wie hoopt er nog op wat hij al kan zien? Maar als wij hopen op wat nog niet zichtbaar is, blijven we in afwachting daarvan volharden (Rom 8, 24-25).

Dit leven waarvan Job zich afvraagt “Is het leven van de mens op aarde geen beproeving?” (Job 7, 1), dit leven waarbij we dagelijks roepen: “Verlos ons van het kwade” (Mt 6, 13), moet de mens nog leven en verdragen, ook na de vergeving van de zonden (ofschoon de zonde de schuld draagt van dit leven vol beproevingen); want de straf duurt langer dan de schuld, opdat de schuld ons niet als gering voorkomt, als met haar ook de straf eindigt. Zo wil het de rechtvaardige ‘toorn van God’, waarvan de Schrift spreekt: “De mens, geboren uit een vrouw, leeft korte tijd en vol ellende” (Job 14,1). “Maar zou God zijn vergeten zich te ontfermen, of in zijn toorn zijn hart hebben gesloten? vraagt Psalm 76, 10 zich af, tot troost voor de armen die wij altijd bij ons hebben? En heeft Hij niet “toen de volheid van de tijd was gekomen zijn eigen Zoon gezonden” (Gal 4, 4) “als enige Middellaar tussen God en de mensen, de mens Christus Jezus”? (1 Tim 2,5). Door te geloven in Hem zouden zij kwijtschelding van schuld ontvangen en gevrijwaard voor de eeuwige verdoemenis, in geloof, hoop en liefde door deze wereld pelgrimeren - temidden van moeizame en gevaarlijke beproevingen weliswaar - maar ook op hun weg vooruit geholpen door geestelijke troost, de aanschouwing van Hem tegemoet, de ‘Weg’ die Christus voor hen is geworden.

 Hier beneden geldt het woord van het Hooglied: “Gewond ben ik door de liefde” (Hoogl 5, 8). Gewond wil zeggen dat wij verlangen, maar nog niet bezitten. Gewond is onze liefde omdat zij leed en verdriet draagt en verdraagt. Maar als wij ons doel hebben bereikt, zullen leed en verdriet wijken en de liefde worden bestendigd. Hier beleven we de tijd van hopen, van wenen, van vernedering en het verdriet om onze gebrekkigheid; wie hier geen verlangen bezit in zijn hoop, bereikt het doel niet. Blijf hopen, opdat u de vervulling ten deel valt! Blijf hongeren en dorsten, opdat u verzadigd wordt!

 Heel het leven van de ware christen is heilig verlangen en wat u verlangt, ziet u nog niet. De hoop is nodig voor onze pelgrimstocht. Zij is het die ons staande houdt op onze weg. Ontneem de wandelaar de hoop zijn doel te bereiken: hij stort in en heeft geen kracht meer verder te gaan! Wie echter het geloof - “dat door de liefde werkzaam is” (Gal 5, 6) - bezit, hoopt ook op hetgeen God belooft.

“In deze hoop zijn we gered” zegt Sint Paulus in Rom 8, 24. Deze stelling neem ik dikwijls in de mond, opdat we niet zouden geloven, dat we hier op aarde inderdaad al zalig moeten zijn en verlost van allerlei beproevingen, zodat we bij voorbijgaand kwaad tegen God zouden morren als gaf Hij ons niet wat Hij heeft beloofd. Hij heeft ons het noodzakelijke voor dit leven beloofd, maar men moet wel een onderscheid maken tussen troost voor hen die moeizaam door het leven gaan en de vreugde van de zaligen. “Heer, wanneer zware zorgen mij innerlijk drukken, dan verkwikt uw vertroosting mijn ziel”, zegt de psalmist in Psalm 93, 19.

 Laat ons dus niet morren wanneer we het zwaar hebben en ook niet de vreugde verliezen waarover gezegd is: “Wees verheugd door de hoop die u hebt” (Rom 12, 12) - waarop onmiddellijk volgt: “Wees standvastig wanneer u tegenspoed ondervindt, en bid onophoudelijk”.

 Als christenen moeten we ons in deze wereld op tegenspoed voorbereiden. Op rustige en betere tijden hoeven we niet te hopen. Laten we ons zelf niets wijsmaken: wat het Evangelie niet belooft, dat moeten we ons zelf ook niet beloven.