zondag 4 mei 2025
Overweging "Goede woorden komen van God"
Toen het evangelie werd geschreven, was Petrus al lang overleden.
Dit evangelie moet dus ook voor ons van betekenis zijn. Laten we hier eens naar zoeken.
Petrus gaat vissen, net alsof Jezus niet meer leeft ; herkennen sommigen zich daar ook niet in ? In hun doen en laten, maar ook bij hun zorgen en verdriet, houden mensen er vaak geen rekening mee, dat de liefdevolle God er ook nog is, Hij die ons juist nabij wil zijn.
Gebeurt het niet vaak dat wij ons aftobben en dat alles misgelopen is ?
En dan zegt iemand ons iets, een bemoedigend woord of een advies. Of er komt een gedachte in ons op, die bijna belachelijk lijkt. En toch gaan we erop in en ineens wordt alles anders, al is het maar dat we de moed hebben om verder te gaan. En net zoals Petrus hebben wij niet in de gaten, wie daar eigenlijk achter staat.
Goede woorden, goede invallen, die komen van God, want de mens kan iets van God ervaarbaar maken.
De liefdevolle God kan ook in de stilte tot ons spreken. Als wij onze dagelijkse beslommeringen even vergeten, en wij de tijd nemen om ons rustig te bezinnen, om oog en oor voor God te hebben, dan kunnen we een meer optimistische kijk op het leven krijgen. We kunnen het leven beter aan, we hebben meer vertrouwen. We weten dat we grond onder onze voeten hebben.
Ons bezinnen en bidden, doen we dat ook niet in de Eucharistie, in de Mis? Merken ook wij dat het ons goed doet om naar de kerk te gaan ?
Dat we ons geborgen weten in dat grote Mysterie van licht en liefde, in God ? Er kan een kracht van uitgaan, die ons rust geeft.
Voorwaarde daarvoor is echter dat we de invloed en werking van God in ons toelaten. Maar het is wel de moeite waard want Christus is gekomen opdat wij het leven in zijn volheid zouden bezitten.
Lezingen H. Mis 3e zondag van Pasen, jaar C "Weid mijn schapen"
Uit de Handelingen der Apostelen.
In die dagen ondervroeg de hogepriester de apostelen: “Hebben wij u niet uitdrukkelijk verboden in de naam van Jezus onderricht te geven? Door uw toedoen is heel Jeruzalem vol van uw leer. Bovendien wilt gij ons het bloed van die man aanrekenen.” Maar Petrus en de andere apostelen gaven ten antwoord: “Men moet God meer gehoorzamen dan de mensen. De God van onze vaderen heeft Jezus ten leven gewekt, aan wie gij u vergrepen hebt door Hem aan het kruis te slaan. Hem heeft God als Leidsman en Verlosser verheven aan zijn rechterhand om aan Israël bekering en kwijtschelding van zonden te schenken. Van dit alles zijn wij getuigen, maar ook de heilige Geest die God geschonken heeft aan wie Hem gehoorzamen.” Maar men verbood de apostelen te spreken in de naam van Jezus en stelde hen in vrijheid. Zij verlieten de Hoge Raad, verheugd dat ze waardig bevonden waren smaad te lijden omwille van Jezus’ Naam.
Tweede lezing (Apok. 5, 11-14)
Uit de Openbaring van de heilige apostel Johannes.
Ik, Johannes zag toe en hoorde de stem van talloze engelen rondom de troon en de stem van levende wezens en van de oudsten; en hun getal was tienduizenden tienduizendtallen en duizenden duizendtallen; en zij riepen luid: “Waardig is het Lam dat geslacht werd te ontvangen de macht en de rijkdom, de wijsheid en de kracht, en eer en heerlijkheid en lof.” En elk schepsel in de hemel en op de aarde en onder de aarde en in de zee, het ganse heelal hoorde ik roepen: “Aan Hem die gezeten is op de troon en aan het Lam zij de lof en de eer en de roem en de kracht in de eeuwen der eeuwen!” En de vier levende wezens zeiden. “Amen.” En de oudsten vielen in aanbidding neer.
Evangelie (Joh. 21, 1-19)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes.
In die tijd verscheen Jezus andermaal aan de leerlingen bij het meer van Tiberias. De verschijning verliep als volgt: Er waren bijeen Simon Petrus, Tomas die ook Didymus genoemd wordt, Natanaël uit Kana in Galilea, de zonen van Zebedeüs en nog twee van zijn leerlingen. Simon Petrus zei tot hen: “Ik ga vissen.” Zij antwoordden: “Dan gaan wij mee.” Zij gingen dus op weg en klommen in de boot, maar ze vingen die nacht niets. Toen het reeds morgen begon te worden stond Jezus aan het strand, maar de leerlingen wisten niet dat het Jezus was. Jezus sprak hen aan: “Vrienden, hebben jullie soms wat vis?” “Neen,” zeiden ze. Toen beval Hij hun: “Werpt het net uit, rechts van de boot, daar zult ge iets vangen.” Nadat ze dit gedaan hadden, waren ze niet meer bij machte het net op te halen vanwege de grote hoeveelheid vissen. Daarop zei de leerling van wie Jezus veel hield tot Petrus: “Het is de Heer!” Toen Simon Petrus hoorde dat het de Heer was trok hij zijn bovenkleed aan – want hij droeg slechts een onderkleed – en sprong in het meer. De andere leerlingen kwamen met de boot, want zij waren niet ver van de kust, slechts ongeveer tweehonderd el, en sleepten het net met de vissen achter zich aan. Toen zij aan land waren gestapt, zagen zij dat er een houtskoolvuur was aangelegd met vis erop en brood. Jezus sprak tot hen: “Haalt wat van de vis die gij juist ontvangen hebt.” Simon Petrus ging weer aan boord en sleepte het net aan land. Het was vol grote vissen, honderddrieënvijftig stuks en ofschoon het er zoveel waren, scheurde het net niet. Jezus zei hun: “Komt ontbijten.” Wetend dat het de Heer was durfde geen van de leerlingen Hem vragen: “wie zijt Gij?” Jezus trad dichterbij, nam het brood en gaf het hun en zo ook de vis. Dit was nu de derde keer dat Jezus aan de leerlingen verscheen sinds Hij uit de doden was opgestaan. Na het ontbijt zei Jezus tot Simon Petrus: “Simon, Zoon van Johannes, hebt gij Mij meer lief dan dezen Mij liefhebben?” Hij antwoordde: “Ja Heer, Gij weet dat ik U bemin.” Jezus zei hem:” “Weid mijn lammeren.” Nog een tweede maal zei Hij tot hem: “Simon, zoon van Johannes, hebt gij Mij lief?” En deze antwoordde: “Ja Heer, Gij weet dat ik U bemin.” Jezus hernam: “Hoed mijn schapen.” Voor de derde maal vroeg Hij: “Simon, zoon van Johannes, hebt ge Mij lief?” Nu werd Petrus bedroefd, omdat Hij hem voor de derde maal vroeg: Hebt gij Mij lief? en hij zeide Hem: “Heer, Gij weet alles; Gij weet dat ik U bemin.” Daarop zei Jezus hem: “Weid mijn schapen. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Toen ge jong waart deed ge zelf uw gordel om en gingt waarheen ge wilde, maar wanneer ge oud zijt zult ge uw handen uitstrekken, een ander zal u omgorden en u brengen waarheen ge niet wilt.” Hiermee zinspeelde Hij op de dood waardoor Hij God zou verheerlijken. En na deze woorden zei Hij hem: “Volg Mij.”
dinsdag 31 mei 2022
Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Dominica III Temporis Paschalis Christus auctor resurrectionis et vitæ De viering van de Eucharistie
Celebratio eucharistiæ
Eucharístiæ némini álii licet esse párticeps, nisi qui credat vera esse quæ docémus, atque illo ad remissiónem peccatórum et regeneratiónem lavácro ablútus fúerit, et ita vivat ut Christus trádidit.
Neque enim ut commúnem panem, neque ut commúnem potum ista súmimus; sed quemádmodum per Verbum Dei caro factus est Iesus Christus salvátor noster et carnem et sánguinem hábuit nostræ salútis causa; sic étiam illam, in qua per precem, ipsíus verba continéntem, grátiæ actæ sunt, alimóniam, ex qua sanguis et carnes nostræ per mutatiónem alúntur, incarnáti illíus Iesu et carnem et sánguinem esse edócti sumus.
Nam Apóstoli in commentáriis suis, quæ vocántur Evangélia, ita sibi mandásse Iesum tradidérunt: eum scílicet, accépto pane, cum grátias egísset, dixísse: Hoc fácite in meam commemoratiónem. Hoc est corpus meum; et póculo simíliter accépto, actísque grátiis, dixísse: Hic est sanguis meus, ipsísque solis tradidísse. Ex illo témpore hæc semper nobis ínvicem in memóriam revocámus; et qui habémus, indigéntibus ómnibus subvénimus, et semper una sumus. Atque in ómnibus oblatiónibus laudámus creatórem ómnium per Fílium eius Iesum Christum et per Spíritum Sanctum.
Ac Solis, ut dícitur, die, ómnium sive urbes sive agros incoléntium in eúndem locum fit convéntus, et commentária Apostolórum aut scripta prophetárum legúntur, quoad licet per tempus.
Deínde, ubi lector désiit, is qui præest admonitiónem verbis et adhortatiónem ad res tam præcláras imitándas súscipit.
Póstea omnes simul consúrgimus, et preces emíttimus; atque, ut iam díximus, ubi desíimus precári, panis affértur et vinum et aqua; et qui præest, preces et gratiárum actiónes totis víribus emíttit, et pópulus acclámat Amen, et eórum, in quibus grátiæ actæ sunt, distribútio fit et communicátio unicuíque præséntium, et abséntibus per diáconos míttitur.
Qui abúndant et volunt, suo arbítrio, quod quisque vult, largiúntur, et quod collígitur apud eum, qui præest, depónitur, ac ipse súbvenit pupíllis et víduis, et iis qui vel ob morbum vel áliam ob causam egent, tum étiam iis qui in vínculis sunt et adveniéntibus péregre hospítibus; uno verbo ómnium indigéntium curam súscipit.
Die autem Solis omnes simul convenímus, tum quia prima hæc dies est, qua Deus, cum ténebras et matériam vertísset, mundum creávit, tum quia Iesus Christus salvátor noster eádem die ex mórtuis resurréxit. Prídie enim Satúrni eum crucifixérunt, et postrídie eiúsdem diéi, id est Solis die, Apóstolis suis et discípulis visus ea dócuit, quæ vobis quoque consideránda tradídimus.
zaterdag 7 mei 2022
Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada III Temporis Paschalis Sabbato Suum corpus dedit Christus pro vita omnium . Christus gaf zijn lichaam voor het leven van allen.
woensdag 4 mei 2022
Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada II Temporis Paschalis Feria V Eucharistia, arrha resurrectionis- De Eucharistie, onderpand van onze Verrijzenis.
dinsdag 3 mei 2022
Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada III Temporis Paschalis Feria IV Lavacrum regenerationis Het bad der wedergeboorte
zondag 1 mei 2022
Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Feria II Hebdomada III Temporis Paschalis Genus electum, regale sacerdotium. Een uitverkoren geslacht, een koninklijke priesterschap.
Ex Commentário sancti Bedæ Venerábilis presbýteri in primam Epístolam Petri (Cap. 2: PL 93, 50-51)
Genus electum, regale sacerdotium
Vos autem genus eléctum, regále sacerdótium. Hoc laudis testimónium quondam antíquo Dei pópulo per Móysen datum est, quod nunc recte géntibus dat apóstolus Petrus, quia vidélicet in Christum credidérunt, qui velut lapis anguláris in eam, quam in se Israel habúerat, salútem gentes adunávit.
Quas genus eléctum vocat propter fidem, ut distínguat ab eis, qui, lápidem vivum reprobándo, facti sunt ipsi réprobi.
Regále autem sacerdótium, quia illíus córpori sunt uníti, qui rex summus et sacérdos est verus, regnum suis tríbuens ut rex, et ut póntifex eórum peccáta sui sánguinis hóstia mundans. Regále sacerdótium eos nóminat, ut et regnum speráre perpétuum, et hóstias immaculátæ conversatiónis Deo semper offérre memínerint.
Gens quoque sancta et pópulus acquisitiónis vocantur, iuxta id quod apóstolus Paulus, prophétæ senténtiam expónens, dicit: Iustus autem meus ex fide vivit; quod si subtráxerit se, non placébit ánimæ meæ; nos autem, inquit, non sumus subtractiónis in perditiónem, sed fídei in acquisitiónem ánimæ. Et in Actibus Apostolórum, Vos Spíritus Sanctus pósuit epíscopos régere Ecclésiam Dómini, quam acquisívit sánguine suo.
Pópulus ergo acquisitiónis facti sumus in sánguine nostri Redemptóris, quod erat quondam pópulus Israel redémptus sánguine agni de Ægýpto.
Unde et in sequénti quoque versículo mýstice véteris recordátus históriæ, et hanc étiam novo Dei pópulo spiritáliter docet impléndam dicens: Ut virtútes annuntiétis eius. Sicut enim hi, qui de Ægýptia servitúte liberáti sunt per Móysen, carmen triumphále post tránsitum maris Rubri et demérsum Pharaónis exércitum Dómino decantárunt, ita et nos opórtet post accéptam in baptísmo remissiónem peccatórum dignas benefíciis cæléstibus repéndere grátias.
Namque Ægýptii, qui pópulum Dei affligébant, qui étiam ténebræ vel tribulatiónes interpretántur, apte per sequéntia nos peccáta, sed in baptísmate deléta, signíficant.
Liberátio quoque filiórum Israel, et ad promíssam olim pátriam perdúctio, cóngruit mystério nostræ redemptiónis, per quam ad lucem supérnæ mansiónis, illustránte nos ac ducénte Christi grátia, téndimus; cuius lucem grátiæ étiam illa nubis et ignis colúmna monstrávit; quæ eos et in toto itínere illo a ténebris deféndit nóctium, et ad promíssas pátriæ sedes inenarrábili calle perdúxit.
Uit het commentaar van de heilige priester Beda de Eerbiedwaardige († 735) op de eerste brief van de apostel Petrus
Een uitverkoren geslacht, een koninklijke priesterschap.
‘Gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijke priesterschap’ (1 Petr. 2, 9). Deze lofbetuiging werd eertijds door Mozes tot het oude godsvolk gesproken (vgl. Ex. 19, 6). Maar nu richt de apostel Petrus diezelfde woorden tot de heidenvolken, en terecht. Zij hebben immers in Christus geloofd, die als een hoeksteen alle volken heeft verenigd voor het heil dat ooit voor Israël alleen bestemd was.
Die volken noemt Petrus ‘een uitverkoren geslacht’ omwille van hun geloof, om hen aldus te onderscheiden van degenen die de hoeksteen verworpen hebben en daardoor zelf verworpen zijn. Hij noemt hen ‘een koninklijke priesterschap’, omdat ze verenigd zijn met het lichaam van Hem die de hoogste koning en de ware priester is. Als koning neemt Hij de zijnen op in zijn rijk. Als hogepriester reinigt Hij hen van hun zonden door het offer van zijn bloed. Petrus noemt hen ook ‘een koninklijke priesterschap’, opdat ze blijvend voor ogen houden dat hun hoop gericht moet zijn op het eeuwige koninkrijk, en dat ze God zonder ophouden het offer moeten brengen van een smetteloos leven.
Daarna worden ze ‘een heilige natie, Gods eigen volk’ (1 Petr. 2, 9) genoemd. Dit stemt overeen met de verklaring die de apostel Paulus geeft aan een uitspraak van de profeet Habakuk: mijn rechtvaardige zal door trouw geloof zijn leven redden, maar wie terugdeinst, kan Mij niet behagen (vgl. Hab. 2, 4). ‘Maar wij behoren niet tot hen die terugdeinzen en verloren gaan; wij hebben geloof en winnen door geloof het leven’ (Heb. 10, 39). In de Handelingen van de Apostelen zegt diezelfde Paulus: ‘De heilige Geest heeft u tot leiders aangesteld om Gods kerk te hoeden, die Hij zich verwierf door het bloed van zijn eigen Zoon’ (Hand. 20, 28). Wij zijn dus ‘Gods eigen volk’ geworden, ‘de kerk die Hij zich verwierf’ door het bloed van onze Verlosser, zoals eertijds het volk van Israël door het bloed van lammeren verlost werd uit Egypte.
Daarom herinnert Petrus aan de geestelijke betekenis van het oudtestamentische verhaal. Hij toont aan dat dit zijn voltooiing moet vinden in het nieuwe volk van God, waar hij zegt: ‘Gij zijt bestemd om de roemruchte daden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis heeft geroepen tot zijn wonderbaar licht’ (1 Petr. 2, 9). Het volk dat door Mozes uit de slavernij van Egypte gered werd, hief na de doortocht door de Rode Zee en de ondergang van Farao’s leger een zegelied aan voor de Heer. Zo moeten ook wij die door ons doopsel vergeving van zonden gekregen hebben, de gepaste dank betonen voor Gods weldaden. Want de naam van de Egyptenaren die het volk van God verdrukten, betekent ook: duisternis en kwelling. Zij stellen namelijk de zonden voor die ons achtervolgen, maar in de doop zijn verdelgd.
De bevrijding van de kinderen van Israël en hun tocht naar het sinds lang beloofde land verwijzen naar het geheim van onze verlossing. Door die verlossing zijn wij op tocht naar de luister van het hemelse verblijf, waarbij de genade van Christus ons verlicht en ons de weg toont. Het licht van de genade wordt verbeeld door de wolk- en vuurzuil, die de kinderen van Israël tijdens heel hun tocht beschermde tegen de duisternis van de nacht en hen langs wonderbare paden leidde naar hun woonplaats in het beloofde land.








