Posts tonen met het label hebdomada III Paschae. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hebdomada III Paschae. Alle posts tonen

zondag 4 mei 2025

Becoming a Disciple of Jesus - Bishop Barron's Sunday Sermon Third Sunday of Easter

Overweging "Goede woorden komen van God"



Toen het evangelie werd geschreven, was Petrus al lang overleden.

Dit evangelie moet dus ook voor ons van betekenis zijn. Laten we hier eens naar zoeken. 

Petrus gaat vissen, net alsof Jezus niet meer leeft ; herkennen sommigen zich daar ook niet in ? In hun doen en laten, maar ook bij hun zorgen en verdriet, houden mensen er vaak geen rekening mee, dat de liefdevolle God er ook nog is, Hij die ons juist nabij wil zijn.

Gebeurt het niet vaak dat wij ons aftobben en dat alles misgelopen is ?

En dan zegt iemand ons iets, een bemoedigend woord of een advies. Of er komt een gedachte in ons op, die bijna belachelijk lijkt. En toch gaan we erop in en ineens wordt alles anders, al is het maar dat we de moed hebben om verder te gaan. En net zoals Petrus hebben wij niet in de gaten, wie daar eigenlijk achter staat.

Goede woorden, goede invallen, die komen van God, want de mens kan iets van God ervaarbaar maken.

De liefdevolle God kan ook in de stilte tot ons spreken. Als wij onze dagelijkse beslommeringen even vergeten, en wij de tijd nemen om ons rustig te bezinnen, om oog en oor voor God te hebben, dan kunnen we een meer optimistische kijk op het leven krijgen. We kunnen het leven beter aan, we hebben meer vertrouwen. We weten dat we grond onder onze voeten hebben.

Ons bezinnen en bidden, doen we dat ook niet in de Eucharistie, in de Mis?  Merken ook wij dat het ons goed doet om naar de kerk te gaan ?

Dat we ons geborgen weten in dat grote Mysterie van licht en liefde, in God ?  Er kan een kracht van uitgaan, die ons rust geeft.

Voorwaarde daarvoor is echter dat we de invloed en werking van God in ons toelaten. Maar het is wel de moeite waard want Christus is gekomen opdat wij het leven in zijn volheid zouden bezitten.


Iubilate Deo omnis terra - Introitus 3rd sunday Easter - chant




Lezingen H. Mis 3e zondag van Pasen, jaar C "Weid mijn schapen"

Eerste lezing (Hand. 5, 27b-32.40b-41)
Uit de Handelingen der Apostelen.
In die dagen ondervroeg de hogepriester de apostelen: “Hebben wij u niet uitdrukkelijk verboden in de naam van Jezus onderricht te geven? Door uw toedoen is heel Jeruzalem vol van uw leer. Bovendien wilt gij ons het bloed van die man aanrekenen.” Maar Petrus en de andere apostelen gaven ten antwoord: “Men moet God meer gehoorzamen dan de mensen. De God van onze vaderen heeft Jezus ten leven gewekt, aan wie gij u vergrepen hebt door Hem aan het kruis te slaan. Hem heeft God als Leidsman en Verlosser verheven aan zijn rechterhand om aan Israël bekering en kwijtschelding van zonden te schenken. Van dit alles zijn wij getuigen, maar ook de heilige Geest die God geschonken heeft aan wie Hem gehoorzamen.” Maar men verbood de apostelen te spreken in de naam van Jezus en stelde hen in vrijheid. Zij verlieten de Hoge Raad, verheugd dat ze waardig bevonden waren smaad te lijden omwille van Jezus’ Naam.

Tweede lezing (Apok. 5, 11-14)
Uit de Openbaring van de heilige apostel Johannes.
Ik, Johannes zag toe en hoorde de stem van talloze engelen rondom de troon en de stem van levende wezens en van de oudsten; en hun getal was tienduizenden tienduizendtallen en duizenden duizendtallen; en zij riepen luid: “Waardig is het Lam dat geslacht werd te ontvangen de macht en de rijkdom, de wijsheid en de kracht, en eer en heerlijkheid en lof.” En elk schepsel in de hemel en op de aarde en onder de aarde en in de zee, het ganse heelal hoorde ik roepen: “Aan Hem die gezeten is op de troon en aan het Lam zij de lof en de eer en de roem en de kracht in de eeuwen der eeuwen!” En de vier levende wezens zeiden. “Amen.” En de oudsten vielen in aanbidding neer.

Evangelie (Joh. 21, 1-19)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes.
In die tijd verscheen Jezus andermaal aan de leerlingen bij het meer van Tiberias. De verschijning verliep als volgt: Er waren bijeen Simon Petrus, Tomas die ook Didymus genoemd wordt, Natanaël uit Kana in Galilea, de zonen van Zebedeüs en nog twee van zijn leerlingen. Simon Petrus zei tot hen: “Ik ga vissen.” Zij antwoordden: “Dan gaan wij mee.” Zij gingen dus op weg en klommen in de boot, maar ze vingen die nacht niets. Toen het reeds morgen begon te worden stond Jezus aan het strand, maar de leerlingen wisten niet dat het Jezus was. Jezus sprak hen aan: “Vrienden, hebben jullie soms wat vis?” “Neen,” zeiden ze. Toen beval Hij hun: “Werpt het net uit, rechts van de boot, daar zult ge iets vangen.” Nadat ze dit gedaan hadden, waren ze niet meer bij machte het net op te halen vanwege de grote hoeveelheid vissen. Daarop zei de leerling van wie Jezus veel hield tot Petrus: “Het is de Heer!” Toen Simon Petrus hoorde dat het de Heer was trok hij zijn bovenkleed aan – want hij droeg slechts een onderkleed – en sprong in het meer. De andere leerlingen kwamen met de boot, want zij waren niet ver van de kust, slechts ongeveer tweehonderd el, en sleepten het net met de vissen achter zich aan. Toen zij aan land waren gestapt, zagen zij dat er een houtskoolvuur was aangelegd met vis erop en brood. Jezus sprak tot hen: “Haalt wat van de vis die gij juist ontvangen hebt.” Simon Petrus ging weer aan boord en sleepte het net aan land. Het was vol grote vissen, honderddrieënvijftig stuks en ofschoon het er zoveel waren, scheurde het net niet. Jezus zei hun: “Komt ontbijten.” Wetend dat het de Heer was durfde geen van de leerlingen Hem vragen: “wie zijt Gij?” Jezus trad dichterbij, nam het brood en gaf het hun en zo ook de vis. Dit was nu de derde keer dat Jezus aan de leerlingen verscheen sinds Hij uit de doden was opgestaan. Na het ontbijt zei Jezus tot Simon Petrus: “Simon, Zoon van Johannes, hebt gij Mij meer lief dan dezen Mij liefhebben?” Hij antwoordde: “Ja Heer, Gij weet dat ik U bemin.” Jezus zei hem:” “Weid mijn lammeren.” Nog een tweede maal zei Hij tot hem: “Simon, zoon van Johannes, hebt gij Mij lief?” En deze antwoordde: “Ja Heer, Gij weet dat ik U bemin.” Jezus hernam: “Hoed mijn schapen.” Voor de derde maal vroeg Hij: “Simon, zoon van Johannes, hebt ge Mij lief?” Nu werd Petrus bedroefd, omdat Hij hem voor de derde maal vroeg: Hebt gij Mij lief? en hij zeide Hem: “Heer, Gij weet alles; Gij weet dat ik U bemin.” Daarop zei Jezus hem: “Weid mijn schapen. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Toen ge jong waart deed ge zelf uw gordel om en gingt waarheen ge wilde, maar wanneer ge oud zijt zult ge uw handen uitstrekken, een ander zal u omgorden en u brengen waarheen ge niet wilt.” Hiermee zinspeelde Hij op de dood waardoor Hij God zou verheerlijken. En na deze woorden zei Hij hem: “Volg Mij.”

dinsdag 31 mei 2022

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Dominica III Temporis Paschalis Christus auctor resurrectionis et vitæ De viering van de Eucharistie

Lectio altera 

Ex Apología prima sancti Iustíni mártyris pro Christiánis (Cap. 66-67: PG 6, 427-431)

Celebratio eucharistiæ

Eucharístiæ némini álii licet esse párticeps, nisi qui credat vera esse quæ docémus, atque illo ad remissiónem peccatórum et regeneratiónem lavácro ablútus fúerit, et ita vivat ut Christus trádidit.

Neque enim ut commúnem panem, neque ut commúnem potum ista súmimus; sed quemádmodum per Verbum Dei caro factus est Iesus Christus salvátor noster et carnem et sánguinem hábuit nostræ salútis causa; sic étiam illam, in qua per precem, ipsíus verba continéntem, grátiæ actæ sunt, alimóniam, ex qua sanguis et carnes nostræ per mutatiónem alúntur, incarnáti illíus Iesu et carnem et sánguinem esse edócti sumus.

Nam Apóstoli in commentáriis suis, quæ vocántur Evangélia, ita sibi mandásse Iesum tradidérunt: eum scílicet, accépto pane, cum grátias egísset, dixísse: Hoc fácite in meam commemoratiónem. Hoc est corpus meum; et póculo simíliter accépto, actísque grátiis, dixísse: Hic est sanguis meus, ipsísque solis tradidísse. Ex illo témpore hæc semper nobis ínvicem in memóriam revocámus; et qui habémus, indigéntibus ómnibus subvénimus, et semper una sumus. Atque in ómnibus oblatiónibus laudámus creatórem ómnium per Fílium eius Iesum Christum et per Spíritum Sanctum.

Ac Solis, ut dícitur, die, ómnium sive urbes sive agros incoléntium in eúndem locum fit convéntus, et commentária Apostolórum aut scripta prophetárum legúntur, quoad licet per tempus.

Deínde, ubi lector désiit, is qui præest admonitiónem verbis et adhortatiónem ad res tam præcláras imitándas súscipit.

Póstea omnes simul consúrgimus, et preces emíttimus; atque, ut iam díximus, ubi desíimus precári, panis affértur et vinum et aqua; et qui præest, preces et gratiárum actiónes totis víribus emíttit, et pópulus acclámat Amen, et eórum, in quibus grátiæ actæ sunt, distribútio fit et communicátio unicuíque præséntium, et abséntibus per diáconos míttitur.

Qui abúndant et volunt, suo arbítrio, quod quisque vult, largiúntur, et quod collígitur apud eum, qui præest, depónitur, ac ipse súbvenit pupíllis et víduis, et iis qui vel ob morbum vel áliam ob causam egent, tum étiam iis qui in vínculis sunt et adveniéntibus péregre hospítibus; uno verbo ómnium indigéntium curam súscipit.

Die autem Solis omnes simul convenímus, tum quia prima hæc dies est, qua Deus, cum ténebras et matériam vertísset, mundum creávit, tum quia Iesus Christus salvátor noster eádem die ex mórtuis resurréxit. Prídie enim Satúrni eum crucifixérunt, et postrídie eiúsdem diéi, id est Solis die, Apóstolis suis et discípulis visus ea dócuit, quæ vobis quoque consideránda tradídimus.


Uit de Eerste Apologia voor de Christenen van de heilige Justinus, martelaar

De viering van de Eucharistie

Het is niemand geoorloofd aan de Eucharistie deel te nemen dan alleen hij, die gelooft, dat het waar is wat wij leren en die bovendien is afgewassen door het bad tot vergiffenis de zonde en tot de wedergeboorte, en verder zo leeft als Christus het heeft overgeleverd.
Want wij nuttigen dit niet als gewoon brood of als gewone drank, maar zoals door het Woord Gods Jezus Christus onze Verlosser vlees is geworden en vlees en bloed bezat om ons te verlossen-zo heeft men ons geleerd, dat deze spijs, waarover met Christus’ eigen woorden de dankgebeden worden uitgesproken, en waarmee ons vlees en bloed door de stofwisseling worden gevoed, zowel het Vlees als het Bloed is van de Mengeworden Jezus.
Want de Apostelen hebben in hun gedenkschriften, die Evangeliën worden genoemd, ons overgeleverd, dat Jezus hun zo bevolen had: Hij nam namelijk het brood, dankte en sprak: Doet dit tot mijn gedachtenis. Dit is mijn Lichaam: en na de kelk genomen en gedankt te hebben, sprak Hij: Dit is mijn Bloed, en reikte beide aan hen allen toe. Sedertdien herdenken wij dit steeds onderling. Degenen van ons, die goederen bezitten, komen alle behoeftigen te hulp, en steeds zijn wij eensgezind. En bij alle offers loven wij de Schepper van alles, door zijn Zoon Jezus Christus en door de Heilige Geest.
En op de Zondag zoals die dag genoemd wordt, komen alle bewoners van stad en land op dezelfde plaats bijeen, en daar worden dan de gedenkschriften van de Apostelen en de geschriften van de profeten gelezen, zolang er tijd voor is.
Daarna, waar een lezer ontbreekt, zal hij, die voorzit, de toehoorders vermanen en ze aansporen de zo heerlijke voorbeelden uit de lezing na te volgen.
Hierna staan we allen tegelijk op het bidden; en, zoals reeds gezegd hebben, zodra we ophouden met bidden, wordt er brood, wijn en water aangebracht. Die voorzit bidt en dankt nu met alle vurigheid, en het volk antwoord Amen, en van datgene, waarover dank werd gebracht, wordt uitgedeeld en uitgereikt aan ieder van de aanwezigen, en door de diakens wordt ervan meegedeeld aan de afwezigen.
Die welgesteld zijn, delen ervan mee zoveel ieder van hen wil, en wat er zodoende wordt verzameld, deponeert men bij hem die voorzit. Deze helpt er de weduwen en wezen mee en degenen die wegens ziekte of door andere oorzaken gebrek lijden, zelfs ook de gevangenen en de gasten die uit den vreemde komen. In één woord, er wordt voor alle gezorgd, die er behoefte aan hebben.
Des zondags komen wij allen tezamen, zowel omdat het op deze dag was dat God de duisternis en de stof omvormde en de wereld schiep, als ook omdat onze Verlosser Jezus Christus op die dag uit de doden verrees. Want de dag voor de zaterdag hebben ze hem gekruisigd, en op de volgende dag, dit is zondag, verscheen Hij aan zijn Apostelen en leerlingen en leerde hun wat ook wij u overleveren om  te beschouwen.

zaterdag 7 mei 2022

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada III Temporis Paschalis Sabbato Suum corpus dedit Christus pro vita omnium . Christus gaf zijn lichaam voor het leven van allen.


Ad Officium lectionis

Lectio altera

Ex Commentário sancti Cyrílli Alexandríni epíscopi in Ioánnis Evangélium
(Lib 4, 2: PG 73, 563-566)

Suum corpus dedit Christus pro vita omnium

Mórior, inquit Dóminus, pro ómnibus, ut omnes vivíficem per meípsum, et carnem ómnium carne mea redémi. Moriétur enim mors in morte mea, et mecum simul, quæ córruit, inquit, hóminum natúra resúrget.

Factus enim idcírco sum vobis símilis, homo nimírum ex sémine Abraham, ut per ómnia frátribus assímiler. Quod cum recte intellégeret quoque beátus ipse Paulus ait: Quia ergo púeri communicavérunt carni et sánguini, et ipse simíliter participávit eísdem, ut per mortem destrúeret eum, qui habébat mortis impérium, id est diábolum.

Nec enim áliter umquam déstrui póterat is, qui mortis habet impérium, adeóque mors ipsa, nisi dedísset seípsum Christus pro nobis, unus redemptiónem pro ómnibus: erat enim supra omnes.

Proindéque in psalmis ait alícubi, seípsum pro nobis quasi hóstiam immaculátam ófferens Deo ac Patri: Sacrifícium et oblatiónem noluísti, corpus autem perfecísti mihi. Holocáusta et pro peccáto non postulásti; tunc dixi: Ecce vénio.

Crucifíxus autem est pro ómnibus et propter omnes, ut, uno pro cunctis mórtuo, omnes vivámus in ipso; nec enim fíeri póterat, ut morti obnóxia esset aut corruptióni succúmberet secúndum natúram vita. Quod autem pro mundi vita suam carnem Christus obtúlerit, ex eius porro verbis agnoscámus: Pater enim, inquit, sancte, serva eos. Et rursus: Pro eis ego sanctífico meípsum.

Sanctífico ait, pro cónsecro et óffero quasi hóstiam immaculátam in odórem suavitátis. Sanctificabátur enim, sive sanctum iuxta legem vocabátur, id quod super altáre offerebátur. Dedit ergo suum corpus Christus pro vita ómnium, et per ipsum rursus in nobis vitam ínserit; quonam autem pacto, dicam pro víribus.

Postquam enim vivíficum illud Dei Verbum in carne inhabitávit, in suum bonum eam, hoc est ad vitam, reformávit, et omníno ei ineffábili uniónis modo coniúnctum, vivíficam réddidit, non secus ac ipsum est secúndum natúram.

Proínde Christi corpus vivíficat eos, qui eius sunt partícipes: expéllit enim mortem, cum fúerit in morti obnóxiis, et corruptiónem rémovet, ratiónem in seípso páriens, quæ corruptiónem perfécte déleat.

Tweede lezing

Uit de Commentaren op het Johannes-evangelie van de H. Cyrillus van Alexandrië
(Lib 4, 2: PG 73, 563-566)

Christus gaf zijn lichaam voor het leven van allen

Ik sterf, zegt de Heer, voor allen, opdat allen door Mij het leven ontvangen, en Ik heb zo het vlees van allen door mijn Vlees verlost. D dood zak sterven in mijn dood, en tegelijk met Mij, zegt Hij, zal de menselijke natuur, die vervallen was, weer herrijzen.

Wan daarom ben Ik aan u gelijk geworden, namelijk mens uit het zaad van Abraham, om in alles gelijk te worden aan mijn broeders. Toen ook de heilige Paulus zelf dit goed begrepen had, zei hij: Omdat nu deze kinderen mensen zijn van vlees en bloed, heeft ook Hij ditzelfde bestaan willen delen, om door zijn dood de duivel, die de heerschappij over de dood bezat, te onttronen.

Hij toch, die de heerschappij over de dood bezat, dus de dood zelf, kon nooit anders overwonnen worden, als Christus niet Zichzelf voor ons gegeven had, eeen Verlosser voor allen: Hij immers stond boven allen.

Derhalve zegt Hij ergens in de psalmen, als Hij zichzelf voor ons als een onbesmet offer opdraagt aan God de Vader: Slachtoffers noch gaven hebt Gij gewild, maar een lichaam hebt Gij mij bereid. In brand- en zoenoffers vondt Gij geen behagen; toen zei ik: Zie, Ik kom.

Hij werd gekruisigd voor allen en om allen, opdat, nu er Een was gestorven oor allen, allen in Hem zouden leven; want het was onmogelijk, dat het leven volgens zijn natuur onderworpen zou zijn aan de dood of aan bederf onderhevig. Maar dat Christus zijn Vlees opofferde voor het leven van de wereld, mogen wij verder uit deze woorden opmaken: Heilige Vader, zei Hij, bewaar hen. En weer: Ik heilig mijzelf voor hen.

Ik heilig Mij, zegt Hij, dat wil zeggen: Ik wijd Mij U toe en offer mij als een onbevlekte offerande tot aangename geur. Want datgene werd geheiligd of volgens de wet heilig genoemd, wat op het altaar werd geofferd. Christus nu gaf zijn lichaam voor het leven van allen en door Hemzelf schonk Hij ons weer het leven; en op welke wijze Hij dit deed, zal Ik u naar vermogen uiteenzetten.

Nadat het leven-makende Woord Gods inwoonde in het vlees, heeft hij dit tot ijn eigen goed, dit is tot zijn leven, omgevormd, en nadat het op een geheel onuitsprekelijke wijze ermee was verenigd, heeft Het dat vlees ook leven-makend gemaakt, niet anders dan Het [Woord] zelf volgens zijn natuur is.

Derhalve maakt het Lichaam van Christus hen levend, die aan zijn Lichaam deelhebben. Want het verdrijft de dood, wanneer Het bij hen, die aan de dood onderworpen zijn, i en neemt het bederf weg, omdat Het in zichzelf de reden veroorzaakt, die het bederf volkomen doet verdwijnen.

woensdag 4 mei 2022

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada II Temporis Paschalis Feria V Eucharistia, arrha resurrectionis- De Eucharistie, onderpand van onze Verrijzenis.



Ad Officium lectionis


Lectio altera

Ex Tractátu sancti Irenæi epíscopi Advérsus hæreses
(Lib. 5, 2, 2-3: SCh 153, 30-38)

Tweede lezing

Uit het Tractaat ‘Tegen de ketters’ van de H. Irenæus, bisschop
(Lib. 5, 2, 2-3: SCh 153, 30-38)
De Eucharistie, onderpand van onze Verrijzenis

Als het vlees bij de verrijzenis niet wordt gered, heeft ook de Heer ons niet verlost door zijn Bloed en is de kelk van de Eucharistie niet de gemeenschap met zijn Bloed, noch het Brood dat wij breken de gemeenschap met zijn Lichaam. Want bloed kan alleen maar bestaan door aderen en vlees en de rest van de menselijke substantie. Daarin werd het Woord Gods Mens en verloste Hij ons met zijn Bloed, zoals zijn Apostel zegt: In Wie wij verlossing hebben door zijn Bloed, de vergiffenis der zonden.

En omdat wij zijn ledematen zijn en door zijn schepsel worden gevoed – zelf toch geeft Hij ons zijn schepsel door zijn zon te doen opgaan en het te laten regenen zoals Hij wil – heeft Hij die kelk, die uit zijn schepsel (wijn) is genomen, zijn Bloed genoemd, waarmee Hij ons bloed versterkt, en heeft Hij met nadruk gezegd, dat het brood, dat uit zijn schepsel (graan) genomen is, zijn Lichaam is, waardoor ons lichaam wordt versterkt.
Wanneer dan de gemengde kelk en het brood, dat gemaakt is, het Woord van God ontvangt en de Eucharistie van het Bloed en het Lichaam van Christus wordt, waardoor de substantie van ons vlees versterkt wordt en haar bestaan behoudt – hoe kan men dan zeggen, dat ons vlees niet in staat is de gave Gods, het eeuwig leven te ontvangen, dat gevoed wordt door het Lichaam en Bloed van Christus, en dat een lidmaat van Hem is?

Zoals ook de H. Paulus zegt in zijn Brief aan de Ephesiërs: Omdat wij ledematen zijn van zijn lichaam, van zijn vlees en zijn gebeente; hij zegt dit niet van een geestelijk en onzichtbaar mens – want een geest heeft geen vlees en beenderen – maar van e samenstelling van een werkelijk mens, die bestaat uit vlees en spieren en beenderen, en die gevoed wordt door de kelk, die zijn Bloed is, en door het Brood, dat zijn Lichaam is.

En zoals het hout van de wijnstok, in de aarde geplant, op zijn tijd vrucht draagt, en de tarwekorrel, die in de aarde valt en zich ontbindt, tot een meervoud oprijst door de kracht van Gods Geest, ie alles behoudt, wat daarna door zijn wijsheid ten nutte wordt voor de mens, en door de opneming van Gods Woord tot Eucharistie wordt, die het Lichaam en Bloed van Christus is – zó zullen ook onze lichamen, door die Eucharistie gevoed, in de aarde neergelegd en erin ontbonden, te zijner tijd verrijzen doordat het Woord van God hun de verrijzenis geeft, tot glorie van God de Vader, die de sterfelijke natuur met onsterfelijkheid omkleedt, en aan het bederfelijke om niet de onbederfelijkheid schenkt, omdat Gods kracht in de zwakheid volmaakt tot zijn recht komt.

dinsdag 3 mei 2022

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada III Temporis Paschalis Feria IV Lavacrum regenerationis Het bad der wedergeboorte


Ad Officium lectionis


Lectio altera
Ex Apología prima sancti Iustíni mártyris pro Christiánis
(Cap. 61: PG 6, 419-422)
Tweede lezing

Uit de eerste Apologia voor de Christenen, door de H. Justinus, martelaar
 (Cap. 61: PG 6, 419-422)
Het bad der wedergeboorte

Nu zullen we uiteenzetten, hoe wij ons, door Christus hernieuwd, aan God hebben toegewijd.
Al degenen, die ervan overtuigd zijn en geloven, dat wat wij hebben voorgehouden en gezegd, waarachtig is, en beloofd hebben ook aldus te kunnen leven, wordt geleerd, na gebed en vasten, God om vergeving te bidden van hun vroegere zonden, terwijl wij met hen meebidden en vasten.

Daarna worden zij door ons naar een plaats geleid, waar water is, en ontvangen op dezelfde wijze de wedergeboorte, waarin ook wijzelf herboren werden. Want in de Naam van de Vader van heel de schepping en van onze Heer en God en Zaligmaker Jezus Christus en van de Heilige Geest ontvangen zij dan de afwassing met het water.
Christus heeft immers gezegd: Als gij niet herboren wordt, zult gij het rijk der hemelen niet binnengaan. Het is voor iedereen duidelijk dat het daarentegen onmogelijk is, om eenmaal geboren weer terug te keren in de moederschoot.

Door Jesaja ook is gezegd, hoe zij, die gezondigd hebben en boetvaardigheid hebben gedaan, voortaan de zonden kunnen vluchten. Want hij heeft zo gesproken: Was u eerst en wordt rein! Weg, uit mijn ogen met uw boosheid; leert het goede doen, geeft de wees wat hem toekomt, neemt het op voor de weduwe; en komt, dan maken wij er met elkaar een eind aan, spreekt de Heer. En al waren uw zonden als purper, Ik zal ze wit maken als wol, en al waren ze als scharlaken, Ik zal ze witter maken dan de sneeuw. Maar als gij niet naar Mij luistert, zal het zwaard u verslinden. Want dit heeft de mond des Heren uitgesproken.

Deze denkwijze hierover hebben wij van de Apostelen ontvangen. Wanneer wij bij onze eerste geboorte onbewust door een zekere natuurdrang uit vochtig zaad en door paring van onze ouders geboren zijn, en in slechte zeden en verderfelijke instellingen zijn opgevoed – om nu geen kinderen te blijven van een natuurdrang en van onwetendheid, maar om kinderen te worden van uitverkiezing en van diepere kennis, en om door het water de vergiffenis van onze zonden te verkrijgen, die wij vroeger bedreven hebben – zo wordt over hem, die herboren wil worden en boete heeft gedaan over zijn zonden, de Naam van ons aller Vader en Heer-God uitgesproken, en zo noemen wij Hem alleen maar, wanneer wij de dopeling naar het waterbad geleiden.

Want niemand kan een naam aangeven voor de onuitsprekelijke God. Want als iemand zou durven beweren, dat Hij wel een bepaalde naam heeft, moet die mens wel hopeloos dwaas zijn.
Dit waterbad wordt verlichting genoemd, omdat zij, die dit ervaren, geestelijk worden verlicht. Maar ook in de naam van Jezus Christus, die onder Pontius Pilatus gekruisigd werd, en in de naam van de heilige Geest, die door de profeten alles, wat Jezus betreft, heeft voorspeld, wordt hij, die verlicht wordt, afgewassen.


zondag 1 mei 2022

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Feria II Hebdomada III Temporis Paschalis Genus electum, regale sacerdotium. Een uitverkoren geslacht, een koninklijke priesterschap.

Lectio altera



Ex Commentário sancti Bedæ Venerábilis presbýteri in primam Epístolam Petri (Cap. 2: PL 93, 50-51)

Genus electum, regale sacerdotium

Vos autem genus eléctum, regále sacerdótium. Hoc laudis testimónium quondam antíquo Dei pópulo per Móysen datum est, quod nunc recte géntibus dat apóstolus Petrus, quia vidélicet in Christum credidérunt, qui velut lapis anguláris in eam, quam in se Israel habúerat, salútem gentes adunávit.

Quas genus eléctum vocat propter fidem, ut distínguat ab eis, qui, lápidem vivum reprobándo, facti sunt ipsi réprobi.

Regále autem sacerdótium, quia illíus córpori sunt uníti, qui rex summus et sacérdos est verus, regnum suis tríbuens ut rex, et ut póntifex eórum peccáta sui sánguinis hóstia mundans. Regále sacerdótium eos nóminat, ut et regnum speráre perpétuum, et hóstias immaculátæ conversatiónis Deo semper offérre memínerint.

Gens quoque sancta et pópulus acquisitiónis vocantur, iuxta id quod apóstolus Paulus, prophétæ senténtiam expónens, dicit: Iustus autem meus ex fide vivit; quod si subtráxerit se, non placébit ánimæ meæ; nos autem, inquit, non sumus subtractiónis in perditiónem, sed fídei in acquisitiónem ánimæ. Et in Actibus Apostolórum, Vos Spíritus Sanctus pósuit epíscopos régere Ecclésiam Dómini, quam acquisívit sánguine suo.

Pópulus ergo acquisitiónis facti sumus in sánguine nostri Redemptóris, quod erat quondam pópulus Israel redémptus sánguine agni de Ægýpto.

Unde et in sequénti quoque versículo mýstice véteris recordátus históriæ, et hanc étiam novo Dei pópulo spiritáliter docet impléndam dicens: Ut virtútes annuntiétis eius. Sicut enim hi, qui de Ægýptia servitúte liberáti sunt per Móysen, carmen triumphále post tránsitum maris Rubri et demérsum Pharaónis exércitum Dómino decantárunt, ita et nos opórtet post accéptam in baptísmo remissiónem peccatórum dignas benefíciis cæléstibus repéndere grátias.

Namque Ægýptii, qui pópulum Dei affligébant, qui étiam ténebræ vel tribulatiónes interpretántur, apte per sequéntia nos peccáta, sed in baptísmate deléta, signíficant.

Liberátio quoque filiórum Israel, et ad promíssam olim pátriam perdúctio, cóngruit mystério nostræ redemptiónis, per quam ad lucem supérnæ mansiónis, illustránte nos ac ducénte Christi grátia, téndimus; cuius lucem grátiæ étiam illa nubis et ignis colúmna monstrávit; quæ eos et in toto itínere illo a ténebris deféndit nóctium, et ad promíssas pátriæ sedes inenarrábili calle perdúxit.

Uit het commentaar van de heilige priester Beda de Eerbiedwaardige († 735) op de eerste brief van de apostel Petrus

Een uitverkoren geslacht, een koninklijke priesterschap.

‘Gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijke priesterschap’ (1 Petr. 2, 9). Deze lofbetuiging werd eertijds door Mozes tot het oude godsvolk gesproken (vgl. Ex. 19, 6). Maar nu richt de apostel Petrus diezelfde woorden tot de heidenvolken, en terecht. Zij hebben immers in Christus geloofd, die als een hoeksteen alle volken heeft verenigd voor het heil dat ooit voor Israël alleen bestemd was.
Die volken noemt Petrus ‘een uitverkoren geslacht’ omwille van hun geloof, om hen aldus te onderscheiden van degenen die de hoeksteen verworpen hebben en daardoor zelf verworpen zijn. Hij noemt hen ‘een koninklijke priesterschap’, omdat ze verenigd zijn met het lichaam van Hem die de hoogste koning en de ware priester is. Als koning neemt Hij de zijnen op in zijn rijk. Als hogepriester reinigt Hij hen van hun zonden door het offer van zijn bloed. Petrus noemt hen ook ‘een koninklijke priesterschap’, opdat ze blijvend voor ogen houden dat hun hoop gericht moet zijn op het eeuwige koninkrijk, en dat ze God zonder ophouden het offer moeten brengen van een smetteloos leven.
Daarna worden ze ‘een heilige natie, Gods eigen volk’ (1 Petr. 2, 9) genoemd. Dit stemt overeen met de verklaring die de apostel Paulus geeft aan een uitspraak van de profeet Habakuk: mijn rechtvaardige zal door trouw geloof zijn leven redden, maar wie terugdeinst, kan Mij niet behagen (vgl. Hab. 2, 4). ‘Maar wij behoren niet tot hen die terugdeinzen en verloren gaan; wij hebben geloof en winnen door geloof het leven’ (Heb. 10, 39). In de Handelingen van de Apostelen zegt diezelfde Paulus: ‘De heilige Geest heeft u tot leiders aangesteld om Gods kerk te hoeden, die Hij zich verwierf door het bloed van zijn eigen Zoon’ (Hand. 20, 28). Wij zijn dus ‘Gods eigen volk’ geworden, ‘de kerk die Hij zich verwierf’ door het bloed van onze Verlosser, zoals eertijds het volk van Israël door het bloed van lammeren verlost werd uit Egypte.
Daarom herinnert Petrus aan de geestelijke betekenis van het oudtestamentische verhaal. Hij toont aan dat dit zijn voltooiing moet vinden in het nieuwe volk van God, waar hij zegt: ‘Gij zijt bestemd om de roemruchte daden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis heeft geroepen tot zijn wonderbaar licht’ (1 Petr. 2, 9). Het volk dat door Mozes uit de slavernij van Egypte gered werd, hief na de doortocht door de Rode Zee en de ondergang van Farao’s leger een zegelied aan voor de Heer. Zo moeten ook wij die door ons doopsel vergeving van zonden gekregen hebben, de gepaste dank betonen voor Gods weldaden. Want de naam van de Egyptenaren die het volk van God verdrukten, betekent ook: duisternis en kwelling. Zij stellen namelijk de zonden voor die ons achtervolgen, maar in de doop zijn verdelgd.
De bevrijding van de kinderen van Israël en hun tocht naar het sinds lang beloofde land verwijzen naar het geheim van onze verlossing. Door die verlossing zijn wij op tocht naar de luister van het hemelse verblijf, waarbij de genade van Christus ons verlicht en ons de weg toont. Het licht van de genade wordt verbeeld door de wolk- en vuurzuil, die de kinderen van Israël tijdens heel hun tocht beschermde tegen de duisternis van de nacht en hen langs wonderbare paden leidde naar hun woonplaats in het beloofde land.

zaterdag 30 april 2022

Oratio post Communionem – Gebed na de Communie (Postcommunio) Dominica Tertia Paschæ Derde zondag van Pasen Laat ons met een verheerlijkt lichaam verrijzen in onvergankelijkheid.



Het Laatste Avondmaal.
Mozaïek in de S. Apollinare Nuovo, Ravenna (vóór 529)
  
Laat ons met een verheerlijkt lichaam verrijzen in onvergankelijkheid.

I n l e i d i n g
Iedere Heilige Eucharistieviering is een ontmoeting met de Verrezen Heer in Woord en Sacrament. In de Consecratie komt Christus in de eucharistische gedaanten tegenwoordig  door de consecratiewoorden die de transsubstantiatie (van brood naar het Lichaam van Christus) bewerken. Deze woorden vormen de kern en het hoogtepunt van het Eucharistisch gebed. Daarna volgt de exclamatie (uitroep) van de priester “Mysterium fidei”, [dit is] het Mysterie van het geloof. De gelovigen beantwoorden deze exclamatie met de acclamatie: “Mortem tuam annuntiamus, Domine, et tuam resurrectionem confitemur, donec venias”, Heer Jezus, wij verkondigen uw dood en wij belijden tot Gij wederkeert, dat Gij verrezen zijt. (Tussen haakjes: deze acclamatie bevat, door de schikking van de begrippen ‘mortem tuam’ en ‘tuam resurrectionem’ een fraai voorbeeld van een zgn. chiasme of kruisstelling, duidelijk te zien als men deze begrippen onder elkaar plaatst). Door de instellingswoorden komt Christus in de H. Eucharistie wezenlijk en waarachtig als Verrezen Heer tegenwoordig.
Hij, die verrees, overwon door het Kruis.
De lectio brevis van de Terts op Paaszondag, die op Beloken Pasen, de octaafdag van Pasen, wordt herhaald, luidt: “Deus, qui dives est in misericordia , propter nimiam caritatem suam, qua dilexit nos, et cum essemus mortui peccatis, convivificavit  nos Christo – gratia estis salvati – et conresuscitavit  et consedere fecit in cælestibus in Christo Iesu”, God, die rijk is aan erbarming, heeft om de grote liefde waarmee Hij ons heeft liefgehad, ons die dood waren in onze afdwalingen met Christus levend gemaakt – aan de genade dankt gij uw redding -  en Hij heeft ons samen met Hem doen opstaan en zetelen in de hemel in Christus Jezus.
Door en in de H. Communie, het ontvangen van Jezus Zelf, wordt ons de leeftocht op onze weg naar dit nieuwe leven geschonken.
De Drieëne God, heeft ons in Christus door diens verlossend lijden en sterven het leven terug geschonken (convivicavit), heeft ons met Hem doen opstaan (conresuscitavit) en zal ons bij de voltooiing van ons leven in Christus een plaats in de hemel bereiden (consedere fecit). Door het drievoudig gebruik van het voorvoegsel con- (= cum, met) onderstreept de apostel Paulus de nauwe band van Christus met de alle mensen.
De Postcommunio, direct volgend op het ontvangen van de H. Communie, bidt om de “incorruptibilem glorificandæ carnis resurrectionem”, de onvergankelijke verrijzenis van het te verheerlijken lichaam. Volgens de Wil van God zal ook het menselijk lichaam aan de verheerlijking deel hebben. Zo gebeurde het bij Christus, zo zal het ook bij de door Hem verloste mensheid zijn.

T e k s t
Missale Romanum [MR] 1970
Populum tuum, quæsumus, Domine, intuere benignus,
et, quem æternis dignatus es renovare mysteriis,
ad incorruptibilem glorificandæ carnis resurrectionem pervenire concede.
Per Christum Dominum nostrum.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovncie 1979
Heer, wij bidden U: zie goedgunstig naar uw volk.
Gij hebt ons vernieuwd door deze heilige geheimen;
laat ons met een verheerlijkt lichaam verrijzen in onvergankelijkheid.
Door Christus onze Heer.

Werkvertaling
Zie, Heer, bidden wij U, in uw goedheid neer op uw volk,
en geef dat het, dat Gij U gewaardigd hebt door [deze] eeuwige mysteries te hernieuwen
de onvergankelijke verrijzenis van het verheerlijkingswaardig lichaam bereikt.

L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n
De oratio post Communionem lijkt een nieuwe compositie te zijn voor MR 1970, met sporen uit het Sacramentarium Gelasianum en ook uit Preek 71 van de H. Leo de Grote, paus ( Sermo 71, 6: CCL 138A, p. 440, II. 131-2; PL 54, 389D). De tekst van paus Leo de Grote, die in de laatste regels van de oratie is geïntegreerd vóór de doxologie waarmee hij voor hem typisch eindigt is afkomstig uit een preek gehouden op Paaszaterdag 3-4 april 443 en heeft betrekking op het Lijden van de Heer: “Et quia antiquorum morborum difficilis et tarda curatio est, tanto velocius adhibentur remedia, quanto recentiora sunt vulnera, ut semper ab omnibus offensionibus in integrum resurgentes, ad illam incorruptibilem glorificandae carnis resurrectionem pertinere mereamur in Christo Iesu Domino nostro, qui vivit et regnat…”En daar de genezing van oude ziekten langzaam en moeizaam verloopt: hoe recenter de wonden zijn, hoe sneller kunnen remedies worden toegepast, zodat wij, die steeds opnieuw opstaan van onze struikelingen, mogen verdienen te verwerven die onvergankelijke verrijzenis van het lichaam, dat hervormd moet worden tot de heerlijkheid, die is in Jezus Christus , onze Heer, die leeft en heerst…
Een tweede brontekst van de Postcommunio van deze zondag steunt op de Postcommunio zoals gevonden in het Sacramentarium Triplex,  (Zürich, Zentralbibl. C 43, I. Teil,  volgens de editie Heiming, 19168 (LQF 40) rond het jaar 1000; 14, 64. Deze brontekst luidt:
Respice, quæsumus, Domine, populum tuum et,
quem æternis dignatus es renovare mysteriis:
a temporalibus culpis dignanter absolve.
Deze tekst is vervolgens middels minstens 48 handschriften verspreid over het Europese continent en de Angelsaksische eilanden.
In de verschillende handschriften worden door de eeuwen heen tekstvariaties gevonden op grond van onzorgvuldigheid of het samenstellen van een copie of transcriptie tijdens het dicteren. Door deze varianten in kaart te brengen kunnen ‘stambomen’ van handschriften- tradities voor oude werken worden samengesteld. Dit maakt het mogelijk om de beste en meest accurate teksten te gebruiken bij bijvoorbeeld compilaties. Het oudste standaardwerk
voor de meeste teksten van de Kerkvaders is de PL uitgave (Patrologia Latina uitgegeven door Migne, Parijs, 19e eeuw). Kritische edities van de werken van de Kerkvaders, andere oudchristelijke geschriften en werken van kerkelijke schrijvers vindt men, voor wat het Latijn betreft, in de collectie CCL (Corpus Christianorum series Latina, Brepols, Turnhout).
Rubrieken:
In de Codex Arbuthnott (Liber Ecclesiæ beati Terrenani de Arbuthnott, Missale secundum usum Ecclesiæ Sancti Andreæ in Scotia, staat bijvoorbeeld de Postcommunio Respice vermeld in het Misformulier voor de 3e zondag na het Paasoctaaf, 184.
En in de Codex Benevento, Archivio arcivescovile, Cod. VI 33, (sæc. X-XI) in het Misformulier van de 4e zondag na het octaaf van Pinksteren, 96. 187.
In MR 1962 was de postcommunio Respice onder andere de Oratio post communionem van zaterdag na de 3e zondag van de Vasten.
(E. Mœller, J.M. Clément en B. Coppieters ’t Wallant, Corpus Orationum, VIII, R-S, Brepols, Turnhout 1996, p. 76, nr. 5121) en Pl. Bruylants, Les Oraisons du Missel Romain, I-II, Leuven, 1962, 985)
In MR 1970 is de Postcommunio Populum tuum …naast de Postcommunio van deze 3e zondag, ook de Postcommunio van het Misformulier van zaterdag onder het Paasoctaaf.
Daar MR 1962 het Postcommunio-gebed, naar het schijnt, te uitsluitend op de pasgedoopten betrok, die in en door het Doopsel van schuld werden bevrijd, werd de bede om vergeving in het Respice-gebed vervangen door een bede om de “incorruptibilem glorificandæ carnis resurrectionem”, de onvergankelijke verrijzenis van het lichaam.

T e k s t a n a l y s e
1. Populum tuum, quæsumus, Domine, intuere benignus,
2a.  et,  3.quem æternis dignatus es renovare mysteriis,
2b. ad incorruptibilem glorificandæ carnis resurrectionem pervenire concede.

De oratio post communionem van deze zondag wordt gevormd door één enkele zin die zich door middel van het verbindende ‘et’ laat opsplitsen in twee delen. In beide gedeelten wordt een bede aan de Heer (God de Vader) voorgelegd ‘per Dominum nostrum Iesum Christus’, door onze Heer Jezus Christus, zoals de slotformule luidt. De eerste bede vraagt om de welwillende blik van de Heer op zijn volk (r. 1), de tweede bede vraagt om de voltooiing van het menselijk leven in de onvergankelijke heerlijkheid van de verrijzenis (r. 2b), met een beroep op Gods goedheid die zijn volk zonder ophouden vernieuwt door zijn mysteries / door zijn sacramenten (r. 3).
De oratie bestaat uit een openingszin (r. 1) met prædicaat intuere in de imperativusvorm, afgezwakt of ritmisch aangevuld door het tussenwerpsel  quæsumus, door de coniunctie et verbonden met een volgend zinsdeel met prædicaatsgroep concede pervenire, in welk zinsdeel zich de gerundivumconstructie glorificandæ carnis bevindt (r. 2b). Beide zinsdelen worden onderbroken door een relatieve bijzin beginnend met de reflexivumvorm quem die aansluit bij het in regel 1 genoemde antecedent populum tuum.
Ad 1
Intuere, zie naar, zie om – prædicaat in de imperativusvorm van het deponens intueri
Benignus, welwillend, goedgunstig – bijwoordelijke bepaling bij het verbum intuere die dit verbum nader kwalificeert.
Quæsumus, wij vragen/bidden/smeken – tussenzin, gevormd door de losse werkwoordvorm van het verbum defectum (onvolledig werkwoord) quæso.
Domine, [o] Heer – anaklese in de vocativusvorm van Dominus
Populum tuum, uw volk – object van het prædicaat intuere in twee congruerende accusativusvormen
Ad 2a-b
Concede pervenire, vergun te bereiken – prædicaatsgroep bestaande uit de imperativusvorm concede van concedere, concedi, concessum, 3, en de infinitivusvorm pervenire.
Ad incorruptibilem glorificandæ carnis resurrectionem, tot de onvergankelijke verrijzenis van het verheerlijkingswaardig vlees – voorzetselbepaling waarbij de præpositie ad voortvloeit uit pervenire, komen bij/tot, bereiken. Men kan ook vanuit de betekenis ‘bereiken’ dit zinsdeel zien als object van pervenire.  Deze bepaling resp. object bestaat uit de congruerende accusativusvormen incorruptibilem resurrectionem die vergezeld gaan van de bijvoeglijke bepaling glorificandæ carnis, een gerundivumconstructie, letterlijk vertaald: van het vlees (=lichaam) dat verheerlijkt worde  of korter gezegd: verheerlijkingswaardig. De bijvoeglijke bepaling bestaat uit twee congruerende genitivusvormen die nadere uitleg geven over resurrectionem, genitivus explicativus als nadere specificatie van ‘ad resurrectionem’. 
Ad 3                      
Dignatus es renovare, Gij hebt U gewaardigd te hernieuwen – prædicaatsgroep, samengesteld door het perfectum dignatus es (passief qua vorm, maar actief qua betekenis), 2e pers. enkelvoud van het perfectum van het deponens dignari in de indicativus, omdat hier een voor de gelovigen reëel feit wordt genoemd én door de infinitivus renovare. Es is een imperativus. Drie imperativi in deze zin: intuere, es en concede.
Aeternis  […]mysteriis, met eeuwigdurende mysteries – bijwoordelijke bepaling samengesteld uit twee congruerende abativusvormen, die een middel aanduiden: ablativus instrumenti.
Het object van deze goddelijke weldaad is het in r. 1 genoemde populus waarnaar de reflexivumvorm quem in r. 3 verwijst.

S t i j l f i g u r e n
Sterke aanwezigheid van –u klank in r. 1
Hyperbaton (uiteenplaatsing van bij elkaar behorende zinsdelen): æternis […] mysteriis (r. 3)
en: incorruptibilem […] resurrectionem
De constructie en de positie van de prædicaten:  intuere, dignatus es renovare en pervenire concede dragen bij tot een mooi ritmische cursus van de oratie en tot gemakkelijker zingen van deze oratie door de celebrant.

V o c a b u l a r i  u m
Concedere, concede, concessum, 3
Concede: deze imperatiefvorm van het verbum concedere 3, concessi, concesssum (herinner u ons ‘Nederlands’ woord concessie), heeft in het liturgisch taalgebruik positieve betekenissen zoals verleen, geef, schenk. In negatieve zin betekent dit verbum verbeuren, verspelen, zich compromitteren. In beide betekenissen omvat concede een zich welwillend, minzaam neerbuigen van de kant van God waarbij Hij genadig de oratie de gevraagde uitwerking verleent.
In de oraties van het Misformulier komen we het prædicaat concede  dikwijls tegen aan de spits of juist als slotwoord van de oratie.

Populus, -i, m.
is de benaming voor het volk van God, de christelijke gemeenschap.
De Bijbelse uitdrukking ‘volk van God’ (λαος tοu θεου) werd zeer vroeg op de gemeenschap van de Christenen toegepast. Populus, een oorspronkelijke Romeinse – ofschoon reeds in de derde eeuw een zeer algemene en niet-politieke term - werd een van de technisch christelijke woorden voor “de gemeenschap van de gelovigen die samenkwamen voor liturgische vieringen”. In deze betekenis komt het begrip overvloedig voor in de oraties van mis- en officieformulieren. In MR 1962 komt de term populus bijvoorbeeld in het enkelvoud in 12 van de 61 Postcommunio’s voor in combinatie met het bezittelijk voornaamwoord tuus zoals ook in de Postcommunio van deze zondag en in de Postcommunio van de 5e zondag van Pasen (populo tuo). In MR 1970 vinden we: supplicationes populi tui, het gebed van uw volk (Collectegebed 2e zondag per annum), da populis tuis id amare quod præcipis, laat uw volk datgene beminnen wat U voorschrijft (Collectegebed 21e zondag per annum). Het gebruik van het meervoud wijst op het gebruik van de gangbare taal die ook haar weg vond in de liturgische oordenschat toont, zoals in Ps 116 (117): Laudate Dominum omnes gentes, collaudate eum omnes populi, waarbij zowel de niet christelijke als de christelijke volken (naties) worden opgeroepen.
Soms wordt de term populus vergezeld door een beschrijvend adiectivum of substantivum die het begrip nader karakteriseert: Populus Sion (Ps 79), het Volk van Sion, het uitverkoren volk, het volk van het nieuwe Sion, de Kerk (Introitus 2e zondag van de Advent), Populum humilem salvum facies (Ps  17, 28), Gij zult uw nederig volk redden (Offertorium Week 14 per annum), Populus acquisitionis (1 Petr 2,9), een uitverkoren volk (Communio donderdag onder het Paasoctaaf) om slechts enkele voorbeelden te noemen. En in Liturgia Horarum de antifonen Populus meus, ait Dominus, bonis meis adimplebitur, Mijn volk, zo zegt de Heer, zal met mijn goederen worden overladen (Ant. 2, donderdag in Week 1 van het Psalterium), Quasi pupillam oculi sui custodivit Dominus populum suum, alleluia, Als zijn oogappel heeft de Heer zijn volk behoed, alleluia (Antifoon 2, vrijdag in Week 2 van het Psalterium); Fili Dei, tuere pupulum tuum, [Jezus], Zoon van God, zie om naar uw volk (Refrein bij de Preces van de 1e Vespers van de 3e zondag van Pasen), Redemptionem misit Dominus populo suo, alleluia, De Heer bracht zijn volk verlossing, alleluia (Ant. 2 van de 2e Vespers van de 3e zondag van Pasen).
Synoniemen voor populus in het liturgisch taalgebruik vinden we bijvoorbeeld in het begrip familia tua (Familiam tuam in Collectgebed 5e zondag per annum).
Maar ook het begrip plebs is ingeburgerd in de liturgische oratietaal.
Plebs, -is vr., 1. volk 2. de grote hoop, de grote menigte. Had dit begrip bij de Romeinen een negatieve connotatie: min volk, het gemene volk, gepeupel, in het christelijk Latijn is dit een van de vroegste benamingen voor het volk van God, voor de christifideles, het gehele christenvolk. Denk ook aan de openingsregel van het Benedictus (Lc 1, 68), de cantiek in de Lauden, waarin de heilsdaad ‘redemptionem plebi suæ’ zowel op het Oude als het Nieuwe Israel, de Kerk, betrekking heeft; datzelfde geldt voor de cantiek ‘Nunc dimittis’ (Lc 2, 31-32) van de Completen waarin Jezus bij zijn opdracht in de tempel zowel ‘salutare omnium populorum’, heil van alle volkeren als ‘lumen gentium’, licht van/voor de nog heidense volkeren wordt genoemd.
Nog een enkel woord over het begrip plebs:
Het woord komt voor in het enkelvoud hoewel in latere christelijke bronnen van het Latijn het meervoud gebruikelijk werd. Door het gebruik van het enkelvoud wordt de eenheid van de gemeenschap van de gelovigen benadrukt. Voorbeelden: plebis tuæ dona, christiana plebs, captiva plebs, het gevangen volk: deze laatste uitdrukking is vermeld in de hymne “Ad cenam Agni providi”, de hymne van de Vespers op Pasen en op de zondagen van Pasen en verwijst naar de rechtvaardigen van het Oude Testament die in afwachting van de Verlossing door Christus als het ware gevangen werden gehouden in het voorgeborchte. Geliefd thema in de klassieke schilderkunst, voor al in de Oosterse Kerken.
(Vgl. Sr. Mary Pierre Ellebracht C. Pp. S., Remarks on the vocabulary  of the ancient orations in the Missale Romanum, Nijmegen 1966, onder de lemmata Populus en Plebs.
We zien de grondbetekenis ook terug in het begrip ‘plebanus’, plebaan, zijnde de pastoor van de kathedraal, die in naam van de bisschop de ‘ordinarius loci’ van de kathedraal is.
Intueri, intuitus sum, dep., 2
‘Intueor’ is een begrip dat we kennen uit het ‘Adoro te devote’ van de H. Thomas van Aquino  (Plagas, sicut Thomas, non intueor – Uw wonden, zie ik, zoals Thomas niet)  en ook uit het Gebed over de Gaven van Epiphanie (Intuere, Domine, dona Ecclesiæ tuæ propitius  - Heer, zie in uw goedheid naar de gaven van uw Kerk) alsmede het bijbehorende substantivum intuitus uit de Postcommunio van hetzelfde feest (ut puro cernamus intuitu – opdat wij met zuivere blik aanschouwen).
Onze onmisbare woordenboeken herinneren ons aan de betekenissen van intueor: 1. naar iets kijken, aanschouwen 2. beschouwen, overwegen 3. in het oog houden, aandacht schenken aan, letten op.
Vanuit onze nederige gesteltenis op dit moment van de H. Mis  kunnen we ‘intueor’ het best weergeven als ”zie neer op” met de interne lading van de goedheid die God eigen is.

Gloria
Zoals we al meermalen hebben gezien heeft het begrip ‘gloria’, glorie, heerlijkheid, in de oraties van de liturgie van de Kerk zeer specifieke en eigen betekenissen, zeker wanneer er  een verband is met de gedachten van de Kerkvaders. In de contact van deze oratie is ‘gloria’ een goddelijke karakteristiek welke God deelt met de zaligen in de hemel.  Bij het aanschouwen van de ‘glorie’ van de Heer en het delen in zijn goddelijke luister wanneer wij zijn Gelaat voor altijd mogen zien, zullen wij (beeld van God als we zijn) daardoor worden getransformeerd en meer en meer in alle eeuwigheid op Hem gaan gelijken.


S l o t b e s c h o u w i n g
Het ontvangen van het Lichaam en Bloed van de Heer is voor de celebrant en de gelovigen een hoogtepunt van de Eucharistieviering, waardoor de gelovigen de volheid van het sacrament ontvangen als een heilsdaad voor ieder persoonlijk binnen de gemeenschap van de Kerk. De vereniging van Christus met iedere gelovige die communiceert vraagt om een dankgebed, om aanbidding in godvruchtig stilzwijgen. Het gebed dat er op volgt, de oratio post Communionem, kan de samenvatting van het gebed van ieder persoonlijk en van allen zijn. “In het Gebed na de Communie bidt de priester om de vruchten van het mysterie dat gevierd werd. De gelovigen maken zich dit gebed eigen door de acclamatie “Amen” (Institutio Generalis MR, 56k).

Katholieken hebben een diepe eucharistische notie van wat aanbidding is. Zeer zeker, aanbidding van de goddelijke Majesteit kan op allerlei manieren: het vreugdevolle lof- en danklied (Zonnelied) van de H. Franciscus van Assisi voor zon en maan, water en vuur, de indrukwekkende muziek van de Hohe Messe van J.S. Bach, de hulde in een danklied of psalm om God te loven, de ingetogen stilte in het koor van een kloosterkerk. Katholieken begrijpen ten volle wat het feestgewaad van aanbidding betekent waarmee de schepping zelf is getooid: de lof van God in het suizelen van de westenwind, het zachte ruisen van de branding als je staat op het strand, de zang van het winterkoninkje of de lijster, of het krijsen van de meeuw en het kraaien van de haan.
Het centrale punt van deze aanbidding is voor een katholiek de H. Eucharistie. De H. Mis. Want in de Eucharistie verzamelt zich het gehele koor van aanbidders en komt daar op een punt waar wij (man, vrouw, ieder van ons als uniek schepsel Gods) staan voor de Allerhoogste, namens de gehele schepping. Het is in ons expliciet, bewust, vrijwillig en na rijp beraad aanbieden van de gave van aanbidding dat de zee, de wind en de vogels hun voltooiing vinden in de volledige aanbidding van God. Adam en Eva hadden de opdracht namens de schepping God voor zijn Aanschijn te prijzen. Ook wij moeten trouwe, vriendelijke rentmeesters zijn van Gods schepping en die niet plunderen of ander geweld aandoen. Door de erfzonde is het koor van de aanbidding van de Schepper door de schepsels verstoord geraakt. Dat stemt tot droefheid en leidt tot de kreten die uit de diepte van ons gebroken hart voortkomen: Kyrie eleison, Agnus Dei qui tollis peccata mundi, miserere nobis. Hoe zijn wij vanuit het paradijs tot deze droefenis gekomen. Wij hebben de schepping verstoord. In Adam en Eva zijn ook wij degenen die dat hebben gedaan. En Wie bekommert zich om ons? Wie heeft daarvoor voldoende gezag? Dat is Jezus, wiens Naam betekent: God redt ons van onze zonden. Hij is de Verlosser, het Lam Gods dat Zich omwille van ons aan de Vader aanbiedt in een Offer dat Adam en Eva bevrijdt en ieder van ons en de gehele door onze zonden besmeurde schepping. Voor de katholiek is er een verbinding tussen offer en lof.  Dit zijn geen gescheiden activiteiten, maar ze gaan in elkaar op.
God heeft mij gemaakt naar zijn Beeld, als een uniek schepsel. Aan at schepsel heeft Hij de vrije wil gegeven. Ieder offer dat ik breng is mijn unieke offer. Ik offer met het werk van mijn handen en de woorden van mijn mond, maar daarmee moet ik mezelf offeren. In het offer van mijzelf ligt de ware lof Gods. In de H. Mis offert Christus Zich voor ons. Ons antwoord daarop kan alleen maar zijn dat wij ook onszelf willen offeren en daarmee de lof zingen en Hem aanbidden op de wijze, waarvoor Hij de schepping heeft bedoeld.                                                                                                                                                                                                                    In deze weken en maanden van de coronacrisis horen wij van tijd tot tijd dat nogal wat mensen betreuren dat ze de H. Communie moeten missen. 
Het helpt mogelijk te proberen te leven van al die H. Communies die men eerder wel heeft kunnen ontvangen. Want dat genadeleven draagt men immers nog bij zich.
In een Preek van de H. Leo de Grote, paus (Sermo 12, De Passione, 3, 7 in PL 54, 357) lazen we woensdag van de afgelopen week: “De deelname aan het Lichaam en Bloed van Christus bewerkt niets minder dan dat wij overgaan in Degene die wij nuttigen, en dat wij bij alles zowel in de geest als in het vlees Hem dragen, in Wie wij medegestorven, medebegraven en medeverrezen zijn”.
De onvergelijkelijke kracht van Christus blijft in alle eeuwen.