Posts tonen met het label 28 augustus. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 28 augustus. Alle posts tonen

vrijdag 27 augustus 2021

28 augustus H. Augustinus, bisschop en kerkleraar uit het martyrologium

Martyrologium Romanum

28 augustus 
H. Augustinus, bisschop en kerkleraar

De gedachtenis van de heilige Augustinus, een uitmuntend bisschop en kerkleraar, die zich na een jeugd van rusteloos zoeken naar houvast in leer en leven bekeerde tot het katholieke geloof, door de heilige Ambrosius te Milaan werd gedoopt en na zijn terugkeer in zijn vaderland met vrienden een leven voor God leidde dat gewijd was aan ascese en studie van de Schrift. Daarna werd hij uitverkoren tot bisschop van Hippo in Afrika en was hij vierendertig jaar een voorbeeld voor zijn kudde, die hij opvoedde door inhoudrijke preken en geschriften, waarin hij ook krachtig de dwalingen van zijn tijd bestreed en het juiste geloof op erudiete wijze toelichtte.

28 augustus Sancti Patris Nostri Augustini Sollemnitas


Ill.: UPenn Ms. Codex 687. f. 1r
incipit regula sancti augustini
1. Ante omnia, fratres carissimi, diligatur Deus, deinde et proximus, quia ista sunt praecepta principaliter nobis data.
2.Haec sunt quae ut observetis, praecipimus in monasterio constituti.
3. Primum, propter quod in unum estis congregati, ut unanimes habitetis in domo et sit vobis anima una et cor unum in Deum.

Begin van de regel van de heilige Augustinus
Vooreerst, bemint God bovenal, en daarna de evennaaste; want deze geboden zijn ons in het bijzonder gegeven.
Deze dingen bevelen wij u te onderhouden, aan u die in het klooster zijt.
Onderhoudt hetgeen waarom gij verenigd zijt, te weten: dat gij allen met één en dezelfde geest bezield samen zult wonen in uw huis, en dat gij allen maar één hart en één ziel in God zult hebben.

Preek van de pastoor op het feest van de H. Augustinus 28 augustus 2017

Preek van de pastoor op het feest van de H. Augustinus 28 augustus 2017
Regelvader Kanunnikessen van het H. Graf


Het is toch wel frappant, dat ik de heilige Augustinus de laatste tijd al vaker ben tegenkomen. In de kerk van Posterholt staat een beeld van hem, in de kerk van Herkenbosch staat hij in een raam afgebeeld. Dat hij in Herkenbosch staat afgebeeld vindt zijn reden in de schenker van dit raam: pastoor Rohs onder wiens pastoraat na de oorlog herbouwd werd en die de H. Augustinus als patroonheilige had. Het beeld in de kerk van Posterholt komt uit het voormalige Ursulinenklooster. Vrijdagavond was ik in de Caroluskapel in Roermond en ook daar staat aan de zijwand een 19e eeuws beeld van de H. Augustinus, waarschijnlijk als een van de vier westerse kerkvaders. Het 18e eeuw schilderij van St. Augustinus in kapel van de abdij Mariënlof in Kolen-Kerniel die ik vorige week woensdag bezocht, brengt ons echter meer ‘to the point”, namelijk de reden waarom wij vandaag hier het feest van St. Augustinus met een hoogmis vieren. Abdij Mariënlof behoort tegenwoordig tot de Orde van de  Cisterziënzerinnen, maar herbergde vóór de Franse tijd een Kruisherenconvent. Het schilderij van St. Augustinus herinnert eraan dat de Kruisheren volgens de Regel van St. Augustinus leven. En dat is ook wat de zusters hier in Berg doen: leven volgens de Regel van St. Augustinus.
Eigenlijk vreemd als we daar wat langer over nadenken. Augustinus die leefde rond het jaar 400 kennen we immers niet zozeer als een monnik, maar eerder als een onrustig zoeker naar waarheid, als bekeerling, als bisschop en als geleerde. Toch kan men zijn persoonlijkheid slechts ten volle begrijpen wanneer men voor ogen houdt dat hij na zijn bekering niets anders wilde zijn dan dienaar Gods, wat voor hem "monnik" betekende. Als monnik heeft hij geleefd, ook toen hij priester was en later zelfs als bisschop. Maar er is meer. Hij heeft ook een meer dan gewone invloed uitgeoefend op het christelijke ideaal van het religieuze leven door het schrijven van de oudste, bewaarde kloosterregel van het westen. Daardoor heeft hij een zeer grote betekenis gehad voor de ontwikkeling van het latere westerse religieuze leven.

De grondideeën van Augustinus’ Regel zijn opgebouwd rond het ideaal van de eerste christengemeenschap in Jeruzalem die wij kennen uit de Handelingen (4, 31-35). Daarmee plaatst hij de liefde en gemeenschap centraal: een goed gemeenschapsleven is niets anders dan het in praktijk brengen van Jezus’ gebod van de liefde. Het valt onmiddellijk op hoe weinig concrete voorschriften of detailwetten in zijn Regel gegeven worden. Het gaat nergens om details, maar om de kern van de dingen en het hart van de mens. Vandaar de weg van de verinnerlijking die in de Regel herhaaldelijk toegepast wordt: het uiterlijke alleen is niet genoeg, het uiterlijke moet het symbool worden van het innerlijke.  Daarheen verwijzen ook de andere, beroemde woorden van St. Augustinus uit zijn belijdenissen: Laat heb ik U lief gekregen, schoonheid zo oud en zo nieuw, laat heb ik U lief gekregen. Zie, U was in mij, maar ik zocht U buiten mij. En in al mijn ongevormdheid wierp ik mij op de welgevormde dingen die u hebt gemaakt. U was in mij,  maar ik was niet met U. En wat mij lang van u weghield waren juist die dingen die niet zouden zijn als ze niet in u waren” (X 38). M.a.w.: het uiterlijke mag niet leeg blijven, maar moet bezield zijn, het leven in gemeenschap dient te allen tijde bezield te zijn door de liefde. Daarom begint hij zijn Regel ook met de volgende veelzeggende zinnetje: “Allereerst moet U eensgezind tezamen wonen (Ps 68, 7), één van ziel en één van hart (Hand 4, 32) op weg naar God. Want is dat juist niet de reden waarom u samen ben gaan leven?”. Dat is trouwens ook wat Jezus zojuist nog hoorden zeggen: dat niemand zichzelf boven de ander zou verheffen, want we zijn allen broeders (Mt 23,8). En als we daar verder op voortborduren, dan zullen we zelfs mogen, ja moeten zeggen dat dat Jezus nog niet genoeg was (dat we elkaars broeders en zusters zouden zijn), maar dat we ons in onze liefde tot de naaste zelfs zouden moeten durven vernederen. “Wie onder u groot wil worden, moet dienaar van u zijn”, zo zei Hij, “en wie onder u de eerste wil zijn, moet slaaf van u wezen, zoals ook de Mensenzoon niet gekomen is om gediend te worden ,maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen” (Mt 20, 26-28). En die Jezus die zichzelf aldus in zijn lijden en sterven vernederde werd door God zelf in zijn verrijzenis en hemelvaart verheven, en is zo ook voor ons de weg, de waarheid en het leven geworden (Joh 14, 6); dat we ons leven zouden durven leven als een dienst aan de naaste, tot lof en eer van Gods Naam en tot welzijn van onszelf en van heel de heilige Kerk.

Getijdengebed H. Augustinus - O eeuwige Waarheid en ware Liefde en geliefde Eeuwigheid!

Liturgia Horarum – Getijdengebed
28 augustus

H. Augustinus
O eeuwige Waarheid en ware Liefde en geliefde Eeuwigheid!

Na de vermaning tot mijzelf om terug te keren, keerde ik mij in mijzelf onder uw leiding, en dat kon ik, omdat Gij mijn helper geworden bent. Ik keerde mij dan in mijzelf en zag – hoe ontoereikend het oog van mijn ziel toen nog was – boven dat oog van mijn ziel en boven mijn geest een onveranderlijk licht, niet dat gewone licht dat elk vleselijk oog kan zien, en ook niet van dat soort, maar een groter, alsof het veel en veel helderder lichtte en door zijn volheid alles doordrong. Zo was dat licht niet als het gewone licht, maar anders, heel anders dan alles op dit gebied. Het bevond zich ook niet boven mijn geest als olie op water of als de hemel boven de aarde, maar verhevener, omdat Het mij geschapen heeft en ik de mindere ben als zijn schepsel. Wie de waarheid kent, kent ook dat Licht, o eeuwige Waarheid en ware Liefde en geliefde Eeuwigheid! Gij zijt mijn God, naar U verzucht ik dag en nacht. En zodra ik U leerde kennen, hebt Gij mij tot U getrokken, opdat ik zou zien, dat datgene werkelijk bestaat, wat ik zou zien, maar dat ik nog niet in staat was om te zien. En door uw krachtig licht in mij werd mijn eigen zwakke blik teruggedreven, en ik sidderde van liefde en ontzag; en ik bemerkte dat ik ver van U verwijderd was in een heel verschillend gebied, en het was alsof ik uw stem hoorde vanuit den hoge: “Ik ben de spijs voor de sterken: groei en gij zult Mij eten. Maar gij zult niet Mij in u veranderen, zoals dat met vleselijk voedsel het geval is, maar gij zult veranderd worden in Mij”.

En ik zocht de weg, om de kracht te vinden, waardoor ik in staat zou zijn U te genieten, maar vond die niet vóór ik tot de omhelzing kwam van de Middelaar tussen God en de mensen, de Mens Jezus Christus, die is God boven alles, gezegend in eeuwigheid, die roept en zegt: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven, en die het Voedsel, dat ik in mijn zwakte niet vermocht te nuttigen, mengde met het vlees, want het Woord is vlees geworden, opdat Uw Wijsheid, waardoor Gij alles geschapen hebt, versterkende melk voor onze kindsheid zou worden.

Laat heb ik U bemind, o Schoonheid, zo oud en toch zo jong, te laat heb ik U bemind! Want zie, Gij was in mijn binnenste en ik was daarbuiten en zocht U daar, en ik, misvormde, stortte mij op dat schone, dat Gij gemaakt hebt. Gij was bij mij, maar ik was niet bij U. Dié dingen hielden mij van U verwijderd, die niet zouden bestaan, als zij niet in U bestonden. Gij hebt mij geroepen, Gij hebt zelfs luid geroepen en mijn doofheid verbroken; Gij hebt geschitterd en geglansd en mijn blindheid weggevaagd – en Gij hebt een heerlijke geur verspreid, die ik inademde, en nu verlang ik naar U. Ik heb U gesmaakt en nu honger en dorst ik naar U; Gij hebt mij aangeraakt en ik brand van verlangen naar uw vrede.
(Lib. 7.10.10; 10,27: CSEL 33,157-163.255)

Sint Augustinus en zijn Regel

Sinds 1114 volgen de Kanunniken en Kanunnikessen van het H. Graf de Regel van St. Augustinus. De Augustijnse spiritualiteit is fundamenteel voor het Kanonikale leven. De Regel is gebaseerd op de apostolische levenswijze en het voorbeeld van de eerste christelijke gemeente in Jeruzalem (Hand 2,42-47; 4,32-35). waaraan Augustinus zich graag  spiegelde.

Inleiding : Over Sint Augustinus
Aurelius Augustinus (Latijn: Aurelius Augustinus Hipponensis), ook wel Augustinus van Hippo genoemd, (Thagaste, 13 november 354 – Hippo, 28 augustus 430) was bisschop van Hippo, theoloog, filosoof en kerkvader.
Augustinus, was een zeer veelzijdig, geniaal persoon die leefde in de Late Oudheid in Noord Afrika, het hedendaagse Algerije. Over Sint Augustinus en zijn tijd is veel bekend. Hijzelf schreef de geschiedenis van zijn bekering, de Confessiones.
Op 25 augustus 2009 zei paus Benedictus XVI tijdens een audiëntie over de bekering van Sint Augustinus:
"De heilige Augustinus is een man die nooit oppervlakkig geleefd heeft; dorst, onrust, voortdurend zoeken naar de Waarheid is één van de grondtrekken van zijn leven; echter niet naar pseudowaarheden die niet in staat zijn duurzame vrede aan het hart te geven, doch die Waarheid die zin geeft aan het leven en die het “verblijf” is waarin het hart sereniteit en vreugde vindt. Zijn weg was, zoals wij weten, niet gemakkelijk: hij dacht de Waarheid in aanzien te vinden, in een loopbaan, in bezit, in stemmen die hem een onmiddellijk geluk beloofden; hij heeft fouten begaan, hij ging door ogenblikken van droefheid, hij heeft mislukkingen gekend, maar hij is nooit blijven stilstaan, hij heeft zich nooit tevreden gesteld met wat hem slechts een lichtstraal bood; hij wist te kijken in het diepste van zichzelf en gaf zich rekenschap, zoals hij in de Confessiones (III,6,11; X,27,38) schrijft, dat deze Waarheid, deze God die hij met al zijn krachten zocht, dichter bij hem was dan hijzelf. Hij was altijd aan zijn zijde, Hij heeft hem nooit verlaten, Hij wachtte het ogenblik af waarop Hij voorgoed in zijn leven kon binnentreden".
 
Van zijn leven na zijn bekering is ook zeer veel bekend. Na zijn bekering in 386 werd hij monnik in een geïmproviseerd huisklooster, ineens, na een gedwongen wijding tot priester, en later tot bisschop te Hippo-Regius, het tegenwoordige Annaba in Algerije. Sint Augustinus was een bewogen herder, die begenadigd met wetenschap en wijsheid, uitzonderlijk dynamisch zijn gelovigen ontvankelijk wilde maken voor het mysterie van de nederige Christus en de onuitsprekelijke God.
Hoewel hij van nature zeer contemplatief van aard was, legde hij zich met grote plichtsbetrachting toe op zijn priester- en later bisschopsambt, waarbij hij te meer te maken kreeg met vele verschillende mensen en alledaagse kwesties en problemen. De vele bewaarde preken en brieven getuigen hiervan.

Over de Regel van Augustinus
Augustinus was goed bekend met het leven in gemeenschap.
Na zijn doopsel door Ambrosius in Milaan leerde Augustinus het monnikenleven in Italië kennen. In 388 stierf zijn moeder Monica en Augustinus keerde naar zijn vaderstad Thagaste terug en begon daar in zijn vaderlijk huis een kloosterleven te leiden met enkele metgezellen. Na zijn priesterwijding in 391 kreeg  hij van de bisschop van Hippo, Valerius, een huis met tuin. In dit huis  stichtte hij een klooster voor lekenbroeders. Bisschop geworden in 396, verliet hij dit klooster en vestigde in zijn bisschoppelijke residentie een monasterium waar hij met zijn clerus een gemeenschappelijk leven ging leiden. Possidius, de biograaf van Augustinus, noemt dit al "vivere secundum modus et regulam sub sanctis apostolis constitutuam, maxime ut nemo quidquam proprium in illa societate haberet, sed eis essent omnia communia" (Patrologia Latina, tomus 32, col.37 . ("leven volgens de wijze en de regel door de apostelen vastgesteld, en wel zo dat er niemand in die gemeenschap was die iets in eigendom had, maar alles was voor hen gemeenschappelijk")
In de Regel die Augustinus rond 397 schreef legde hij zijn ervaringen met het leven in gemeenschap van de voorafgaande jaren vast en stelde een evenwichtige levensregel vast voor zijn broeders met wie hij leefde.
De Regel is beknopt. Alleen de grote essentiële beginselen van het leven in gemeenschap komen aan de orde, waarbij Augustinus zich vooral liet inspireren door teksten uit het Nieuwe en Oude Testament.
Bijzonder dierbaar waren voor Augustinus de woorden uit de Handelingen van de Apostelen: "De grote groep gelovigen was één van hart en ziel en er was niemand die iets van zijn bezittingen zijn eigendom noemde; integendeel, alles stond ter beschikking van de gemeenschap" (Hand 4,32).
Augustinus geeft richtlijnen hoe men in een gemeenschap in liefde tot God en de evennaasten volgens het Evangelie in vrijheid kan leven. "De normen zijn dus geen doel op zich en vormen evenmin een graadmeter om de eigen volmaaktheid te toetsen. Zij staan ten dienste van de groei van ieder afzonderlijk naar een volmaakte omgang met elkaar die zich niet beperkt tot disciplina, maar uitmondt in concordia" (P.van Geest, Integriteit als weg naar God, KTU Utrecht, 2002, p.22-23). In het laatste hoofdstuk van de Regel (VIII) schrijft Augustinus: "1. De Heer geve dat u, gegrepen door het verlangen naar geestelijke schoonheid (Sir. 44,6), dit alles met liefde onderhoudt. Leef zo dat u door uw leven de levenwekkende goede geur van Christus verspreidt (2 Kor. 2,15-16). Ga niet als slaven gebukt onder de wet, maar leef als vrije mensen onder de genade (vgl. Rom. 6,14-22)."
Kenmerkend voor het gedachtegoed van Augustinus is de bron van liefde tot God, het geloof van Gods tegenwoordigheid in de ziel en het bewust leven in Gods tegenwoordigheid. In alle aspecten van het leven zoals bij het gebed, het werken en het omgaan met de naasten zien wij deze kenmerken terug.
Enkele belangrijke aspecten uit de Regel:

Eensgezindheid
Allereerst moet u eensgezind tezamen wonen (Ps. 68/67,7), één van ziel en één van hart (Hand. 4,32) op weg naar God. Want is dat juist niet de reden waarom u samen bent gaan leven? (R.A, I,2)

Acceptatie van onderlinge verschillen
Het gemeenschappelijke leven vereist van de zusters de bereidheid onderlinge verschillen van elkaar te accepteren.

Nederigheid
Het monastieke leven is geen prestatie, maar het resultaat van de genade. Niemand mag zichzelf verheffen: niet vanwege een vroegere hogere sociale status, maar ook niet omdat men in het klooster een betere levensstandaard kreeg dan voorheen.

Gemeenschappelijke belang
Het gemeenschappelijke belang moet boven het eigen belang gesteld worden. Dit ideaal wordt geassocieerd met een gemeenschap van goederen die zich uitstrekt tot alle gebieden van het leven.

Vergeving
Het gemeenschappelijk leven is onmogelijk zonder een oprechte houding van vergeving. In Augustinus' visie is vergiffenis een belangrijke maatstaf voor het gemeenschappelijk leven." Wie echter nooit vergiffenis wil vragen, of het niet van harte doet (Mat. 18,35), hoort niet thuis in een klooster, ook al wordt hij niet weggezonden" (RA, VI,2).

Broederlijke vermaning
De broederlijke vermaning wordt beschouwd als een effectief middel om de onderlinge verhoudingen gezond te maken. Wie een medezuster een fout ziet begaan en haar niet waarschuwt, wordt vergeleken met een arts die behandeling weigert aan een dodelijke gewonde patiënt (Cf RA, IV,8).

Gezag dragen: leiden en luisteren
De gezagsdragers hebben een dubbele opdracht betreffende de gehoorzaamheid. Enerzijds moeten zij als overste gehoorzaamheid eisen van hun ondergeschikten, anderzijds is het de plicht van de overste in haar beslissingen te luisteren naar de stem van God en de zusters.
Zo is volgens Sint Augustinus de Regel als een spiegel, die de zusters de kans geeft om hun eigen leven erin te beschouwen en aan te passen aan de heilzame geboden.

Geraadpleegde literatuur naast de reeds in bovenstaande tekst vermelde bronnen
Frits van der Meer, Augustinus de zielzorger, (Utrecht/Brussel 1947)

vrijdag 25 juni 2021

Benedict XVI "Saint Augustine has become a good "travelling companion" in my life and my ministry"

"As you know, I too am especially attached to certain Saints: among them in addition to St Joseph and St Benedict, whose names I bear is St Augustine whom I have had the great gift to know, so to speak, close at hand through study and prayer and who has become a good "travelling companion" in my life and my ministry. I would like to stress once again an important aspect of his human and Christian experience, which is also timely in our day, in which it seems, paradoxically, that relativism is the "truth" which must guide our thoughts, decisions and behaviour".

Dear brothers and sisters, I would like to say to all of you and also to those who are passing through a difficult moment in their journey of faith, to those who take little part in the life of the Church or who live "as though God did not exist" not to be afraid of the Truth, never to interrupt the journey towards it and never to stop searching for the profound truth about yourselves and other things with the inner eye of the heart. God will not fail to provide Light to see by and Warmth to make the heart feel that he loves us and wants to be loved".

Castel Gandolfo 25 August 2010

dinsdag 27 augustus 2019

St Augustine "Calm yourself and reflect"

You have heard. “Be subject to God, and pray to him”.  How do you know whether you are? If you obey his commandments. You will say that you have not been rewarded for obeying him. Work in the vineyard, and at the end of the day ask for your wages: he who sent you there will keep his word.
“All very well”, you say, “I obey God and I pray, but what is your answer to this: I have a neighbour who is an evil-doer yet lives in great prosperity. I know him to be dishonest, immoral, and grasping; he is so proud and conceited that he does not even deign to acknowledge my existence. How long am I expected to put up  with that situation?”
Here is the remedy for your sickness: “Do not envy the man who prospers in his way”.  Oh yes, he prospers, but in his own way, you labour but in God’s path. He journeys gaily, but where will he arrive?
If Christ had promised you this world’s goods, by all means be angry at an unbeliever doing well for himself. What did he promise you? Eternal happiness when the dead rise again, and in this  life his own lot. I repeat, the road he took; and do you, a servant, a disciple, despise what your master underwent? You have heard that a servant is not greater than his lord. For you he suffered what he, the righteous one, did not deserve. What do you, a sinner, deserve?
(S. Augustini, Enarr. in Ps 36,9)

St. Augustine of Hippo

LITURGIA HORARUM Getijdengebed Lectio altera Die 28 augusti S. P. N. Augustini, Episcopi et Ecclesiæ Doctoris Sollemnitas Hoogfeest van de H. Augustinis, Bisschop, Kerkleraar en Regelvader. O æterna veritas et vera caritas et cara æternitas! O eeuwige Waarheid en ware Liefde en geliefde Eeuwigheid!



Lectio altera

Ex Confessiónum libris sancti Augustíni epíscopi
(Lib. 7, 10. 18; 10, 27: CSEL 33, 157-163. 255)
Admónitus redíre ad memetípsum, intrávi in íntima mea duce te et pótui, quóniam factus es adiútor meus. Intrávi et vidi qualicúmque óculo ánimæ meæ supra eúndem óculum ánimæ meæ, supra mentem meam lucem incommutábilem, non hanc vulgárem et conspícuam omni carni nec quasi ex eódem génere grándior erat, tamquam si ista multo multóque clárius clarésceret totúmque occupáret magnitúdine. Non hoc illa erat, sed áliud, áliud valde ab istis ómnibus. Nec ita erat supra mentem meam, sicut óleum super aquam nec sicut cælum super terram, sed supérior, quia ipsa fecit me, et ego inférior, quia factus ab ea. Qui novit veritátem, novit eam.
O ætérna véritas et vera cáritas et cara ætérnitas! Tu es Deus meus, tibi suspíro die ac nocte. Et cum te primum cognóvi, tu assumpsísti me, ut vidérem esse, quod vidérem, et nondum me esse, qui vidérem. Et reverberásti infirmitátem aspéctus mei rádians in me veheménter, et contrémui amóre et horróre; et invéni longe me esse a te in regióne dissimilitúdinis, tamquam audírem vocem tuam de excélso: «Cibus sum grándium: cresce et manducábis me. Nec tu me in te mutábis sicut cibum carnis tuæ, sed tu mutáberis in me».
Et quærébam viam comparándi róboris, quod esset idóneum ad fruéndum te, nec inveniébam, donec amplécterer mediatórem Dei et hóminum, hóminem Christum Iesum, qui est super ómnia Deus benedíctus in sæcula, vocántem et dicéntem: Ego sum via et véritas et vita, et cibum, cui capiéndo inválidus eram, miscéntem carni, quóniam Verbum caro factum est, ut infántiæ nostræ lactésceret sapiéntia tua, per quam creásti ómnia.
Sero te amávi, pulchritúdo tam antíqua et tam nova, sero te amávi! Et ecce intus eras et ego foris et ibi te quærébam et in ista formósa, quæ fecísti, defórmis irruébam. Mecum eras, et tecum non eram. Ea me tenébant longe a te, quæ si in te non essent, non essent. Vocásti et clamásti et rupísti surditátem meam, coruscásti, splenduísti et fugásti cæcitátem meam, fragrásti, et duxi spíritum et anhélo tibi, gustávi et esúrio et sítio, tetigísti me, et exársi in pacem tua.

Tweede lezing

Uit de Belijdenissen van de H. Augustinus
(Lib. 7.10.10; 10,27: CSEL 33,157-163.255)

O eeuwige Waarheid en ware Liefde en geliefde Eeuwigheid!

Na de vermaning tot mijzelf om terug te keren, keerde ik mij in mijzelf onder uw leiding, en dat kon ik, omdat Gij mijn helper geworden bent. Ik keerde mij dan in mijzelf en zag – hoe ontoereikend het oog van mijn ziel toen nog was – boven dat oog van mijn ziel en boven mijn geest een onveranderlijk licht, niet dat gewone licht dat elk vleselijk oog kan zien, en ook niet van dat soort, maar een groter, alsof het veel en veel helderder lichtte en door zijn volheid alles doordrong. Zo was dat licht niet als het gewone licht, maar anders, heel anders dan alles op dit gebied. Het bevond zich ook niet boven mijn geest als olie op water of als de hemel boven de aarde, maar verhevener, omdat Het mij geschapen heeft en ik de mindere ben als zijn schepsel. Wie de waarheid kent, kent ook dat Licht, o eeuwige Waarheid en ware Liefde en geliefde Eeuwigheid! Gij zijt mijn God, naar U verzucht ik dag en nacht. En zodra ik U leerde kennen, hebt Gij mij tot U getrokken, opdat ik zou zien, dat datgene werkelijk bestaat, wat ik zou zien, maar dat ik nog niet in staat was om te zien. En door uw krachtig licht in mij werd mijn eigen zwakke blik teruggedreven, en ik sidderde van liefde en ontzag; en ik bemerkte dat ik ver van U verwijderd was in een heel verschillend gebied, en het was alsof ik uw stem hoorde vanuit den hoge: “Ik ben de spijs voor de sterken: groei en gij zult Mij eten. Maar gij zult niet Mij in u veranderen, zoals dat met vleselijk voedsel het geval is, maar gij zult veranderd worden in Mij”.

En ik zocht de weg, om de kracht te vinden, waardoor ik in staat zou zijn U te genieten, maar vond die niet vóór ik tot de omhelzing kwam van de Middelaar tussen God en de mensen, de Mens Jezus Christus, die is God boven alles, gezegend in eeuwigheid, die roept en zegt: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven, en die het Voedsel, dat ik in mijn zwakte niet vermocht te nuttigen, mengde met het vlees, want het Woord is vlees geworden, opdat Uw Wijsheid, waardoor Gij alles geschapen hebt, versterkende melk voor onze kindsheid zou worden.

Laat heb ik U bemind, o Schoonheid, zo oud en toch zo jong, te laat heb ik U bemind! Want zie, Gij was in mijn binnenste en ik was daarbuiten en zocht U daar, en ik, misvormde, stortte mij op dat schone, dat Gij gemaakt hebt. Gij was bij mij, maar ik was niet bij U. Dié dingen hielden mij van U verwijderd, die niet zouden bestaan, als zij niet in U bestonden. Gij hebt mij geroepen, Gij hebt zelfs luid geroepen en mijn doofheid verbroken; Gij hebt geschitterd en geglansd en mijn blindheid weggevaagd – en Gij hebt een heerlijke geur verspreid, die ik inademde, en nu verlang ik naar U. Ik heb U gesmaakt en nu honger en dorst ik naar U; Gij hebt mij aangeraakt en ik brand van verlangen naar uw vrede.



"He spent his life serving God, building up the Church, and converting the people in his care".

"Sometimes the life “we” choose for ourselves, is not always the life that God chooses for us.  The life of St. Augustine is a great example of that.  He spent his youth in a carefree style, and paid little attention to God or Christianity.  It was through his studies, and the constant prayers of his mother, St. Monica, that he had a profound conversion.  He went on to be baptized, ordained a Priest, and elected Bishop fo Hippo.  He spent his life serving God, building up the Church, and converting the people in his care.  What more can one do, but to search for God in many areas, finding Him, and then dedicating one’s life to serve Him?  St. Augustine’s life and example lays that out, and how to overcome the struggles that we still face today.  One would be wise to study his life, follow his example, and then call upon him when we need assistance".

Vondplaats: newmanconnection.com

maandag 27 augustus 2018

Sint Augustinus "Zingen wij een Alleluia voor de goede God, die ons bevrijd heeft van het kwaad"

Liturgia Horarum

Lectio altera op zaterdag voor de 1e zondag van de Advent:

Uit de Preken van de H. Augustinus, bisschop

Zingen wij een Alleluia voor de goede God, die ons bevrijd heeft van het kwaad

Laten wij hier het Alleluia zingen, nu wij nog vol zorgen zijn, om het een dáár te kunnen doen, waar wij veilig zijn. Waarom zijn wij vol zorgen? Wilt gij dan, dat ik niet verontrust ben, wanneer ik lees: Is het mensenleven op aarde dan geen beproeving? Wilt gij dan, dat ik niet verontrust ben, wanneer mij ook nog gezegd wordt: Waakt en bidt, opdat ge niet in bekoring komt? Wilt ge dan, dat ik niet verontrust ben, wanneer de beproeving zo hoog stijgt dat, wanneer wij bidden, ons gebed zelf ons voorschrijft: Vergeef ons onze schuld, zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven? Dagelijks zijn wij bidders, dagelijks ook schuldenaren. Wilt gij soms, dat ik mij veilig voel, wanneer ik dagelijks vergeving vraag voor mijn zonden en om hulp in gevaren? Want wanneer ik wegens mijn vroegere zonden zal zeggen: Vergeef ons onze schuld, zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven, voeg ik er, om de toekomstige gevaren, altijd aan toe: Leid mij niet in bekoring. En hoe kan het volk in goeden doen zijn, wanneer het met mij uitroept: Verlos ons van het kwade?  En toch, broeders, temidden van dat kwaad moeten we toch ons Alleluia blijven zingen voor de goede God, die ons bevrijdt van het kwade.

Ja, laten wij zelfs in gevaren, in bekoringen, die zowel van anderen als van onszelf komen, ons Alleluia zingen. Want God is getrouw, die niet zal toelaten, is er gezegd, dat gij boven uw krachten bekoord wordt. Laten we dus ook nu ons Alleluia zingen. De mens is nog wel schuldig maar God is getrouw. Er staat niet: Hij zal niet toelaten dat gij bekoord wordt; maar: Hij zal niet toelaten, dat gij bekoord wordt boven uw krachten, maar Hij zal met de bekoring ook geven dat ge eruit komt om ze te kunnen doorstaan. Gij zijt in een bekoring gekomen; maar God zal ook het eruit gaan geven, zodat ge niet in die bekoring bezwijkt; opdat, zoals het vat van de pottenbaker, gij gevormd wordt door het woord van de prediking en daarna gehard wordt door de verdrukking. Maar wanneer ge erin komt, denk dan aan het eruit gaan. Want God is getrouw: De Heer waakt over uw binnenkomen en uitgaan.

En verder – wanneer dit lichaam onsterfelijk en onbederfelijk is geworden als alle bekoring voorbij is, terwijl toch van de andere kant het lichaam de dood is gewijd -, waarom is het dan dood? Vanwege de zonde. Maar uw geest leeft. Waarom ? Dank zij de gerechtigheid. Moeten wij dan het dode lichaam opgeven? Neen, want hoor: Maar als de Geest van Hem, die Jezus van de doden heeft opgewekt, in u woont, zal Hij, die Christus van de doden heeft doen opstaan, ook uw sterfelijke lichamen levend maken. Want nu is het een natuurlijk lichaam, dan een geestelijk.

O, dat gelukkig Alleluia daar! Dat veilige! Dat zonder tegenstand! Waar niemand vijand is en geen vriend verloren gaat. Daar zijn lofzangen tot God en ook hier zijn lofzangen tot God. Hier echter door bedrukten, daar door veiligen; hier door sterfelijken, daar door die altijd zullen leven; hier in hoop, daar in werkelijkheid; hier onderweg, daar in het vaderland

Laten wij daarom, mijn broeders, nu zingen, niet in genoeglijke rust, maar tot troost bij het zwoegen. Zoals zij, die onderweg zijn, gewoon zijn te zingen: zing ook, maar ga voort. Verzacht uw zwoegen door te zingen. Geef u niet over aan lusteloosheid. Zing en ga voort. Wat is dat: ga voort? Vertrek, ga voort in het goede. Want er zijn er volgens de Apostel, die voortgang maken in het slechte. Maar als gij vertrekt, blijf dan lopen. Maar vertrek in het goede, in het ware geloof, in goede zeden. Zing dan en ga voort!


(Sermo 256, 1. 2. 3: PL 38, 1191-1193)

Sint Augustus over de Psalmen (Ps 47,7) Komt, laten wij opgaan naar de berg des Heren

Liturgia Horarum – Getijdengebed

Sint Augustus over de Psalmen (Ps 47,7)

Komt, laten wij opgaan naar de berg des Heren

Zoals wij het hadden gehoord , zo hebben wij het nu ook gezien. O zalige Kerk! In welke tijd hebt gij dat gehoord, in welke tijd hebt gij dat gezien? Zij hoorde het in de beloften, maar zegen het in de vervullingen; zij hoorde het in de profetie, maar zag het in het Evangelie. Want alles, wat nu in vervulling gaat, is tevoren voorspeld. Hef dus uw ogen op en zie uit over de wereld. Zie nu de erfenis tot aan de uiteinden der aarde. Zie hoe in vervulling gaat wat er gezegd werd: Alle koningen der aarde zullen Hem aanbidden, alle volken zullen Hem dienen. Zie hoe in vervulling is gegaan, wat er gezegd werd: Verhef uw glorie boven de hemelen, o God, en boven de gehele aarde. Zie Hem, wiens handen en voeten zijn vastgenageld, wiens beenderen aan het kruis hangend zijn geteld, over wiens klederen het lot is geworpen. Zie Hem heersen, die zij aan het kruis zagen hangen. Zie Hem zetelen in de hemel, die zij verachtten, toen Hij op de aarde rondwandelde. Zie dat daar vervuld werd: Alle grenzen der aarde zullen het gedenken en zich tot de Heer bekeren: alle stammen der heidenen zullen Hem aanbidden. Als ge dit ziet, roep dan met vreugde uit: Zoals wij het hadden gehoord, zo hebben wij het nu ook gezien.

Terecht wordt de Kerk uit de heidenen aldus toegesproken: Hoor, dochter, en aanschouw, en vergeet uw volk en het huis van uw vader. Hoor en zie: eerst hoort gij, wat ge niet ziet; daarna zult ge zien, wat ge gehoord hebt. Een volk, wordt er gezegd, dat Ik niet kende, werd Mij dienstbaar; bij het horen van mijn Naam gehoorzaamde het Mij. Als het dan bij het horen van mijn naam gehoorzaamde, zag het Mij dus niet. En waar geschreven staat: Zij, aan wie niets over Hem is geboodschapt, zullen zien, en die niets gehoord hebben, zullen inzien? Naar wie geen profeten werden gezonden, hebben het eerst gehoord, hebben daarna gehoord en zich verbaasd. Er bleven degenen over tot wie zij gezonden waren, maar die met hun boekrollen de waarheid toch niet begrepen en alhoewel zij de verbondstafels bezaten, de erfenis toch niet behielden. Maar zoals wij het hadden gehoord, zo hebben wij het nu ook gezien.
In de stad van de Heer der heerscharen, in de stad van onze God. Daar hebben wij gehoord en daar ook gezien. God heeft ze voor eeuwig gegrondvest. Laten zij, die zeggen: Zie, hier is de Christus, zie daar is Hij, zich niet verheffen. Wie zegt: Zie, hier is Hij; zie daar is Hij, leidt tot verdeeldheid. God beloofde eenheid: de koningen zijn tezamen gebracht, zij zijn niet door scheuring verspreid. Maar wellicht zal die stad die de wereld beheerste, eens worden verwoest. Dat zij verre: God heeft haar voor eeuwig gegrondvest. Als God haar dan voor eeuwig heeft gegrondvest, wat vreest gij, of de hemel zal neerstorten?

Ps 47,7: CCL 38, 543-545

Vertaling uit : Liturgia Horarum. Tweede lezingen  en Hymnen, IV, week 18-34, pp. 16-17