zaterdag 7 februari 2015
Collectegebed 8 februari Vijfde zondag door het jaar "onwrikbaar bouwen en vertrouwen op de genade"
Familiam tuam, quæsumus, Domine,
continua pietate custodi,
ut quæ in sola spe gratiæ cælestis innititur,
tua semper protectione muniatur.
Heer, blijf ons die U toebehoren
met liefdevolle zorg omringen.
Wees de beschermer van allen
die hun hoop alleen op uw genade stellen.
Meer letterlijke vertaling:
Wij smeken U Heer,
waak voortdurend met vaderlijke goedheid over uw gezin,
opdat het, slechts gesteund door de hoop op de hemelse genade,
steeds door uw bescherming wordt beschut.
L i t u r g i s c h e a n t e c e d e n t e n
Bovenstaand collectegebed is opgenomen in talrijke codices, o.a. Adelp(retianus), Oostenr. Nationale Bibliotheek, Wenen, Ser. Nov., 206, sæc. XII; Aquilea, in Missale Aquileyensis Ecclesiæ, ed. 1519; Beneventum, Cod. VI 33 nr.25 (sæc. X-XI) Aartsbissch. Archief; Cantuariensis, Cod. Cambridge, Corpus Christi Coll., 270 (sæc. XIe–XIIe, gregorianiseerd Gelasianum; Casinensis, Rome, Vatic. Ottobon,. Lat. 145 (s. XI); Engolismensis, Parijs, B.N., lat. 816 (sæc. VIII-IX); Fulda, Cod.: Göttingen, Univ. Bibl., Cod. Theol. 231 (ca 975); Sangallensis, Stiftsbibl., 348 (sæc. VIII-IX), originaire de Chur (Coire), sous l’évêque Remedius (796-806) en vele anderen (1).
In het preconciliaire Romeinse Missaal was deze oratie:
- het collectegebed van de 5e zondag na Driekoningen en tevens
- de “oratio super populum” – gebed over het volk (2) van zaterdag na de 2e zondag van de Vasten.
I n h o u d
God heeft zijn Zoon gezonden en Hem vele broeders gegeven, van wie Hij, de eeuwige Zoon van God, de Eerstgeborene is (Rom 8,29). Zo schiep God de “nieuwe schepping”, zijn “familia”, waarin Hij zelf de “Pater familias” is (3).
In de eerste paragraaf van de “Katechismus van de Katholieke Kerk” wordt de verhouding Vader-Zoon en aangenomen Zoon-Vader nader toegelicht:
“God die oneindig volmaakt en gelukkig in zichzelf is, heeft, uit zuivere goedheid, in vrijheid de mens geschapen, om hem te laten delen in zijn eigen gelukzalig leven. Daarom nadert Hij altijd en overal tot de mens. Hij roept hem, biedt hem hulp om Hem te zoeken, te kennen en met al zijn krachten lief te hebben. Alle mensen, door de zonde verdeeld, nodigt Hij uit tot de eenheid van zijn gezin, de Kerk. Om dat te bereiken heeft Hij zijn Zoon gezonden als Verlosser en Redder, toen de volheid van de tijden gekomen was. In Hem en door Hem, roept Hij de mensen op om in de heilige Geest zijn aangenomen kinderen te worden en zo erfgenamen te worden van zijn gelukzalig leven”.
Vervuld van de H. Geest noemen wij derhalve GodVader. Maar bij het beleven van deze werkelijkheid, vergeten wij niet de diepere liefde die van de H. Geest komt waarop het Latijnse begrip “familia” in de strikte betekenis van de Romeinse rechtsordening wijst. (Zie ook eindnoot (3)). Met dit begrip in het achterhoofd beseft men dat de aanspreking “Abba-Vader” bij Sint Paulus een “waagstuk” is, zoals de oude overgeleverde inleiding tot het Onze Vader in de Romeinse liturgie zegt: “Præceptis salutaribus monitis…audemus dicere”: - Aangespoord door een gebod van de Heer… durven wij zeggen .
God de Vader heeft de mensen lief en heeft hen zijn liefde ontegensprekelijk bewezen door hen zijn Zoon als Verlosser te schenken. Het is de liefde van de oneindig verheven Vader, die in het Latijn van de liturgie van de Kerk wordt uitgedrukt in het begrip “pietas” (4), omdat in de liefde van de Vader heel de sublimiteit van zijn Wezen besloten ligt.
De familie van de kinderen Gods, de Kerk, de “familiaris consortio” (5), de familie-gemeenschap, heeft in de pietas van haar Vader en Heer grenzeloos vertrouwen: “… in sola spe gratiæ cælestis innititur --- (…steunt alleen op de hemelse gratie). Zij bouwt enkel en alleen op de genade van de kant van de Vader.
Natuurlijk vertrouwen de mensen elkaar eveneens en ze moeten dit wel doen om sanen te kunnen leven. Maar nooit kan hun vertrouwen die absoluutheid bezitten zoals tegenover God. Daarvan getuigt het collectegebed immers op een enthousiaste manier: “in sola spe gratiæ” – slecht gesteund door de hoop op de hemelse genade - zoals boven reeds gezegd.
In dit onwrikbaar bouwen en vertrouwen op de genade, dit is de liefde van de kant van de Vader, bidt de oratie om voortdurende bescherming.
(1) Zie Corpus Orationum, IV, E-H, Orationes 2390-3028, in de reeks Corpus Christianorum, E. Moeller, J.M. Clément, B. Coppieters ‘t Wallant, Brepols, Tunhout, 1994, p. 122.
(2) Oratio super populum – Gebed over het volk; de oratie, waarmee op weekdagen in de Vastentijd vanaf Aswoensdag tot en met woensdag in de Goede Week de Misviering werd besloten. Het was een oude zegenformulie in de vorm van een oratie na de postcommunio die, gezien de gebruikelijke oproep van de diaken “Humiliate capita vestra” – “Buigt uw hoofd”, vaak een gebogen houding veronderstelde (inclinatio). Zie Liturgisch Woordenboek I, Roermond 1962, kol. 789. De postconciliaire liturgiehervorming heeft de speciale zegenformules gehandhaafd maar niet met het oratiemodel.
(3) De “familia” (cf. Gr. oι̉κoς) was de kern van de voorstedelijke Romeinse samenleving. Een familia stond onder leiding van de “pater familias” die naar Romeins recht zijn “patria potestas” ("vaderlijk gezag") kon doen gelden over de “mater familias” (zijn echtgenote), “filii familias” (zijn zonen) en “filiae familias” (zijn dochters).
(4) Binnen de antieke Romeinse godencultus was “Pietas” een personificatie van de liefde tot de mensen en van de
Romeinse deugd Pietas, de staat en de eerbied voor de goden (vroomheid). Pietas bevatte 3 elementen: geloof in de goden, trouw aan het vaderland en respect voor de ouders.
Pietas werd voorgesteld als voor een altaar staand, met de linkerarm in de hoogte geheven, terwijl zij in de rechterhand een offerschaal houdt, ofwel strekt zij met een omsluierd achterhoofd haar beide handen uit, alsof zij tot de goden bidt. Om haar betrekking tot de vrome liefde van kinderen voor hun ouders aan te duiden staat een ibis of een ooievaar aan haar voeten. Deze godin stond vaak afgebeeld op de keerzijde van Romeinse munten met vrouwen van de keizerlijke familie aan de voorzijde, daar pietas een passende deugd was voor keizerlijke vrouwen (bv. Flavia Maximiana Theodora). De keizerlijke vrouwen staan soms zelfs op de munten met het uiterlijk van de godin.
Dit klassieke begrip kreeg een nieuwe christelijke betekenis in de relatie tussen Schepper-God-Vader en schepselen-mensen-kinderen en duidt de vaderlijke genegenheid en liefdevolle maar tegelijk gezaghebbende zorg van vader naar kind aan en omgekeerd de liefdevolle kinderlijke gehoorzaamheid met inbegrip van natuurlijke ontzag. Ten opzichte van de Moeder Gods en de Heiligen komen daar de aspecten van vrome verering en piëteit bij.
(5) “Familiaris consortio” – De gemeenschap van het gezin; Apostolische exhortatie Joannes-Paulus II over de taken van het christelijk gezin in de wereld van deze tijd, 22.11.1981. Zie met name deel II over het huwelijk en de gemeenschap van het gezin als afspiegeling van de H. Drieëenheid.
Overweging vijfde zondag door het jaar - "Uit de doden opstaan tot een nieuw en onvergankelijk leven"
Job 7,1-7
1 Korintiërs 9,16-23
Marcus 1,29-39
De zieke en lijdende mens staat vandaag centraal in de lezingen. Vaak moeten we machteloos toezien hoe het lijden toeslaat, en dat is wat ons zo kwaad maakt: het niets kunnen uitrichten en de vraag naar het waarom? Is dat allemaal niet zinloos, en aldus wordt ons geloof in een liefhebbende God danig op de proef gesteld. Vandaar dat in de eerste lezing de lijdende Job centraal staat en in de evangelieperikoop uit Marcus de genezende en biddende Jezus.
We hebben allemaal wel eens van een jobstijding gehoord, of van de uitdrukking zo arm zijn als Job. Maar veel verder reikt onze kennis eigenlijk niet. In het beste geval kent men Job als de brave man die met toestemming van God door de Satan op de proef werd gesteld. Hij verliest niet alleen have en goed maar ook zijn gezondheid zodat iedereen zich van hem afkeert en hij van God en mens verlaten op de mestvaalt zijn dagen slijt. Ondanks deze ellende bleef hij God zegenen en uit Zijn hand zowel geluk als tegenslag aanvaarden, en daarom werd hij door God dubbel en dwars in ere hersteld. Maar ja, dat is slechts de raamvertelling van hoofdstuk 1 en 42; de tussenliggende 40 hoofdstukken over de opstandige Job krijgen we nooit te horen, we nemen ook zelf de moeite niet om die überhaupt te lezen terwijl het eigenlijk wereldliteratuur is over het lot van de lijdende mens. De onverdiend murw geslagen Job klaagt zijn God aan: was ik maar nooit geboren, had ik het licht maar nooit gezien, het is onrechtvaardig, mijn God, dat ik zo moet lijden. En dan komen zijn vrome vrienden, Elifaz, Bildad en Sofar hem troosten. Nou ja, troosten? Ze komen hem eigenlijk de les lezen met hun pasklare antwoorden. God laat je niet lijden als je niet iets op je kerfstok hebt. Het is een straf voor de zonden die je begaan hebt. Kom er nou maar voor uit, Job, beken je schuld en wie weet, neemt God je weer in genade aan. Maar Job protesteert, en terecht, tegen een dergelijke goedkope verklaring, ook al komt hij van zijn zeer godsdienstige vrienden. Ik weiger te geloven in een God die er plezier in zou hebben om mij te verdrukken, om te vernietigen wat Zijn handen geschapen hebben. Nee, God is nog niet van Job af! Maar uiteindelijk moet toch ook Job zijn meerdere erkennen in de God van hemel en aarde: “Ik ben onaanzienlijk, Wat kan ik nog zeggen? Ik leg mijn hand op mijn mond. Ik heb eenmaal gesproken en zeg niets meer, tweemaal – en doe er het zwijgen toe. Ja, onnadenkend heb ik gesproken, maar nu herroep ik mijn woorden en buig ik voor u mijn hoofd, zoals ik hier zit in het stof en het vuil.” Ja, ook Job weet met het lijden geen raad, maar ook al aanvaardt hij geen goedkope antwoorden, tegelijk weigert hij de God te vervloeken in wie hij zijn vertrouwen heeft gesteld.
Er zijn in de H. Schrift nog andere figuren die door lijden getekend zijn. Ik denk aan de profeet Jeremia die om zijn boodschap door de koning van Juda eerst werd vastgezet en daarna in een waterput gegooid. Aan hem hebben we de onsterfelijke woorden uit psalm 88 te danken: “Heer, God mijn redder, overdag schreeuw ik het uit, ’s nachts zit ik stil voor u neer. Laat mijn gebed u bereiken, luister naar mijn klagen. Ik word door rampen bezocht, mijn leven nadert het dodenrijk. U hebt mij onder in de kuil gelegd, in het duister van de diepte. Bekenden hebt u van mij vervreemd. Afgrijzen roep ik bij hen op, ik zit ingesloten en zie geen uitweg meer.”
Ook herinner ik aan koning Hizkia die doodziek werd, en op zijn ziekbed, met zijn gezicht naar de muur, bittere tranen stortte en bad: “In de bloei van mijn leven moet ik heengaan, ik zal de Heer niet meer zien in het land der levenden, of ooit nog een mens aanschouwen, daar waar alles zijn einde vindt.” Ik vermeld ook nog de lijdende dienstknecht uit de profeet Jesaja, en de bidder uit psalm 22 die zich bij God beklaagt met de woorden: “Mijn God, mijn God waarom hebt u mij verlaten? U blijft ver weg en redt mij niet, ook al schreeuw ik het uit. ‘Mijn God’, roep ik overdag, en u antwoordt niet, ’s nachts, en ik vind geen rust.”
Deze noodkreet van een mens in lijden gedompeld brengt ons vanzelf naar Jezus die aan het kruis geslagen deze woorden uit de psalm in zijn mond nam. Over hem zouden de mensen spottend zeggen: “Geneesheer, genees nu uzelf!” (Lucas 4,23). Ja, genezend was hij rondgetrokken in de steden en dorpen van Galilea, zoals wij vandaag te horen kregen. Na de sjabbatdienst in de synagoge in Kafarnaüm wil Jezus nog eens napraten in het huis van Simon en Andreas en er wellicht de maaltijd gebruiken. Het lijkt er een beetje op of hij zichzelf heeft uitgenodigd. Maar de schoonmoeder van Simon ligt met een slopende koorts te bed, een koorts waarover in het boek Leviticus wordt gesproken, een koorts die het licht in de ogen dooft en de adem afknijpt (Leviticus 26,16). Tussen de regels door hoor je de verlegenheid van Simon en Andreas; ze kunnen Jezus en Jakobus en Johannes, de beide zonen van Zebedeüs, eigenlijk niet met goed fatsoen ontvangen. Schoonmoeder ligt met zware koorts op bed. Toch gaat Jezus het huis des doods binnen, geen reinheidsvoorschriften of besmettingsgevaar houden hem af van zijn taak in deze wereld: de gebroken mens helen, weer gezond maken. Hier geen witte jas, geen dokterstaal of bezweringsformules, maar een eenvoudig handgebaar: hij vatte haar bij de hand, niet om de pols te voelen (!), maar om haar vanuit haar machteloos liggende houding te doen opstaan. In die eenvoudige woorden waaraan we meestal achteloos voorbijgaan, zit de diepe theologie van Marcus verborgen. Want nog tweemaal gebeurt in zijn evangelie hetzelfde. Bij het gestorven dochtertje van Jaïrus: Jezus vatte haar hand en zei: Sta op en zij stond op (5,41). En bij het doofstomme jongetje dat als dood op de grond lag: Jezus vatte zijn hand en deed hem opstaan (9,27). Alle drie, de schoonmoeder, het meisje en de jongen staan model voor de gestorven en verrezen Jezus: hem deed God uit de doden opstaan tot een nieuw en onvergankelijk leven.
En dan volgt de conclusie: de koorts verliet haar en zij bediende hen. Waar Jezus in huis komt gebeurt eerst iets wat negatief is: de kwade machten van dood en verderf moeten voor hem wijken, en daarna iets wat positief is: de vrouw wordt een dienares, een “diaken”. Ik lever niet graag kritiek op een vertaling, ik weet uit eigen ervaring hoe moeilijk vertaalarbeid is, maar hier is het woord bedienen hoewel niet fout, toch wel aan de magere kant. Het is Marcus er natuurlijk niet om te doen om de schoonmoeder van Simon neer te zetten als een goede gastvrouw die koffie en gebak presenteert. Ook hier gaat het weer om de verborgen inhoud. Het werkwoord diakonein (= dienen) wordt door Marcus nog maar een paar maal gebruikt. De eerste keer wanneer Jezus in de woestijn op de proef wordt gesteld en de engelen hem dienen (1,13). Dan van Jezus zelf toen hij zei dat mensen met macht en aanzien zich graag laten dienen, maar dat hij als de Mensenzoon, met macht over leven en dood en gediend door de engelen, er niet voor terugschrikt om zelf dienstbaar te zijn, ook al kost het zijn eigen leven (10,45). En tenslotte van de vrouwen die hem tot onder het kruis gevolgd waren en hem vanaf Galilea gediend hadden (15,41). Het gaat hier niet om bedienen maar om zich in dienst stellen van naar het voorbeeld van Jezus. Meer dan alle leerlingen die nog moeten leren wat het dienen van Jezus betekent, zijn het de vrouwen die weten wat de kern van Jezus’ boodschap is. Allereerst de schoonmoeder van Simon zelf aan het begin van het evangelie, en dan aan het einde al de vrouwen die hem tot bij het kruis gevolgd zijn. Wat een troost voor ons! De zieke schoonmoeder van Simon weet door haar lijden beter dan de apostelen wat de essentie is van de persoon van Jezus: dienstknecht van God te zijn die zijn leven geeft om de verloren mens te helen, maar door zijn leven te verliezen opstaat uit de dood! Amen.
Inleiding op de Psalmen 2
Groepen van psalmen
In het Psalmenboek worden vijf grote verzamelingen onderscheiden:
De psalmen 1-41 met een liturgische afsluiting 41:14
De psalmen 42-72 met een liturgische en redactionele afsluiting 72:19-20
De psalmen 73-89 met een liturgische afsluiting 89:53
De psalmen 90-106 met een liturgische afsluiting 106:48
De psalmen 107-150 met een liturgische afsluiting van psalm 150 in zijn geheel
Nog andere groepen:
psalmen 24, 47, 93, 96-99 ‘de HEER is koning’- psalmen
psalmen 120-134 trap- / opgangspsalmen, of bedevaart- / pelgrimspsalmen
Het in het Hebreeuws gebruikte werkwoord slaat ofwel op het bestijgen van de trappen van het altaar in de tempel door de priesters, ofwel op het optrekken van het volk naar Jeruzalem op de drie grote feesten in het jaar. Het laatste lijkt mij het waarschijnlijkst.
psalmen 113-118; 120-136 Hallel-psalmen
Het werkwoord hallel betekent loven, prijzen.Er zijn natuurlijk veel psalmen (zo een dertigtal) die de lof van God bezingen. Maar als terminus technicus slaat Hallel-psalmen op het Egyptische Hallel, psalmen 113-118, en op het Grote Hallel, de psalmen 120-136. Het Egyptische Hallel werd gezongen bij het pesachmaal (uittochtviering) met psalm 113 en 114 vóór de maaltijd, en psalm 115 tot en met 118 na de maaltijd. Zie wat de evangelist Marcus opmerkt in 14,26: “Nadat ze de lofzang hadden gezangen, vertrokken ze naar de Olijfberg.” Dit slaat waarschijnlijk op het 2de deel van dit Hallel. Volgens de Joodse traditie zou dit Hallel reeds in de tijd van Mozes gezongen zijn. Het wordt in ieder geval in de eredienst gebruikt bij de grote feesten Pesach, Wekenfeest, Loofhutten, Nieuwe Maan en Tempelinwijding.
Het Grote Hallel zijn de psalmen 120 tot en met 136. Vaak wordt volstaan 135 en 136, of met 136 alleen, aangezien 120-134 bekend staan als de pelgrimspsalmen.
psalmen 9-10, 25, 34, 37, 111, 112, 119, 145 staan bekend als alfabetische psalmen, omdat elke versregel of elke strofe ofwel elke stanza begint met een volgende letter van het Hebreeuwse alfabet. Met een moeilijk woord heet zo een psalm een acrostichon. Er komen onregelmatigheden voor; soms ontbreken letters of vallen enkele regels buiten de alfabetische reeks.
Nog andere bijzonderheden:
psalm 14 is gelijk aan psalm 53. Waar psalm 14 de Godsnaam JHWH gebruikt, vervangt psalm 53 die door Elohim = God.
psalm 40,14-18 is gelijk aan psalm 70. Waar psalm 40 de Godsnaam JHWH gebruikt, vervangt psalm 70 die door Elohim = God.
psalm 108 is de samenvoeging van psalm 57,8-12 + psalm 60,7-14
psalm 18 is gelijk aan 2 Samuel 22 met allerlei kleine verschillen.
psalm 105,1-15 + psalm 96 is gelijk aan 1 Kronieken 16:8-36
Opschriften
Psalmen op naam:
David 3-9; 11-32; 34-41; 51-65; 68-70; 86; 101; 103; 108-110; 122; 124; 131; 133; 138-145 (in totaal 73)
Salomo 72
Mozes 90
Zonen van Korach 42; 44-49; 84-85; 87-88
Zonen van Asaf 50; 73-83
Heman 88
Etan 89
N.B. De Korachieten worden in 1 Kronieken 6,22 en 2 Kronieken 20,19 genoemd als tempelzangers.
De zonen van Asaf vindt men als zangersgilde in Ezra 2,41; 2 Kronieken 5,12; 35,15.
Heman en Etan gelden als beroemde wijzen uit een ver verleden, zie 1 Koningen 4,31. Maar men treft hen ook aan in de lijsten van tempelzangers 1 Kronieken 6,18; 6,29; 15,17 en 19.
Historische aanwijzingen, alle betrekking hebbend op het leven van David:
psalm 3; 7; 18; 34; 51; 52; 54; 56; 57; 59; 60; 63; 142
muzikaal-technische gegevens:
op/ op de wijze van 8; 9; 12; 22; 45; 46; 53; 60; 61; 62; 69; 77; 81; 84; 88
mizmor = lied met begeleiding van snarenspel (= psalm) 3-6; 8-9; 12-13; 15; 19-24; 29-31; 38-41; 47-51; 62-68; 73; 75-77; 79-80; 82-85; 87-88; 92; 98; 100-101; 108-110; 139-141; 143, totaal 57 stuks
sjier = lied 30; 45-46; 48; 65-68; 75-76; 83; 87-88; 92; 108; 120-134
mizmor + sjier: 30:1; 65:1; 67:1; 68:1; 75:1; 76:1; 87:1; 92:1
sjier + mizmor: 48:1; 66:1; 83:1; 88:1; 108:1
maskil = (betekenis onzeker) van meditatieve aard; kunstig lied; leerdicht 32; 42; 44-45; 52-55; 74; 78; 88-89; 142. N.B. ook voorkomend in psalm 47:8.
Miktam = (betekenis onzeker) gouden stuk/ compositie; kleinood 16; 56-60
lamenatseach = (betekenis onzeker) voorzanger; koorleider; dirigent 4-6; 8-9; 11-14; 18-22; 31; 36; 39-42; 44-47; 49; 51-62; 64-70; 75-77; 80-81; 84-85; 88; 109; 139-140, totaal 55 stuks.
sela (vaak in de kantlijn gezet). De betekenis is vanouds her omstreden. Vermoedelijk gaat het om een liturgische of muzikale aanwijzing die te maken had met het zingen van de psalmen. Aanduiding van rust of wisseling van koor? Voor het eerst in Psalm 3,3; in totaal in 39 psalmen en Habakuk 3,3.9.13. De Septuaginta vertaalt het met diapsalma, een muzikaal tussenspel. Het lijkt van late oorsprong, en Jakob van Edessa verklaart het woord uit het gebruik van de gemeente om aan het einde van een psalmgedeelte een doxologie te zingen. Omdat sela nooit meer dan driemaal in één psalm voorkomt, kan het opgevat worden als teken aan het eind van een der drie delen voor een tussenspel of responsorium. Martin Buber geeft het in zijn Verdeutschung weer met: Empor! Dat betekent zoiets als : ‘verhef’, ofwel uw stem of uzelf, dat is: ga staan.
Higgajon Een muzikale term, wellicht een aanwijzing voor zacht tussenspel of gedempt zingen. Samen met sela komt het voor bij vers 17 van psalm 9! Vergelijk psalm 92,4 ‘het ruisend spel op de lier’.
In het Psalmenboek worden vijf grote verzamelingen onderscheiden:
De psalmen 1-41 met een liturgische afsluiting 41:14
De psalmen 42-72 met een liturgische en redactionele afsluiting 72:19-20
De psalmen 73-89 met een liturgische afsluiting 89:53
De psalmen 90-106 met een liturgische afsluiting 106:48
De psalmen 107-150 met een liturgische afsluiting van psalm 150 in zijn geheel
Nog andere groepen:
psalmen 24, 47, 93, 96-99 ‘de HEER is koning’- psalmen
psalmen 120-134 trap- / opgangspsalmen, of bedevaart- / pelgrimspsalmen
Het in het Hebreeuws gebruikte werkwoord slaat ofwel op het bestijgen van de trappen van het altaar in de tempel door de priesters, ofwel op het optrekken van het volk naar Jeruzalem op de drie grote feesten in het jaar. Het laatste lijkt mij het waarschijnlijkst.
psalmen 113-118; 120-136 Hallel-psalmen
Het werkwoord hallel betekent loven, prijzen.Er zijn natuurlijk veel psalmen (zo een dertigtal) die de lof van God bezingen. Maar als terminus technicus slaat Hallel-psalmen op het Egyptische Hallel, psalmen 113-118, en op het Grote Hallel, de psalmen 120-136. Het Egyptische Hallel werd gezongen bij het pesachmaal (uittochtviering) met psalm 113 en 114 vóór de maaltijd, en psalm 115 tot en met 118 na de maaltijd. Zie wat de evangelist Marcus opmerkt in 14,26: “Nadat ze de lofzang hadden gezangen, vertrokken ze naar de Olijfberg.” Dit slaat waarschijnlijk op het 2de deel van dit Hallel. Volgens de Joodse traditie zou dit Hallel reeds in de tijd van Mozes gezongen zijn. Het wordt in ieder geval in de eredienst gebruikt bij de grote feesten Pesach, Wekenfeest, Loofhutten, Nieuwe Maan en Tempelinwijding.
Het Grote Hallel zijn de psalmen 120 tot en met 136. Vaak wordt volstaan 135 en 136, of met 136 alleen, aangezien 120-134 bekend staan als de pelgrimspsalmen.
psalmen 9-10, 25, 34, 37, 111, 112, 119, 145 staan bekend als alfabetische psalmen, omdat elke versregel of elke strofe ofwel elke stanza begint met een volgende letter van het Hebreeuwse alfabet. Met een moeilijk woord heet zo een psalm een acrostichon. Er komen onregelmatigheden voor; soms ontbreken letters of vallen enkele regels buiten de alfabetische reeks.
Nog andere bijzonderheden:
psalm 14 is gelijk aan psalm 53. Waar psalm 14 de Godsnaam JHWH gebruikt, vervangt psalm 53 die door Elohim = God.
psalm 40,14-18 is gelijk aan psalm 70. Waar psalm 40 de Godsnaam JHWH gebruikt, vervangt psalm 70 die door Elohim = God.
psalm 108 is de samenvoeging van psalm 57,8-12 + psalm 60,7-14
psalm 18 is gelijk aan 2 Samuel 22 met allerlei kleine verschillen.
psalm 105,1-15 + psalm 96 is gelijk aan 1 Kronieken 16:8-36
Opschriften
Psalmen op naam:
David 3-9; 11-32; 34-41; 51-65; 68-70; 86; 101; 103; 108-110; 122; 124; 131; 133; 138-145 (in totaal 73)
Salomo 72
Mozes 90
Zonen van Korach 42; 44-49; 84-85; 87-88
Zonen van Asaf 50; 73-83
Heman 88
Etan 89
N.B. De Korachieten worden in 1 Kronieken 6,22 en 2 Kronieken 20,19 genoemd als tempelzangers.
De zonen van Asaf vindt men als zangersgilde in Ezra 2,41; 2 Kronieken 5,12; 35,15.
Heman en Etan gelden als beroemde wijzen uit een ver verleden, zie 1 Koningen 4,31. Maar men treft hen ook aan in de lijsten van tempelzangers 1 Kronieken 6,18; 6,29; 15,17 en 19.
Historische aanwijzingen, alle betrekking hebbend op het leven van David:
psalm 3; 7; 18; 34; 51; 52; 54; 56; 57; 59; 60; 63; 142
muzikaal-technische gegevens:
op/ op de wijze van 8; 9; 12; 22; 45; 46; 53; 60; 61; 62; 69; 77; 81; 84; 88
mizmor = lied met begeleiding van snarenspel (= psalm) 3-6; 8-9; 12-13; 15; 19-24; 29-31; 38-41; 47-51; 62-68; 73; 75-77; 79-80; 82-85; 87-88; 92; 98; 100-101; 108-110; 139-141; 143, totaal 57 stuks
sjier = lied 30; 45-46; 48; 65-68; 75-76; 83; 87-88; 92; 108; 120-134
mizmor + sjier: 30:1; 65:1; 67:1; 68:1; 75:1; 76:1; 87:1; 92:1
sjier + mizmor: 48:1; 66:1; 83:1; 88:1; 108:1
maskil = (betekenis onzeker) van meditatieve aard; kunstig lied; leerdicht 32; 42; 44-45; 52-55; 74; 78; 88-89; 142. N.B. ook voorkomend in psalm 47:8.
Miktam = (betekenis onzeker) gouden stuk/ compositie; kleinood 16; 56-60
lamenatseach = (betekenis onzeker) voorzanger; koorleider; dirigent 4-6; 8-9; 11-14; 18-22; 31; 36; 39-42; 44-47; 49; 51-62; 64-70; 75-77; 80-81; 84-85; 88; 109; 139-140, totaal 55 stuks.
sela (vaak in de kantlijn gezet). De betekenis is vanouds her omstreden. Vermoedelijk gaat het om een liturgische of muzikale aanwijzing die te maken had met het zingen van de psalmen. Aanduiding van rust of wisseling van koor? Voor het eerst in Psalm 3,3; in totaal in 39 psalmen en Habakuk 3,3.9.13. De Septuaginta vertaalt het met diapsalma, een muzikaal tussenspel. Het lijkt van late oorsprong, en Jakob van Edessa verklaart het woord uit het gebruik van de gemeente om aan het einde van een psalmgedeelte een doxologie te zingen. Omdat sela nooit meer dan driemaal in één psalm voorkomt, kan het opgevat worden als teken aan het eind van een der drie delen voor een tussenspel of responsorium. Martin Buber geeft het in zijn Verdeutschung weer met: Empor! Dat betekent zoiets als : ‘verhef’, ofwel uw stem of uzelf, dat is: ga staan.
Higgajon Een muzikale term, wellicht een aanwijzing voor zacht tussenspel of gedempt zingen. Samen met sela komt het voor bij vers 17 van psalm 9! Vergelijk psalm 92,4 ‘het ruisend spel op de lier’.
vrijdag 6 februari 2015
Inleiding op de Psalmen 1
Het boek der psalmen
De naam
Het psalmenboek heet in de Joodse traditie: Tehilliem. Dat betekent zoiets als lofliederen, lofzangen, afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord halleel wat loven, prijzen betekent. Denk aan de uitroep ‘halleluja’, dat betekent ‘loof de HEER’ (ja is de afgekorte vorm van de Godsnaam Jahweh). Tehilliem is een mannelijk meervoud van tehilla, een vrouwelijke zelfstandig naamwoord. Men heeft dan ook geopperd dat de vertaling vieringen zou moeten luiden. De titel loflied = tehilla komt maar in één opschrift voor, namelijk bij psalm 145. En ook al komen in vele psalmen andere genres voor zoals klachten, uitingen van dank en trouw, gevoelens van woede en wraak enz., toch maakt de lofprijzing van God de hoofdzaak uit.
Vanuit de traditie van de Septuaginta is in de christelijke kerk de naam psalmen algemeen geworden, als de weergave van het Hebreeuwse mizmoor = snarenspel, getokkel. Van Vondel (1657) kennen we de benaming: Harpzangen, van Marnix van Sint Aldegonde (1617) Psalmen Davids, en van Clemens non Papa (1540) Souterliedekens (souter is verbastering van psalter). De Psalmen zijn ook in de Nederlandse taal vele malen vertaald, berijmd en bewerkt.
Psalm 1 en 2 als ‘leesbril’
Waarom staan psalm 1 en 2 aan het begin van het psalmenboek? Hoe zijn ze in hun volstrekt van elkaar afwijkend genre daar terechtgekomen? Is dat soms een kwestie van toeval? Of zijn ze door een fout in de overlevering van plaats verschoven en per toeval op deze plek aangeland? Daartegen pleit allereerst al de omsluiting (inclusio) van psalm 1 vers 1 en psalm 2 vers 12. Namelijk ‘gelukkig de mens’ (psalm 1,1) en ‘gelukkig wie bij hem schuilen’ (psalm 2,12); en ‘de doodlopende weg’ in psalm 1,16 en 2,12. Dat wijst op een gewilde omlijsting bij deze twee psalmen en op een doelbewuste plaatsgeving. Beziet men het vervolg van deze twee psalmen, dan ontdekt men onmiddellijk dat vanaf psalm 3 een reeks psalmen volgt met vrijwel steeds een opschrift dat die psalm aan koning David toewijst. Dat lijkt erop te wijzen dat psalm 1 en 2 bewust buiten die reeks zijn gehouden, en om bepaalde redenen voorop zijn gezet, zoals men een vaandeldrager aan de fanfare vooraf laat gaan.
Wenden we ons nu tot het grote geheel van de TaNaCh (Oude Testament). We zien dan dat de drie grote delen Tora, Profetische Boeken en Geschriften op elkaar inhaken. Jozua, het eerste profetische boek, sluit thematisch aan bij het laatste boek van de Tora, het boek Deuteronomium. Zo is het ook met eerste boek van de Ketoebiem/ Chetoebim: de Psalmen. In de Hebreeuwse bijbel haakt het (in tegenstelling tot onze kerkbijbels die de volgorde van de Septuaginta hebben overgenomen) aan bij het laatste boek van de Profeten: Maleachi. Diens boodschap eindigt met: Gedenkt de wet van Mozes, mijn dienaar (3,22), en met: zie ik zend u de profeet Elia voordat de grote en geduchte dag van de HEER komt (3,23). Die dag is een dag van toorn en van vertreding der goddelozen. Mijns inziens hebben de samenstellers of de redacteuren van het psalmenboek, misschien ook de eindredacteuren van de gehele TaNaCh, psalm 1 en 2 daar neergezet als aansluiting bij de slotwoorden van de profeet Maleachi. Ze hebben gewild dat wij het psalmenboek horen, lezen en zingen in het licht van psalm 1 en 2, die als het waren de voortzetting zijn van de slotboodschap van Maleachi. In psalm 1 gaat het om de Tora-spiritualiteit; leven met Gods wet is aantrekkelijk. In psalm 2 wordt verwezen naar de toekomst, naar de hoop op Gods komende rijk. Door die vooropplaatsing van psalm 1 en 2 hebben de redacteuren ons een bril willen opzetten waarmee wij de psalmen moeten lezen. Met die zaligspreking als omlijsting worden wij in een door hen bedoelde leeshouding gestuurd: namelijk de houding van Wets-betrachting (psalm 1) en Messias-verwachting (psalm 2), in aansluiting bij de boodschap van Maleachi 3,22 en 23.
dinsdag 3 februari 2015
3 februari : HH. Simeon en Hanna - "Aanschouwd hebben mijn ogen het Heil"
3 februari : HH. Simeon en Hanna
Daags na het Feest van de Opdracht van de Heer in de tempel vermeldt het Martyrologium Romanum:
Te Jeruzalem de gedenkdag van de heilige Simeon en Hanna van wie de eerste als een rechtvaardige en godvrezende oude man en de tweede als een weduwe en profetes bij het binnendragen van het kind Jezus in de tempel om het overeenkomstig de gewoonte van de wet op te dragen, Hem mochten begroeten als Messias en Heiland, de zalige hoop en de verlossing van Israel.
*
“Buiten hetgeen de evangelist Lucas verhaalt in zijn Evangelie weten we niets over deze heiligen”, zo kan men lezen in de inleiding op deze gedachtenis die met een geheel eigen officieformulier is opgenomen in de “Celebrationes propriæ” – de Eigen Vieringen – van het Latijnse Patriarchaat van Jeruzalem, goedgekeurd in 1975 volgens de bepalingen van het 2e Vaticaanse Concilie voor de vernieuwing van het Getijdengebed. Het is een nieuwe “memoria facultativa” die in de “Festa propria” van 1936 niet voorkwam, terwijl het feest van de “Inventio Pueri Iesu”- de Terugvinding van het Kind Jezus – met de rang van Duplex majus op 18 februari na Vaticanum II kwam te vervallen.
Toen Maria en Jozef het Kind naar de tempel van Jeruzalem brachten, was dit de eerste ontmoeting van Jezus en zijn volk, vertegenwoordigd door de beide hoogbejaarden Simeon en Hanna, wier thuis in de tempel was.
De woorden van de intredezang van gisteren: “Wij gedenken uw goedheid, Heer, hier binnen uw heiligdom. Zover als uw Naam reikt, God, weerklinkt ook uw lof: tot aan het uiteinde van de aarde” (Ps 47.10) gelden ook vandaag. Verheugt Nazareth zich over de Aankondiging, Bethlehem zich over de Geboorte, zo verheugt Jeruzalem zich over de ontmoeting met de Heer in zijn tempel, aangezien Hij die in Nazareth ontvangen en in Betlehem geboren is, in Jeruzalem opgedragen en verkondigd is.
We zien de oude Simeon een wetgetrouw en vroom man door de Geest gedreven naar de tempel komen. Op hem rustte de heilige Geest en hij verwachtte de vertroosting van Israel. Met de gloed van de jeugd bezield opent hij een ontzaglijk perspectief voor het Kind en de Moeder en ook voor heel het Joodse volk in zijn lofzang “Lumen ad revelationem gentium et gloriam plebis tuae Israel” (Luc 2,32) – Een Licht ter openbaring aan de heidenen en tot luister van uw volk Israel! Het is de openbaring van de goddelijkheid van Christus die Lucas later, als metgezel van Paulus, aan de heidenen zal verkondigen. “De vader en moeder van Jezus stonden verbaasd over wat van Hem gezegd werd” voegt Lucas er aan toe” (2,33).
Op het ogenblik van Jezus’ Opdracht kwam ook de profetes Hanna, een hoogbejaarde weduwe die voortdurend in de tempel verbleef en God dag en nacht diende door vasten en gebed, naderbij; zij dankte God en sprak wondere dingen over dit Kind tot allen die de bevrijding van Jeruzalem verwachtten.
“Niet alleen door engelen, profeten en herders, maar ook door grijsaards en rechtvaardigen wordt getuigenis afgelegd van de Geboorte van de Heer. Elke leeftijd en beide geslachten en de wonderbare gebeurtenissen waarborgen de geloofwaardigheid. Een maagd wordt moeder, een onvruchtbare baart, een stomme spreekt. Elizabeth doet voorspellingen, de wijzen aanbidden, Hij, die in de moederschoot is opgesloten springt op, een weduwe looft, een rechtvaardige verbeidt. Hij verlangde van de banden van zijn gebrekkig lichaam te worden los gemaakt, maar hij wachtte om de Beloofde te zien. Hij wist dat zalig de ogen waren, die Hem zien, nam Hem in zijn armen, loofde God en verlangde niets anders meer dan in vrede te mogen gaan en met Christus te zijn. Hij zal de dood niet zien die het Leven heeft aanschouwd. Hoe overvloedig is door de Geboorte van de Heer de genade in allen uitgestort.
Simeon voorspelt echter ook, zich tot Maria richtend. dat dit Kind gekomen is tot val en opstanding van zeer velen om te beslechten wat rechtvaardigen en onrechtvaardigen verdienen en volgens de aard van onze daden als een eerlijk en rechtvaardig rechter straf of loon te bepalen”.
(Uit een homilie van de H. Ambrosius: Uitleg op het Evangelie van Lucas, nrs.58-60)
De preces (voorbeden) van de Lauden van de gedachtenis van Simeon en Hanna refereren aan het verlangen van de Kerk alle mensen te laten delen in het heil dat Simeon zag, en richten zich biddend tot de Verlosser die in de tempel werd opgedragen:
- Verlicht hen, die U nog niet hebben leren kennen, opdat zij in U als hun ware God mogen geloven
- Verwijder de sluier van hun ogen en trek hen tot U, die liefde zijt
- Voer alle mensen naar uw heil
- Geef dat wij tegenover allen op waardige wijze over u spreken
- Toon U voor altijd aan hen die na hun dood dorsten naar het aanschouwen van U.
Daags na het Feest van de Opdracht van de Heer in de tempel vermeldt het Martyrologium Romanum:
Te Jeruzalem de gedenkdag van de heilige Simeon en Hanna van wie de eerste als een rechtvaardige en godvrezende oude man en de tweede als een weduwe en profetes bij het binnendragen van het kind Jezus in de tempel om het overeenkomstig de gewoonte van de wet op te dragen, Hem mochten begroeten als Messias en Heiland, de zalige hoop en de verlossing van Israel.
*
“Buiten hetgeen de evangelist Lucas verhaalt in zijn Evangelie weten we niets over deze heiligen”, zo kan men lezen in de inleiding op deze gedachtenis die met een geheel eigen officieformulier is opgenomen in de “Celebrationes propriæ” – de Eigen Vieringen – van het Latijnse Patriarchaat van Jeruzalem, goedgekeurd in 1975 volgens de bepalingen van het 2e Vaticaanse Concilie voor de vernieuwing van het Getijdengebed. Het is een nieuwe “memoria facultativa” die in de “Festa propria” van 1936 niet voorkwam, terwijl het feest van de “Inventio Pueri Iesu”- de Terugvinding van het Kind Jezus – met de rang van Duplex majus op 18 februari na Vaticanum II kwam te vervallen.
Toen Maria en Jozef het Kind naar de tempel van Jeruzalem brachten, was dit de eerste ontmoeting van Jezus en zijn volk, vertegenwoordigd door de beide hoogbejaarden Simeon en Hanna, wier thuis in de tempel was.
De woorden van de intredezang van gisteren: “Wij gedenken uw goedheid, Heer, hier binnen uw heiligdom. Zover als uw Naam reikt, God, weerklinkt ook uw lof: tot aan het uiteinde van de aarde” (Ps 47.10) gelden ook vandaag. Verheugt Nazareth zich over de Aankondiging, Bethlehem zich over de Geboorte, zo verheugt Jeruzalem zich over de ontmoeting met de Heer in zijn tempel, aangezien Hij die in Nazareth ontvangen en in Betlehem geboren is, in Jeruzalem opgedragen en verkondigd is.
We zien de oude Simeon een wetgetrouw en vroom man door de Geest gedreven naar de tempel komen. Op hem rustte de heilige Geest en hij verwachtte de vertroosting van Israel. Met de gloed van de jeugd bezield opent hij een ontzaglijk perspectief voor het Kind en de Moeder en ook voor heel het Joodse volk in zijn lofzang “Lumen ad revelationem gentium et gloriam plebis tuae Israel” (Luc 2,32) – Een Licht ter openbaring aan de heidenen en tot luister van uw volk Israel! Het is de openbaring van de goddelijkheid van Christus die Lucas later, als metgezel van Paulus, aan de heidenen zal verkondigen. “De vader en moeder van Jezus stonden verbaasd over wat van Hem gezegd werd” voegt Lucas er aan toe” (2,33).
Op het ogenblik van Jezus’ Opdracht kwam ook de profetes Hanna, een hoogbejaarde weduwe die voortdurend in de tempel verbleef en God dag en nacht diende door vasten en gebed, naderbij; zij dankte God en sprak wondere dingen over dit Kind tot allen die de bevrijding van Jeruzalem verwachtten.
“Niet alleen door engelen, profeten en herders, maar ook door grijsaards en rechtvaardigen wordt getuigenis afgelegd van de Geboorte van de Heer. Elke leeftijd en beide geslachten en de wonderbare gebeurtenissen waarborgen de geloofwaardigheid. Een maagd wordt moeder, een onvruchtbare baart, een stomme spreekt. Elizabeth doet voorspellingen, de wijzen aanbidden, Hij, die in de moederschoot is opgesloten springt op, een weduwe looft, een rechtvaardige verbeidt. Hij verlangde van de banden van zijn gebrekkig lichaam te worden los gemaakt, maar hij wachtte om de Beloofde te zien. Hij wist dat zalig de ogen waren, die Hem zien, nam Hem in zijn armen, loofde God en verlangde niets anders meer dan in vrede te mogen gaan en met Christus te zijn. Hij zal de dood niet zien die het Leven heeft aanschouwd. Hoe overvloedig is door de Geboorte van de Heer de genade in allen uitgestort.
Simeon voorspelt echter ook, zich tot Maria richtend. dat dit Kind gekomen is tot val en opstanding van zeer velen om te beslechten wat rechtvaardigen en onrechtvaardigen verdienen en volgens de aard van onze daden als een eerlijk en rechtvaardig rechter straf of loon te bepalen”.
(Uit een homilie van de H. Ambrosius: Uitleg op het Evangelie van Lucas, nrs.58-60)
De preces (voorbeden) van de Lauden van de gedachtenis van Simeon en Hanna refereren aan het verlangen van de Kerk alle mensen te laten delen in het heil dat Simeon zag, en richten zich biddend tot de Verlosser die in de tempel werd opgedragen:
- Verlicht hen, die U nog niet hebben leren kennen, opdat zij in U als hun ware God mogen geloven
- Verwijder de sluier van hun ogen en trek hen tot U, die liefde zijt
- Voer alle mensen naar uw heil
- Geef dat wij tegenover allen op waardige wijze over u spreken
- Toon U voor altijd aan hen die na hun dood dorsten naar het aanschouwen van U.
zondag 1 februari 2015
Abonneren op:
Posts (Atom)
.jpg)



