dinsdag 9 augustus 2016

10 augustus Sint Laurentius

Martyrologium Romanum

10 augustus


Het feest van de Heilige Laurentius, diaken en martelaar, die – zoals de heilige Leo de Grote verhaalt – verlangde om ook in het martelaarschap metgezel van paus Sixtus te zijn en op het bevel de schatten van de Kerk over te dragen de bedrogen vervolger wees op de armen: voor hun levensonderhoud en kleding had hij immers rijkdommen verzameld. Na drie dagen overwon hij de vlammen omwille van het geloof in Christus en ook de werktuigen van zijn doodstraf deelden in de eer van zijn triomf. Zijn lichaam werd bijgezet te Rome op de naar hem genoemde begraafplaats van de Ager Veranus. 

zondag 7 augustus 2016

Johannes Ruusbroec, Kanunnik van Sint Augustinus en mysticus *1293 Ruisbroek - + 1381 Klooster Groenendaal


De kloosterling draagt Christus’ kleed 7

Het kleed zonder naad (1)

Verzinnebeeldt het bloedig kleed de hoogste liefde die Christus tot zijn Vader koesterde en die Hem, door gehoorzaamheid tot de dood toe, in de innigste eenheid van wil en minne verhief, dan ziet Ruusbroec in het kleed zonder naad, waarover de soldaten onder het kruis het lot wierpen, en dat, zo zegt hij, door dit lot aan de heilige Kerk ten deel viel, de onverbreekbare eenheid van alle gelovigen met Christus, doordat zij delen in zijn ‘karitate’, en onafscheidbaar met die ‘karitate’ verenigd zijn.

Een speciale toepassing op de kloosterstand lijkt mij hier niet evident voorhanden noch bedoeld. Maar, opgenomen als het is in heel deze verhandeling over het kloosterleven, mag men er een nieuwe bevestiging in zien van Ruusbroec’s opvatting, de stand der evangelische raden als integrerend, onafscheidelijk onderdeel van de heilige Kerk beschouwt: er mag geen scheur of scheiding in deze rok zonder naad der heilige Kerk voorkomen. Het leven in de wereld of in het klooster, de weg der geboden en het verholen pad der raden zijn slechts varianten van het leven Christi, dat door de Kerk wordt voortgezet. Christus aandoen, zich met zijn kleed omgorden, Christus navolgen en innerlijk beleven, zijn gezindheid overnemen, zijn gevoelens delen, mede opgenomen zijn in Christus’ onophoudelijke liefde beoefening tegenover de Vader en de mensen: dat is het wezen zelf van het geestelijk leven en het is bij voorbaat ons eeuwig leven.

Het vergt enige opheldering waarom Ruusbroec hier niet zozeer in het algemeen van Christus’ minne gewaagt, dan wel zijn ‘karitate’. Hoewel de termen ‘minne, liefde, karitate’ niet altijd scherp en consequent onderscheiden begrippen dekken, kan men toch vrij veilig als hoofdzakelijk onderscheid aangeven, dat karitate op de geschapen liefde van Christus voor zijn Vader en de mensen slaat. Minne wordt ook wel daarvoor aangewend maar heeft toch een breder toepassingsveld. Zo zal b. v.  de Heilige Geest wel ‘minne’ doch niet karitate heten. (1)

In Christus zijn tweeërlei soorten liefde te onderscheiden: de ene ongeschapen, de andere geschapen. Dit legt Ruusbroec in de Brulocht klaar uit: “De reden, waarom God mens werd, was zijn onbegrijpelijke minne en aller mensen nood… De reden, waarom Christus, naar zijn Godheid en ook naar zijn mensheid, al zijn werk op aarde verrichtte… is zijn goddelijke minne, die ongemeten is, en de geschapen minne, die karitate heet, en die Hij in zijn ziel bezat krachtens zijn vereniging met het eeuwig Woord en de volkomen gave van zijn Vader” (Br., I, 110). (2)
Iets verder: “Deze karitate hield de hoogste vermogens in Christus’ ziel in een stilheid en een genieten van dezelfde zaligheid, die Hij thans geniet; dezelfde karitate hield Hem zonder ophouden opgericht tot zijn Vader, met eerbied, met minne, met lof- en eerbewijzen, met innige gebeden voor alle mensen nood, met het opdragen van al zijn werken ter ere van de Vader. Deze zelfde karitate deed Christus nedervloeien met minnelijke trouw ten gunste van alle noden der mensen, zowel lichamelijke als geestelijke; en hierdoor gaf Hij aan alle mensen het voorbeeld van wat zij moeten doen. Christus’ karitate kunnen wij niet ten gronde uit 

zaterdag 6 augustus 2016

Johannes Ruusbroec, Kanunnik van sint augustinus en mysticus *1293 Ruisbroek - + 1381 Klooster Groenendaal


De kloosterling draagt Christus’ kleed 6
4. Het bloedig kleed van ’s Heren passie IX

Wij laten nu het laatste deel van Ruusbroec’s verhandeling over Christus’ bloedig kleed hier, gedeeltelijk letterlijk, gedeeltelijk geresumeerd, volgen:
“Begrijp de ware toedracht van dit leven. Zo gij in uw geest eenheid met God in liefde wil vinden en bezitten, dan moeten uw redelijke wil en al uw vermogens inwendig verenigd zijn met zijn wil, bereid om zijn wet en gebod te onderhouden en te beleven. Christus spreekt aldus tot ons allen: ‘Als gij mijn geboden onderhoudt, zult gij in mijn liefde blijven, evenals Ik de geboden van mijn Vader heb onderhouden en in zijn liefde blijft’(Jo., 15,10). Een verheven leven kan niet bestaan zonder de ootmoedige gehoorzaamheid van het deugdenleven. Daarvan spreekt Sint Paulus tot ons allen: ‘Hebt die gezindheid in u, welke ook in Christus Jezus is. Want Hij was de Zoon van God en Hij heeft Zichzelf vernederd en de gedaante van een slaaf aangenomen en Hij was gehoorzaam tot de dood van het kruis. En daarom is zijn naam verheerlijkt boven alle namen, en in zijn naam buigen alle knieën van hemelse, aardse en onderaardse wezens’ cf. Phil., 2,5-12; niet letterlijk)”. Nu citeert Ruusbroec verschillende teksten, waarin Christus door de Vader zijn Zoon, de welbeminde, wordt genoemd (Ps. 2,1; Mt. 3,17; Ps. 110,1; Ps., 128,4), als ontwikkeling van de bovengeciteerde tekst van Paulus: “Hij was de Zoon van God”; en daarna om zijn vernedering met ’n schriftuurtekst te vertolken, schrijft hij: “Daarentegen heeft Jezus zelf verklaard, bij monde van de profeet: ‘Ik ben een aardworm en geen mens, door de wereld bespot, veracht door het volk’ (Ps., 22,7)
“God heeft onze mensheid in Christus verheven, verheerlijkt en geadeld boven wat Hij geschapen heeft in hemel of op aarde. En Christus heeft zichzelf in onze mensheid onder alle schepselen vernederd, en Hij heeft Zich met een worm vergeleken, die van het slijk der aarde leeft en groeit; Hij heeft bovendien Zichzelf verzaakt naar zijn mensheid en zijn eigen wil gedood in de wil van zijn Vader; zo is Hij één wil met Gods wil. En Hij heeft zijn geschapen geest in liefde als het ware gedood, te niet gedaan en verteerd; en zo is Hij één geest met Gods Geest.”
“Zie dat is onze edele worm, die gesproten is uit de aarde van de reine Maagd Maria. Hij heeft zijn geschapen wil gedood en vernietigd in minne, en zo heeft Hij vrijheid in God gevonden. Hij is één met Gods wil en met God liefde. Dat is zijn mantel, die tegelijk purper en scharlaken rood is: daarmede is Hij zelf gekleed, en ook allen, die met Hem verenigd zijn in liefde”
(XII Beghinen, IV, 148-149).


Wordt voortgezet met drie afleveringen van een laatste uitwerking van Ruusbroecs beschouwing van Christus’ kleed: Het kleed zonder naad.

woensdag 3 augustus 2016

Liturgia Horarum H. Gregorius van Nyssa over het Doopsel

Uit de redevoering van de heilige Gregorius, bisschop van Nyssa († 394), over het doopsel

Bemint de geschenken en kransen die God voor zijn hardlopers bereid heeft.
Alle heiligen hebben de gevaren die hun vrijmoedig spreken met zich meebracht, liefgehad. Zij hebben degenen die dat wilden, de gelegenheid gegeven hun lichaam op allerlei manieren te verwonden of te doden. Bij geen enkele pijn hadden zij ook maar één ogenblik van zwakte, omdat zij als prijs voor hun bloed en dapperheid de eer in het rijk der hemelen verwachtten.
Daarom was Abraham bereid zijn zoon te offeren, toen hem dit bevolen werd; Mozes doorstond de gevaren van de woestijn; daarom leidde Elia zijn leven in eenzaamheid zonder enige verzorging en leefden alle profeten gehuld in schapevachten en geitehuiden, verdrukt en mishandeld. Om die eer van het rijk der hemelen droegen de evangelisten de littekens van het lijden ter wille van het evangelie en doorstonden de martelaren de folteringen van tirannen. Ieder die werkelijk met rede begaafd is, als Gods evenbeeld geschapen is en zich verwant voelt met het hogere en het hemelse, wil slechts leven en opgewekt worden met de mensen die verrijzen, als hij door God als een goede dienaar geprezen en eerbewijzen waardig gekeurd zal worden.
Dit is ook wat David wil zeggen, wanneer hij de dorst van het hert tot voorbeeld maakt voor zijn verlangen naar God (vgl. Ps. 42 (41), 2). Hij verlangt Gods gelaat te mogen aanschouwen om vreugde te kunnen vinden in de omhelzingen van de geestelijke gastvrijheid. Ook Paulus wenst, na zijn lichaam als een zwaar en drukkend kledingstuk afgelegd te hebben, te sterven en bij Christus te zijn (vgl. Fil. 1, 23; 2 Kor. 5, 6-9). Beiden stellen zich hierbij ongetwijfeld de gelukzalige, onveranderlijke vreugde voor. Als er hiernaar geen enkel verlangen bestaat, dan is waarlijk al het andere ijl en ijdel, zoals Prediker zegt (1, 2).
Gij die christen zijt en deel hebt aan de hemelse roeping, vermijdt nu elke gedachte die eigen is aan rovers en booswichten. Beschouwt het niet als de enige gelukzaligheid aan de straf te ontkomen, maar begeert geschenken en kransen. God heeft deze voor de hardlopers der gerechtigheid bereid.
Verlangt oprecht naar het doopsel. Neemt het talent en werkt hiermee. Zo zult gij immers, zoals in de parabel, het gezag over de tien steden verwerven (vgl. Lc. 19, 16-17; Mt. 25, 14-30). Wie op het sterfbed gedoopt wordt, verbergt het talent in de aarde en zal ongetwijfeld te horen krijgen wat er tegen de slechte en luie knecht gezegd werd. Terecht streeft de pasgedoopte, als hij de ontvangen opdracht met het geloof verbindt, naar niets anders dan naar het onberispelijke.
Als een gevangene was hij blootgesteld aan ontelbare beschuldigingen, vol vrees voor het oordeel en bevend voor het ogenblik van rekenschap. Plotseling verscheen de koning in zijn menslievendheid, hij opende de gevangenis en liet de boosaardigen vrij. De koning echter die de genade geschonken heeft, moet geprezen en geëerd worden, omdat hij door de overvloed van zijn goedheid de gevangenen gered heeft die niet op leven durfden te hopen. Wie echter de genade ontvangen heeft, moet zichzelf leren kennen en in nederigheid leven. Laat hij niet denken iets volbracht te hebben, omdat hij van zijn boeien verlost is. Vrijspraak van beschuldigingen getuigt immers van medelijden bij hem die haar verleent, en betekent niet dat de vrijgesprokene voortaan in aanzien zal staan.

Johannes Ruusbroec, Kanunnik van sint augustinus en mysticus *1293 Ruisbroek - + 1381 Klooster Groenendaal


De kloosterling draagt Christus’ kleed 6

4. Het bloedig kleed van ’s Heren passie VIII
In Tabernakel legt Ruusbroec uit, hoe de gulden kandelaar een voorafbeelding was van Christus’ mensheid, en naar aanleiding van de hoofdschacht, die uitstak boven de zijarmen, zinnebeelden van de zeven geesten van Christus of de zeven gaven van de Heilige Geest, schrijft hij: “De reden, waarom de middenschacht alleen boven de zijarmen uitstak, is, dat de mensheid van ons Heer geen zelfstandigheid (‘onthout’) op zichzelf had, maar zij volgde eenvoudig hare Persoonlijkheid.” Christus immers bezat zijn persoonlijk wezen in twee naturen: Hij had een eeuwige geboorte uit de Vader en een tijdelijke geboorte uit zijn moeder Maria. Daarom is Hij zoon des mensen en waarachtig mens. Toch bleef elke natuur in zichzelf al wat zij was: de godheid kan geen mensheid en de mensheid geen godheid worden, maar zij waren beiden verenigd in de goddelijke Persoon van de Zoon, en elk van deze beide naturen was zijn eigen natuur: want Hij was waarachtig God en mens. Bijgevolg moeten ook wij, met behulp van Gods genade, onszelf en onze eigen vergoddelijkte natuur navolgen. Zo kunnen wij overvormd worden met de eeuwige Waarheid, die Christus zelf is, en zo zal Hij in ons leven en wij in Hem” (Tab., II, 114-115). In dit ‘overvormd worden’ klinkt nog het ‘overkleden’, het ‘super indui’ van St. Paulus (2 Cor., 5,2) door.

Hier mogen wij nog andermaal onderlijnen welke voorname rol Ruusbroec toekent aan de gehoorzaamheid, opgevat als liefdevolle onderwerping aan Gods beschikkingen, hetzij die door een uitwendige gezagdrager in de Kerk of in de kloosterstand worden vermiddeld, hetzij ze kenbaar worden gemaakt door het aanroeren, het gherinen van Gods Geest, die de innige mens hoe langer hoe meer tot het passief ondergaan van Gods inwerking nodigt. In deze diepere zin moet de gehoorzaamheid de positieve tegenhanger zijn van de vooraf vereiste verloochening als dispositie tot het hogere gebedsleven. Niets is zo tegengesteld aan het gebedsleven, en in ’t bijzonder aan het mystieke gebedsleven, als de trots, die door dit stoïcijns woord van Seneca vertolkt wordt: “Non opus est diis: fac teipsum felicem! Geen nood aan God: maak u zelf gelukkig!” Dat zeggen en herhalen metterdaad alleen, die, door de moderne, reële en in vele opzichten bewonderenswaardige, prijzenswaardige en gelukkige vooruitgang overbluft en verblind, gelijk de farizeeën ‘in se confidebant’, in zichzelf vertrouwen, en uitsluitend op eigen menselijke krachten, inzicht en geluk rekenen, om zich binnen de zichtbare, geschapen wereld hunner handen te beperken, en die hun horizon bewust voor alle hogere, diepere, geestelijke werkelijkheid afsluiten. Ruusbroec’s woord: ‘zijn geschapenheid overschrijden’, lijkt hun krankzinnig en een capitulatie van hun eigenwaarde, een nutteloze en gevaarlijke waan, die slechts de verantwoordelijkheden van de harde strijd voor het materiële bestaan wil ontwijken. Zij waarderen die hogere trap van strijd en verovering niet, die de microcosmos van de eigen persoonlijkheid wil vrij vechten van de vernederende of aanmatigende slavernij der zinnen en van het eigen kleine, bekrompen wilsveld, om in de brede regionen van de Klaarheid Gods de echte vrijheid te bekomen, waarvoor de strijd weliswaar alleen voorwaarde, geen bewerker is, en waarvan het verkrijgen van een vrije gave Gods afhangt. Die zijn wil in liefde verloochent, die heeft, zegt Ruusbroec, ‘vrijheid in God gevonden’ (XII B., IV, 149).

Over de Orde en de kloosters van het H. Graf 2


Een opstel uit 1931 van zuster M. Henrica Fieten CRSS (Turnhout)
Het vorige artikeltje stelde dat het in 1797, dus bij de Franse Omwenteling, voor goed gedaan was met de mannelijke tak der Orde van het H. Graf. We wisten toen niet dat er een brief van onze zusters uit Saragossa (Spanje) op weg was die ons meldde dat de Collegiale Kerk van Calatayud tegenwoordig nog bediend wordt door kanunniken van de Orde van het H. Graf, want, schreef de zuster heel naïef: «Wij maken voor hen nog ieder jaar heel zusterlijk de dubbele rood zijden kruisen».


Dit nieuws was ons natuurlijk een blijde verassing. Over die kanunniken kunnen we dan het volgende mededelen. Door het concordaat van 1851 tussen Paus Pius IX en Koningin Isabella II werden deze reguliere kanunniken, die als dusdanig in gemeenschap leefden in hun klooster van Calatayud, niet meer in Spanje geduld (zoals nu de Paters (Jezuïeten). We zien dan ook dit kanunnikenklooster opgeheven in 1852.

San Sepulcro, Calatayud
Bij breve van Paus Leo XIII worden ze weer hersteld in 1901, onder de titel van «Canonici Sancti Sepulchri ad honorem». Zij bedienen weer de kerk van Calatayud dragen titel en het habijt der Orde en genieten van alle voorrechten, doch hebben niet de lasten ervan, n.l. die verbonden zijn aan een leven in gemeenschap. Van een kanunnikenklooster der Orde kan er dus toch feitelijk geen sprake zijn.

Muurfresco Santa Maria de Tobed
Gaan we nu ook even in de geest naar ons zusterklooster te Saragossa. Zoals de meeste kloosterlingen in Spanje hebben ook onze zusters angstvolle dagen gekend dit jaar en te lijden gehad van de opstandelingen [Aanloop naar de Spaanse Burgeroorlog 1936-1939]. Bezorgd over haar lot, bood onze zeer eerw. Moeder Priorin haar bescherming en onderkomen aan in onze kloosters. Na dit zusterlijk aanbod, gedaan in het begin der maand Juli, ontvingen wij op het eind van Augustus bericht. Een brief opgesteld in gebrekkig Frans, waaruit we het volgende aanhalen. We zullen proberen zo letterlijk mogelijk weer te geven. «Mijn zeer lieve eerwaarde Priorin en Medezusters, wij hebben angstvolle dagen doorleefd. Daarom zijn al onze medezusters zeer gevoelig geweest voor uwe goedheid, ons uwe bescherming aan te bieden… U zegt in uw brief dat U nieuws verlangt over onze ongelukkige toestand. Ik zal U zeggen, mijn goede Zusters, dat de 12de Mei om 3 u. ’s morgens de vier deuren van ons klooster in brand zijn gestoken, alsook de deur van de vertrekken van onze dienstboden. Goddank, het is niet verder gegaan, omdat de nachtwaker, de dienstboden en enkele buren, die daags te voren gelezen hadden dat men te Madrid  kloosters in brand had gestoken, de hele nacht waakten. De kwaden, een ogenblik afwezigheid van de bewaker benuttend, staken al de poorten van ons klooster in brand, maar op dit aansteken volgde dadelijk het blussen der goeden.
Daar de burgerlijke gezagvoerders (die allen zeer slecht zijn) ons geen zekerheid gaven van rustig in ons klooster te kunnen blijven, en ook geen bewakers om ons te behoeden, heeft onze prelaat (waarschijnlijk de Bisschop) ons gevraagd, liever uit ons klooster te gaan, dan dat we er door de kwaden zouden moeten uitgaan. Want in Madrid en vele andere plaatsen zijn de arme kloosterlingen moeten vluchten met de massa, zonder te weten waar te schuilen. Het volk zag op sommige plaatsen heel rustig toe hoe men de kloosters verbrandde, in sommige andere drongen de kwaden binnen om al het mogelijke te nemen en deze daarna in brand te steken. Al deze zaken gebeurden en nog veel slechtere, men ontheiligt de afbeeldingen en gewijde versierselen; het stoffelijk overschot van de H. Franciscus Borgia hebben ze verbrand. In sommige kloosters hebben ze de lijken uit de graven gehaald, op sommige andere plaatsen hebben ze deze beledigd en nog veel slechter zaken die ik niet eens zeggen kan – enfin – de grootste woestheid die eens gekend zal zijn (ik heb nooit zo’n zaken gelezen) behalve de vervolgingen in de eerste tijden van het christendom».
Verder vertelt de zuster over de miljoenen schade geleden door de vernieling van kunstwerken, verbranden van kerken en kloosters enz. en zegt nog:
Alle katholieken zijn zeer verontwaardigd over de gedragswijze van de voornaamste gezagvoerders, want ze hebben (met groot verdriet) gezien al wat er gebeurd is, en dit alles is verricht in opdracht van het bestuur; wij bevinden ons in een heel droevige toestand, omdat het bestuur anti-katholiek is. Zij willen een einde maken aan ons Heilig Geloof, maar de goede en machtige God vermag meer dan al de bozen te samen. Hij zal ons helpen, Hij heeft immers gezegd dat de H. Kerk wel vervolgd, maar niet overwonnen zal worden.
Alle dagen zijn er woelingen, enkele opstanden dragen zelfs het karakter van echte gevechten.
Geliefden, bidt veel voor ons, wij hopen dat de goede God ons zal beschermen en dat Hij niet zal toelaten dat we uit zijn huis verdreven worden… enz…
Sedert augustus kregen we geen antwoord meer op ons herhaald schrijven en weten dus niet wat er verder van onze zusters geworden is.
Als naschrift gaf de zuster het volgende: «Ik geloof dat ik een volle aflaat verdiend heb (!) met in het Frans te schrijven, want ik kan er maar weinig van, maar daar ik al mijn medezusters heel hartelijk bemin heb ik mijn uiterste best gedaan, opdat zij begrijpen, wat ze gevraagd hebben. Uw genegen (get.) Zuster Resurrección».
Door een vroeger schrijven werden we ingelicht omtrent de stichting doel en werkzaamheden van dit klooster. Het kwam tot stand in 1276, onder de titel van «Koninklijk Klooster der Dames Commandeurs der Orde van het H. Graf». De stichteres was Markiezin Gil de Rada, dochter van Theobaldo II, koning van Navarra. Het paleis dat zij van haar vader erfde zou tot kloosterhuis dienen voor haar en hare volgelingen uit de adelstand. Zij leefden volgens de regel van de H. Augustinus, leidden een ingetogen en teruggetrokken leven, waren rijk, zegt ons de brief, doch leefden arm en gaven veel aalmoezen. In 1574 deden ze pas kloostergeloften, onderhielden het kloosterslot en stonden onder het gezag van de Prior van Calatayud.

Antieke kapittelzaal, Monasterio de la Resurrección, Zaragoza
Naast haar gebedsleven hielden zij zich bezig met de opvoeding «Des filles des messieurs» (de opvoeding van "kinderen van adellijken bloede")


Gevel del Monasterio de San Sepulcro, Zaragoza, gebouwd op de Romeinse muren van de stad. 

maandag 1 augustus 2016

Befiehl dich ganz in deines Gottes Hände



Befiehl dich ganz in deines Gottes Hände –
Selbst wenn kein hoffen deine Nacht durchdringt.

Befiehl dich ganz mit deiner ganzen Seele –
In Seinen Willen, der um Deine ringt.

Sind Seine Wege dir auch unerforschlich –
O schliess dich ganz in Seiner Führung ein.

Befiehl dich ganz in deines Gottes Hände –
Er lässt auf keinen Wege dich allein.