Posts tonen met het label hebdomada XXXIV per annum. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hebdomada XXXIV per annum. Alle posts tonen
zondag 23 november 2025
Lezingen H. Mis Christus, Koning van het Heelal Ik ben in de wereld gekomen om getuigenis af te leggen van de waarheid.
Eerste lezing (Dan. 7, 13-14)
Uit de Profeet Daniël.
In die tijd nam Daniël het woord en zei:
“In mijn nachtelijk visioen zag ik met de wolken des hemels iemand aankomen,
die op een mens geleek.
Hij ging naar de Hoogbejaarde en werd voor Hem geleid.
Toen werd Hem heerschappij gegeven, luister en koninklijke macht;
alle volken, stammen en talen brachten Hem hun hulde.
Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die nooit vergaat,
zijn koninkrijk gaat nooit ten gronde.”
Tweede lezing (Apok. 1, 5-8)
Uit de openbaring van de heilige apostel Johannes.
Broeders en zusters,
genade zij u van Jezus Christus, de getrouwe getuige,
de eerstgeborene van de doden
en de vorst van de koningen der aarde.
Aan Hem die ons liefheeft
en die ons van de zonden heeft verlost door zijn bloed,
die ons gemaakt heeft tot een koninkrijk van priesters
voor zijn God en Vader,
Hem zij de heerlijkheid en de macht in de eeuwen der eeuwen!
Amen.
Zie, Hij komt met de wolken
en elk oog zal Hem aanschouwen,
ook zij die Hem doorstoken hebben;
en alle stammen der aarde zullen over Hem weeklagen.
Ja, Amen!
Ik ben de Alfa en de Omega
- zegt God de Heer -
Hij die is en die was en die komt,
de Albeheerser.”
Evangelie (Joh. 18, 33b-37)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes.
In die tijd riep Pilatus Jezus bij zich en zei tot Hem: “Zijt gij de koning der Joden?”
Jezus antwoordde hem:
“Zegt gij dit uit uzelf
of hebben anderen u over Mij gesproken?”
Pilatus gaf ten antwoord:
“Ben ik soms een Jood?
Uw eigen volk en de hogepriesters
hebben U aan mij overgeleverd.
"Wat hebt Gij gedaan?”
Jezus antwoordde:
“Mijn koningschap is niet van deze wereld.
Zou mijn koningschap van deze wereld zijn,
dan zouden mijn dienaars er wel voor gestreden hebben,
dat Ik niet aan de Joden werd uitgeleverd.
"Mijn koningschap is evenwel niet van hier.”
Pilatus hernam:
“Gij zijt dus toch koning?”
Jezus antwoordde:
“Ja, koning ben Ik.
Hiertoe werd Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen
om getuigenis af te leggen van de waarheid.
Alwie uit de waarheid is luistert naar mijn stem.”
Uit de Profeet Daniël.
In die tijd nam Daniël het woord en zei:
“In mijn nachtelijk visioen zag ik met de wolken des hemels iemand aankomen,
die op een mens geleek.
Hij ging naar de Hoogbejaarde en werd voor Hem geleid.
Toen werd Hem heerschappij gegeven, luister en koninklijke macht;
alle volken, stammen en talen brachten Hem hun hulde.
Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die nooit vergaat,
zijn koninkrijk gaat nooit ten gronde.”
Tweede lezing (Apok. 1, 5-8)
Uit de openbaring van de heilige apostel Johannes.
Broeders en zusters,
genade zij u van Jezus Christus, de getrouwe getuige,
de eerstgeborene van de doden
en de vorst van de koningen der aarde.
Aan Hem die ons liefheeft
en die ons van de zonden heeft verlost door zijn bloed,
die ons gemaakt heeft tot een koninkrijk van priesters
voor zijn God en Vader,
Hem zij de heerlijkheid en de macht in de eeuwen der eeuwen!
Amen.
Zie, Hij komt met de wolken
en elk oog zal Hem aanschouwen,
ook zij die Hem doorstoken hebben;
en alle stammen der aarde zullen over Hem weeklagen.
Ja, Amen!
Ik ben de Alfa en de Omega
- zegt God de Heer -
Hij die is en die was en die komt,
de Albeheerser.”
Evangelie (Joh. 18, 33b-37)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes.
In die tijd riep Pilatus Jezus bij zich en zei tot Hem: “Zijt gij de koning der Joden?”
Jezus antwoordde hem:
“Zegt gij dit uit uzelf
of hebben anderen u over Mij gesproken?”
Pilatus gaf ten antwoord:
“Ben ik soms een Jood?
Uw eigen volk en de hogepriesters
hebben U aan mij overgeleverd.
"Wat hebt Gij gedaan?”
Jezus antwoordde:
“Mijn koningschap is niet van deze wereld.
Zou mijn koningschap van deze wereld zijn,
dan zouden mijn dienaars er wel voor gestreden hebben,
dat Ik niet aan de Joden werd uitgeleverd.
"Mijn koningschap is evenwel niet van hier.”
Pilatus hernam:
“Gij zijt dus toch koning?”
Jezus antwoordde:
“Ja, koning ben Ik.
Hiertoe werd Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen
om getuigenis af te leggen van de waarheid.
Alwie uit de waarheid is luistert naar mijn stem.”
zondag 24 november 2024
Conventsmis Priorij Thabor: Preek op de 34e en laatste zondag van de Tijd door het jaar 2018 - Hij zal komen oordelen levenden en doden.
Hoogfeest
van Christus, Koning van het heelal
Het koningschap is
voor veel mensen van onze tijd een achterhaald
instituut. Heeft menigeen nog wel wat sympathie voor de romantiek, die
soms hangt rond een koninklijke familie; bemoeit de koning zich echter ergens mee,
dan zijn de negatieve reacties niet van de lucht. Het koningschap staat dan ook
haaks op onze tijd van inspraak en democratie.
Het mag dan niet
verwonderen, dat ook de Kerk, vanwege haar bestuurlijke structuur door steeds
meer mensen met argusogen wordt bekeken. De Kerk kent namelijk nog altijd een
wijze van bestuur, die meer lijkt op de koninkrijken van vroeger dan op de
democratieën van tegenwoordig. En tot verbazing van velen past de Kerk haar
structuren niet aan de democratiseringstendensen van onze tijd aan. Waarom
niet?
Het antwoord is in
feite eenvoudig. De Katholieke Kerk ziet zichzelf in zekere zin als een voorgegeven. Dit wil
zeggen: het waren niet zozeer mensen, die haar opbouwden. Nee, zij werd (zoals
Johannes het in zijn evangelie getuigt) geboren uit Christus’ doorstoken zijde.
De Kerk is dus
niet allereerst een optelsom van gelovige mensen. Nee, de Kerk ziet zich
allereerst als het Lichaam van Christus. Christus is het Hoofd van de Kerk,
onze Koning. En wij vormen als gedoopte mensen Zijn ledematen.
Dit betekent in
het concrete leven, dat wij niet allereerst aan elkaar maar aan Christus als
ons Hoofd verantwoording verschuldigd zijn. En ook een meerderheid van
gelovigen kan hieraan niets veranderen.
Velen hebben door hun onwetendheid een vreemde
opvatting over Christus Koning en zijn Kerk. Bij koningschap denken zij aan de
koningen van vroegere eeuwen die vaak hun macht misbruikten. En de Kerk had in
sommige tijden de beschikking over veel wereldlijke macht. Of die macht echter
altijd veel van doen had met de koningskracht waarover het feest van vandaag
spreekt.. De Kerkgemeenschap wordt dan ook vaak afgerekend op het gebruik, of
beter gezegd het misbruik van haar invloed op het wereldtoneel.
‘Hij zal komen om
te oordelen levenden en doden’. Dit zinnetje uit de geloofsbelijdenis heeft in
onze tijd van inspraak en democratie dan ook onder niet weinig gelovigen een
bijsmaak gekregen.
En dat is op zich
vreemd. Nog nooit hebben zoveel mensen een advocaat in de arm genomen om juist
medemensen veroordeeld te krijgen. Of
het nu gaat om burenruzies of erfenissen, het ouderschap of de media; het gaat
er vaak hard aan toe.
Vandaag viert de
Kerk de laatste zondag van het kerkelijk jaar. Het einde van het kerkelijk jaar
draagt ook altijd het thema van het einde mee: Hij zal komen oordelen levenden
en doden. Het feest van Christus Koningschap met het recht oordeel te vellen.
Heeft de democratie werkelijk een eind gemaakt aan het gezag van de een over de
ander? Kan een maatschappij leven zonder gezagsstructuren?
De Kerk houdt in
ieder geval vast aan de structuur van gezag en het afleggen van
verantwoordelijkheid. Maar nu komt het: elk gezag binnen de Kerk berust op het
gezag van Jezus Christus. Wie binnen de Kerk dus iets te zeggen heeft, dient
zich te spiegelen aan Christus Koning. Elk gezag in de Kerk ontleent haar waarde dan ook uitsluitend aan zijn
koningschap. Hoe oefent Jezus als koning Zijn gezag uit? Op het eerste gezicht lijkt zijn heerschappij
hardvochtig en streng: “Gaat weg van Mij, vervloekten”. Dit verhaal is echter
een parabel. En een parabel is allereerst bedoeld als een waarschuwing. Mens,
hoe leef jij? Durf jij koninklijk te leven door het Koningschap van Jezus
tastbaar te maken in jouw leven?
En hoe wordt het
koningschap van Jezus zichtbaar? In dienstbaarheid. “Meen niet, dat Ik gekomen
ben om gediend te worden, maar om te dienen en Mijn leven te geven als losprijs
voor velen”. Wie durft deze Koning nog ervaren als een bedreiging? Betekent
Zijn heerschappij niet veeleer een bevrijding?
Indien wij opkomen
voor de zwakken en de kleinen en in deze mensen Christus herkennen als onze
Koning, dan zal Zijn oordeel over ons mild zijn. Maken wij echter onszelf tot
koning, en dit gaat meestal ten koste van anderen…
Christus Koning,
een achterhaald feest of juist de bevrijdende viering van onze diepste
menselijke werkelijkheid. De moderne democratieën laten immer voldoende zien,
dat zij evenals de koninkrijken van vroeger een goddelijke Koning nodig hebben
die de diepste gevoelens van eerbied, medemenselijkheid en verantwoordelijkheid
in ons losmaakt. Bovendien reikt zijn bevrijdende macht zover, dat Paulus durft
uit te roepen: ik wil roemen op mijn zwakheden, want juist die maken Gods
kracht in mij zichtbaar. Wij mogen Gods kracht zichtbaar maken in het navolgen
van de dienstbaarheid van Christus Koning.
Martyrologium Romanum Dominica ultima per annum / Laatste zondag door het jaar:
Sollemnitas Domini
nostri Iesu Christi, universorum Regis.
Ipsi soli
imperium, gloria et maiestas
in infinita sæcula
sæculorum.
Hoogfeest van onze Heer Jezus Christus, Koning
van het heelal.
Aan Hem alleen komen toe de macht, de
heerlijkheid en de majesteit
in de eeuwen der eeuwen.
zaterdag 27 november 2021
Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada XXXIV per annum Sabbato Cantemus Alleluia Deo bono, qui liberat nos a malo. Zingen wij een Alleluia voor de goede God, die ons bevrijd heeft van het kwaad.
Ad
Officium lectionis
Lectio altera
Ex Sermónibus
sancti Augustíni epíscopi
(Sermo
256, 1. 2. 3: PL 38, 1191-1193)
Hic cantémus
Allelúia adhuc sollíciti, ut illic possímus aliquándo cantáre secúri. Quare hic
sollíciti? Non vis ut sim sollícitus, quando lego: Numquid non tentátio est
vita humána super terram? Non vis ut sim sollícitus, quando mihi adhuc
dícitur: Vigiláte et oráte, ne intrétis in tentatiónem? Non vis ut sim
sollícitus, ubi sic abúndat tentátio, ut nobis ipsa præscríbat orátio, quando
dícimus: Dimítte nobis débita nostra, sicut et nos dimíttimus debitóribus
nostris? Cotídie petitóres, cotídie debitóres. Vis ut sim secúrus, ubi
cotídie peto indulgéntiam pro peccátis, adiutórium pro perículis? Cum enim díxero
propter prætérita peccáta: Dimítte nobis débita nostra, sicut et nos
dimíttimus debitóribus nostris, contínuo propter futúra perícula addo et
adiúngo: Ne nos ínferas in tentatiónem. Quómodo est autem pópulus in
bono, quando mecum clamat: Líbera nos a malo? Et tamen, fratres, in isto
adhuc malo cantémus Allelúia Deo bono, qui nos líberat a malo.
Tweede lezing
Uit de Preken van de H.
Augustinus, bisschop
(Sermo 256, 1. 2. 3: PL 38, 1191-1193)
Zingen wij een Alleluia voor de goede God, die ons bevrijd heeft
van het kwaad
Laten
wij hier het Alleluia zingen, nu wij nog vol zorgen zijn, om het een dáár te
kunnen doen, waar wij veilig zijn. Waarom zijn wij vol zorgen? Wilt gij dan,
dat ik niet verontrust ben, wanneer ik lees: Is het mensenleven op aarde dan geen beproeving? Wilt gij dan, dat
ik niet verontrust ben, wanneer mij ook nog gezegd word: Waakt en bidt, opdat ge niet in bekoring komt? Wilt ge dan, dat ik
niet verontrust ben, wanneer de beproeving zo hoog stijgt dat, wanneer wij
bidden, ons gebed zelf ons voorschrijft: Vergeef
ons onze schuld, zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven? Dagelijks
zijn wij bidders, dagelijks ook schuldenaren. Wilt gij soms, dat ik mij veilig
voel, wanneer ik dagelijks vergeving vraag voor mijn zonden en om hulp in
gevaren? Want wanneer ik wegens mijn vroegere zonden zal zeggen: Vergeef ons onze schuld, zoals ook wij aan
anderen hun schuld vergeven, voeg ik er, om de toekomstige gevaren, altijd
aan toe: Leid mij niet in bekoring. En
hoe kan het volk in goeden doen zijn, wanneer het met mij uitroept: Verlos ons van het kwade? En toch, broeders, temidden van dat kwaad
moeten we toch ons Alleluia blijven zingen voor de goede God, die ons bevrijdt
van het kwade.
Ja,
laten wij zelfs in gevaren, in bekoringen, die zowel van anderen als van
onszelf komen, ons Alleluia zingen. Want
God is getrouw, die niet zal toelaten, is er gezegd, dat gij boven uw krachten bekoord wordt. Laten we dus ook nu ons
Alleluia zingen. De mens is nog wel schuldig maar God is getrouw. Er staat
niet: Hij zal niet toelaten dat gij bekoord wordt; maar: Hij zal niet toelaten, dat gij bekoord wordt boven uw krachten, maar
Hij zal met de bekoring ook geven dat ge eruit komt om ze te kunnen doorstaan. Gij
zijt in een bekoring gekomen; maar God zal ook het eruitgaan geven, zodat ge
niet in die bekoring bezwijkt; opdat, zoals het vat van de pottenbaker, gij
gevormd wordt door het woord van de prediking en daarna gehard wordt door de
verdrukking. Maar wanneer ge erin komt, denk dan aan het eruit gaan. Want God
is getrouw: De Heer waakt over uw
binnenkomen en uitgaan.
En
verder – wanneer dit lichaam onsterfelijk en onbederfelijk is geworden als alle
bekoring voorbij is, terwijl toch van de andere kant het lichaam de dood is gewijd -, waarom is het dan dood? Vanwege de zonde. Maar uw geest leeft.
Waarom ? Dank zij de gerechtigheid.
Moeten wij dan het dode lichaam opgeven? Neen, want haar: Maar als de Geest van Hem, die Jezus van de doden heeft opgewekt, in u
woont, zal Hij, die Christus van de doden heeft doen opstaan, ook uw
sterfelijke lichamen levend maken. Want nu is het een natuurlijk lichaam,
dan een geestelijk.
O,
dat gelukkig Alleluia daar! Dat veilige! Dat zonder tegenstand! Waar niemand
vijand is en geen vriend verloren gaat. Daar zijn lofzangen tot God en ook hier
zijn lofzangen tot God. Hier echter door bedrukten, daar door veiligen; hier
door sterfelijken, daar door die altijd zullen leven; hier in hoop, daar in
werkelijkheid; hier onderweg, daar in het vaderland
Laten
wij daarom, mijn broeders, nu zingen, niet in genoeglijke rust, maar tot troost
bij het zwoegen. Zoals zij, die onderweg zijn, gewoon zijn te zingen: zing ook,
maar ga voort. Verzacht uw zwoegen door te zingen. Geef u niet over aan
lusteloosheid. Zing en ga voort. Wat is dat: ga voort? Vertrek, ga voort in het
goede. Want er zijn er volgens de Apostel, die voortgang maken in het slechte.
Maar als gij vertrekt, blijf dan lopen. Maar vertrek in het goede, in het ware
geloof, in goede zeden. Zing dan en ga voort!
CHRISTUS KONING, ONZE VERLOSSER - Wij vragen de compassio, barmhartigheid en zegen van Christus over alle mensen. .
Afgelopen zondag vierden we het hoogfeest van Christus Koning. In de teksten van H. Mis en Goddelijk Officie konden we de verschillende aspecten van zijn Koningschap opmerken.
Jezus is ook Koning, omdat Hij de Rechter van allen en alles is. Ja, Hij is Zelf in persoon het gerechtelijk oordeel. Naarmate we in Hem geloven of niet, beslissen we zelf over ons heil of onheil. De Vader heeft Hem het oordelen over levenden en doden in handen gegeven (Jo 5, 22-30). Het eindoordeel over ons leven wordt in ons leven van nu reeds voorbereid en wordt bepaald door onze relatie tot Jezus. Wie in Hem gelooft, dat betekent wie zich zonder voorbehoud aan Hem overgeeft, wordt niet geoordeeld. Wie niet gelooft, is reeds geoordeeld, omdat hij niet gelooft in de Naam van de eniggeboren Zoon van God (Jo 3, 13). Bij het Laatste Oordeel is Christus bij uitstek Rechter: als Heer en Koning bezit Hij de sleutels van de dood en de onderwereld (Apoc 1, 18); uit beide kan Hij de zielen redden.
Wij zijn nog in de Novembermaand, de maand van de overledenen, de maand van alle zielen. Vergeten we niet voor hen te bidden, voor hen om vergeving te vragen.
Gisteren zongen we het Dies iræ, een sequens met een grote inhoudelijke realiteit: Christus wordt onder meer aangesproken als de Rex tremendæ maiestatis, Koning van huiveringwekkende majesteit, maar tegelijk als Iesu pie, goede Jezus, en dat betekent dat we hoopvol mogen rekenen op zijn goedheid en troost. Als Maria Magdalena en de Goede Moordenaar werden vergeven, en als de vermoeide Heer op de rand van de put de Samaritaanse het levende water, - dat Hijzelf is - aanbood, hoeven we niet te vrezen.
Wat kunnen wij in onze situatie doen voor zoveel dwalende en onwetende mensen met wie we in contact komen? Voor zoveel mensen die onvoorbereid in deze pandemie sterven…
Zijn compassio, zijn barmhartigheid en zijn zegen over hen vragen.
Vragen wij ook voor onszelf gespaard te worden bij het Laatste Oordeel door dagelijks vergeving te vragen en ons met een eenvoudig schietgebed in het Latijn, de laatste strofe uit het Dies iræ volgens de tekst van Liturgia Horarum, regelmatig tot de Heer te wenden:
O tu, Deus maiestatis - O, Gij God van majesteit
Alme candor Trinitatis - Zegenrijke schittering van Drievuldigheid
Nos coniunge cum beatis - Neem ook ons op in zaligheid
Als God voor ons is, wie zal dan nog tegen ons zijn? God zal ons in zijn trouw geen schade toevoegen, Hij bedriegt niet en Hij zal Zijn beloften niet te niet doen. De trouw van God is niets anders dan het nooit eindigende heilswerk van de Drieëne God, die barmhartigheid en liefde is tot heil van de wereld.
Vandaag zongen we de Verrijzenismis en bidden we het Officie van Pasen als sluiting van de (in onze Orde van het H. Graf verlengde) Paastijd om straks het nieuwe liturgische jaar te beginnen met de 1e Vespers van de 1e Adventszondag. In alle deze zo verschillende liturgische vieringen komt het verlossende heil - Menswording, Kruis en Verrijzenis - in één stralende kern bijeen.
Het mysterie van de Verlossing is het fundamentele mysterie van het Christendom. Christus, de God-Mens, heeft alle zonden op Zich genomen en door zijn kruisdood vernietigd. Dat weten we, en dikwijls dringt de jubel om die Verlossing tot ons door vanuit het breviergebed.
En toch, als we rondom ons kijken in de wereld; als we maar even denken aan al het kwaad dat nu de wereld overspoelt, dan vraagt men zich wel eens af: hoe nu verder? Is dan het lijden en de dood van de Heer tevergeefs geleden? Het mysterie van het kwaad dringt zich meer dan ooit op dan in de mensengeschiedenis het geval is geweest, zo lijkt het toch. De haat tegen God beheerst de wereld duidelijk. In die wereld hebben wij de opdracht te loven en te danken voor de Verlossing.
Op de eerste plaats komt het er op aan een duidelijk inzicht te hebben in de weldaad van de Verlossing. Ons geloof moet, door het gebed, opbloeien tot een zekerheid dat diep in ons die Verlossing leeft. De mensen die naar ons toe komen voelen dat, naar ze zeggen, sterker aan dan we het zelf vermoeden, hoe de rust van het ‘in God gevestigd zijn’ de sfeer bepaalt. Wanneer iemand een geschenk ontvangt, dan vraagt de wellevendheid niet alleen dat men bedankt, maar ook dat men laat blijken dat het een passend cadeau is, door het blij in gebruik te nemen.
Jezus is ook Koning, omdat Hij de Rechter van allen en alles is. Ja, Hij is Zelf in persoon het gerechtelijk oordeel. Naarmate we in Hem geloven of niet, beslissen we zelf over ons heil of onheil. De Vader heeft Hem het oordelen over levenden en doden in handen gegeven (Jo 5, 22-30). Het eindoordeel over ons leven wordt in ons leven van nu reeds voorbereid en wordt bepaald door onze relatie tot Jezus. Wie in Hem gelooft, dat betekent wie zich zonder voorbehoud aan Hem overgeeft, wordt niet geoordeeld. Wie niet gelooft, is reeds geoordeeld, omdat hij niet gelooft in de Naam van de eniggeboren Zoon van God (Jo 3, 13). Bij het Laatste Oordeel is Christus bij uitstek Rechter: als Heer en Koning bezit Hij de sleutels van de dood en de onderwereld (Apoc 1, 18); uit beide kan Hij de zielen redden.
Wij zijn nog in de Novembermaand, de maand van de overledenen, de maand van alle zielen. Vergeten we niet voor hen te bidden, voor hen om vergeving te vragen.
Gisteren zongen we het Dies iræ, een sequens met een grote inhoudelijke realiteit: Christus wordt onder meer aangesproken als de Rex tremendæ maiestatis, Koning van huiveringwekkende majesteit, maar tegelijk als Iesu pie, goede Jezus, en dat betekent dat we hoopvol mogen rekenen op zijn goedheid en troost. Als Maria Magdalena en de Goede Moordenaar werden vergeven, en als de vermoeide Heer op de rand van de put de Samaritaanse het levende water, - dat Hijzelf is - aanbood, hoeven we niet te vrezen.
Wat kunnen wij in onze situatie doen voor zoveel dwalende en onwetende mensen met wie we in contact komen? Voor zoveel mensen die onvoorbereid in deze pandemie sterven…
Zijn compassio, zijn barmhartigheid en zijn zegen over hen vragen.
Vragen wij ook voor onszelf gespaard te worden bij het Laatste Oordeel door dagelijks vergeving te vragen en ons met een eenvoudig schietgebed in het Latijn, de laatste strofe uit het Dies iræ volgens de tekst van Liturgia Horarum, regelmatig tot de Heer te wenden:
O tu, Deus maiestatis - O, Gij God van majesteit
Alme candor Trinitatis - Zegenrijke schittering van Drievuldigheid
Nos coniunge cum beatis - Neem ook ons op in zaligheid
Als God voor ons is, wie zal dan nog tegen ons zijn? God zal ons in zijn trouw geen schade toevoegen, Hij bedriegt niet en Hij zal Zijn beloften niet te niet doen. De trouw van God is niets anders dan het nooit eindigende heilswerk van de Drieëne God, die barmhartigheid en liefde is tot heil van de wereld.
Vandaag zongen we de Verrijzenismis en bidden we het Officie van Pasen als sluiting van de (in onze Orde van het H. Graf verlengde) Paastijd om straks het nieuwe liturgische jaar te beginnen met de 1e Vespers van de 1e Adventszondag. In alle deze zo verschillende liturgische vieringen komt het verlossende heil - Menswording, Kruis en Verrijzenis - in één stralende kern bijeen.
Het mysterie van de Verlossing is het fundamentele mysterie van het Christendom. Christus, de God-Mens, heeft alle zonden op Zich genomen en door zijn kruisdood vernietigd. Dat weten we, en dikwijls dringt de jubel om die Verlossing tot ons door vanuit het breviergebed.
En toch, als we rondom ons kijken in de wereld; als we maar even denken aan al het kwaad dat nu de wereld overspoelt, dan vraagt men zich wel eens af: hoe nu verder? Is dan het lijden en de dood van de Heer tevergeefs geleden? Het mysterie van het kwaad dringt zich meer dan ooit op dan in de mensengeschiedenis het geval is geweest, zo lijkt het toch. De haat tegen God beheerst de wereld duidelijk. In die wereld hebben wij de opdracht te loven en te danken voor de Verlossing.
Op de eerste plaats komt het er op aan een duidelijk inzicht te hebben in de weldaad van de Verlossing. Ons geloof moet, door het gebed, opbloeien tot een zekerheid dat diep in ons die Verlossing leeft. De mensen die naar ons toe komen voelen dat, naar ze zeggen, sterker aan dan we het zelf vermoeden, hoe de rust van het ‘in God gevestigd zijn’ de sfeer bepaalt. Wanneer iemand een geschenk ontvangt, dan vraagt de wellevendheid niet alleen dat men bedankt, maar ook dat men laat blijken dat het een passend cadeau is, door het blij in gebruik te nemen.
Naast het vurige gebed (dat wil zeggen: intens bewust liefdevol) moeten we dus proberen de Verlossingsgenade te gebruiken en deze in ons te laten groeien. We moeten dus leven als verloste mensen. Naast allerlei omschrijvingen kunnen we dit bondig samenvatten als leven als blije mensen. Niet gemaakt of gekunsteld, maar in het onverstoorbare bewustzijn dat God met ons is, door de genade van Onze Heer Jezus Christus. Die diepe rustige vreugde moeten we in ons laten groeien, uit dankbaarheid voor de Verlossing - innerlijk blij zijn!
De liturgische teksten van de Advent zijn een goede hulp om steeds meer ontvankelijk te worden voor Gods Licht, uit ons duister egoïsme te breken, op te staan uit onze slaap en Hem tegemoet te gaan, nu, op de geschikte tijd, niet alleen met werken van gerechtigheid, maar vooral met geloof, hoop en liefde Hem verwachtend Die gekomen is en steeds opnieuw komt om bij ons zijn intrek te nemen, om ons in Hem te laten wonen.
Het komt dus minstens even sterk aan op het ontvangen als op het doen.
Een zalige Paasdag en een zalige Advent!
Aanbevolen lezing
Lezing: lectio altera van zaterdag in de 34e week per annum:
De liturgische teksten van de Advent zijn een goede hulp om steeds meer ontvankelijk te worden voor Gods Licht, uit ons duister egoïsme te breken, op te staan uit onze slaap en Hem tegemoet te gaan, nu, op de geschikte tijd, niet alleen met werken van gerechtigheid, maar vooral met geloof, hoop en liefde Hem verwachtend Die gekomen is en steeds opnieuw komt om bij ons zijn intrek te nemen, om ons in Hem te laten wonen.
Het komt dus minstens even sterk aan op het ontvangen als op het doen.
Een zalige Paasdag en een zalige Advent!
Aanbevolen lezing
Lezing: lectio altera van zaterdag in de 34e week per annum:
Sint Augustinus ‘Zingen wij een Alleluia voor de goede God, die ons verlost van het kwaad’.
Uit Preek 256, 1. 2. 3: PL 38, 1191-1193.
27.11.2021
Uit Preek 256, 1. 2. 3: PL 38, 1191-1193.
27.11.2021
vrijdag 26 november 2021
Zaterdag voor 1e zondag van de Advent - laatste dag van het liturgisch jaar -een daverend slotaccoord in de verrijzenisspiritualiteit van de Orde van het Heilig Graf. Deze gedachtenis van de Verrijzenis wordt in Priorij Thabor als sluitstuk van het liturgisch jaar gevierd.
GEDACHTENIS VAN DE
VERRIJZENIS EN SLUITING VAN DE PAASTIJD IN DE EIGEN LITURGIE VAN DE
KANUNNIKESSEN VAN HET H. GRAF
De liturgie van de laatste week van het liturgisch jaar (de 34e week door het
jaar) staat stil bij de wederkomst van Christus en de betekenis daarvan voor de
mens. De mens komt na zijn dood voor zijn Heer te staan en moet verantwoording
afleggen van zijn doen en laten. Voor deze ontmoeting van de mens met zijn Heer
kreeg de mens tijdens zijn leven de tijd om al dan niet voor God te kiezen, om
zich voor te bereiden op de wederkomst van Christus.
Tijdens de 34e week door het jaar wordt de sequentia “Dies Irae” (Dag van toorn) als hymne gebeden tijdens het getijdengebed. In deze hymne komt tot uitdrukking dat één ding in het leven zeker is: iedereen sterft, iedereen wordt geconfronteerd met de dood en wordt door God geoordeeld. De verschrikking van de dood wordt in deze hymne plastisch uitgedrukt, maar ook is er de bede om genade en hoop op een eeuwige gelukzalige rust op grond van de verlossing door Jezus Christus, door Zijn lijden, dood en verrijzen.
De kanunnikessen van het H. Graf vieren op de laatste dag van het liturgisch jaar, de zaterdag vóór de 1e zondag van de Advent met inbegrip van de Vespers op de vrijdag ervoor, de Gedachtenis van de Verrijzenis. Zij zien de liturgische tijd van Pinksteren tot de Advent als voortzetting van de Paastijd en iedere zondag als een klein Pasen. Deze gedachtenis van de Verrijzenis wordt in Priorij Thabor als sluitstuk van het liturgisch jaar gevierd. Met de Paasliturgie op deze dag wordt heel het liturgisch jaar, waarin de heilsmysteries van Christus worden ontvouwd, bezegeld, zoals in werkelijkheid de Verrijzenis van Christus de bezegeling was van zijn Menswording.
Zo worden aan het einde van het liturgisch jaar de grote thema’s zonde, dood en verrijzenis nog eenmaal beschouwd, zoals het zo mooi verwoord is in de Paassequentia “Victimae paschali laudes”
Victimae paschali laudes immolent Christiani.
Agnus redemit oves: Christus innocens Patri reconciliavit peccatores.
Mors et vita duello conflixere mirando: dux vitae mortuus regnat vivus.
Dic nobis, Maria, quid vidisti in via?
Sepulcrum Christi viventis: et gloriam vidi resurgentis.
Angelicos testes, sudarium et vestes.
Surrexit Christus spes mea: praecedet suos in Galilaeam.
Scimus Christum surrexisse a mortuis vere: tu nobis, victor Rex, miserere.
Amen.
Alleluja.
Laten de christenen aan het Paaslam huldezangen wijden.
Het Lam heeft nu de schapen vrijgekocht; en Christus, die zonder zonden was, heeft de zondaars met de Vader weer verzoend.
Dood en leven streden een wondere strijd; de vorst des levens, die gestorven was, heerst nu in onvergankelijkheid.
Zeg ons, Maria, wat hebt gij op uw weg gezien?
Ik zag het graf van de levende Christus en de heerlijkheid van de Verrezene;
zijn engelen zag ik als getuigen en ook de zweetdoek en het grafkleed.
Christus, mijn hoop, is verrezen! Hij zal de zijnen voorgaan naar Galilea.
Nu weten wij, dat Christus uit de doden is verrezen. Gij, overwinnaar Koning, ontferm u over ons.
Amen.
Alleluja.
Onderstaand vers uit de hymne Dies irae, waarin dood, verlossing en hoop op verrijzenis in drie regels worden uitgedrukt, vormt als het ware een brug naar de blijde verwachting die de 1e zondag van de Advent brengt.
“Gedenk, lieve Jezus,
dat ik de reden van uw komst ben,
laat mij die dag dan niet verloren gaan.”
Tijdens de 34e week door het jaar wordt de sequentia “Dies Irae” (Dag van toorn) als hymne gebeden tijdens het getijdengebed. In deze hymne komt tot uitdrukking dat één ding in het leven zeker is: iedereen sterft, iedereen wordt geconfronteerd met de dood en wordt door God geoordeeld. De verschrikking van de dood wordt in deze hymne plastisch uitgedrukt, maar ook is er de bede om genade en hoop op een eeuwige gelukzalige rust op grond van de verlossing door Jezus Christus, door Zijn lijden, dood en verrijzen.
De kanunnikessen van het H. Graf vieren op de laatste dag van het liturgisch jaar, de zaterdag vóór de 1e zondag van de Advent met inbegrip van de Vespers op de vrijdag ervoor, de Gedachtenis van de Verrijzenis. Zij zien de liturgische tijd van Pinksteren tot de Advent als voortzetting van de Paastijd en iedere zondag als een klein Pasen. Deze gedachtenis van de Verrijzenis wordt in Priorij Thabor als sluitstuk van het liturgisch jaar gevierd. Met de Paasliturgie op deze dag wordt heel het liturgisch jaar, waarin de heilsmysteries van Christus worden ontvouwd, bezegeld, zoals in werkelijkheid de Verrijzenis van Christus de bezegeling was van zijn Menswording.
Zo worden aan het einde van het liturgisch jaar de grote thema’s zonde, dood en verrijzenis nog eenmaal beschouwd, zoals het zo mooi verwoord is in de Paassequentia “Victimae paschali laudes”
Victimae paschali laudes immolent Christiani.
Agnus redemit oves: Christus innocens Patri reconciliavit peccatores.
Mors et vita duello conflixere mirando: dux vitae mortuus regnat vivus.
Dic nobis, Maria, quid vidisti in via?
Sepulcrum Christi viventis: et gloriam vidi resurgentis.
Angelicos testes, sudarium et vestes.
Surrexit Christus spes mea: praecedet suos in Galilaeam.
Scimus Christum surrexisse a mortuis vere: tu nobis, victor Rex, miserere.
Amen.
Alleluja.
Laten de christenen aan het Paaslam huldezangen wijden.
Het Lam heeft nu de schapen vrijgekocht; en Christus, die zonder zonden was, heeft de zondaars met de Vader weer verzoend.
Dood en leven streden een wondere strijd; de vorst des levens, die gestorven was, heerst nu in onvergankelijkheid.
Zeg ons, Maria, wat hebt gij op uw weg gezien?
Ik zag het graf van de levende Christus en de heerlijkheid van de Verrezene;
zijn engelen zag ik als getuigen en ook de zweetdoek en het grafkleed.
Christus, mijn hoop, is verrezen! Hij zal de zijnen voorgaan naar Galilea.
Nu weten wij, dat Christus uit de doden is verrezen. Gij, overwinnaar Koning, ontferm u over ons.
Amen.
Alleluja.
Onderstaand vers uit de hymne Dies irae, waarin dood, verlossing en hoop op verrijzenis in drie regels worden uitgedrukt, vormt als het ware een brug naar de blijde verwachting die de 1e zondag van de Advent brengt.
“Gedenk, lieve Jezus,
dat ik de reden van uw komst ben,
laat mij die dag dan niet verloren gaan.”
zaterdag 20 november 2021
Liturgia Horarum Christus Koning van het Heelal
Uit de verhandeling van de heilige Augustinus, bisschop van Hippo († 430), over het evangelie van Johannes
Mijn koningschap en mijn rijk zijn niet van deze wereld.
Wat Pilatus tot Christus heeft gezegd en wat de Heer hem geantwoord heeft, moeten wij nu nader beschouwen. Tegen de joden had Pilatus gezegd: ‘Neemt Hem dan zelf en vonnist Hem volgens uw wet.’ Maar zij hadden geantwoord: ‘Wij missen het recht om iemand ter dood te brengen.’ Toen was Pilatus het pretorium weer binnengegaan en had hij Jezus laten roepen en Hem gevraagd: ‘Zijt Gij de koning der joden?’ Daarop had Jezus geantwoord: ‘Zegt gij dit uit uzelf of hebben anderen u over Mij gesproken?’ (Joh. 18, 31.33-34). Natuurlijk wist de Heer zowel datgene waarnaar Hijzelf vroeg als wat de landvoogd Hem zou antwoorden. Maar toch wilde Hij dat dit alles werd uitgesproken, niet opdat Hij het aldus te weten zou komen, maar opdat zou worden opgetekend wat wij volgens Hem behoorden te weten.
Pilatus gaf Hem ten antwoord: ‘Ben ik soms een jood? Uw eigen volk en de hogepriesters hebben U aan mij overgeleverd. Wat hebt Gij gedaan?’ Jezus antwoordde: ‘Mijn koningschap is niet van deze wereld. Zou mijn koningschap van deze wereld zijn, dan zouden mijn dienaars er wel voor gestreden hebben dat Ik niet aan de joden werd uitgeleverd. Mijn koningschap is evenwel niet van hier’ (Joh. 18, 35-36). Welnu, hier gaat het om, dit moeten wij volgens onze goede Meester weten.
Hoort het dus goed, jullie allen, heidenen en joden; luistert, alle landen en rijken van de aarde: Ik sta uw heerschappij niet in de weg. Mijn koningschap is niet van deze wereld. Weest niet verontrust, geeft niet toe aan ongegronde vrees zoals eens Herodes de Oude, die bij het bericht van Christus’ geboorte ontstelde en zoveel kleine kinderen liet vermoorden om het ene Kind te treffen: een wreedheid die hij eerder uit vrees dan uit wraak beging. Mijn koningschap en mijn koninkrijk, zegt de Heer, zijn niet van deze wereld. Wat willen jullie dan nog? Komt naar het koninkrijk dat niet van deze wereld is, laat je leiden door geloof in plaats van verzet te plegen uit vrees.
God de Vader verklaart bij monde van de profeet: ‘Ikzelf heb mijn koning aangesteld op Sion, mijn heilige berg’ (Ps. 2, 6). Maar dit Sion en deze berg zijn niet van deze wereld. Wie anders vormen zijn rijk dan zij die in Hem geloven en tot wie Hij zegt: gij zijt niet van de wereld, zoals Ik niet van de wereld ben (vgl. Joh. 17, 16)? Toch wilde Hij dat zij in de wereld zouden zijn. Daarom sprak Hij tot de Vader: ‘Ik bid niet dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart voor het kwaad’ (Joh. 17, 15). Vandaar ook dat Hij hier niet zegt: mijn koningschap en mijn rijk zijn niet in deze wereld, maar: zij zijn niet van deze wereld. Ten bewijze hiervan vervolgt Hij: ‘Zou mijn koningschap (dat wil zeggen: mijn rijk) van deze wereld zijn, dan zouden mijn dienaars er wel voor gestreden hebben dat Ik niet aan de joden werd uitgeleverd.’ Tenslotte verklaart Hij niet: mijn koningschap en mijn rijk zijn evenwel niet hier, maar: zij zijn niet van hier (Joh. 18, 36). Hier immers is zijn rijk tot aan het einde van de tijd, een rijk waarin tarwe en onkruid zijn vermengd tot het uur van de oogst.
De oogst is het einde van de tijd, wanneer de maaiers - dat wil zeggen: de engelen - zullen komen. Zij zullen uit zijn rijk allen bijeenbrengen die tot zonde verleiden en ongerechtigheid bedrijven (vgl. Mt. 13, 24-30.37-43). Dit zou niet gebeuren als zijn rijk niet hier was. Zijn rijk is evenwel niet van hier, omdat het in deze wereld onderweg is. Tot zijn rijk zegt Hij immers: ‘Gij zijt niet van deze wereld, maar Ik heb u uit de wereld uitgekozen’ (vgl. Joh. 15, 19).
Mijn koningschap en mijn rijk zijn niet van deze wereld.
Wat Pilatus tot Christus heeft gezegd en wat de Heer hem geantwoord heeft, moeten wij nu nader beschouwen. Tegen de joden had Pilatus gezegd: ‘Neemt Hem dan zelf en vonnist Hem volgens uw wet.’ Maar zij hadden geantwoord: ‘Wij missen het recht om iemand ter dood te brengen.’ Toen was Pilatus het pretorium weer binnengegaan en had hij Jezus laten roepen en Hem gevraagd: ‘Zijt Gij de koning der joden?’ Daarop had Jezus geantwoord: ‘Zegt gij dit uit uzelf of hebben anderen u over Mij gesproken?’ (Joh. 18, 31.33-34). Natuurlijk wist de Heer zowel datgene waarnaar Hijzelf vroeg als wat de landvoogd Hem zou antwoorden. Maar toch wilde Hij dat dit alles werd uitgesproken, niet opdat Hij het aldus te weten zou komen, maar opdat zou worden opgetekend wat wij volgens Hem behoorden te weten.
Pilatus gaf Hem ten antwoord: ‘Ben ik soms een jood? Uw eigen volk en de hogepriesters hebben U aan mij overgeleverd. Wat hebt Gij gedaan?’ Jezus antwoordde: ‘Mijn koningschap is niet van deze wereld. Zou mijn koningschap van deze wereld zijn, dan zouden mijn dienaars er wel voor gestreden hebben dat Ik niet aan de joden werd uitgeleverd. Mijn koningschap is evenwel niet van hier’ (Joh. 18, 35-36). Welnu, hier gaat het om, dit moeten wij volgens onze goede Meester weten.
Hoort het dus goed, jullie allen, heidenen en joden; luistert, alle landen en rijken van de aarde: Ik sta uw heerschappij niet in de weg. Mijn koningschap is niet van deze wereld. Weest niet verontrust, geeft niet toe aan ongegronde vrees zoals eens Herodes de Oude, die bij het bericht van Christus’ geboorte ontstelde en zoveel kleine kinderen liet vermoorden om het ene Kind te treffen: een wreedheid die hij eerder uit vrees dan uit wraak beging. Mijn koningschap en mijn koninkrijk, zegt de Heer, zijn niet van deze wereld. Wat willen jullie dan nog? Komt naar het koninkrijk dat niet van deze wereld is, laat je leiden door geloof in plaats van verzet te plegen uit vrees.
God de Vader verklaart bij monde van de profeet: ‘Ikzelf heb mijn koning aangesteld op Sion, mijn heilige berg’ (Ps. 2, 6). Maar dit Sion en deze berg zijn niet van deze wereld. Wie anders vormen zijn rijk dan zij die in Hem geloven en tot wie Hij zegt: gij zijt niet van de wereld, zoals Ik niet van de wereld ben (vgl. Joh. 17, 16)? Toch wilde Hij dat zij in de wereld zouden zijn. Daarom sprak Hij tot de Vader: ‘Ik bid niet dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart voor het kwaad’ (Joh. 17, 15). Vandaar ook dat Hij hier niet zegt: mijn koningschap en mijn rijk zijn niet in deze wereld, maar: zij zijn niet van deze wereld. Ten bewijze hiervan vervolgt Hij: ‘Zou mijn koningschap (dat wil zeggen: mijn rijk) van deze wereld zijn, dan zouden mijn dienaars er wel voor gestreden hebben dat Ik niet aan de joden werd uitgeleverd.’ Tenslotte verklaart Hij niet: mijn koningschap en mijn rijk zijn evenwel niet hier, maar: zij zijn niet van hier (Joh. 18, 36). Hier immers is zijn rijk tot aan het einde van de tijd, een rijk waarin tarwe en onkruid zijn vermengd tot het uur van de oogst.
De oogst is het einde van de tijd, wanneer de maaiers - dat wil zeggen: de engelen - zullen komen. Zij zullen uit zijn rijk allen bijeenbrengen die tot zonde verleiden en ongerechtigheid bedrijven (vgl. Mt. 13, 24-30.37-43). Dit zou niet gebeuren als zijn rijk niet hier was. Zijn rijk is evenwel niet van hier, omdat het in deze wereld onderweg is. Tot zijn rijk zegt Hij immers: ‘Gij zijt niet van deze wereld, maar Ik heb u uit de wereld uitgekozen’ (vgl. Joh. 15, 19).
Collectegebed Christus Koning "U zonder ophouden hulde brengen"
HOOGFEEST
VAN CHRISTUS KONING
Het Hoogfeest van
Christus Koning nadert, de laatste zondag van het kerkelijk jaar.
Ieder jaar
opnieuw legt de Kerk ons de geschiedenis van het heil voor: van de Schepping
tot aan de Komst van de Heer.
In zekere zin is
het feest van Christus Koning een anticipatie op de Adventstijd, welke onze
aandacht richt op de verschillende wijzen van het komen van de Heer naar ons.
In deze periode van het kerkelijk jaar, november, overwegen we ook de vier
uiterste dingen: dood, oordeel, hemel en hel. We bidden deze maand vooral voor
de verlaten zielen in het vagevuur. Het feest van Christus Koning dat in de
oude Romeinse kalender werd gevierd op de laatste zondag van oktober laat duidelijk
zien dat de Heer juist als Koning en Rechter komt en niet slechts als een
vriend of redder of als een of ander rolmodel. In de sequens Dies iræ
die lange tijd in de Requiemmis werd gezongen, wordt Christus vereenzelvigd met
de Rex tremendæ maiestatis (de Koning van vreeswekkende majesteit) en
met de iuste iudex (de rechtvaardige Rechter).
In dit licht
sluiten de verzen 10-12 van hoofdstuk 3 van de Tweede Petrusbrief goed aan: "Maar de Dag des
Heren zal komen als een dief. Dan zullen de hemelen dreunend vergaan en de
elementen door vuur worden verteerd; en de aarde met al wat erop is zal
verbranden. Wanneer alles zo vergaat, hoe moet gij dan uitmunten door een
heilig leven en innige vroomheid, de komst verwachtend en verhaastend van de
Dag Gods, waardoor de hemelen in vlammen zullen opgaan en de elementen
wegsmelten in de vuurgloed."
Christus Jezus
zal ons allen oordelen en alle dingen aan de Vader onderwerpen (vgl. 1 Kor
15,28). Na de lammeren van de bokken te hebben gescheiden zal Christus als
Koning heersen in majesteit en glorie met de velen die zijn genade hebben
aanvaard en daardoor de eeuwige heerlijkheid verdienden.
Missale Romanum 1970
Omnipotens sempiterne
Deus,
qui in dilecto
Fílio tuo, universorum Rege,
omnia restaurare
voluisti,
concede propitius,
ut tota creatura,
a servitute liberata,
tuæ maiestati
deserviat ac te sine fine collaudet.
Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie 1979
Almachtige,
eeuwige God,
al het bestaande
hebt Gij in uw beminde Zoon
onder één hoofd
willen brengen:
Hij is de Koning
van het heelal.
Wij bidden U:
laat heel de
schepping, verlost uit de slavernij,
uw majesteit
dienen en U zonder ophouden hulde brengen.
Werkvertaling
Almachtige
eeuwige God,
die in Uw
geliefde Zoon, de Koning van het heelal,
alle dingen hebt
willen herstellen
verleen genadig
dat heel de
schepping, verlost uit de slavernij,
Uw majesteit
ijverig dient en U zonder ophouden huldigt.
L i t u r g i
s c h e a n t e c e d e n t e n
Terwijl deze
collecta een nieuwe compositie voor de Novus Ordo is, vertoont ze gelijkenis
met het collectegebed voor dit feest in het Romeins Missaal 1962 met varianten
in het tweede gedeelte: Omnipotens sempiterne Deus, qui dilecto Filio tuo,
universorum Rege, omnia instaurare voluisti : concede propitius; ut cunctæ familiæ
gentium, peccati vulnere disgregatæ, eius suavissimo subdantur imperio... "dat alle volkerenfamilies, door de wonde der zonde
uiteengerukt, zich aan zijn milde heerschappij onderwerpen..."
S t r u c t u u r a n a l y s e e n s
t i j l v o r m e n
1. Omnipotens
sempiterne Deus,
2. qui in dilecto
Fílio tuo, universorum Rege,
omnia
restaurare voluisti,
3. concede
propitius,
4. ut tota creatura,
a servitute liberata,
tuæ maiestati
deserviat ac te sine fine collaudet.
Ad 1.
De oratie opent
met een drievoudige anaklese, aanspreekvorm, van God in de vocativusvorm en
spreekt Hem aan in twee specifiek goddelijk hoedanigheden: zijn almacht en zijn
eeuwigheid.
Ad 2.
Regel 2 wordt
gevormd door een relatieve bijzin in de indicativus – die een feitelijkheid
uitdrukt – namelijk het raadsbesluit van God door zijn geliefde Zoon, Koning
van het heelal, alles onder één Hoofd te brengen en heel het universum door het
koningschap van Christus te vernieuwen. Deze relatieve bijzin wordt onderbroken
door de bijstelling universorum Rege die de koninklijke functie
van Christus nader preciseert bij het realiseren van het Rijk Gods.
Ad 3. Hier begint
de eigenlijke bede met de imperativusvorm concede, verleen, geef -
vergezeld door de bijwoordelijke bepaling propitius,-a,-um, genadig,
goedgunstig, in de nominativus
enkelvoud mannelijk waarin opnieuw een van de vele hoedanigheden van God wordt
uitgedrukt. Propitius is een nevenvorm/verkorte vorm van propitiatus, zoals gezien in het
collectegebed van de 32e zondag.
Ad 4. Finale
(doelaanwijzende) of consecutieve (gevolghebbende) bijzin, klassiek ingeleid
door het voegwoord ut dat gekoppeld aan de beide coniunctivusvormen deserviat
en collaudet een wenskarakter heeft. Tota creatura vormt het
subject en neemt het begrip universorum uit regel 2 weer op; tuæ
maiestati deserviat is het eerste gedeelte van het gezegde waarbij de
bijwoordelijke bepaling tuæ maiestati in de dativusvorm (dativus
commodi, van voordeel) staat, zoals gebruikelijk bij het verbum servire en de
samengestelde werkwoorden ervan. De woordengroep tuæ maiestati is
synoniem met het in r.2 reeds genoemde Rege: beide begrippen drukken de
koninklijke waardigheid van zowel de Vader als de Zoon uit.
ac te sine fine
collaudet: tweede gedeelte van het gezegde, door de coniunctie ac,
en ook, maar ook, met het eerste deel verbonden. Te is het object van het
verbum collaudet en door de hyperbaton-stijlfiguur uiteen geplaatst om de vaste
uitdrukking sine fine te omklemmen.
De
finale/consecutieve bijzin wordt onderbroken door een tweede bijzin a
servitute liberata, en is een precisering of explicatie van tota
creatura. De begrippen servitute (r. 4a) en deserviat (r. 4b) vormen een antithese: servitute
verwijst naar slaafse onderworpenheid en deserviat – versterkt door het verbum collaudet
verderop - duidt op een dienen in vrijheid.
V o c a b u l a r i u m
Universus is een adjectief
(bijvoeglijk naamwoord) en universorum een genitief meervoud van het
neutrum en vertaald door "van alle dingen". Aangezien wij een synoniem voor "alle dingen" in omnia hebben
laat zich universorum goed vertalen met "heel de wereld"/ "het heelal".
We spitsen onze
Latijnse oren als we samengestelde werkwoorden horen (werkwoorden verbonden met
een voorzetsel zoals sub of de, cum of per). In het
woordenboek vinden we dat de-servio de betekenis van servio
verruimt in de betekenis van Aijverig dienen,
toegewijd zijn aan, onderworpen aan@. Col-laudo,
meer krachtiger, meer nadrukkelijker dan eenvoudig laudo (de
simplexvorm), betekent zeer intens loven of prijzen, hoog verheffen, hoog
verheerlijken, huldigen. In een eerder commentaar is reeds betoogd dat het
begrip maiestas een synoniem is van gloria hetgeen bij vroege
Latijnse schrijvers zoals Hilarius van Poitiers, Ambrosius en in vroege
liturgische teksten het equivalent is van het bijbels Griekse doxa en
het Hebreeuwse kabod. Deze "glorie" en "majesteit" is Gods eigen transformerende kracht, een delen in Zijn
leven, dat ons omvormt in wat Hij is in een voortdurende "vergoddelijking".
Instauro is een
wonderlijk woord dat meer aandacht vraagt: "hernieuwen,
herhalen, opnieuw vieren; herstellen, restaureren; instellen, tot stand
brengen, inrichten". Het is synoniem
van renovo. Etymologisch is instauro gerelateerd aan het Griekse stauros.
De woordenboeken geven voor stauros: "een rechtopstaande
paal of staak". Stauros is het
woord dat in het Griekse Nieuwe Testament wordt gebruikt voor het Kruis van
Jezus. Zo doet dit woord ons niet alleen direct denken aan de wapenspreuk van
H. Paus Pius X (instaurare omnia in Christo - alle dingen hernieuwen in
Christus), maar ook aan de oorsprong van dat motto in Efesiërs 1,9-10: "Want Hij heeft ons zijn geheim raadsbesluit doen kennen,
de beslissing die Hij in Christus had genomen ter verwezenlijking van de
volheid der tijden: het heelal in Christus onder één hoofd te brengen, alle
wezens in de hemelen en alle wezens op aarde, in Hem". (KBS Sint Willibrord 1961). Er zijn, tussen haakjes, in
de Latijnse teksten van deze passages enkele veranderingen aangebracht. De oude
Vulgaat zegt: "instaurare omnia
in Christo" terwijl de
Nieuwe Vulgaat zegt: "recapitulare
omnia in Christo".
Een kleine
excursie naar de Nieuwe of "Neo" Vulgaat. De Neovulgaat is een moderne en uitmuntende
herwerking van de eerbiedwaardige Vulgaat die voor het grootste gedeelte is samengesteld
door de H. Hiëronymus (+ 420) door te vertalen uit het Grieks en Hebreeuws. Dit
was de standaardversie van de Bijbel die jarenlang werd gebruikt. Maar met de
intrede van moderne onderzoeksmethoden en verdiepte kennis werd besloten de
Vulgaat op een aantal punten te verbeteren en te herzien. De Neovulgaat was
decennialang in voorbereiding en werd gepromulgeerd in een editio typica door
paus Johannes-Paulus II op 25 april 1979 middels de Constitutie Scripturarum
thesaurus. In een officiële versie werd de Neovulgaat opnieuw uitgegeven in
1986. Wat is het verband met vertalingen van teksten voor de H.Mis? Het
document van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de Discipline der
Sacramenten legt in de normen van haar Instructie Liturgiam authenticam
vast dat vertalers nu moeten refereren aan de Neovulgaat in verband met de
nummering van de Schriftverzen vanwege het feit dat hoofdstuk- en versnummering
in oude handschriften onderling verschillen. Eén enkele heldere referentie was
nodig.
Terug naar de
oratie. Recapitulare houdt verband met het Latijnse caput ("hoofd") en werd door de
geleerden van de Neovulgaat voor een betere vertaling gehouden van het Griekse
anakephalaioô, "samenvatten,
resumeren, onder een gezichtspunt samenbrengen". Dit slaat op
het hoofdschap van Christus over Zijn Mystiek Lichaam dat de Kerk is, en drukt
uit dat Hij de uiteindelijke verklaring is, dat Hij alle dingen samenhoudt. In
ieder geval had de collecte in 1925 en in de jaren zestig toen de oudere versie
van de Vulgaat in gebruik was, instaurare en niet recapitulare.
Waarom al deze
inkt voor recapitulare? De frase "alle dingen
hernieuwen/herstellen in Christus" wijst op het
Koningschap van Jezus. In alles wat Jezus zei of deed tijdens zijn aardse
leven, was Hij actief bezig alle dingen en mensen tot Zich te trekken. In de
tijd die komt wanneer Zijne Majesteit de Koning wederkeert in gloria en
maiestas zal dit tot-zich-trekken (cf. Jo 12,32) culmineren tot de
verheffing van heel de schepping in een volmaakte en oneindige triomfzang van
lof. In de tussentijd delen wij krachtens ons Doopsel en onze inlijving in Christus
venturus (Christus die zal komen) in Zijn drievoudig ambt van priester,
profeet en ook koning. We hebben de plicht Zijn Koningschap te verkondigen bij
alles wat we zeggen en doen. We behoren al onze goede werken aan Hem op te
dragen ter wille van Zijn glorie en de verwachting van Zijn Komst. Deze glorieuze "restauratie" (instaurare) is
slechts mogelijk door het Kruis van de Heer (stauros in het Grieks). Op
subtiele wijze wordt het Kruis in het midden van de collecte gevonden, waar het
wordt geopenbaard als de spil van heel de schepping (creatura).
Het eerste doel
van onze deelname aan de gewijde riten van de Kerk is: God, Vader, Zoon en
Heilige Geest te prijzen en aan God glorie te geven. Het liturgisch en bijbels
Latijn is rijk aan woorden en begrippen die het prijzen van God aanduiden en
uitdrukken. In dit licht zijn de betekenissen van "glorie" en "majesteit" in feite bijna
uitwisselbaar. Van de ene kant betuigen wij God eer en glorie op een uitwendige
wijze naar God toe, aan de andere kant zijn glorie en majesteit ook goddelijke
eigenschappen die wij Hem op geen enkele wijze geven, maar die Hij heeft - of
beter is - van nature in Zichzelf. Wanneer wij in Zijn tegenwoordigheid komen,
zelfs in het contact dat wij met Hem hebben door de gewijde mysteries van de
Kerk, heeft Zijn goddelijke eigenschap van splendor of glorie of majesteit zo u
wilt, de kracht ons te transformeren. Zijn
majesteitelijke glorie verandert ons.
Bewerking en vertaling van Fr. John Zuhldorf WDTPRS en
van andere auteurs.
Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven” 34e zondag per annum / Laatste zondag van de Tijd door het jaar
Hoogfeest Christus Koning
Christus ontvangt brood en wijn voor de H. Eucharistie
Laat uw Zoon aan alle
volkeren ook eenheid en vrede schenken.
I n l e i d i n g
In de postconciliaire, Novus Ordo-kalender,
wordt het hoogfeest van Christus, Koning van het heelal, op de laatste zondag
van het liturgisch jaar gevierd, juist voordat de Advent begint. In de
traditionele Romeinse kalender viel dit hoogfeest op de laatste zondag van
oktober.
Het feest werd ingesteld door paus Pius XI
in 1925, zoals Pius Parsch zegt in ‘Het Jaar des Heren’ om “in de geest en het hart van de gelovigen
het oude beeld van Christus als goddelijke Koning te vernieuwen, die aan de
rechterhand van de Vader troont en die
op het einde der tijden zal wederkomen
in macht en majesteit” (dl. III). Het feest viel in oktober, een maand van vieringen bij de communisten,
die radicaal atheïstisch materialisme propageerden en oplegden.
De verschillende edities van het Missale
Romanum plaatsen diverse accenten bij dit feest, ofschoon de teksten van beide
uitzien naar het einde der tijden en de definitieve komst van het Rijk van
Christus.
Jezus Christus zal ons allen oordelen en
alles aan de Vader onderwerpen (cf 1 Kor 15, 28). Na dit oordeel over “de levenden en de doden”
(Credo) zal Hij in majesteitelijke heerlijkheid heersen met hen die zijn genade
aanvaardden en daarmee een eeuwig loon
verdienden.
Gegeven is dat wij in de H. Eucharistie de
Vader het Offer van verzoening aanbieden, dat natuurlijk Christus zelf is.”Hæc
Hostia nostræ reconciliationis proficiat, quæsumus, Domine, ad totius mundi
pacem et salute” – Mogen de vrede en het heil van alle mensen toenemen door dit
Offer van uw Zoon, dat ons in handen is gegeven opdat wij met U worden
verzoend, bidt de Kerk in het Eucharistisch Gebed II. Inderdaad, wanneer
Christus als Koning van heel de wereld wordt gevierd, zijn alle volkeren
bestemd in dit Koningschap te delen en ligt het voor de hand Hem voor hen om eenheid
en vrede te bidden. Want God wilde met heel zijn volheid in Hem wonen, om door
Hem alles te verzoenen en alles op aarde en in de hemel naar Christus te
voeren, die vrede heeft gesticht door
het Bloed van zijn Kruis (cf Kol 1,
19.20).
Bij het feest van Christus Koning gaat het
om het koningschap waarvan Jezus voor Pilatus getuigenis aflegde: “Mijn
koningschap is niet van deze wereld” (Jo 18, 36). Wanneer het Gebed over de
gaven om eenheid en vrede bidt, bedoelt het ‘het rijk niet van deze wereld’, maar
het rijk Gods dat in deze wereld door de Kerk wordt vertegenwoordigd. Daar wijst ook de Brief aan de Kolossenzen
op: “Hij is het Hoofd van het Lichaam dat de Kerk is” (Kol 1,18).
In het gebed gaat het dus allereerst om de
eenheid en de vrede van de Kerk.
Maar ook al is het Rijk van Christus niet
‘van deze wereld’, het is toch ook ‘in
deze wereld’, omvat met zijn aanspraak
de mensen van deze wereld en wenst voor hen eenheid en vrede.
Wanneer de oratie
vandaar ook direct om eenheid en vrede voor het Rijk Gods bidt, dat niet van
deze wereld is, geldt het gebed toch ook de vrede binnen en tussen de
machtsgebieden in deze wereld.
T e k s t
Missale
Romanum – 1970
Hostiam tibi, Domine, humanæ
reconciliationis offerentes,
suppliciter deprecamur,
ut ipse Filius tuus cunctis gentibus
unitatis et pacis dona concedat.
Qui vivit et regnat in sæcula sæculorum.
Ter vergelijking:
Missale
Romanum – 1925
Hostiam tibi, Domine, humanæ
reconciliationis offerimus,
præsta, quæsumus;
ut quem sacrificiis præsentibus immolamus,
Ipse cunctis gentibus unitatis et pacis
dona concedat,
Iesus Christus, Filius tuus, Dominus
noster:
qui tecum vivit et regnat in sæcula
sæculorum.
Altaarmissaal
Nederlandse Kerkprovincie – 1979
Heer, wij bieden U het offer aan dat de
mensen met U verzoent.
Wij bidden U:
Die leeft en heerst in de eeuwen der
eeuwen.
Werkvertaling
Terwijl wij U, Heer, het offer van
menselijke verzoening aanbieden,
bidden wij U smekend, of:
Wij, die U, Heer, het offer van menselijke
verzoening aanbieden,
Bidden U smekend,
dat uw Zoon zelf aan alle volkeren de gaven
van eenheid en vrede moge verlenen.
Hij die/Die leeft en heerst in de eeuwen
der eeuwen.
L i t u r g i s c
h e a n t e c e d e n t e n
Het eerste
gedeelte van de oratie, de openingszin, is gelijk aan de versie MR 1962. Het
Latijn bevat enkele kleine varianten, maar het gebed is inhoudelijk gelijk. Het
tweede deel echter toont de theologische verandering bewerkt door de ’knippende
en plakkende’ experts van Fr. Bugnini’s Consilium. In de oudere versie vinden we een expliciet
appel om te offeren (sacrificare)
verwoord door het sterke werkwoord immolare (oude Romeins cultisch begrip dat
eerst en vooral betekent “het met offermeel van vermalen graankorrels
bestrooien van het offerdier” en het aldus ten offer brengen). Deze specifieke
en krachtige offertaal is in de nieuwe versie weggelaten en toelichting is niet
bekend.. Hoe we bidden heeft een wederkerige relatie met hetgeen we geloven –
lex orandi lex credendi – verander het gebed en je verandert het geloof. Daarop
aangesproken plegen redacteuren van gebeden dat in eerste instantie krachtig te
ontkennen waarna het vervolgens in andere gremia terugkeert als beoogde
wijziging van het depositum fidei. Zouden we mogen kiezen, dan gaat onze
voorkeur uit naar de versie bij de instelling van het feest in 1925.
Het Gebed over de
offergaven – samengesteld voor de oudere, traditionele Mis alsook voor de Novus
Ordo – is van relatief moderne oorsprong, beide zijn geschreven in de 20e eeuw.
S t r u c t u u r
a n a l y s e e n s t i j l f i g u r e n
1.Hostiam tibi, Domine, humanæ
reconciliationis offerentes,
suppliciter deprecamur,
2. ut ipse Filius tuus cunctis gentibus
unitatis et pacis dona concedat.
Qui vivit et
regnat in sæcula sæculorum.
De oratie is opgebouwd uit één enkele zin,
samengesteld uit de hoofdzin (regel 1) waarin de twee kernaspecten van de
oratio super munera zijn verwoord: het aanbieden van de offergave aan de Vader
terwijl Hem smekend wordt gevraagd - in de bijzin beginnend met ut en coniunctief van karakter - dat zijn Zoon de
gaven van eenheid en vrede moge schenken aan alle volkeren. Impliciet verwijst
de oratie van deze zondag opnieuw naar het sacrum commercium, de heilige
uitwisseling, waarbij de gelovigen God gaven van Hem, uit het Zijne ontvangen, Hem aanbieden en daar tegenover
van de Zoon genadegaven hopen te verwachten die de wereld niet geven kan.
De oratie sluit
met de formule van lof en belijdenis “Qui vivit en regnat in sæcula sæculorum /
Gij, die leeft en heerst in de eeuwen der eeuwen” en grijpt terug op de
goddelijke Persoon die in de voorafgaande tekst als laatste is genoemd, in dit
geval Jezus Christus, de Zoon van God. Normaliter – op enkele uitzonderingen
na, zoals in de oratie van deze zondag - eindigen alle orationes super munera
met de aanroeping Per Christus Dominus nostrum, door (bemiddeling van)
Christus, onze Heer. Zoals in alle gebeden van de Kerk en in haar liturgische
handelingen ontvangt de aanbieding van de gaven haar geestelijk effect en
voltooiing door de intercessie van Jezus Christus. In deze zin zijn alle
orationes super munera christologisch, dat betekent dat alle oraties Christus
noemen als Degene door Wie de Kerk haar gaven en aanbidding aanbiedt en haar
gebeden richt tot God. De oratio post communionem heeft met de oratio super
munera de conclusion gemeen, een abbreviatuur van de grote conclusio van het
collectegebed Per Dominum nostrum Iesum
Christus Filium tuum, qui tecum vivit et regnat in unitate Spiritus Sancti,
Deus, per omnia sæcula sæculorum, door onze Heer Jezus Christus, uw Zoon, die
met U leeft en heerst, in de eenheid van de heilige Geest, in de eeuwen der eeuwen
, een doxologie waarin de drie Goddelijke Personen worden genoemd.
Ad 1
Deprecamur, wij smeken- prædicaat in de 1e
pers. meervoud præsens van het deponens deprecari.
Suppliciter, op smekende wijze, smekend –
bijwoordelijke bepaling die een gesteltenis uitdrukt.
Domine, [o] Heer, anaklese in de
vocativusvorm van Dominus.
Tibi, aan U – bijwoordelijke bepaling in de
dativusvorm (dativus commodi, van voordeel) Offerentes, offerend, - participium
præsentis activi, meervoud, dat een aanvulling is bij het onderwerp ‘wij’ dat
besloten ligt in het verbum deprecamur en derhalve ook met een relatieve bijzin
beginnend met qui / die, vertaald kan worden. Het ppa is hier attributief
gebruikt.
Hostiam […] humanæ reconciliationis, de
offergave/het offer van [onze] menselijke verzoening, object van ‘offerentes’,
samengesteld uit de accusativusvorm hostiam van hostia, nader geïllustreerd
door de bijvoeglijke bepaling humanæ reconciliationis, in twee congruerende
genitivusvormen (genitivus explicativus).
Ad 2
Concedat, hij moge verlenen, vergunnen,
schenken, - prædicaat in de 3e pers. coniunctivi præsentis.
Ipse Filius tuus, Uw Zoon zelf, - subject
van het prædicaat in drie congruerende nominativusvormen.
Cunctis gentibus, aan alle volke(re)n, -
bijwoordelijke bepaling in twee congruerende dativusvormen,: dativus commodi,
van voordeel.
Unitatis en pacis
dona, gaven van eenheid en vrede, - object van het prædicaat concedat,
samengesteld uit de accusativusvorm dona, meervoud van donum, -i, onz., en twee
genitivusvormen die dona specificeren: genitivus explicativus.
Vanaf het tekstfragment ‘suppliciter
deprecamur’ keert ook in regel 2 de u-klank frequent terug: ut ipse Filius tuus
cunctis gentibus unitatis.
De tekstgroepen ‘hostiam humanæ reconciliationis’:
accusativus en dubbele genitivus (r. 1) en ‘unitatis et pacis dona’: dubbele
genitivus en accusativus (r. 2) vormen een chiasme (kruisstelling).
Unitatis et pacis
vertonen klank- en eindrijm.
V o c a b u l a
r i u m
Reconciliatio, -onis, vr. met de betekenissen betekent herstel(ling),
hernieuwing, verzoening is het substantivum dat behoort bij het verbum
re-conciliare (en dat dicht aanleunt bij de eerste betekenis van concilio:
verenigen, verbinden) en betekent 1. Weer verenigen weer verbinden, herstellen
2. Terugbrengen, weer bezorgen, weer tot stand brengen, herstellen (bv
gratiam). Conciliatus, a, um: bevriend, geliefd, maar ook iemand die een haren
kleed als boeteling die hoopt op verzoening, draagt (Tertullianus).
De gaven van het Eucharistisch
Offer strekken ter verzoening van de mensheid met God, waarbij God en God
alleen uitmaakt of het tot die verzoening komt, hetgeen zeker mede afhankelijk
is van de gesteldheid waarmee wij te Communie gaan. Het Oud Vaderlands Recht
kende het zog. ‘zoengeld’, dat bij een inbreuk op een recht aan het slachtoffer
werd aangeboden om tot verzoening te komen. Het was vervolgens aan het
slachtoffer te bepalen of het tot verzoening kwam of niet.
Het sacrament van boete en verzoening, ook genoemd: sacrament
van bekering, boetesacrament, sacrament van de biecht, sacrament van de
vergeving heet met de officiële Latijnse naam: Sacramentum Pœnitentiæ et Reconciliationis. Het wordt sacrament van
verzoening genoemd, omdat het aan de zondaar Gods verzoenende liefde schenkt:
“Laat u met God verzoenen” (2Kor 5,
20). Hij die vanuit Gods barmhartige liefde leeft, is bereid om gehoor te geven
aan de oproep van de Heer: “Ga u eerst met uw broeder verzoenen” (Mt 5, 24). (Cf Katechismus van de
Katholieke Kerk, nrs. 1423-1424)
Via della Conciliazione
In het verlengde van het Sint Pietersplein
ligt in Rome de Via della Conciliazione. De weg loopt van de Tiber nabij de
Engelenburcht naar het Piazza Pio XII. Dit is de belangrijkste toegangsweg tot
Vaticaanstad.
In 1929 werd een verdrag (concordaat)
gesloten tussen de staat Italië en het Vaticaan. Dit verdrag wordt in de
wandeling het zogenaamde Concordaat van Lateranen genoemd. Het verdrag
maakte een eind aan de toestand die ontstond toen Rome na de Inname van Rome en
een volksraadpleging bij de nieuwe Italiaanse eenheidsstaat in werd gevoegd:
sinds 1870 was de voormalige Kerkelijke Staat Italiaans grondgebied en
beschouwden de pausen zichzelf als "gevangene van het Vaticaan". In
1929 besloten paus Pius XI en de fascistische dictator Benito Mussolini
afspraken te maken om de onderlinge verhouding te regelen. Mussolini hoopte
daarmee ook sympathie te winnen in het overwegend katholieke Italië.
Benito Mussolini het initiatief om dit
Concordaat visueel weer te geven door het aanleggen van een open verbinding tussen
de stad Rome en het Vaticaan, als teken van conciliazione (verzoening).
De plannen voor de
straat waren in 1931 gereed, en hielden in dat de oude wijk tussen de Borgo
Vecchio en Borgo Nuovo (twee smalle straatjes in het verlengde van het
Sint-Pietersplein, richting Tiber en Engelenburcht) zou worden afgebroken om zo
de toeschouwer vanuit de oude binnenstad van Rome een rechtstreekse blik op de
basiliek van Sint-Pieter te geven, en andersom. De afbraak van deze Spina dei
Borghi (As van de Borghi) begon in oktober 1936 en duurde bijna een jaar.
Daarbij is in totaal 600.000 kubieke meter bebouwing verwijderd. De
werkzaamheden aan de straat zelf werden onderbroken door de Tweede
Wereldoorlog, en pas in 1950 kon het project worden afgesloten met de aanleg
van twee evenwijdige rijen van in totaal 28 obelisken, die als lichtmasten
dienen.
Deprecari, deprecatus sum, dep. 1, - afbidden, verzoeken, smeken, om vergiffenis
bidden.
Sint Augustinus zegt (Epist 149, 13) met betrekking tot dit
werkwoord:
Precari is het vragen van iets
goeds. De-precari is smeken dat iets
de biddende bespaard wordt, bijvoorbeeld bellum deprecatum, een door bidden
afgewende oorlog. Im-precari is
verwensen / vervloeken.
Voorbeeld: “Tueatur … dextera
tua populum deprecantem “- Laat Uw
rechterhand het volk dat tot U smeekt, beschermen (Gebed over het volk, zaterdag
na Passiezondag MR 1962. In de latere christelijke tijd vervlakt de betekenis
van de voorzetsels bij het werkwoord: de-precari gaat hetzelfde betekenen als
precari, cf. pacem deprecari, de vrede afbidden
Tegelijk met de
verzwakking van de voorzetsels bij het werkwoord vindt versterking ter
compensatie plaats door gebruik van worden als suppliciter of supplices.
“Supplices (of suppliciter) deprecamur” zoals in een van de gebeden van het 2e
Eucharistische Gebed na de Consecratie: “Et supplicies deprecamur, ut Corporis
et Sanguinis Christi participes a Spiritu Sancto congregemur in unum”,
vertaald: Smekend bidden wij dat wij delend in het Lichaaam en Bloed van
Christus door de Heilige Geest worden vergaderd tot één enige kudde. Ook vinden
we deze combinatie als antwoord van de gelovigen bij de voorbeden in H. Mis en
Goddelijk Officie (Getijdengebed).
C o m m e n t a a
r
Voordat de Kerk in
de 34e week door het jaar haar liturgische jaarkring sluit met het
schrikwekkende tafereel van het Laatste Oordeel, toont zij ons in het hoogfeest
van Christus Koning de voltooiing van Gods werk op aarde.
“Mij is alle macht
gegeven in de hemel en op aarde”: dit laatste woord van Christus waarmee het
Mattheusevangelie sluit (28, 18), openbaart ons de orde in het eeuwige Rijk van
God.
Hier op aarde
staan de deuren open voor het spel van de vrije wil van de mensen. Het kwade
kan tijdelijk en op een onthutsende manier, ja dikwijls brutaal, zegevieren
over het goede. De wereld is het strijdtoneel waar verblinde mensen kampen voor
hun vermeende heil. Het goede noch het kwade kennen we in hun uiterste
consequenties; toch zullen we - en dat weten we - eens, volgens onze keuzes
deze consequenties beleven. In ieder
geval zullen wij tot ons eeuwig heil of tot onze verwerping de laatste openbaring van de Zoon van God:
“Mij is alle macht gegeven”, ondervinden. Moge de synthese van de liturgie van
de novembermaand die overgaat in de belofte van de Advent: “Zie, Ik kom en
al mijn heiligen met Mij“ ons tot genade
strekken.
Het
Christus-Koningfeest, ingesteld door paus Pius XI in 1925, is een van de
jongste Christusfeesten in de liturgie van de Kerk, maar vóór alles het feest
van de jongste dag in de eeuwigheid.
Maar dit feest is
eigenlijk noch nieuw in de hemel, noch op aarde. In wezen is het Koningschap
van Christus geen instelling van deze wereld uit: de heerschappij van de Zoon
van God is een eeuwige. In de lectio prior van het hoogfeest (Liturgia Horarum) vinden wij prachtig verwoord hoe de Apostel
Johannes de Mensenzoon aanschouwde in zijn majesteit (Apoc 1, 4-6.10.12-18; 2,
26.28; 3, 5b.12.20-21). Maar ook in de Christus Koninghymnen van Paulus in de
Filippenzen- (2, 6-11) en Kolossenzenbrieven
(1, 15-20) wordt Christus als Koning van het heelal en van het nieuwe
Godsvolk bezongen. De Kerk heeft dit als grondslag voor heel het kerkelijk jaar
verder uitgewerkt in haar liturgie waarbij zij de titels van Jahweh van het
Oude Verbond en die van de Romeinse keizercultus overdroeg en toepaste op de
Heer van het Nieuwe Verbond. Elk Gloria in excelsis en Te Deum prijst de
albeheersende Kurios.
Bij het begin van
het Getijdengebed, in het invitatatorium, zowel van het tijdeigen (b.v. in de
Advent Regem venturum Dominum, venite adoremus) als van de Communia Sanctorum,
wordt Christus die wij aanroepen als Koning begroet en aanbeden. (De
koninginnentitels van Maria in haar litanie zijn een afglans van de
koningstitels van Christus). In de hymnen en zelfs in heel het officie van de
Advent, Kersttijd, Passie- en Paastijd worden de eigenschappen van dit
koningschap bezongen. Vooral Epiphanie, Palmzondag en Hemelvaart zijn - met eigen accenten - echte Christus
Koningfeesten.
Bij de instelling
van het feest in 1925 beriep paus Pius XI zich op de wens van paus Leo XIII
[1810-1903], om op grond van Christus’ universeel koningschap alle christenen,
ja zelfs heel de mensheid toe te wijden aan het H. Hart van Jezus. Dit met het
oog op toenemende sæcularisatie en goddeloosheid. In de liturgische kalender
werd het Christus Koningfeest vastgelegd op de laatste zondag van oktober – op
de postconciliaire kalender op de laatste zondag van het kerkelijke jaar,- als
een waardig slot van de liturgische jaarcyclus. Voorgeschreven werden in 1925 ook een plechtige hulde aan Christus
en hernieuwing van de akte van eerherstel en toewijding, een gebruik dat wij
sinds enkele jaren opnieuw praktiseren.
De universele
macht van Christus berust op het feit dat Hij is: Het Evenbeeld van de
onzichtbare God, Eerstgeborene van heel de schepping: want in Hem werd alles
geschapen in de hemel en op aarde, de zichtbare en onzichtbare dingen, Tronen
en Heerschappijen, Machten en Krachten. Alles is door Hem en in Hem geschapen,
en Hijzelf is vóór allen en alles bestaat in Hem (Kol 1, 15-17). Niet alleen
als God, maar ook als mens komt Hem dit koningschap toe, omdat in zijn Persoon
de goddelijke en menselijke natuur wonderlijk samenkomen. Als mens zijn wij Hem aanbidding, gehoorzaamheid en
onderwerping verschuldigd, omdat onze menselijke natuur gedragen wordt door
zijn goddelijke Persoon en als een dienstbaar element in Hem is opgenomen; als
de offergave die Hij aanbiedt aan de
Vader, maar die toch eeuwig met Hem verbonden blijft.
Laten we het
Christus Koningfeest beleven als een krachtige proclamatie van de rechten van
God en van de uiteindelijke alles overwinnende macht van Christus, door o.a. de
teksten van H.Mis en Goddelijk Officie voor te bereiden en met grote eerbied te
bidden en te zingen.
Daartoe kan de
meditatie van de hymne van de Vespers Te sæculorum principem van Vittorio
Genovesi SJ [1887-1967] zeker bijdragen. Als hymnograaf was hij verbonden aan
de Ritencongregatie; in een eenvoudige en serene stijl, met rijke expressieve
middelen en bijzondere bekwaamheid wist hij het klassieke materiaal in een
nieuw gewaad te kleden. Hij verwierf diverse gouden medailles, ook in Amsterdam
(Certamen Poeticum Hoefftianum, 1936, 1943 en 1948) en is auteur van de Carmina (Rome, 1959 en 1964).
Verschillende
motieven van deze hymne, die volgens een metrisch schema van jambische
tweevoetige verzen is opgebouwd, vinden
we in gebedsvorm verwerkt in de preces van de Vespers.
Bidden we intens
dat Jezus Christus die onze vrede is geworden, de wereld tot een nieuwe
schepping maakt, voor de Vader een Koninkrijk verwerft van waarheid, heiligheid
en liefde, van recht en gerechtigheid, een koninkrijk van vrede, zoals de
Prefatie van het hoogfeest het uitdrukt.
F.
Arocena, Los Hymnos de la Liturgia de las Horas, Madrid, 1992, p.101
Zr. M.
Jozefa crss, Onze gang door het kerkelijk jaar, Steenbrugge 1937, p. 323-324
A.
Lentini, Te decet hymnus. L’Innario della ‘Liturgia Horarum’, Vaticaanstad
1984, p. 67
Liturgisch
Woordenboek, Roermond, 1958-1962, I, kol. 405-406A.
Pascher,
J., Die Orationen des Missale Romanum Papst Pauls VI. St. Ottilien 1983, IV,
135-136
Romeins
Missaal, Latijn en Nederlands, voor zon- en feestdagen, Utrecht 1979, p.
246-247
OSM
algemeen:
Fr. John Zuhlsdorf , WDTPRS, weblog.
G. A. Nursey, Suscipe Munera Nostra: A Liturgical Theology From The Prayers
Over the Gifts For Sundays in Ordinary Time, Washington, D.C. 2011
Abonneren op:
Posts (Atom)






.jpg)

