zondag 17 augustus 2025
Lezingen H. Mis 20e zondag door het jaar C Laten wij ons aansluiten bij die menigte getuigen van het geloof .. vastberaden de wedstrijd te lopen waarvoor we ons hebben ingeschreven.
Uit de Profeet Jeremia.
In die dagen zeiden de edelen tot de koning:
“Laat die profeet Jeremia ter dood brengen.
Door zijn woorden ontmoedigt hij de soldaten,
die nog in de stad zijn
en de hele bevolking.
Die man wil niet het welzijn van het volk, maar zijn ondergang.”
Koning Sidkia antwoordde:
“Goed, hij is in uw macht; ik kan toch niet tegen u op.”
Toen grepen zij Jeremia vast
en wierpen hem in de put van prins Malkia,
in de nabijheid van het wachthuis;
met touwen lieten ze hem neer.
In de put was geen water, alleen slijk,
zodat Jeremia erin wegzonk.
Terwijl de koning zitting hield in de Benjaminpoort,
verliet Ebed-Melek het paleis,
ging naar de koning en zei:
“Heer koning, deze mannen hebben een misdaad begaan
tegen de profeet Jeremia,
door hem in de put te werpen.”
Daarop gaf de koning aan de Ethiopiër Ebed-Melek de opdracht:
“Neem drie mannen met u mee
en haal de profeet Jeremia uit de put eer hij sterft.”
Tweede lezing (Hebr. 12,1-4)
Uit de brief aan de Hebreeën.
Broeders en zusters,
laten wij ons aansluiten bij die menigte getuigen van het geloof
en elke last en belemmering van de zonde van ons afschudden,
om vastberaden de wedstrijd te lopen
waarvoor we ons hebben ingeschreven.
Zie naar Jezus,
de aanvoerder en voltooier van ons geloof.
In plaats van de vreugde, die Hem toekwam
heeft Hij een kruis op zich genomen
en Hij heeft de schande niet geteld:
nu zit Hij aan de rechterzijde van Gods troon.
Denkt aan Hem,
die zoveel tegenwerking van zondaars te verduren had;
dat zal u helpen om niet uit te vallen en de moed niet op te geven.
Uw strijd tegen de zonde heeft u nog geen bloed gekost.
Evangelie (Lc. 12,49-53)
In die tijd sprak Jezus tot zijn leerlingen:
“Vuur ben Ik op aarde komen brengen,
en hoe verlang Ik dat het reeds oplaait!
Ik moet een doopsel ondergaan,
en hoe beklemd voel Ik mij, totdat het volbracht is.
Meent gij dat Ik op aarde vrede ben komen brengen?
Neen, zeg Ik u, juist verdeeldheid.
Want van nu af zullen er vijf in één huis verdeeld zijn;
drie zullen er staan tegenover twee
en twee tegenover drie;
de vader tegenover de zoon en de zoon tegenover de vader;
de moeder tegenover de dochter
en de dochter tegenover de moeder,
de schoonmoeder tegenover de schoondochter
en de schoondochter tegenover de schoonmoeder.
woensdag 19 augustus 2020
Preek van onze Pastoor 20e zondag door het jaar A: "Eigenlijk is bidden helemaal niet zo moeilijk, als je maar beseft hoeveel God eraan gelegen ligt ons tot heil en zegen te zijn"
Wij kunnen niet eens meer samen bidden. Sinds er aan de tekst van het ‘Onze Vader’ is gemorreld (eind 2016) kunnen wij het niet meer samen bidden, althans niet meer uit ons hoofd. Hoeveel mensen weten überhaupt dat er een nieuwe versie van het Onze Vader is, laat staan hoe de tekst ervan luidt? We kunnen niet eens meer samen bidden. Doodzonde, toch? Maar kunnen we dan wel nog individueel bidden? Wordt er überhaupt nog gebeden, ’s morgen en/of ’s avonds, vóór en/of na het eten? Niemand minder dan de apostel Paulus schrijft in één van zijn brieven dat we niet eens weten hoe we horen te bidden (Rom 8, 26). Niemand minder dan de apostel Paulus, opgegroeid in de traditie van de Farizeeërs (Fil 3, 6), de strengste richting binnen de Joodse godsdienst. Die zal toch wel geweten hebben hoe te bidden. Dat hij het toch zegt, durft te zeggen, mag te denken geven. Ook wij weten vaak niet meer hoe te bidden. Wie bidt er tegenwoordig nog? Om te bidden hoef je niet naar de kerk te gaan, hoor ik mensen wel eens zeggen. En dat klopt natuurlijk. Maar de mensen die dat zeggen … bidden die überhaupt nog wel? Als wij niet naar de kerk gaan, bidden wij dan nog wel? Dit wil geen beschuldiging zijn, maar een gewetensvraag.
Bidden: gemakkelijker gezegd dan gedaan. Bidden: dat komt niet zomaar uit de lucht vallen, dat moet je ergens van meekrijgen, ermee opgroeien en … erin doorgroeien. Hoe zouden de kinderen van nu het nog meekrijgen, als hun ouders én grootouders het niet meer meegekregen hebben? Bidden is je bewust zijn dat hierboven wat is, niet iets maar Iemand, Iemand met wie je kunt praten, Iemand die naar je luistert, een hemelse Vader die zorg en aandacht voor je heeft? Geloven we daar nog wel in? Geloven vraagt tijd, kost tijd. Maar wie heeft nog tijd, maakt nog tijd voor zoiets als bidden? Bidden veronderstelt rust en stilte om je heen, rust en stilte in je hart … maar het lijkt wel of wij daar bang voor zijn geworden, voor de rust en stilte waarin wij niet alleen God ontmoeten, maar ook ons zelf tegenkomen …
In het Evangelie van zojuist (20e zondag, jaar A) ontmoeten wij een vrouw die Jezus aan spreekt, überhaupt durft aan te spreken. Niet alleen omdat zij een vrouw is (vgl. Joh 4, 27), maar ook nog een Kananese vrouw, een vrouw uit de streek van Tyrus en Sidon, een streek die in een tijd als heidens gebied gold, daar waar rechtgeaarde Joden eigenlijk niets te zoeken hadden en ook maar beter weg konden blijven. ‘Wie met pek omgaat wordt ermee besmet’, zegt een bekend Nederlands spreekwoord. En toch is het Jezus die zich daar ophoudt, zich zelfs daar terugtrekt. En daar wordt lastig gevallen, nota bene door een vrouw die Hem maar achterna blijft roepen.
Inderdaad ‘lastig gevallen’: de leerlingen die Jezus vergezellen hebben er al gauw genoeg van: “stuur die vrouw toch weg”. Maar de vrouw laat zich niet afschepen, niet met een kluitje in het riet sturen. En uiteindelijk is het haar volhardend aandringen dat Jezus’ hart weet te vermurwen. Ook al is Hij alleen maar tot de verloren schapen van het huis van Israel gezonden, toch willigt Jezus haar verlangen in en geneest Hij haar dochter. Een vrouw, een moeder die het niet kan aanzien dat haar dochter verschrikkelijk gekweld wordt; een moeder die bereid is voor haar dochter tot het uiterste te gaan. Zoals de moeder, zo is ook de hemelse Vader bereid voor zijn kinderen tot het uiterste te gaan, de Vader die voor het heil van zijn kinderen zijn Zoon heeft gezonden, de Zoon in wie Gods Vaderliefde vlees en bloed is geworden.
Die Zoon kruist daar zomaar pardoes de weg van de Kananeese vrouw, een vrouw die als heidense niet geacht wordt te weten hoe ze moet bidden. En toch vindt ze de juiste woorden om niet alleen zijn aandacht op haar te vestigen maar Hem uiteindelijk ook te vermurwen haar te helpen. Eigenlijk is bidden helemaal niet zo moeilijk, als je maar beseft hoeveel God eraan gelegen ligt ons tot heil en zegen te zijn en dat het beste bewijs daarvan Jezus is, de Zoon die God voor ons mensen en omwille van ons heil niet heeft gespaard, maar heeft overgeleverd (Rom 8, 32). Als je dat maar beseft, is bidden eigenlijk helemaal niet zo moeilijk: ‘Heb medelijden met mij, Heer - Kyrie eleison’.
dinsdag 18 augustus 2020
Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Hebdomada XX per annum feria IV Qui perseveraverit usque in finem, hic salvus erit. Wie volhard zal hebben ten einde toe, zal zalig worden.
Ex Sermónibus sancti Augustíni epíscopi
zaterdag 15 augustus 2020
Collectegebed 20ste zondag door het jaar - “Om U in allen en boven alles te beminnen”
infunde cordibus nostris tui amoris affectum;
ut, te in omnibus et super omnia diligentes,
promissiones tuas, quæ omne desiderium superant, consequamur.
De woordgroep diligentibus te geeft in slechts twee woorden weer wat wij in een Nederlandse weergave in een bijzin moeten verwerken. Dit is een mooi voorbeeld van het beknopte karakter van het Latijn. Diligentibus is een ppa (participium praesentis activi) in de dativus pluralis en kan vertaald worden met een relatieve bijzin. Er ontstaat hierdoor in de vertaling een bijzin in een bijzin. Omdat diligentibus zelfstandig is gebruikt, d.w.z. zonder een erbij geplaatst congruerend naamwoord, mag in de vertaling een persoonlijk voornaamwoord aangevuld worden. De gebruikte dativus drukt uit dat er iets ten voordele van ‘hen die U beminnen’ bereid is. ‘Te’ is in deze woordgroep het object bij de personen die beminnen.
Cordibus nostris staat in de ablativus pluralis (locativus) en wordt hier het beste vertaald met de bijwoordelijke bepaling ‘in onze harten’. Het prefix –in van de imperativus ‘in-funde’ versterkt deze vertaling van de ablativus.
De coniunctivus praesens consequamur staat in de passieve vorm (-mur als uitgang) maar wordt vertaald als was het een actieve vorm. Het verbum consequor is namelijk een deponens.
Als aanvulling bij het onderwerp ‘wij’ (-mur in het gezegde) staat ‘diligentes ‘als participium praesentis activi. Dit ppa met ‘in omnibus’ en ‘super omnia’ één woordgroep vormend, mag vertaald worden door middel van een relatieve bijzin.
Lezingen H. Mis 20e zondag door het jaar A U hebt een groot geloof, Uw verlangen wordt ingewilligd
Zo spreekt God de Heer:
“Onderhoudt het recht en doet wat rechtvaardig is,
want mijn heil is in aantocht,
mijn gerechtigheid zal zich openbaren.
De vreemdelingen, die zich bij de Heer aansluiten
om Hem te dienen,
die zijn Naam met liefde vereren
en zijn dienaren willen zijn,
allen die de sabbat onderhouden en hem niet onteren,
die trouw blijven aan mijn verbond,
hen breng Ik naar mijn heilige berg
en Ik geef hun vreugde in mijn huis van gebed.
Hun brand- en slachtoffers
zullen Mij aangenaam zijn op mijn altaar,
want mijn huis zal worden genoemd:
een huis van gebed voor alle volken.”
Tweede lezing: Rom. 11, 13-15. 29-32
Broeders en zusters,
ik, Paulus, richt mij nu tot u,
die uit het heidendom gekomen zijt.
Ik ben weliswaar apostel der heidenen,
maar ik schat dit ambt juist hierom zo hoog,
daardoor mijn eigen volk tot naijver te prikkelen
en er althans enigen van te redden.
Want als hun verwerping de wereld verzoening heeft gebracht,
wat kan dan hun aanneming anders betekenen
dan leven uit de doden?
Maar God kent geen berouw over zijn genadegaven
noch over zijn roeping.
Zoals gij eertijds aan God ongehoorzaam zijt geweest,
thans echter, dank zij de ongehoorzaamheid van Israël,
ontferming hebt gevonden,
zo is thans Israël op zijn beurt ongehoorzaam geworden,
opdat het ten gevolge van de u betoonde ontferming,
eveneens erbarming zou vinden.
Zo heeft God allen in ongehoorzaamheid opgesloten
om allen in te sluiten in zijn ontferming.
Evangelie: Mt. 15,21-28
In die tijd trok Jezus zich terug naar de streek van Tyrus en Sidon.
Op een gegeven ogenblik
trad een Kananeese vrouw uit dat gebied naar voren, luid roepend:
“Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David!
Mijn dochter is van een duivel bezeten
en wordt verschrikkelijk gekweld.”
Maar Jezus gaf haar in het geheel geen antwoord. Toen wendden zijn leerlingen zich tot Hem met het verzoek:
“Stuur die vrouw toch weg,
want ze blijft ons achterna roepen.”
Hij antwoordde:
“Ik ben alleen maar tot de verloren schapen
van het huis van Israël gezonden.”
Maar de vrouw kwam naderbij, wierp zich voor zijn voeten neer en zei:
“Heer, help mij!”
Hij gaf haar ten antwoord:
“Het is niet goed
het brood dat voor de kinderen bestemd is,
aan de honden te geven.”
“Toch wel, Heer, – sprak zij –
want de honden eten immers toch ook de kruimels,
die van de tafel van hun meesters vallen.”
Daarop zei Jezus haar:
“Vrouw, ge hebt een groot geloof!
Uw verlangen wordt ingewilligd.”




