Posts tonen met het label dominica XX per annum. Alle posts tonen
Posts tonen met het label dominica XX per annum. Alle posts tonen

zondag 17 augustus 2025

Overweging bij de 20e zondag door het jaar C - Jezus verlangt een radicale keuze.


Als iemand echt iemand is, een persoonlijkheid met uitgesproken beginselen, waarvoor hij ook openlijk uitkomt, dan roept deze mens ongetwijfeld waardering en tegenstand op. Gewoon door te doen zoals hij denkt, en te zijn zoals hij is. Hij bevestigt nl. en ontkent, beaamt en wijst af : resoluut ja en nee. Dat maakt reacties los in de omgeving.

Positieve : mensen vallen hem bij en gaan meedoen.

Negatieve : mensen verdragen dat niet en proberen dat licht op de kandelaar te doven.

Zo verging het de profeet Jeremia uit het Oude Testament ; de Godsman uit één stuk. Hij was trouw aan zijn roeping om de mensen consequent op God te wijzen.

Ook Jezus is echt Iemand, een persoonlijkheid ; daarom licht voor de wereld en steen des aanstoots. Hij laat zich door niemand brengen.

In het Evangelie staat : "Ga weg satan !  Wie niet voor Mij is, die is tegen Mij". Hij boeit mensen, neemt ze mee op zijn weg. Ze gaan voor Hem door het vuur. Aan de andere kant, zijn uitgesproken visie en manier van leven was een doorn in het oog van velen. Tegenwerking kreeg Hij te verduren. Zij beramen zijn val en dood.

Jezus moest dat ondergaan, die onderdompeling in lijden en dood. Hij telde de schande niet. Hij neemt het kruis op en draagt het naar de plek van het onheil. Het is God Zelf die Hem komt bevrijden. Hij tilt Hem op.

Dat alles verklaart zijn op het eerste gehoor vreemd klinkende woord : "Meent ge dat Ik op aarde vrede ben komen brengen ? Nee, juist verdeeldheid".

Jezus verlangt een radicale keuze, voor gerechtigheid en vrede, voor waarheid en liefde, voor eerlijkheid en trouw. Hij roept op tot het zijn van een persoonlijkheid. Hij wil doordringen tot diep in het hart, waar het echte, waarachtige menselijke bestaan begint.

Een christen is iemand, die van harte gekozen heeft en dat nog dagelijks doet.

De Bijbel spreekt over het zich aansluiten bij de menigte geloofsgenoten, over het vastberaden de wedstrijd lopen, waarvoor je hebt ingeschreven ; over het niet opgeven en niet uitvallen.

Jezus, de inspirator, heeft de marathon zelf uitgelopen. Daarom leeft Hij nu bij de liefdevolle God.

Dat is het toekomstperspectief, waarover degene die zich openstelt voor de Liefdevolle, zich mag verheugen.

"Waar Ik ben, zult ook gij zijn : in het huis van mijn Vader, waar plaats is voor ALLEN", lezen we in de Bijbel.


Word on Fire - Zondagspreek van Mgr. Robert BARRON - 20c

Introitus Dominica XX per annum: Protector noster

Lezingen H. Mis 20e zondag door het jaar C Laten wij ons aansluiten bij die menigte getuigen van het geloof .. vastberaden de wedstrijd te lopen waarvoor we ons hebben ingeschreven.

Eerste lezing (Jer. 38,4-6.8-10)
Uit de Profeet Jeremia.
In die dagen zeiden de edelen tot de koning:
“Laat die profeet Jeremia ter dood brengen.
Door zijn woorden ontmoedigt hij de soldaten,
die nog in de stad zijn
en de hele bevolking.
Die man wil niet het welzijn van het volk, maar zijn ondergang.”
Koning Sidkia antwoordde:
“Goed, hij is in uw macht; ik kan toch niet tegen u op.”
Toen grepen zij Jeremia vast
en wierpen hem in de put van prins Malkia,
in de nabijheid van het wachthuis;
met touwen lieten ze hem neer.
In de put was geen water, alleen slijk,
zodat Jeremia erin wegzonk.
Terwijl de koning zitting hield in de Benjaminpoort,
verliet Ebed-Melek het paleis,
ging naar de koning en zei:
“Heer koning, deze mannen hebben een misdaad begaan
tegen de profeet Jeremia,
door hem in de put te werpen.”
Daarop gaf de koning aan de Ethiopiër Ebed-Melek de opdracht:
“Neem drie mannen met u mee
en haal de profeet Jeremia uit de put eer hij sterft.”

Tweede lezing (Hebr. 12,1-4)
Uit de brief aan de Hebreeën.
Broeders en zusters,
laten wij ons aansluiten bij die menigte getuigen van het geloof
en elke last en belemmering van de zonde van ons afschudden,
om vastberaden de wedstrijd te lopen
waarvoor we ons hebben ingeschreven.
Zie naar Jezus,
de aanvoerder en voltooier van ons geloof.
In plaats van de vreugde, die Hem toekwam
heeft Hij een kruis op zich genomen
en Hij heeft de schande niet geteld:
nu zit Hij aan de rechterzijde van Gods troon.
Denkt aan Hem,
die zoveel tegenwerking van zondaars te verduren had;
dat zal u helpen om niet uit te vallen en de moed niet op te geven.
Uw strijd tegen de zonde heeft u nog geen bloed gekost.

Evangelie (Lc. 12,49-53)
In die tijd sprak Jezus tot zijn leerlingen:
“Vuur ben Ik op aarde komen brengen,
en hoe verlang Ik dat het reeds oplaait!
Ik moet een doopsel ondergaan,
en hoe beklemd voel Ik mij, totdat het volbracht is.
Meent gij dat Ik op aarde vrede ben komen brengen?
Neen, zeg Ik u, juist verdeeldheid.
Want van nu af zullen er vijf in één huis verdeeld zijn;
drie zullen er staan tegenover twee
en twee tegenover drie;
de vader tegenover de zoon en de zoon tegenover de vader;
de moeder tegenover de dochter
en de dochter tegenover de moeder,
de schoonmoeder tegenover de schoondochter
en de schoondochter tegenover de schoonmoeder.

woensdag 19 augustus 2020

Preek van onze Pastoor 20e zondag door het jaar A: "Eigenlijk is bidden helemaal niet zo moeilijk, als je maar beseft hoeveel God eraan gelegen ligt ons tot heil en zegen te zijn"

Kayala: 20 Sunday A: Jesus and the Canaanite Woman: Faith and Healing 

Wij kunnen niet eens meer samen bidden. Sinds er aan de tekst van het ‘Onze Vader’ is gemorreld (eind 2016) kunnen wij het niet meer samen bidden, althans niet meer uit ons hoofd. Hoeveel mensen weten überhaupt dat er een nieuwe versie van het Onze Vader is, laat staan hoe de tekst ervan luidt? We kunnen niet eens meer samen bidden. Doodzonde, toch? Maar kunnen we dan wel nog individueel bidden? Wordt er überhaupt nog gebeden, ’s morgen en/of ’s avonds, vóór en/of na het eten? Niemand minder dan de apostel Paulus schrijft in één van zijn brieven dat we niet eens weten hoe we horen te bidden (Rom 8, 26). Niemand minder dan de apostel Paulus, opgegroeid in de traditie van de Farizeeërs (Fil 3, 6), de strengste richting binnen de Joodse godsdienst. Die zal toch wel geweten hebben hoe te bidden. Dat hij het toch zegt, durft te zeggen, mag te denken geven. Ook wij weten vaak niet meer hoe te bidden. Wie bidt er tegenwoordig nog? Om te bidden hoef je niet naar de kerk te gaan, hoor ik mensen wel eens zeggen. En dat klopt natuurlijk. Maar de mensen die dat zeggen … bidden die überhaupt nog wel? Als wij niet naar de kerk gaan, bidden wij dan nog wel? Dit wil geen beschuldiging zijn, maar een gewetensvraag. 

Bidden: gemakkelijker gezegd dan gedaan. Bidden: dat komt niet zomaar uit de lucht vallen, dat moet je ergens van meekrijgen, ermee opgroeien en … erin doorgroeien. Hoe zouden de kinderen van nu het nog meekrijgen, als hun ouders én grootouders het niet meer meegekregen hebben? Bidden is je bewust zijn dat hierboven wat is, niet iets maar Iemand, Iemand met wie je kunt praten, Iemand die naar je luistert, een hemelse Vader die zorg en aandacht voor je heeft? Geloven we daar nog wel in? Geloven vraagt tijd, kost tijd. Maar wie heeft nog tijd, maakt nog tijd voor zoiets als bidden? Bidden veronderstelt rust en stilte om je heen, rust en stilte in je hart … maar het lijkt wel of wij daar bang voor zijn geworden, voor de rust en stilte waarin wij niet alleen God ontmoeten, maar ook ons zelf tegenkomen …

In het Evangelie van zojuist (20e zondag, jaar A) ontmoeten wij een vrouw die Jezus aan spreekt, überhaupt durft aan te spreken. Niet alleen omdat zij een vrouw is (vgl. Joh 4, 27), maar ook nog een Kananese vrouw, een vrouw uit de streek van Tyrus en Sidon, een streek die in een tijd als heidens gebied gold, daar waar rechtgeaarde Joden eigenlijk niets te zoeken hadden en ook maar beter weg konden blijven. ‘Wie met pek omgaat wordt ermee besmet’, zegt een bekend Nederlands spreekwoord. En toch is het Jezus die zich daar ophoudt, zich zelfs daar terugtrekt. En daar wordt lastig gevallen, nota bene door een vrouw die Hem maar achterna blijft roepen.

Inderdaad ‘lastig gevallen’: de leerlingen die Jezus vergezellen hebben er al gauw genoeg van: “stuur die vrouw toch weg”. Maar de vrouw laat zich niet afschepen, niet met een kluitje in het riet sturen. En uiteindelijk is het haar volhardend aandringen dat Jezus’ hart weet te vermurwen. Ook al is Hij alleen maar tot de verloren schapen van het huis van Israel gezonden, toch willigt Jezus haar verlangen in en geneest Hij haar dochter. Een vrouw, een moeder die het niet kan aanzien dat haar dochter verschrikkelijk gekweld wordt; een moeder die bereid is voor haar dochter tot het uiterste te gaan. Zoals de moeder, zo is ook de hemelse Vader bereid voor zijn kinderen tot het uiterste te gaan, de Vader die voor het heil van zijn kinderen zijn Zoon heeft gezonden, de Zoon in wie Gods Vaderliefde vlees en bloed is geworden. 

Die Zoon kruist daar zomaar pardoes de weg van de Kananeese vrouw, een vrouw die als heidense niet geacht wordt te weten hoe ze moet bidden. En toch vindt ze de juiste woorden om niet alleen zijn aandacht op haar te vestigen maar Hem uiteindelijk ook te vermurwen haar te helpen. Eigenlijk is bidden helemaal niet zo moeilijk, als je maar beseft hoeveel God eraan gelegen ligt ons tot heil en zegen te zijn en dat het beste bewijs daarvan Jezus is, de Zoon die God voor ons mensen en omwille van ons heil niet heeft gespaard, maar heeft overgeleverd (Rom 8, 32). Als je dat maar beseft, is bidden eigenlijk helemaal niet zo moeilijk: ‘Heb medelijden met mij, Heer - Kyrie eleison’.


zaterdag 15 augustus 2020

Collectegebed 20ste zondag door het jaar - “Om U in allen en boven alles te beminnen”


T e r   i n l e i  d i n g
De vertaling van het Nederlandse Altaarmissaal van het collectegebed ziet goed dat de mooie oratie berust op 1 Kor 2,9: “(…) geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord, wat in geen mensengeest is opgekomen, al wat God heeft bereid voor Hen die Hem liefhebben”, ofschoon in de oratie alleen wordt gesproken van “wat geen oog heeft gezien”, van de “onzichtbare goederen”, het onkenbare heil. De gedachtengang van de oratie is duidelijk: Het hangt van de liefde af of wij deze “onzichtbare “goederen” verwerven. Maar wie zou zichzelf deze liefde kunnen geven? Daarom vragen wij God de liefde in onze harten te storten. Ook daarin ligt een toespeling op een woord van Paulus: “Gods liefde is in ons hart uitgestort door de heilige Geest die ons werd geschonken” (Rom 5,5,). Het Altaarmissaal laat het begrip “uitgieten” achterwege en kiest voor “wekken”.
Als het gebed om de liefde door God wordt ingewilligd, dan doet de belofte van 1 Kor 2,9 zich gevoelen. Ook waar geen mens aan dacht, omdat het alles overstijgt wat wij verlangen, verkrijgen wij dan wanneer wij God in alles en boven alles liefhebben.

Missale Romanum – 1970
Deus, qui diligentibus te bona invisibilia præparasti,
infunde cordibus nostris tui amoris affectum;
ut, te in omnibus et super omnia diligentes,
promissiones tuas, quæ omne desiderium superant, consequamur.
Nederlands Altaarmissaal – 1979
God, voor hen die U liefhebben hebt Gij het geluk bereid dat geen oog heeft gezien.
Wek in ons een vurige liefde tot U
om U in allen en boven alles te beminnen
en uw beloften vervuld te zien die al onze verlangens te boven gaan.
Letterlijke vertaling
God, die voor degenen die U beminnen een onkenbaar heil hebt bereid,
stort in onze harten het vuur van Uw liefde,
opdat wij, die U in alles en boven alles beminnen,
Uw beloften kunnen bevatten, die elk verlangen te boven gaan.
S t r u c t u u r
1.      Deus,  - qui diligentibus -  te bona invisibilia præparasti,
2.     infunde cordibus nostris tui amoris affectum;
3.     ut, te in omnibus et super omnia diligentes,
4.     promissiones tuas, quæ omne desiderium superant, consequamur.
Ad 1. De oratie opent met de vocatief Deus, gevolgd door een relatieve bijzin die een heilsdaad van God uitdrukt.
De woordgroep diligentibus te geeft in slechts twee woorden weer wat wij in een Nederlandse weergave in een bijzin moeten verwerken. Dit is een mooi voorbeeld van het beknopte karakter van het Latijn. Diligentibus is een ppa (participium praesentis activi) in de dativus pluralis en kan vertaald worden met een relatieve bijzin. Er ontstaat hierdoor in de vertaling een bijzin in een bijzin. Omdat diligentibus zelfstandig is gebruikt, d.w.z. zonder een erbij geplaatst congruerend naamwoord, mag in de vertaling een persoonlijk voornaamwoord aangevuld worden. De gebruikte dativus drukt uit dat er iets ten voordele van ‘hen die U beminnen’ bereid is. ‘Te’ is in deze woordgroep het object bij de personen die beminnen.
Præparasti is een verkorte vorm van præparavisti, een perfectum in de tweede persoon singularis. Een dergelijke contractie komt in het Latijn vaker voor en sluit aan bij de bovengenoemde beknoptheid die het Latijn kenmerkt.
Bona invisibilia is object bij praepara(vi)sti. Hier is het meervoud gebruikt van het onzijdige substantivum bonum, hetgeen ‘het goede’ betekent. Het meervoud bona, kan vertaald worden met ‘goederen’, maar in deze context lijken de mogelijke betekenissen als heil, welzijn of geluk meer geschikt. ‘Invisibilia’ is als adiectivum (invisibilis) geplaatst bij het substantivum ‘bona’ en staat daardoor evenals ‘bona’ in de accusativus pluralis van het neutrum. Invisibilis duidt op iets dat niet waarneembaar, onzichtbaar is. Men herkent in dit adiectivum het werkwoord videre (=zien) in –vis- . Het prefix –in geeft het adiectivum de waarde van de ontkenning, de onmogelijkheid van het zien (cf. het Credo: …visibilium omnium et invisibilium…). Het heil dat God ons in zijn Almacht bereid heeft is zo groot dat het voor ons mensen niet te bevatten, niet waarneembaar en niet te kennen is.
Ad 2. …infunde cordibus nostris tui amoris affectum;
Infunde is imperativus en leidt de eigenlijke smeekbede in. (In plaats van een gebiedende wijs zou je de gebruikte werkwoordsvorm in dit geval beter een verzoekende wijs kunnen noemen.)
Cordibus nostris staat in de ablativus pluralis (locativus) en wordt hier het beste vertaald met de bijwoordelijke bepaling ‘in onze harten’. Het prefix –in van de imperativus ‘in-funde’ versterkt deze vertaling van de ablativus.
Affectum  kan hier vertaald worden met ‘liefde’. Echter, met de aanvulling van de genitivus ‘amoris tui’ zou men in de vertaling tweemaal het woord ‘liefde’ tegenkomen. Dit heeft niet de voorkeur. Beter is het dan om als vertaling van affectum te kiezen voor een meer absolute betekenis  zoals gevoel of vuur.
Ad 3 en 4.Finale bijzin in de coniunctivus met wenskarakter, onderbroken door twee relatieve bijzinnen:
de eerste in r.3, beginnend met het persoonlijk voornaamwoord te afhankelijk van het participium presentis activi  diligentes en met Deus als antecedent, en de tweede relatieve bijzin quæ…superant als toelichting bij de accusativus promissiones tuæ.

1. ut -te in omnibus et super omnia diligentes- consequamur promissiones tuas
2. quæ omne desiderium superant.
Wanneer men de finale/of consecutieve bijzin, ingeleid door ut op bovenstaande manier weergeeft, wordt de opbouw duidelijk;

1. Het bijwoord ut draagt altijd een verbum in de modus coniunctivus bij zich. De coniunctivus kan nu als een indicativus vertaald worden en toevoegingen in de vertaling als ‘zou’ of ‘moge’ zijn niet nodig. Al zou een vertaling als coniunctuvus potentialis ( met behulp van het werkwoord ‘kunnen’) hier  mooi zijn.
De coniunctivus praesens consequamur staat in de passieve vorm (-mur als uitgang) maar wordt vertaald als was het een actieve vorm. Het verbum consequor is namelijk een deponens.
Als aanvulling bij het onderwerp ‘wij’ (-mur in het gezegde) staat ‘diligentes ‘als participium praesentis activi. Dit ppa met ‘in omnibus’ en ‘super omnia’ één woordgroep vormend, mag vertaald worden door middel van een relatieve bijzin.
Promissiones tuas is object bij het gezegde ‘consequamur’. Het verbum consequor kan de volgende betekenissen hebben; meteen volgen, verkrijgen of (mentaal)bevatten.
2. de relatieve bijzin ingeleid door quæ verwijst naar de eerder genoemde ‘promissiones tuas’. Quæ heeft in deze bijzin de functie van onderwerp.
Superant staat als gezegde bij quae.
Het onzijdige omne desiderium heeft hier de functie van object. 
L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n
Het collectegebed van deze zondag is minstens zo oud als het Sacramentarium Gelasianum (1e helft van de 8e eeuw) zelf. Het was de collecta van de 5e zondag na Pinksteren en heeft de postconciliaire revisies overleefd. In het Missale Romanum van de Novus Ordo  is deze oratie in het mis- en officieformulier van de 20e zondag per annum geplaatst. Deze laatste versie  voegt echter een komma toe achter het voegwoord ut.
K l e i n  v  o c a b u l a r i u m
Affectus, us m. - de woordenboeken geven gedetailleerde betekenissen: “een toestand van het lichaam, en meer specifiek van de geest voortkomend uit een of andere invloed, dispositie van de geest, affect, affectie, gemoedstemming: liefde, verlangen, genegenheid, sympathie, compassie.
Consequor is een interessant werkwoord dat onder andere betekent:  meteen volgen, achtervolgen, achterna gaan, aanwezig zijn, begeleiden, vergezellen, volgen” en ook “een voorbeeld volgen, kopiëeren, gehoorzamen, volgzaam zijn”.  Het drukt “het volgen van een effect uit een voorafgaande oorzaak ui”: “to follow a preceding cause as an effect, voortvloeien, resulteren in, het gevolg zijn van, opkomen of voortkomen uit, bereiken, verlangen, verkrijgen, verwerven, deelachtig worden, treffen, ten deel vallen.  
De oratie van vandaag bevat veel woorden die liefde en verlangen uitdrukken. We hebben diligo, amor, affectus en ook begrippen die de genoemde concepten raken, zoals cor, desiderium en promissio.  Diligo is rijk aan inhoud. Op de eerste plaats betekent het: “waarderen,  hoogachten, beminnen”.  Het heeft ook de impact van “omzichtig, oplettend, opmerkzaam, behoedzaam, vlijtig, stipt, nauwkeurig”, zoals in ons – inmiddels wat ouder  - woord “diligent”.  
Desiderium is “een hevig, vurig verlangen of wens, strikt genomen naar iets wat men eens bezat”; en ook “een grote zorg of bron van leed, verdriet vanwege afwezigheid of verlies van iets  of van een persoon.”
C o m m e n t a a r
Dit collectegebed wordt voortgedreven door verlangen. Als dit gebed in het Latijn luidop wordt uitgesproken, vangt het oor ongetwijfeld de connectie op tussen  invisibilia in het begin en promissiones op het eind van de oratie.
De concepten in het collectegebed voorgesteld, leiden tot een climax.  Er is logischerwijs een noodzakelijk onuitgesproken startpunt voordat het gebed begint: dat is de manier waarop we  vanuit onszelf beminnen, voorafgaand aan, of los van het nieuwe karakter van de gedoopte Christen. Dit is “natuurlijke” liefde.
De eerste woorden van het gebed tillen ons boven de zuiver menselijke vormen van liefde uit. Deze natuurlijke vormen worden met de hulp van Gods genade getransformeerd. We vragen God Zijn manier van liefhebben, van liefde in onze harten te storten. Het is niet dat wij niet kunnen liefhebben op een louter natuurlijke, menselijke manier. In het gebed wordt het verlangen uitgedrukt dat de manier waarop we liefhebben getransformeerd mag worden, opgetild. Vanuit onze katholieke theologische traditie weten we dat, en het is bijna een axioma, “gratia non destruit, sed supponit et perficit naturam… dat de genade niet vernietigt, maar integendeel de natuur aanvult en deze volkomen maakt” (St. Thomas van Aquino, Summa TheologiæTh la. 1.8.).  Onze menselijke natuur was ontstellend gewond bij de val uit Gods genade,  maar de wezenlijke goedheid van deze natuur was niet verloren. We kunnen  beminnen als gevallen mensen, maar onze liefde kan ongeordend zijn. De genade bouwt voort op onze natuur, zij maakt onze manier van beminnen volkomen in dit leven door deze te ordenen en te richten op Gods liefde.
Vanuit deze opbouw van onze liefde in deze wereld, streven wij dan in ons gebed naar de liefde die ons wacht in de hemel, een liefde groter dan alles wat we ervaren in dit leven.  In de hemel zullen al onze hoop en al onze verlangens vervuld en overtroffen worden.  Zo kan men de invisibilia, "onzichtbare dingen" en promissiones, "beloften" aan elkaar koppelen. We weten dat ze er voor ons in de hemel zijn, maar we kunnen ze nog niet bereiken.  We leven in een toestand van "al, maar nog niet" met betrekking tot ons deel hebben aan de verrijzenis.  Wat ons te wachten staat na ons binnentreden in de gelukzalige aanschouwing, is niet in beelden voor te stellen. We kunnen er alleen maar naar snakken en hunkeren, lang voor de voltooiing van het door God beloofde.
Daarom is in deze collecte een opgang in en naar de ware Liefde te zien, inderdaad naar de gepersonifieerde Liefde.  Maar er is voorzichtigheid geboden: natuurlijke en bovennatuurlijke liefde mogen niet al te gemakkelijk tegenover elkaar worden gesteld.
Menselijke liefde, ook wel eens eros genoemd,  is niet vanzelfsprekend tegengesteld aan "religieuze liefde".  Wij zijn menselijke wezens, geen engelen.  Enerzijds moeten we het ene uiterste, dat het bovennatuurlijke probeert te profaneren door het op te sluiten in het begrensde vermijden, en anderzijds ook het verlangen naar de louter zuivere bovennatuurlijke liefde in dit leven, dat ons ineffectief en machteloos zou maken. Wij vinden de vervulling van onze goede, geordende aardse liefdes in de volmaakte liefde alleen in God.  De genade bouwt voort op de natuur en vernietigt deze niet.
Paus Benedictus beschouwt in Deus caritas est... God is liefde - zijn eerste encycliek, ondertekend op eerste Kerstdag 2005 - onder andere de antieke, technische Griekse termen voor de verschillende soorten van liefde: eros en agape. De betekenissen van eros en agape hebben een verschillende nuance. Agape is zichzelf gevende liefde, in termen van “afdalen", zichzelf leegmaken omwille van het geven aan de andere. Eros (met de afleiding "erotisch") is een liefde die wil ontvangen, gevuld wil worden door de ander; in termen van stijgen, willen groeien naar vervulling.
Beide aspecten van liefde, eros en agape, zijn inherent goed.  Echter, vanwege onze gevallen natuur, kan eros corrumperen tot ongeordende  liefde van louter lust of passie of genot, ook in seksuele zin. In zekere zin zijn eros en agape twee dimensies van een volmaakte liefde, die voorziet in zowel het geven als het ontvangen. Eros moet worden aangevuld met agape en verheven worden tot de geestelijke zin van christelijke liefde, de sensus catholicus voor caritas.  De  juiste integratie van de liefde die zichzelf ontledigt en de liefde die ontvangt , die geeft en die neemt, komt tot stand door de uitstorting van Gods eigen liefde in genade.  Er is een menselijke dimensie van liefde die absoluut noodzakelijk is, maar deze kan slechts volkomen zijn met Gods hulp.  God bouwt voort op onze liefde en vervolmaakt ze.
Daarom verlangen wij naar de Liefde, wij reiken ernaar, dorsten naar haar volheid, haar voltooiing, genezing, transformerende kracht. Zoals Sint Augustinus (+430) schreef in zijn Belijdenissen, "ons hart is rusteloos" totdat het zijn rust vindt in God, zijn vervulling in Gods liefde.
Door ons te verlossen vernietigt God onze natuur niet. Hij verheft wie en wat we zijn en maakt ons geheel nieuw.  Dit is de belofte die ons helpt te leven en te hopen in dit dal van tranen.  Denk aan de Prefatie van de Mis op Kerstdag, de dag waarop Paus Benedictus Deus caritas est ondertekende, de dag waarop de Mensgeworden Liefde wordt gevierd:
“Door het mysterie van de menswording van het Woord hebt Gij uw heerlijkheid ontvouwd voor onze ogen, nieuw licht is opgegaan, uw Woord is vleesgeworden; zichtbaar zijt Gij geworden, onze God in Hem; naar U gaat ons verlangen, onze liefde, naar U die nog verborgen zijt  ….… (in invisibilem amorem rapiamur).”
Richard van St. Victor (+1173) zei: "liefde is het oog en liefhebben is zien."  Liefde is de sleutel tot het zien van wat, beter van wie anders onzichtbaar is.  De liefde, die zowel verlangt te geven als te ontvangen en die verheven is tot een nieuwe bovennatuurlijke orde door de genade, stelt ons ook in staat om te zien wat beminnenswaardig is in onze naaste, ondanks onze menselijke zwakheid.

(Met dank ontleend aan father J. Zuhlsdorf WDTPRS)

Lezingen H. Mis 20e zondag door het jaar A U hebt een groot geloof, Uw verlangen wordt ingewilligd

Eerste lezing
: Jes. 56, 1. 6-7
Zo spreekt God de Heer:
“Onderhoudt het recht en doet wat rechtvaardig is,
want mijn heil is in aantocht,
mijn gerechtigheid zal zich openbaren.
De vreemdelingen, die zich bij de Heer aansluiten
om Hem te dienen,
die zijn Naam met liefde vereren
en zijn dienaren willen zijn,
allen die de sabbat onderhouden en hem niet onteren,
die trouw blijven aan mijn verbond,
hen breng Ik naar mijn heilige berg
en Ik geef hun vreugde in mijn huis van gebed.
Hun brand- en slachtoffers
zullen Mij aangenaam zijn op mijn altaar,
want mijn huis zal worden genoemd:
een huis van gebed voor alle volken.”

Tweede lezing
: Rom. 11, 13-15. 29-32
Broeders en zusters,
ik, Paulus, richt mij nu tot u,
die uit het heidendom gekomen zijt.
Ik ben weliswaar apostel der heidenen,
maar ik schat dit ambt juist hierom zo hoog,
omdat ik hoop
daardoor mijn eigen volk tot naijver te prikkelen
en er althans enigen van te redden.
Want als hun verwerping de wereld verzoening heeft gebracht,
wat kan dan hun aanneming anders betekenen
dan leven uit de doden?
Maar God kent geen berouw over zijn genadegaven
noch over zijn roeping.
Zoals gij eertijds aan God ongehoorzaam zijt geweest,
thans echter, dank zij de ongehoorzaamheid van Israël,
ontferming hebt gevonden,
zo is thans Israël op zijn beurt ongehoorzaam geworden,
opdat het ten gevolge van de u betoonde ontferming,
eveneens erbarming zou vinden.
Zo heeft God allen in ongehoorzaamheid opgesloten
om allen in te sluiten in zijn ontferming.

Evangelie
: Mt. 15,21-28
In die tijd trok Jezus zich terug naar de streek van Tyrus en Sidon.
Op een gegeven ogenblik
trad een Kananeese vrouw uit dat gebied naar voren, luid roepend:
“Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David!
Mijn dochter is van een duivel bezeten
en wordt verschrikkelijk gekweld.”
Maar Jezus gaf haar in het geheel geen antwoord. Toen wendden zijn leerlingen zich tot Hem met het verzoek:
“Stuur die vrouw toch weg,
want ze blijft ons achterna roepen.”
Hij antwoordde:
“Ik ben alleen maar tot de verloren schapen
van het huis van Israël gezonden.”
Maar de vrouw kwam naderbij, wierp zich voor zijn voeten neer en zei:
“Heer, help mij!”
Hij gaf haar ten antwoord:
“Het is niet goed
het brood dat voor de kinderen bestemd is,
aan de honden te geven.”
“Toch wel, Heer, – sprak zij –
want de honden eten immers toch ook de kruimels,
die van de tafel van hun meesters vallen.”
Daarop zei Jezus haar:
“Vrouw, ge hebt een groot geloof!
Uw verlangen wordt ingewilligd.”

Lezingenofficie 20e zondag door het jaar 20e zondag door het jaar Liturgia Horarum

Lezingen van het Lezingenofficie 

Augustinus leest Paulus, fresco van Benozzo Gozzoli (1420-1497)Eerste lezing

Uit het boek van de profeet Jesaja 6, 1-13

De roeping van de profeet Jesaja

In het sterfjaar van koning Uzzia zag ik de Heer, gezeten op een hoogverheven troon. De zoom van zijn mantel vulde de hele tempel. Boven hem stonden serafs. Elk van hen had zes vleugels, twee om het gezicht en twee om het onderlichaam te bedekken, en twee om mee te vliegen. Zij riepen elkaar toe: ‘Heilig, heilig, heilig is de Heer van de hemelse machten. Heel de aarde is vervuld van zijn majesteit.’ Door het luide roepen schudden de deurpinnen in de dorpels, en de tempel vulde zich met rook. Ik schreeuwde het uit: ‘Wee mij! Ik moet zwijgen, want ik ben een mens met onreine lippen, en ik leef te midden van een volk dat onreine lippen heeft. En nu heb ik met eigen ogen de koning, de Heer van de hemelse machten, gezien.’ Toen nam een van de serafs met een tang een gloeiende kool van het altaar en vloog daarmee op mij af. Hij raakte mijn mond ermee aan en zei: ‘Nu zijn je lippen gereinigd. Je schuld is geweken, je zonden zijn tenietgedaan.’ Daarop hoorde ik de stem van de Heer zeggen: ‘Wie zal ik sturen? Wie kan namens ons gaan?’ Ik antwoordde: ‘Hier ben ik, stuur mij.’ Toen zei hij: ‘Ga en profeteer het volgende tegen dit volk: “Luister goed, maar begrijpen zul je het niet; kijk goed, maar inzien zul je het niet.” Maak het hart van het volk ongevoelig, stop hun oren toe, smeer hun ogen dicht. Dan kunnen ze met hun ogen niet zien, met hun oren niet luisteren, en tot hun hart zal het niet doordringen. Ze zullen niet naar mij terugkeren en geen herstel vinden.’ Ik vroeg: ‘Hoe lang, Heer?’ Hij antwoordde: ‘Totdat de steden en huizen geheel verlaten zijn en er geen mens meer woont, tot heel het land verwoest is, één grote woestenij. Totdat de Heer de mensen heeft weggevoerd en er totale verlatenheid heerst in het land. En als er nog een tiende deel achterblijft, dan gaat ook dat in vlammen op, zoals een eik of een terebint wordt geveld voor een vuur. Er blijft slechts een stronk over, en het zaad in die stronk is heilig.’

Tweede lezing

Uit de homilieën op Mattheüs, van de H. Johannes Chrysostomus, bisschop

Zout der aarde en licht der wereld

Gij zijt het zout der aarde. Want, zegt Hij, niet voor uw eigen leven alleen, maar voor dat van heel de wereld is u de verkondiging van het woord toevertrouwd. Ik zend u niet naar twee steden, of tien of twintig ook niet naar een volk, zoals ik vroeger de profeten uitzond, maar over de aarde, de zee en heel de wereld, hoewel deze u zeer slecht gezind is. Want omdat Hij zei: Gij zijt het zout der aarde, toont Hij aan, dat heel de mensennatuur verschaald en door de zonde bedorven is. Daarom eist Hij vooral in zijn leerlingen die deugden, die vooral nodig en nuttig zijn om zorg te dragen voor de zielzorg van een grote menigte. Want wie zachtmoedig is, bescheiden, barmhartig en rechtvaardig, bewaart zijn goede werken niet voor zichzelf alleen, maar zorgt er ook voor, dat die uitmuntende bronnen ook uitvloeien tot nut van anderen. Daarbij, wie zuiver is van hart, vreedzaam en omwille van de waarheid vervolging leidt, richt zijn leven in tot algemeen nut.
Meent niet, zegt Hij, dat ge tot een lichte strijd wordt uitgenodigd of dat het voor u om kleinigheden gaat:  Gij zijt het zout der aarde. Hoe nu? Moeten wij soms het bedorven herstellen? Wat al bedorven is, kunnen zij immers niet redden door het met zout te mengen. Dat hebben zij dan ook zeker niet gedaan. Maar wat van te voren hernieuwd was en dan aan hen toevertrouwd en wat van het vuil ontdaan was, hebben zij met zout vermengd om het in die nieuwheid te bewaren, die ze van de Heer hadden ontvangen. Want om van het vuil der zonden gereinigd te worden, was de kracht van Christus nodig. Om niet tot dat vuil terug te keren, daartoe was de zorg en de arbeid van zijn leerlingen nodig. Ziet gij daar, hoe Hij hun geleidelijk aantoont, dat zij meer zijn dan profeten? Hij zegt hun immers niet, dat zij leraren van Palestina zijn, maar van heel de wereld. Wilt u er dus niet over verwonderen, zegt Hij, dat Ik, met voorbijgaan van anderen, u toespreek en uitnodig tot zo grote beproevingen. Beschouwt immers tot hoeveel en hoe grote steden, stammen en volken Ik van plan ben u als leiders uit te zenden. En zo wil Ik niet alleen, dat gij zelf de wijsheid zult bezitten, maar dat gij ook anderen aan u gelijk maakt. Want als gij zulk een gesteldheid niet zoudt hebben, dan zoudt gij het ongetwijfeld zelf niet uithouden.
Als de anderen verschaald raken, kunnen zij door uw bediening beter worden; maar gij, als gij tot dat kwaad zoudt vervallen, zoudt gij anderen met u in het verderf meeslepen. Derhalve, hoe groter de taken zijn, die u worden toevertrouwd, des te groter moet uw ijver zijn. Daarom zegt Hij: Maar als het zout verschaald geworden is, waarmee zal men dan zouten? Het deugt nergens meer voor dan om weggeworpen en door de mensen vertreden te worden.
Opdat zij echter bij deze woorden: Wanneer men u beschimpt en vervolgt en lasterlijk van allerlei kwaad beticht, niet beginnen te vrezen in het publiek op te treden, zegt Hij ‘Als ge hiertoe niet bereid bent, zijt ge tevergeefs uitgekozen. Derhalve zullen beschimpingen noodzakelijk volgen, maar u in niets kwetsen, integendeel getuigen voor uw standvastigheid. Maar als gij echter uit vrees voor beschimpingen het aan de nodige standvastigheid laat ontbreken, zult ge nog veel zwaardere dingen te lijden krijgen, namelijk bij allen in een slechte naam komen te staan en door allen worden veracht, want dat is vertreden worden’.
Daarna gaat Hij over naar een nog verhevener vergelijking: Gij zijt het licht der wereld. Wederom ‘der wereld’ niet van een volk of van twintig steden, maar van heel de wereld: een licht, dat met het verstand te kennen is, verhevener dan deze aardse zonnestralen, in dezelfde zin als dat geestelijk zout. Eerst zout, dan licht, zodat ge zoudt leren, hoe nuttig dikwijls bittere woorden zijn, en wat een nut uit een ernstig onderricht kan voortkomen. Want dat slaat aan en laat zich niet uit het geheugen wissen. Het geeft kracht om het te overdenken en leidt naar deugd. Een stad op de berg kan niet verboren blijven; en men ontsteekt geen lamp om dit onder de korenmaat te zetten. Ook door deze vergelijkingen stelt de Heer zijn leerlingen de ernst van het leven voor ogen, hen lerend dat zij zich zorgvuldig in acht moeten nemen, omdat zij onder de ogen van allen leven en midden in het theater van heel de wereld strijd voeren


(Hom. 15, 6. 7: PG 57, 231-232 )

Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven” 20e zondag per annum / door het jaar

Christus ontvangt brood en wijn voor de H. Eucharistie

Als wij U aanbieden wat Gij gegeven hebt, mogen wij Uzelf ontvangen

I n l e i d i n g
Het thema van het Gebed over de gaven is opnieuw de heilige uitwisseling (Commercium), ditmaal in een bondige en klare formulering: wij bieden de gaven aan die God Zelf ons heeft gegeven, en God schenkt ons als tegengave Zichzelf. Daarom spreekt de oratie van ‘commercia gloriosa’, niet gaat het om een of andere genade als tegengave, of een ‘deelhebben aan het goddelijk leven’ maar God Zelf wordt als tegengave genoemd, ofschoon met het object toch het deelhebben aan het goddelijk leven wordt bedoeld. De termen ‘commercia gloriosa’ mikken hoger, om de heerlijkheid van de uitdrukking op te voeren. 
De heerlijkheid (gloria) van God beantwoordt ook aan de uitwisseling gezien de onbeduidende gaven die wij aanbieden: een weinig brood en wat wijn en deze moest God het eerst schenken. Zo arm zijn wij, zo rijk is God en zo vrijgevig.
Niet gaat het om een do, ut des-principe (ik geef, met de bedoeling dat jij geeft), zoals bij de heidense Romeinen, die als wedergave voor hun offers bescherming en gunsten van de goden verwachtten, maar onze gave aan God is ons eerst reeds door God gegeven.
Eigenlijk gaat het hierbij bovendien om een dubbele ruil! God schenkt ons brood en wijn, en wij brengen deze aan Hem terug voor het H. Misoffer. Maar God laat zich in liefde en edelmoedigheid niet overtreffen. Hij schenkt ons de gaven opnieuw, maar deze keer als Lichaam en Bloed van zijn Zoon, en daarmee geeft hij Zichzelf. Het vertrouwen van onze kant is groot! Hoe zouden we anders durven de grote God Zelf als Gave af te smeken.
Treffend wordt de glorievolle uitwisseling geaccentueerd door het ‘suscipe’ aan de spits van de oratie en het ’accipere’ aan het slot van de oratie.

T e k s t
Missale Romanum – 1970
Suscipe, Domine, munera nostra,
quibus exercentur commercia gloriosa,
ut, offerentes quae dedisti,
te ipsum mereamur accipere.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie – 1979
Heer, aanvaard onze gaven voor deze Eucharistie,
waarin een wonderbare uitwisseling plaats vindt:
als wij U aanbieden wat Gij gegeven hebt
mogen wij Uzelf ontvangen.

Werkvertaling
Aanvaard, Heer, onze offergaven,
waardoor glorievolle uitwisselingen worden bewerkt,
opdat wij, die aanbieden wat Gij hebt geschonken,
U zelf verdienen te ontvangen.
L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n
Het Gebed over de gaven is hetzelfde als dat van de vijfde dag onder het Kerstoctaaf, 29 december. Deze oratie was niet opgenomen in de edities van het Romeins Missaal vóór MR 1970, maar had een antecedent in het Sacramentarium Leonianum Vetus, 89, mense Aprilis, secreta; Verona, Kapittelbibliotheek LXXXV; 2e helft zesde eeuw.

S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l f i g u r e n
1. Suscipe, Domine, munera nostra,
2. quibus exercentur commercia gloriosa,
3. ut, 4. offerentes quae dedisti,
te ipsum mereamur accipere.

Het Gebed over de gaven bestaat uit één enkele zin, opgebouwd uit een openingszin waarin God gevraagd wordt onze gaven te aanvaarden (regel 1), gevolgd door een relatieve bijzin waarin het effect van deze offerande wordt geduid (r. 2). In regel 3 – met het prædicaat in de coniunctivusvorm - wordt opnieuw een bede geformuleerd waarvan de verhoring wordt verhoopt op grond van het offeren van de door God Zelf ons geschonken gaven, zoals geformuleerd in de ingevoegde bijzin r. 4. Het concept commercium is niet alleen in deze oratie verwoord, maar ook bondig geduid.

Ad 1
Suscipe, ontvang, aanvaard,- frequent voorkomend klassiek begin van de oraties super munera met prædicaat in de imperativusvorm, ditmaal niet afgezwakt door de losse vorm quæsumus.
Domine, [o] Heer, anaklese in de vocativusvorm.
munera nostra, onze offergaven, - object van het prædicaat in twee congruerende accusativusvormen.
Ad 2
Relatieve bijzin, ingeleid door het reflexivum quibus, waarmee, waardoor, - ablativus meervoud [hier] onzijdig van het reflexivum qui met munera nostra van r. 1 als antecedent.
Commercia gloriosa, letterlijk glorievolle uitwisselingen, - subject van het prædicaat exercentur in twee congruerende nominativusvormen onzijdig meervoud. Voor het gebruik van de pluralis zie de Inleiding.
Exercentur, [zij] worden uitgeoefend/ bewerkt/voltrokken, prædicaat, 3e pers. meervoud van het passivum indicativi præsentis van het verbum exercere, - cui, citum, 2. (van ex – arceo) met betekenissen: in rusteloze/voortdurende beweging brengen, oefenen, uitoefenen, bewerken, voltrekken.
Aan dit Latijnse werkwoord ontleende het Nederlands ‘exerceren’, ‘exercitie’.
Ad 3
Finale/doelaanwijzende resp. consecutieve/gevolgaanduidende bijzin , ingeleid door het voegwoord ut met het prædicaat mereamur accipere in de coniunctivusvorm (coniunctivus optativus): ut mereamur, op-/zodat wij mogen verdienen te ontvangen. De werkwoordsvorm mereamur is in deze constructie koppelwerkwoord verbonden met de infinitivus accipere, dat hier als object gezien kan worden.
Te ipsum, U zelf, - object van het prædicaat in twee zelfstandige accusativusvormen van 1. het pronomen personale tu en 2. van het pronomen demonstrativum ipse, ipsa, ipsum.
Ad 4 offerentes quae dedisti,
Bijzin waarvan het verbum ‘offerentes’, participium præsentis activi, meervoud, een aanvulling is bij het onderwerp ‘wij’ dat besloten ligt in het verbum mereamur (r. 3) en derhalve met een relatieve bijzin beginnend met qui / die, vertaald kan worden. Het ppa is hier attributief gebruikt.
De bijzin offerentes bevat een volgende, afhankelijke bijzin [munera] quæ dedisti.  In gedachten kan men aan offerentes munera of ea aanvullen voor een beter begrip van de constructie aangezien een direct antecedent hier ontbreekt.

Dedisti, U hebt geschonken, gegeven, - prædicaatsvorm in de indicativus, aantonende wijs, 2e pers. perfecti activi van het verbum dare, dedi, datum, 1, geven, schenken. Dit prædicaat staat in de indicativus omdat zij slechts een toelichting vormt, zonder de persoonlijke mening van een spreker: De offergaven zijn immers van God Zelf afkomstig.
Quæ, die/welke, - object van het prædicaat dedisti in de accusativusvorm meervoud onzijdig van het pronomen relativum qui, quæ, quod. Het antecedent van quæ is ‘munera nostra’ van

De verwantschap tussen het openingsverbum ‘suscipe’ en het afsluitende werkwoord ‘accipere’ werd reeds aangeduid. Het zijn de scharnieren van de oratio super munera: wij vragen God onze/Zijn gaven te aanvaarden en wij mogen Hem door Zijn goedheid ontvangen.
Opvallend zijn ook de twee paren met uitgangen in het onzijdig meervoud:  ‘munera nostra’ en ‘commercia gloriosa’.

V o c a b u l a r i u m
Suscipe > suscipere, -cepi, -ceptum, 3. We horen deze term dikwijls in de liturgie. Suscipio is opnemen, dragen, steunen, op zich nemen en ook op zich nemen om te doen. Naast andere betekenissen wordt het in overeenkomstige contexten gebruikt met betekenissen: ondernemen, aannemen, doen, verrichten, beginnen, aanvangen (speciaal als vrijwilliger of bij wijze van gunst).
In de Psalmen worden vormen van het verbum suscipere regelmatig aangetroffen en ook ontmoeten we daar de term ‘susceptor’ zoals in Psalm 70 (71), vers 6, van de Terts van afgelopen maandag (Week III, feria II): ‘Super te innixus sum ex utero, de ventris matris meæ tu es susceptor meis; in te laus mea semper’- Ik steunde op U van de moederschoot af, reeds vóór mijn geboorte was U mijn beschermer, tot U richt ik altijd mijn lofzang.
In de Doopregisters van de Katholieke Kerk staan de namen van de peetouders vermeld als ‘doopheffers’: “…susceperunt neonatum..” : NN. hebben de pasgeborene ten doop gehouden.

Recipere, -cepi, -ceptum, 3. : terugnemen, terugtrekken, terughalen, terugkrijgen en met betrekking tot een ouder (natuurlijk of adoptief) en kind “een pasgeboren kind van de grond opnemen; vandaar: erkennen, opnemen, aannemen, ontvangen, het laten opgroeien als een eigen kind, beschermen. (Vgl. de ‘Nederlandse’ termen receptie, recept, receptief enz.

Accipere betekent in de kern: ‘aanemen’ en dus bij extensie aan of tot zich nemen, ontvangen, zich laten geven, op zich nemen, toelaten maar ook met het verstand opnemen, vatten, begrijpen. (Vgl. ‘accepteren, acceptatie, acceptgiro, enz.)

Commercium
De glorievolle uitwisseling, commercia gloriosa, staat centraal in het Gebed over de gaven. Zoals we eerder zagen komt dit concept vaker voor in de liturgie. Het is een veelomvattend om niet te zeggen beladen begrip en betekent letterlijk “uitwisseling”, “ruil”.
De woordenboeken geven bij het substantivum commercium, - i, n. 1. handel, verkeer 2. ruil  3. commercia – orum n. pl.: uitwisseling. Van daaruit ook “omgang, betrekking, sociaal verkeer, correspondentie, kameraaadschap”. In het oude Latijn van Sint Hieronymus van het Oude Testament verwijst commercium naar het Verbond van God met de mens, een soort ‘contractuele overeenkomst’ en een uitwisseling van trouw, ofschoon tussen beslist ongelijke partners. Nu hebben wij een nieuw Verbond met God in Christus, een nieuw commercium:
“Deze beker is het Nieuwe Verbond in mijn Bloed, dat voor u wordt vergoten” (Lc 22, 20).

Zo ziet de liturgie in het bijzonder een uitwisseling bij de bereiding van de offergaven tijdens de H. Mis: gelovigen brengen brood en wijn naar het altaar, door God uit al zijn gaven uitgekozen. God geeft hen het Lichaam en Bloed van zijn Zoon als tegengave. De oratie van deze zondag drukt dit expliciet uit. Vóór alles is de Menswording een uitwisseling: de mensheid schenkt haar menselijke natuur en God geeft haar bij wijze van uitwisseling/ruil het delen in zijn goddelijke natuur. Dit delen ontvangt de mensheid in de hoogste zin in Jezus Christus. Deze uitwisseling geldt in iedere H. Mis.
Het begrip commercium wordt gecombineerd met verschillende adiectiva zoals sacrosanctum commercium, hoogheilige uitwisseling in het Gebed over de gaven in de Nachtmis van Kerstmis: door de komst van Gods Zoon onder de mensen heeft een zeer bijzondere uitwisseling heeft plaatsgevonden, waarbij God de Zoon de goddelijke natuur volledig heeft bewaard maar tegelijkertijd tevens de menselijke natuur heeft aangenomen. Paus Leo de Grote (+ 461) drukt het kernachtig uit: de Zoon van God wordt Zoon van de mensen zodat wij zonen van God kunnen worden.
Een tweede adiectief is admirabile, wonderbaar, zoals in de bekende 1e antifoon van de Ie en IIe Vespers van 1 januari, octaafdag van Kerstmis waar deze ruil nog eens wordt uitgelegd: “O admirabile commercium! Creator generis humani, animatum corpus sumens, de Vírgine nasci dignatus est; et, procedens homo sine semine, largitus est nobis suam deitatem”- O wonderbare ruil! de Schepper van het menselijk geslacht neemt een bezield lichaam aan en heeft zich verwaardigd uit een Maagd te worden geboren.
De oratie van vandaag spreekt over commercia gloriosa, glorievolle uitwisseling(en). Het adiectief hier is geladen met het volle gewicht van de gloria Dei, zoals gloriosa ook de Ascensio, Hemelvaart van Christus specifiek kwalificeert: met Zijn Hemelvaart ging Zijn menselijke natuur de glorie van God binnen. De Maagd Maria wordt gloriosa genoemd omdat zij op bijzondere wijze door haar voorrechten deelt in de glorie van God. Gloriosus is een regelmatig voorkomend epitheton van de martelaren in het Christelijk Latijn en vandaar vinden we een link naar de oraties.
Het Altaarmissaal van de Nederlandse Kerkprovincie geeft het ‘gloriosa’ van de Latijnse tekst met ‘wonderbaar’ weer. Dit herinnert aan admirabile commercium, maar doet ook onvoldoende recht aan de in de oratie bedoelde eucharistische uitwisseling, die wonderlijk, vol mysterie is maar die als ‘openbaring van Christus’ liefde in het Paasgeheim, waarin Hijzelf het levende brood, dat door Zijn Vlees in de Heilige Geest tot leven is gebracht en tot leven wekkend leven schenkt aan de mensen’, alle glans en heerlijkheid toekomt (vgl. Ecclesia de Paus Joh.-Paulus II, Ecclesia de Eucharistia, 17.4.2003, Inl.). De vraag rijst waarom wanneer in het Latijn en in het Latijn twee verschillende adjectieven bestaan in het Nederlands hetzelfde woord wordt gebruikt voor verschillende betekenissen.
Suscipe, exercere, accipere – zijn stuk voor stuk verba die een krachtige actie aanduiden. De sterke imperativus suscipe betekent ook “grijp, vat aan, pak op”. Exercere is drijven, voortdrijven, in rusteloze/voortdurende beweging brengen, oefenen. In sommige contexten kan het betekenen aandrijven, uitwerken in de betekenis van “voortdurend prikkelen, afmatten”. We hebben werkwoorden van aanbieden, geven, nemen en ontvangen.
G e t u i g e n i s s e n  v a n  d e  V a d e r s
Uit de middelnederlanse geestelijke literatuur:

Johannes Ruusbroec
De mystiek begaafde en wijze Johannes Ruusbroec beschrijft in “Een spiegel der eeuwiger salicheit of Vanden Heilghen Sacramente’ de Eucharistie en haar rol in het geestelijke leven. Hij zegt o.a.: “Christus wil ons leven omvormen en verteren in zijn leven, dat vol is van genade en glorie, die Hij voor ons steeds gereed houdt, als wij onszelf verzaken willen en de zonden laten. Konden wij het hartstochtelijke verlangen doorzien, dat Christus bezielt voor onze zaligheid, wij zouden ons niet kunnen tegenhouden, en wij zouden Hem in de keel vliegen. Al klinken mijn woorden vreemd, ja stuitend, zij die beminnen verstaan mij wel!
Jezus’ minne is van zo edele aard: waar zij teert daar wil zij ook voeden. Al verteert Jezus ons heel en gans in Zich, daarvoor geeft Hij ons Zichzelf in ruil. Hij wekt in ons een geestelijke honger en dorst om Hem te smaken met eeuwige lust. Hij geeft aan onze geestelijke honger en aan onze hartelijke liefde zijn Lichaam tot spijs. En als wij dit eten en met innige devotie in ons opnemen, dan vloeit uit zijn Lichaam zijn glorieuze, hete Bloed in onze natuur en in onze aderen; en zo worden wij ontvonkt in minne en in hartelijke liefde tot Hem en worden wij naar lichaam en ziel geheel doorstroomd met genot en geestelijke smaak. Zo geeft Hij ons zijn leven vol wijsheid, waarheid en lering om Hem na te volgen in alle deugden. En dan leeft Hij in ons en wij in Hem. Ook geeft Hij zijn ziel met zijn volheid van genade, opdat wij altijd staande blijven met Hem in minne, in deugden en in zijns Vaders lof. En boven dit alles toont en belooft Hij ons zijn Godheid tot eeuwig genieten. Is het dan wonder, dat diegenen jubelen, die dit smaken en ondervinden?
Toen de koningin van Oostland de rijkdom en de eer en de heerlijkheid van koning Salomon aanschouwde, bezweek haar geest van grote bewondering en zij ontzonk aan zichzelf en viel in onmacht. Bedenk nu echter hoe klein Salomons rijkdom en glorie waren tegenover de rijkdom en de glorie, die Christus zelf is, en die Hij ons heeft bereid in zijn heilig Sacrament. Want al kunnen wij bij het ontvangen van al wat zijn mensheid toebehoort ons nog niet met meesterschap over onszelf bedwingen, - wanneer wij de Godheid beschouwen, die wij voor ons hebben in het Heilig Sacrament, dan komt er zulk een verwondering over ons, dat wij in de geest tot overwezenlijke minne moeten opstijgen, of we zouden in bezwijming vallen van vervoering en ongedurigheid voor de tafel van onze Heer”.
(Hertaling van de oorspronkelijke tekst door dr. L. Moereels S.J.)

Thomas a Kempis
Navolging van Christus, boek IV: De heilige Eucharistie
Gij buigt U naar mij die niet waardig ben tot U op te zien.
Gij wilt mij de hemelse spijs en het brood der engelen (Ps. 77:25) te eten geven, geen ander dan Uzelf, ‘het levend brood, dat uit de hemel is neergedaald en leven geeft aan de wereld’ (Jo 6, 33, 51-52).
Het is een wonderlijke zaak, alle geloof waardig, maar het gaat het menselijk verstand te boven, dat Gij, Heer, mijn God, waarlijk God en mens, binnen de geringe gedaante van brood en wijn wordt begrensd en zonder te worden verteerd door hem die eet wordt genuttigd.
Want zo dikwijls gij dit geheim herkent en Christus’ Lichaam ontvangt, even zo dikwijls voltrekt gij het werk van uw verlossing, want gij wordt deelachtig aan de diensten van Christus.
Hfdst 2, 14. 16, 21, 25.
O wonderbare begenadiging van uw liefde jegens ons; dat Gij, Heer onze God, Schepper en Levensbron van alle geesten, tot dit armzalig menselijk wezen wilt afdalen en met heel uw godheid en mensheid zijn honger overvloedig wilt verzadigen.
Laat dan, mijn dierbaarste beminde, laat hemel en aarde en alles wat hen siert zwijgen in uw tegenwoordigheid, want wat zij aan lof en schoonheid bezitten, is een geschenk van uw vrijgevigheid en nooit zullen zij de heerlijkheid van uw Naam nabij komen wiens wijsheid zonder grenzen is.
Hfdst 3, 18.21.
C o m m e n t a a r
Het concept van een sacrum commercium, een ‘heilige uitwisseling’ is centraal voor de Romeinse Canon. Het is eeen frequent element in de gebeden van de Heilige Mis na de liturgiehervorming van Vaticanum II. God geeft ons brood en wijn. Wij bieden deze op onze beurt aan God aan.. God verandert deze voor ons tijdens de Consecratie in het Lichaam, het Bloed, de Ziel en de Godheid van Zijn eeuwige Zoon, onze Heer Jezus Christus. Deze nieuwe Gaven maken ons tot aanvaardbare offergaven voor God met al onze woorden en daden.  “Moge Hij [Jezus Christus] ons maken tot een blijvende offergave voor U”, bidt de priester in het Eucharistisch Gebed (IIIB). En God geeft ons Brood en Wijn, het Lichaam en Bloed van Christus…. Deze glorierijke uitwisseling onderricht ons over het mysterie dat aan God vrij geschonken gaven, die de aarde voortbrengt en die tijdelijk zijn, voor ons dragers kunnen worden van eeuwige en geestelijke genaden.
Wanneer de liturgie spreekt van een heilige uitwisseling, is dat bedoeld als een lofprijzing op de goedheid van God, op zijn edelmoedigheid, die een dergelijke uitwisseling mogelijk maakt. Het fundament is dat God de Gever van al het goede is. Hij is het die de mensen het eerst heeft liefgehad en het eerst zijn barmhartigheid heeft geschonken. En God schenkt zó, dat degenen aan wie wordt geschonken deze gaven ook werkelijk bezitten en er als eigenaar over kunnen beschikken. Om die reden is het dan ook een reëel schenken en – tegenover God – een werkelijk offeren. Deze toedracht is de grondslag van elke uitwisseling, en het komt uit Zijn unieke liefde voort dat Hij het aldus heeft geschikt.
De Oratio super munera van vandaag bevat door het gebruik van de reeks  (zeer) actieve werkwoorden suscipere, exercere, accipere, het idee van een onophoudelijk voortgaand en terugkomend ritme en doet denken aan het beeld van twee jongleurs die snel onderling voorwerpen uitwisselen. 


Of in een andere metafoor: de hand moet aan de ploeg en wel nu!  De H. Eucharistie is hier geen kwestie van spiegelen en overpeinzen maar Realis Presentia, daadwerkelijke aanwezigheid. De Verrezen Heer zelf is hier krachtig en actief levensecht aanwezig: 
HOC EST ENIM CORPUS MEUM – WANT DIT IS MIJN LICHAAM
QUOD PRO VOBIS TRADETUR – DAT VOOR U GEGEVEN WORDT
IN REMISSIONEM PECCATORUM – TOT VERGEVING VAN ZONDEN
(Alleen al deze passage in het Latijn maakt de extra expressieve waarde van deze taal in de liturgie en de theologie duidelijk, “lex orandi, lex credendi”).

Sint Augustinus nodigt krachtig de gelovigen uit niet te blijven staan bij wat hun ogen zien, maar verder te kijken: “Erken in het brood – zei hij – hetzelfde Lichaam dat aan het kruis hing en in de beker hetzelfde Bloed dat uit Zijn zijde vloeide. In de eucharistieviering vinden wij niets uit doch treden wij binnen in een realiteit die ons voorafgaat, die zelfs hemel en aarde omvat en dus ook verleden, toekomst en heden. “Ge zult Mij eten, echter zonder Mij in u te veranderen als voedsel voor uw vlees; gij zult echter in Mij veranderen” (Sint Augustinus).  

Onze houding in reactie op het ontzagwekkend wonder van de H. Eucharistie kan niet anders zijn dan eerbiedige ontvankelijkheid. Als wij Christus ontvangen, verspreidt de liefde van God zich in ons, verandert zij ons hart radicaal en maakt ons bekwaam tot daden die krachtens het goede dat zich verspreidt, het leven van onze naasten kunnen veranderen. (Paus Benedictus XVI bij de opening van de kerkelijke bijeenkomst van het diocees Rome in de Sint Jan van Lateranen op 15 juni 2010). Een dergelijke houding wensen wij U toe niet alleen komende zondag maar iedere keer dat U de H. Mis meemaakt - en door de H. Mis meegemaakt wordt!