Posts tonen met het label hebdomada V Paschae. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hebdomada V Paschae. Alle posts tonen

zaterdag 17 mei 2025

The Love That Jesus Commands - Bishop Barron's Sunday Sermon - VPC

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Dominica V Paschæ Christus est dies


Ad Officium lectionis


Lectio altera

Ex Sermónibus sancti Máximi Taurinénsis epíscopi
(Sermo 53, 1-2. 4: CCL 23, 214-216)

Christus est dies

Per resurrectiónem Christi aperítur tártarum, per neóphytos Ecclésiæ innovátur terra, cælum per Sanctum Spíritum reserátur; apértum enim tártarum reddit mórtuos, innováta terra gérminat resurgéntes, cælum reserátum súscipit ascendéntes.

Dénique ascéndit latro in paradísum, sanctórum córpora ingrediúntur in sanctam civitátem, ad vivos mórtui revertúntur; et proféctu quodam in resurrectióne Christi ad altióra cuncta eleménta se tollunt.

Tártarum quos habet reddit ad súperos, terra quos sépelit mittit ad cælum, cælum quos súscipit repræséntat ad Dóminum; et una eadémque operatióne Salvatóris pássio élevat de imis, súscitat de terrénis, cóllocat in excélsis.

Resurréctio enim Christi defúnctis est vita, peccatóribus vénia, sanctis est glória. Omnem ergo creatúram ad festivitátem resurrectiónis Christi prophéta sanctus invítat; ait enim exsultándum in hac die quam fecit Dóminus et lætándum.

Lux Christi dies est sine nocte, dies sine fine. Quod autem iste dies Christus sit, Apóstolus dicit: Nox præcéssit, dies autem appropinquávit. Præcéssit, inquit, nox, non séquitur, ut intéllegas, superveniénte Christi lúmine, diáboli ténebras effugári et peccatórum obscúra non súbsequi; et iugi splendóre prætéritas calígines depélli, subrepéntia delícta prohibéri.

Ipse est enim dies Fílius, cui Pater dies divinitátis suæ erúctat arcánum. Ipse, inquam, est dies, qui ait per Salomónem: Ego feci ut orirétur in cælo lumen indefíciens.

Sicut ergo diem cæli nox omníno non séquitur, ita et Christi iustítiam peccatórum ténebræ non sequúntur. Semper enim dies cæli splendet, lucet et fulget, neque áliqua potest obscuritáte conclúdi; ita et lumen Christi semper micat, rádiat, corúscat, nec áliqua potest delictórum calígine comprehéndi, unde ait evangelísta Ioánnes: Et lux in ténebris lucet, et ténebræ eam non comprehendérunt.

Igitur, fratres, omnes in hac die sancta exsultáre debémus. Nullus se a commúni lætítia peccatórum consciéntia súbtrahat, nullus a públicis votis delictórum sárcina revocétur! Quamvis enim peccátor, in hac die de indulgéntia non debet desperáre; est enim prærogatíva non parva. Si enim latro paradísum méruit, cur non mereátur véniam christiánus?

Tweede lezing

Uit de preken van de H. Maximus van Turijn, bisschop.
(Sermo 53, 1-2. 4: CCL 23, 214-216)

Christus is de dag

Door de verrijzenis van Christus wordt de onderwereld geopend, door de nieuw gedoopten in de Kerk wordt de aarde vernieuwd en door de H. Geest wordt de hemel ontsloten. Want de geopende onderwereld geeft haar doden terug, de hernieuwde aarde brengt verrijzenden voort en de ontsloten hemel neemt die opstijgenden op.

Tenslotte stijgt de goede moordenaar op naar het paradijs, de lichamen der heiligen komen in de Heilige Stad, doden worden weer levend en door een zekere werking bij de verrijzenis van Christus verheffen alle elementen zich tot een hogere orde.

De onderwereld geeft wat ze heeft aan de bovenwereld terug; de aarde zendt degenen, die ze begraven heeft, naar de hemel; de hemel geleidt hen, die hij ontvangt, tot voor de Heer. Door een en dezelfde werking verheft het lijden van de Verlosser hen vanuit de diepten, doet hen opstaan van het aardse en plaatst hen in de hoogten.

Want de verrijzenis van Christus is voor de overledenen het leven, voor de zondaars de vergiffenis, voor de heiligen de glorie. Elk schepsel wordt tot het feest van de Verrijzenis van Christus door de heilige profeet uitgenodigd. Want hij zegt, dat men op deze dag, die de Heer gemaakt heeft, moet jubelen en zich verheugen.

Het licht van Christus is een dan zonder nacht, een dag zonder einde. Maar dat die dag Christus zelf is, zegt de Apostel: De nacht is voorbij, de dag breekt aan. Hij zegt: De nacht is voorbij ze volgt niet, opdat ge zoudt begrijpen, dat bij het verschijnen van Christus’ licht en duisternissen van de duivel worden verdreven en de donkerte van de zonde niet meer volgt: dat de vroegere duisternissen door een blijvende glans zijn verdreven en de misdaad niet meer kan binnensluipen.

De Zoon zelf toch is de dag, aan Wie de Vader als de dag de verborgenheden van zijn Godheid schenkt. Ik zeg, de dag is Hijzelf, die door Salomon zegt: Ik deed het blijvende licht aan de hemel opgaan.

Zoals er dus geen sprake van is, dat in de hemel op de dag een nacht zal volgen, zo zullen op Christus’ gerechtigheid geen duisternissen volgen van zonden. Want altijd schittert de dag in de hemel, geeft daar licht en glans, en kan niet door enige duisternis omsloten worden. Zo ook schittert altijd het licht van Christus, straalt en glanst, en kan niet omhuld worden door een duisternis van boosheid. Vandaar dat de Evangelist Johannes zegt: En het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis nam het niet aan.
Daarom, broeders, moeten wij allen juichen op deze heilige dag. Niemand mag zich aan de algemene vreugde onttrekken door het bewustzijn van zijn zonden. Niemand worde door de last van zijn misdaden teruggehouden van het openbaar gebed! Want hoewel iemand zondaar is, moet hij op deze dag niet wanhopen aan de vergiffenis, haar aanduiding is immers niet gering. Want als de goede moordenaar het paradijs verdiende, waarom zou dan de christen geen vergiffenis verdienen?


Introitus: Cantate Domino canticum novum Dominica V Paschae

Lezingen H. Mis 5e zondag van Pasen, jaar C - Gij moet elkaar liefhebben; zoals Ik u heb liefgehad,

Eerste lezing (Hand. 14, 21-27)
Uit de Handelingen van de Apostelen.
In die dagen keerden Paulus en Barnabas terug naar Lystra, Ikonium en Antiochië. Daar bevestigden zij de leerlingen in hun goede gesteldheid, spoorden hen aan in het geloof te volharden en zeiden dat zij door vele kwellingen het Rijks Gods moeten binnengaan. In elke gemeente stelden zij na gebed en vasten oudsten voor hen aan, en vertrouwden hen toe aan de Heer in wie zij nu geloofden. Zij reisden door Pisidië naar Pamfylië, predikten het woord in Perge en bereikten Attalia. Daar gingen ze scheep naar Antiochië vanwaar zij, aan Gods genade toevertrouwd, vertrokken waren naar het werk dat zij volbracht hadden. Na hun aankomst riepen zij de gemeente bijeen en vertelden alles wat God met hun medewerking tot stand had gebracht en hoe Hij voor de heidenen de poort van het geloof had geopend.

Tweede lezing (Apok. 21, 1-5a)
Uit de Openbaring van de heilige apostel Johannes.
Ik, Johannes, zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; de eerste hemel en de eerste aarde waren verdwenen en de zee bestond niet meer. En ik zag de heilige Stad, het nieuwe Jeruzalem van God uit de hemel neerdalen, schoon als een bruid die zich voor haar man heeft getooid. Toen hoorde ik een machtige stem die riep van de troon: “Zie hier Gods woning onder de mensen! Hij zal bij hen wonen. Zij zullen zijn volk zijn en Hij, God-met-hen, zal hun God zijn. En Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen en de dood zal niet meer zijn; geen rouw, geen geween, geen smart zal er zijn want al het oude is voorbij.” En Hij die op de troon is gezeten sprak: “Zie Ik maak alles nieuw.”

Evangelie (Joh. 13, 31-33a.34-35)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes.
In die tijd zei Jezus tot de leerlingen: “Nu is de Mensenzoon verheerlijkt en God is verheerlijkt in Hem. Als God in Hem verheerlijkt is zal God ook Hem in zichzelf verheerlijken, ja, Hij zal Hem spoedig verheerlijken. Kindertjes, nog maar kort zal Ik bij u zijn. Een nieuw gebod geef Ik u: gij moet elkaar liefhebben; zoals Ik u heb liefgehad, zo moet gij elkaar liefhebben. Hieruit zullen allen kunnen opmaken dat gij mijn leerlingen zijt: als gij de liefde onder elkaar bewaart.”


vrijdag 20 mei 2022

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada V Temporis Paschalis sabbato Alleluia paschale Alleluia


Ad Officium lectionis


Lectio altera

Ex Enarratiónibus sancti Augustíni epíscopi in psalmos
(Ps 148, 1-2: CCL 40, 2165-2166)

Alleluia paschale

Meditátio præséntis vitæ nostræ in laude Dei esse debet, quia exsultátio sempitérna futúræ nostræ vitæ, laus Dei erit; et nemo potest idóneus fíeri futúræ vitæ, qui non se ad illam modo exercúerit. Modo ergo laudámus Deum, sed et rogámus Deum. Laus nostra lætítiam habet, orátio gémitum. Promíssum est enim nobis áliquid quod nondum habémus; et quia verax est qui promísit, in spe gaudémus; quia tamen nondum habémus, in desidério gémimus. Bonum est nobis perseveráre in desidério, donec véniat quod promíssum est, et tránseat gémitus, succédat sola laudátio.

Propter hæc duo témpora, unum quod nunc est in tentatiónibus et tribulatiónibus huius vitæ, álterum quod tunc erit in securitáte et exsultatióne perpétua, institúta est nobis étiam celebrátio duórum témporum, ante Pascha, et post Pascha. Illud quod est ante Pascha, signíficat tribulatiónem in qua modo sumus; quod vero nunc ágimus post Pascha, signíficat beatitúdinem in qua póstea érimus. Ante Pascha ergo quod celebrámus, hoc et ágimus; post Pascha autem quod celebrámus, significámus quod nondum tenémus. Proptérea illud tempus in ieiúniis et oratiónibus exercémus; hoc vero tempus relaxátis ieiúniis in láudibus ágimus. Hoc est enim: Allelúia, quod cantámus.

In cápite enim nostro nobis utrúmque figurátum est, utrúmque demonstrátum est. Pássio Dómini osténdit nobis vitam præséntis necessitátis, quia opórtet laboráre et tribulári et ad extrémum mori; resurréctio vero et clarificátio Dómini osténdit nobis vitam quam acceptúri sumus.

Nunc ergo, fratres, exhortámur vos ut laudétis Deum; et hoc est quod nobis omnes dícimus, quando dícimus: Allelúia. Laudáte Dóminum, dicis tu álteri, dicit ipse tibi; cum se omnes exhortántur, omnes fáciunt quod hortántur. Sed laudáte de totis vobis; id est, ut non sola lingua et vox vestra laudet Deum, sed et consciéntia vestra, vita vestra, facta vestra.

Etenim laudámus modo in ecclésia quando congregámur; cum quisque discédit ad própria, quasi cessat laudáre Deum. Non cesset bene vívere, et semper laudat Deum. Tunc désinis laudáre Deum, quando a iustítia, et ab eo quod illi placet, declínas. Nam si a vita bona numquam declínes, lingua tua tacet, vita tua clamat; et aures Dei ad cor tuum. Quómodo enim aures nostræ ad voces nostras, sic aures Dei ad cogitatiónes nostras.

Tweede lezing

Uit de beschouwingen over de Psalmen van de H. Augustinus, bisschop
(Ps 148, 1-2: CCL 40, 2165-2166)

Het Alleluia van Pasen

De beschouwing in ons tegenwoordig leven moet bestaan in de lof aan God, omdat de eeuwige jubel in ons toekomstig leven ook de lof aan God zal zijn. En niemand kan geschikt worden voor het toekomstige leven, die zich niet nu daarin oefent.
Nu dus loven wij God, maar vragen Hem ook. Onze lof heeft vreugde, ons gebed heeft zuchten. Want ons is iets beloofd, wat wij nog niet bezitten. Omdat Hij, die beloofd heeft, waarachtig is, verblijden wij ons in de hoop. Maar omdat we nog niet bezitten, zuchten wij in verlangen. Het is goed voor ons te volharden in het verlangen, totdat komt wat beloofd is; dan is het zuchten voorbij en volgt alleen het lofzingen.

Wegens deze twee tijdperken: een dat er nu is, en dat bestaat in de beproevingen en kwellingen van dit leven; het andere, dat dan zal bestaan, in veiligheid een eeuwige jubel, is er voor ons ook ingesteld een tweevoudige tijden-viering: die van vóór en die van na Pasen. De tijd vóór Pasen duidt op de beproeving, waarin wij nu leven. Deze tijd, na Pasen duidt op de gelukzaligheid, waarin wij later zullen leven. Wat we dus voor Pasen vieren, dat doen we nu dan ook; met wat we na Pasen vieren, beduiden we, wat we nog niet bezitten. Daarom beoefenen wij in die eerste tijd het vasten en het gebed; maar in deze, de latere tijd, is er geen vasten meer, maar lofzang; dat is het Alleluja, dat wij zingen.

In ons hoofd, Christus, worden beide tijden voor ons voorafgebeeld en duidelijk gemaakt. Het lijden van de Heer is een beeld van de nood in dit sterfelijke leven, omdat we hier moeten zwoegen en gekweld worden en eindelijk sterven. Maar de verrijzenis en de verheerlijking van de Heer tonen ons het leven, dat wij eens zullen ontvangen.

Nu dan, broeders, vermanen wij u God te loven; en dat is het, wat wij tegen elkaar zeggen, als we uitroepen: Alleluia. Looft de Heer, zegt ge tot een ander, en zegt hij tot u. Als allen elkaar aansporen, doen allen dat ook waartoe zij aangespoord worden. Maar looft Hem met heel uw wezen, dit is looft God niet alleen met uw tong en met uw stem, maar met heel uw bewustzijn, met uw leven, met uw daden.

Want wij loven God nu, als wij samenkomen in het kerkgebouw; en als iedereen weer naar huis gaat is het alsof hij ophoudt God te loven. Maar hij moet niet ophouden goed te leven, dan looft hij God altijd. Alleen dan houdt gij op God te loven, als gij afwijkt van de gerechtigheid van wat aan God behaagt. Maar als gij niet afwijkt van de goede weg, zal uw tong wel zwijgen, maar uw leven zal luid spreken, en Gods oor is op uw hart gericht, zo zijn  Gods oren op onze gedachten gericht.

donderdag 19 mei 2022

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada V Temporis Paschalis feria VI Primogenitus in multis fratribus De Eerstgeborene onder vele broeders.


 Ad Officium lectionis


Lectio altera

Ex Sermónibus beáti Isaac abbátis monastérii de Stella
(Sermo 42: PL 194, 1831-1832)


Tweede lezing

Uit de Preken van de zalige abt Isaac, van het klooster ‘L’étoile’
(Sermo 42: PL 194, 1831-1832)
                                                
De Eerstgeborene onder vele broeders

Zoals het hoofd en het lichaam van een mens, die mens zelf is, zo is de Zoon van de Maagd met zijn uitverkoren ledematen ook één Mens en één Mensenzoon. De gehele en volledige Christus, zegt de Schrift, bestaat uit hoofd en lichaam; omdat alle leden tezamen één lichaam vormen, dat met zijn hoofd één Mensenzoon vormt, die met Gods Zoon een Zoon van God is, en die zelf met God één God is.

Derhalve is het gehele lichaam met hoofd de Mensenzoon, zowel Gods Zoon, als God. Vandaar ook dit woord: Ik wil, Vader, dat, zoals Gij en Ik één zijn, zo ook zij één zijn met ons.
Daarom volgens deze beroemde zienswijze in de Schriften: geen lichaam zonder hoofd, noch een hoofd zonder lichaam; noch zonder God een hoofd en lichaam, de gehele Christus.

Daarom is alles met God één God. Maar de Zoon Gods is met God op natuurlijke wijze een, de Mensenzoon is met hem op persoonlijke wijze één en zijn lichaam is met Hem op sacramentele wijze één.

De oprechte en verstandige ledematen van Christus kunnen dus zeggen, dat zij naar waarheid dit zijn, wat Hijzelf is, ook Gods Zoon en wel God. Maar wat Hij van nature is, zijn zij door gemeenschap. Wat Hij in volheid is, zijn zij door deelname.
Vervolgens wat de Zoon Gods is door voortbrenging, zijn zijn ledematen door adoptie, zoals er geschreven staat: Ge hebt de Geest tot kindschap ontvangen, waarin wij roepen: Abba, Vader.

Naar die Geest gaf Hij hun macht kinderen Gods te worden, om op verschillende wijzen door Hem onderwezen te worden, die de Eniggeborene is onder vele broeders, om te zeggen: Onze Vader, die in de hemel zijt. En elders: Ik stijg op naar mijn Vader en uw Vader.

Want door dezelfde Geest, waardoor de Mensenzoon, ons hoofd, uit de schoot van de Maagd geboren is, worden wij geboren uit de doopvont, als kinderen van God, als zijn lichaam. En zoals Hij zonder enige zonde werd geboren, zo worden wij dat (bij het Doopsel) tot vergeving van alle zonden.

Want zoals Hij op het kruis alle zonden van heel zijn lichaam in het lichaam van zijn vlees heeft gedragen, zo heeft Hij aan zijn geestelijk lichaam de genade van de wedergeboorte geschonken, opdat aan dit lichaam geen zonde zou worden toegerekend, zoals er geschreven staat: Zalig de man, aan wie de Heer de zonde niet heeft toegerekend. Die zalige man is zonder twijfel Christus, die in zover Hij hoofd van Christus is, God is en zonden vergeeft. En aan Wie in zover Hij hoofd van het lichaam is, één mens is en niets vergeven wordt. In zover Hij echter lichaam van het hoofd is, meerderen is en niets aangerekend wordt.

Hij is rechtvaardig in zichzelf en rechtvaardigt Zichzelf. Hij alleen is de Verlosser, alleen de verloste: Die in zijn lichaam op het kruis als last tot het einde heeft gedragen, wat Hij door het water van de Doop van zijn lichaam heeft afgewassen. Hij maakt zalig zowel door het kruis als door het water. Het Lam Gods dat wegneemt de zonden der wereld, die Hij gedragen heeft. Priester en Offerande, en God, Zichzelf aan Zichzelf opdragend, die Zich door Zichzelf heeft verzoend met Zichzelf, alsook met de Vader en de Heilige Geest.

woensdag 18 mei 2022

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada V Temporis Paschalis feria IV Christiani in mundo Christenen in de wereld


Ad Officium lectionis


Lectio altera

Ex Epístola ad Diognétum
(Nn. 5-6: Funk 1, 317-321)

Christiani in mundo

Christiáni neque regióne neque sermóne neque vitæ institútis distíncti a céteris sunt homínibus. Nam neque civitátes próprias íncolunt, neque sermóne utúntur quodam insólito, neque vitam degunt insignítam. Neque vero cogitatióne quadam et hóminum curiosórum sollicitúdine hæc disciplína ab iis est invénta, neque dógmati humáno patrocinántur, sicut nonnúlli.

Incoléntes autem civitátes et græcas et bárbaras, prout cuiúsque sors tulit, et indigenárum institúta sequéntes in vestítu victúque ac réliquo vivéndi génere, mirábilem et ómnium consénsu incredíbilem vitæ suæ statum propónunt. Pátrias hábitant próprias, sed tamquam inquilíni; ómnia cum áliis habent commúnia tamquam cives, et ómnia patiúntur tamquam peregríni; omnis peregrína régio eórum est pátria, et omnis pátria peregrína. Uxóres ducunt ut omnes, líberos prócreant; sed non abíciunt fetus. Mensam commúnem habent, non lectum.

In carne sunt, sed non secúndum carnem vivunt. In terra degunt, sed in cælo civitátem suam habent. Obsequúntur légibus constitútis, et suo vitæ génere súperant leges. Amant omnes, et omnes eos persequúntur. Ignorántur, et condemnántur; morte afficiúntur, et vivificántur. Mendíci sunt, et ditant multos; ómnibus rebus índigent, et ómnia illis redúndant. Dedecorántur, et inter dedécora afficiúntur glória; fama eórum lacerátur, et iustítiæ eórum testimónium perhibétur. Obiurgántur, et benedícunt; contumelióse tractántur, et honórem déferunt. Cum bonum fáciant, tamquam ímprobi puniúntur; dum puniúntur, gaudent, tamquam vivificéntur. Iudæi advérsus eos tamquam alienígenas bellum gerunt et gentíles eos persequúntur; atque causam inimicitiárum dícere osóres néqueunt.

Ut autem simplíciter dicam: quod est in córpore ánima, hoc sunt in mundo christiáni. Dispérsa est per ómnia córporis membra ánima; et christiáni per mundi civitátes. Hábitat quidem in córpore ánima, sed non est e córpore; et christiáni in mundo hábitant, sed non sunt e mundo. Invisíbilis ánima in visíbili custodítur córpore; et christiáni conspiciúntur quidem in mundo degéntes, sed invisíbilis est eórum píetas. Odio et bello ánimam caro proséquitur nulla affécta iniúria, quia voluptátibus frui prohibétur; odit et christiános mundus nulla afféctus iniúria, quia voluptátibus repúgnant.

Anima carnem amat, quæ ipsam odit, et membra; et christiáni osóres amant. Inclúsa quidem est ánima córpore, sed ipsa cóntinet corpus; et christiáni detinéntur quidem in mundo tamquam in custódia, sed ipsi cóntinent mundum. Immortális ánima in mortáli tabernáculo hábitat; et christiáni peregrinántur in corruptibílibus, cæléstem incorruptibilitátem exspectántes. Anima cibis et potiónibus male tractáta fit mélior; et christiáni supplíciis affécti cotídie número crescunt. In tanta eos statióne pósuit Deus, quam nefas est iis defúgere.


Tweede lezing

Uit de ‘Brief aan Diognetus’
(Nn. 5-6: Funk 1, 317-321)

Christenen in de wereld

De Brief aan Diognetus van een anonieme auteur wordt gedateerd vóór het jaar 200 en is gericht aan een zekere Diognetus die informatie heeft gevraagd over het typische karakter en de moraliteit van het christendom. In de collecties van de geschriften van de Kerkvaders komt deze Brief niet voor.

De christenen verschillen noch door landstreek noch door taal noch door levenswijze van de overige mensen. Want zij wonen niet in aparte steden, hebben geen eigen vreemde taal en leiden geen ongewoon leven. Hun leer is geen uitvinding van het verstand en van de zorg van zoekende mensen, zij volgen niet, zoals sommigen, menselijke leerstellingen.

Zij wonen zowel in steden van Grieken als van niet-Grieken, zoals ieders lot dat meebracht, en volgden de gebruiken in kleding, voedsel en leven van het land, waar zij wonen. En naar het gevoelen van allen volgen zij een bewonderenswaardige en ongelofelijke levenswijze. Zij wonen in hun eigen vaderland, maar als zonder burgerrechten; zij hebben met de anderen alles gemeenschappelijk als burgers, maar verduren alles als vreemden.
Elk vreemd land is hun vaderland, maar ook elk vaderland is voor hen een vreemd land.
Zij huwen allen en brengen kinderen voort, maar ze werpen de vrucht niet weg.
Zij delen hun tafel met allen, maar niet hun bed.
Zij leven in het vlees, maar niet naar het vlees.
Zij wonen op aarde, maar hebben hun burgerrecht in de hemel.
Zij onderhouden de voorgeschreven wetten, maar stijgen er door hun levenswijze bovenuit.
Zij beminnen allen, maar allen vervolgen hen.
Zij worden miskend en veroordeeld; zij worden gedood, maar leven.
Zij zijn bedelaars en maken toch velen rijk.
Zij lijden aan alles gebrek en toch hebben zij alles in overvloed.
Zij worden veracht, maar die verachting strekt hun tot roem.
Zij worden belasterd, maar die laster wordt weerlegd.
Zij worden gesmaad, maar zegenen; zij worden met minachting behandeld en bewijzen zelf eer. Hoewel zij het goede doen, worden ze als boosdoeners gestraft.
Terwijl zij gestraft worden, juichen zij als werden zij ten leven gewekt.
De Joden bestrijden hen als vreemden en de heidenen vervolgen hen; maar die hen haten kunnen geen reden opgeven voor hun vijandige gezindheid.

Om het maar eenvoudig te zeggen: wat de ziel is in het lichaam, dat zijn de christenen in de wereld. De ziel is verspreid over alle delen van het lichaam; zo zijn het ook de christenen over de steden in de wereld. De ziel woont wel in het lichaam, maar komt niet voort uit het lichaam; zo wonen de christenen in de wereld, maar zijn niet van de wereld afkomstig. De onzichtbare ziel huist in een zichtbaar lichaam; de christen ziet men wel in de wereld leven, maar hun deugd is onzichtbaar. Het vlees haat en bestrijdt de ziel, hoewel het van die ziel geen onrecht lijdt, maar omdat het gehinderd wordt van de wellust te genieten. Ook de wereld haat de christenen, hoewel de wereld van hen geen onrecht heeft te verduren, maar omdat zij zich tegen de wellust verzetten.

De ziel bemint het lichaam en zijn ledematen, maar dit lichaam haat de ziel. De christenen beminnen ook, die hen haten. De ziel is wel in het lichaam opgesloten, maar zij houdt dat lichaam in stand; zo worden de christenen in de wereld wel als in een gevangenis vastgehouden, maar zij houden die wereld in stand. De onsterfelijke ziel woont in een sterfelijk omhulsel; de christenen verblijven als vreemden in het vergankelijke, maar verwachten een hemelse onvergankelijkheid. De ziel, die slecht gediend is met spijs en drank, wordt er toch beter door; zo groeien de christenen dagelijks in aantal, hoewel ze folteringen doorstaan. In zo’n toestand heeft God ze geplaatst, die ze niet mogen ontvluchten.

zaterdag 1 mei 2021

Lezingen H. Mis 5e zondag van Pasen jaar B - Als gij in Mij blijft en mijn woorden in u blijven, vraagt dan wat gij wilt en gij zult het krijgen.

Eerste lezing (Hand. 9, 26-31)
Uit de Handelingen der Apostelen.
In die tijd deed Paulus,
in Jeruzalem aangekomen,
pogingen zich bij de leerlingen aan te sluiten,
maar allen waren bang van hem,
omdat zij niet konden geloven, dat hij een leerling was.
Barnabas trok zich zijn lot aan,
bracht hem bij de apostelen
en verhaalde hun, hoe hij onderweg de Heer gezien had
en dat Deze tot hem had gesproken,
en hoe hij in Damascus vrijmoedig opgetreden was
in de Naam van Jezus.
Voortaan ging hij in Jeruzalem geregeld met hen om,
terwijl hij onverschrokken optrad in de Naam van de Heer.
Hij sprak en disputeerde met de Hellenisten.
Dezen probeerden hem te vermoorden.
Toen de broeders dit te weten kwamen,
brachten ze hem weg naar Caesarea
en lieten hem naar Tarsus vertrekken.
Nu genoot de Kerk in heel Judea, Galilea en Samaria vrede;
zij werd steeds meer bevestigd in de vreze des Heren
en nam gestadig in aantal toe
door vertroosting van de heilige Geest.

Tweede lezing (1 Joh. 3, 18-24)
Uit de eerste brief van de heilige apostel Johannes.
Vrienden,
wij moeten niet liefhebben met woorden en leuzen,
maar met concrete daden.
Dat is onze maatstaf;
daardoor krijgen wij de zekerheid,
dat wij thuishoren bij de waarachtige God.
Dan mogen wij ook voor zijn aanschijn ons geweten geruststellen,
ook als het ons veroordeelt,
want God is groter dan ons hart
en Hij weet alles.
Dierbare vrienden,
daar ons geweten ons dus niet hoeft te veroordelen,
mogen wij vrijmoedig met God omgaan;
wij krijgen van Hem alles wat wij vragen,
omdat wij zijn geboden onderhouden
en doen wat Hem aangenaam is.
En dit is zijn gebod:
van harte geloven in zijn Zoon Christus
en elkaar liefhebben, zoals Hij ons bevolen heeft.
Wie zijn geboden onderhoudt,
blijft in God
en God blijft in hem.
En dat Hij in ons woont,
weten we door de Geest, die Hij ons gegeven heeft.

Evangelie (Joh. 15, 1-8)
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Ik ben de ware wijnstok
en mijn Vader is de wijnbouwer.
Elke rank aan Mij, die geen vrucht draagt,
snijdt Hij af;
en elke die wel vrucht draagt,
zuivert Hij, opdat zij meer vrucht mag dragen.
Gij zijt al rein dankzij
het woord dat Ik tot u gesproken heb.
Blijft in Mij,
dan blijf Ik in u.
Zoals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf,
maar alleen als zij blijft aan de wijnstok,
zo gij evenmin als gij niet blijft in Mij.
Ik ben de wijnstok, gij de ranken.
Wie in Mij blijft, terwijl Ik blijf in hem,
die draagt veel vrucht,
want los van Mij kunt gij niets.
Als iemand niet in Mij blijft,
wordt hij weggeworpen als rank en verdort;
men brengt ze bij elkaar, gooit ze in het vuur en ze verbranden.
Als gij in Mij blijft en mijn woorden in u blijven,
vraagt dan wat gij wilt en gij zult het krijgen.
Hierdoor wordt mijn Vader verheerlijkt,
dat gij rijke vruchten draagt;
zo zult gij mijn leerlingen zijn.”

Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven” Vijfde zondag van Pasen Als ingewijden in uw waarheid, een leven leiden dat u waardig is


Christus ontvangt brood en wijn voor de H. Eucharistie
Als ingewijden in uw waarheid, een leven leiden dat u waardig is

I n l e i d i n g
Op donderdag onder het paasoctaaf sprak de Postcommunio van de “heilige uitwisseling van gaven die ons verlossing brengt.” In het Gebed over de gaven van deze zondag gaat het om de “vererenswaardige uitwisseling van dit offer”. Door deze ‘ruil’ laat God ons delen in het innerlijke leven van de ene en hoogste Godheid. Dit meest verheven denkbare goed is de tegengave van hetgeen de mensheid in het Offer van Christus heeft aangeboden: de enige Zoon van God, die ook in het Eucharistische Offer de Offergave zonder onderbreking is. Het Gebed over de gaven formuleert die onuitsprekelijke genade van onze verlossing, zoals die ons is geopenbaard: dat wij mogen delen in de goddelijke natuur: “Hij heeft ons begiftigd met kostbare, verheven beloften, opdat u, ontkomen aan het bederf en de zelfzucht van de wereld, deel zou hebben aan de goddelijke natuur” (2 Petr 1, 4). Op deze geopenbaarde waarheid bouwt de oratie voort: het is immers niet voldoende deze verheven waarheid te erkennen. Uiteraard stelt zij eisen aan onze manier van leven. Weliswaar is het delen in de goddelijke natuur ons in het Doopsel, toen wij echt kind van God werden, reeds geschonken. Maar deze gave moet door een christelijk leven, de Naam van Christus waardig en met verwerping van hetgeen niet aan die Naam beantwoordt, worden eigen gemaakt. Om die reden bidt de Kerk dat wij niet alleen kennis van de waarheid dragen, maar ook mogen verwerven wat zij belooft, namelijk in dit leven een werkzame, vruchtbare kennis van en liefde tot Christus, tegelijk met de genade minder te struikelen, en in de toekomst ruime toegang tot het eeuwige Koninkrijk van Jezus de Heer.

T e k s t
Missale Romanum – 1970
Deus, qui nos, per huius sacrificii veneranda commercia,
unius summæque divinitatis participes effecisti,
præsta, quæsumus,
ut, sicut tuam cognovimus veritatem,
sic eam dignis moribus assequamur.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie – 1979
Heer, door de heilige uitwisseling van gaven in dit offer
laat Gij ons delen in het ene, hoogverheven goddelijk leven.
Wij bidden U:
geef dat wij, als ingewijden in uw waarheid,
een leven leiden dat u waardig is.

Werkvertaling 
God, die ons, door de vererenswaardige uitwisselingen van dit offer
deelgenoot heeft gemaakt van de ene, allerhoogste Goddelijkheid,
verleen, vragen wij U
dat wij, [juist] zoals wij Uw waarheid kennis dragen van Uw waarheid
haar zo ook door een waardig leven mogen/kunnen verwerven.

L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n
De brontekst van deze oratio super munera/oblata of oratio secreta gaat terug tot op het Sacramentarium Gelasianum Vetus, Vat. Reg. lat. 316, 553, - eerste helft achtste eeuw . Sindsdien werd deze oratie met minieme varianten in meer dan 48 codices overgeleverd en stond in deze codices genoteerd onder de rubrieken: Secreta van Dominica post Pascha, collectio <ad pacem> Vetus Gallicanum; Dominica Ia post oct. Paschæ seu IIa post Pascha; Dom. IIIa post octavam (clausum GelasV) Paschæ seu IVa post Pascha.
(Zie: E. Mœller, J.M. Clément en B. Coppieters ’t Wallant, Corpus Orationum, III, D, Brepols, Turnhout 1993, p. 97-98, nr. 1907 A en B-versie, Br 409).
In het Romeins Missaal 1962 had deze oratie als Secreta haar plaats in het misformulier van  zaterdag in de paasweek (MR 124).
Deze Secreta kreeg in de Novus Ordo van het Missale Romanum [MR 1970] haar plaats als Super oblata van de 5e zondag van Pasen, met andere woorden vandaag. De oratie is een zeldzaam voorbeeld van de gebeden die door alle hervormingen heen hun eigen plaats behielden. In MR 1962 is hetzelfde gebed ook de Secreta van de 18e zondag na Pinksteren en in MR 1970 ook dat van donderdag in de derde week van Pasen.

S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l f i g u r e n
1.Deus, qui nos, per huius sacrificii veneranda commercia,
unius summæque divinitatis participes effecisti,
2.præsta, quæsumus,
3a. ut, 3b. sicut tuam cognovimus veritatem,
3a. sic eam dignis moribus assequamur.

Het Gebed over de gaven bestaat uit één enkele zin, samengesteld uit een openingszin, waarin God aan de spits van de oratie wordt aangesproken, gevolgd door een relatieve bijzin waarin een Hem kenmerkende bijzondere genade (heilsdaad) wordt vermeld (regel 1). Daarop volgt een opwekking, aansporing in de imperativusvorm, præsta, verleen, geef, schenk – afgezwakt door quæsumus, zoals in vele oraties het geval is, bijvoorbeeld in het Gebed over de gaven van de vierde zondag van Pasen. Tenslotte volgt de inhoudelijke bede in een finale/doelaanwijzende of consecutieve/gevolghebbende bijzin (r. 3a), ingeleid door het voegwoord ut [ut…sic…assequamur] met het prædicaat assequamur in de coniunctivusvorm vanwege het wenskarakter uitgedrukt in ut. Deze bijzin wordt onderbroken door de ondergeschikte (sub) bijzin (r. 3b) sicut …veritatem, een comparatieve (vergelijkende) bijzin in de indicativus  omdat hier sprake is van een feitelijkheid. 

Ad 1
Deus, God, - anaklese in de vocativusvorm;
qui effecisti, die hebt gemaakt -  prædicaat, 2e pers. perfecti activi van efficere, effeci, effectum met betekenissen als 1.voortbrengen 2. veroorzaken, bewerken 3. maken.
Qui, die – reflexivum, met Deus als antecedent, dat de relatieve bijzin inleidt. Het prædicaat, in de indicativus, heeft een dubbel object bij zich in de accusativusvormen meervoud nos en participes (van particeps, participis): die ons hebt gemaakt tot deelgenoten van.
Met deze accusativusvormen is de bijvoeglijke bepaling unius summæque divinitatis verbonden, een woordgroep van drie congruerende genitivusvormen: genitivus partitivus.
Per huius sacrificii veneranda commercia, door de vererenswaardige uitwisseling(en) van dit
Offer: voorzetselbepaling samengesteld uit de præpositie per + twee congruerende accusativusvormen die nader worden bepaald door de ingesloten congruerende genitivusvormen: huius sacrificii. Veneranda is een bijvoeglijk gebruikte vorm (accus. meerv. onzijdig) van de gerundivumvorm venerandus, -, -um, van het deponens venerari.

In deze relatieve bijzin wordt gewag gemaakt van de bijzondere genade, door God ons verleend, waardoor wij deelachtig worden aan het ene en hoogverheven goddelijke leven.
De H. Eucharistie is “de oorsprong en hoogtepunt van heel het christelijke leven” (fons et culmen). In dit Sacrament, in élk H. Misoffer, ligt heel het geestelijk goed van de Kerk vervat, namelijk Christus Zelf, ons Paaslam (CKK 1324). Christus kan alleen tot ons komen door zijn Mystiek Lichaam, de Kerk. Dit heeft Hij bewerkt door het schuldloze Offer van Zijn leven in ruil (commercia) voor onze zonden. Christus heeft de schuldbrief van de oude zonde uitgewist met het bloed van Zijn Hart. “Dit is het paasfeest, waarop het ware Lam wordt geslacht, Zijn bloed heiligt de deuren van hen die geloven” (vgl. Paasjubelzang Exsultet).
(Opmerking: de uitdrukking ‘de deuren’ verwijst naar de laatste plaag voorafgaand aan de Uittocht uit Egypte: de deurposten van de Joden moesten gemerkt worden met het bloed van het Paaslam dat was geslacht en genuttigd. Dit teken had tot gevolg dat de Engel des doods deze deuren voorbijging en de eerstgeborenen spaarde (vgl. Ex 18, 5-19).

Ad 2
præsta, quæsumus: zoals boven reeds besproken

Ad 3a-3b
De finale/doelaanwijzende resp. consecutieve/gevolgaanduidende bijzin, ingeleid door het voegwoord ut met het prædicaat assequamur in de coniunctivusvorm vanwege het wens-, gebedskarakter, (r. 3a) wordt onderbroken door een vergelijkende sub-bijzin (r. 3b) met het gezegde cognovimus in de indicativusvorm van het perfectum op grond van een ervaren feitelijkheid. Cognovimus heeft als object de congruerende accusativusvormen tuam […] veritatem bij zich, die door uiteen plaatsing een hyperbaton vormen.
3a. ut, [3b. sicut tuam cognovimus veritatem], 3a. sic eam dignis moribus assequamur: Opdat/zodat wij, zoals wij Uw waarheid hebben leren kennen, haar (deze) zó ook door een waardige levenswandel mogen verkrijgen.
Dignis moribus, door waardige zeden, door waardig te leven, - bijwoordelijke bepaling in twee congruerende ablativusvormen die het middel waardoor, de weg waarlangs, de wijze waarop, aanduiden (ablativus instrumentalis of modi) om die waarheid te verkrijgen.

Wanneer in de H. Eucharistie het Verbond van God met de mensen wordt vernieuwd, lokt en ontvlamt dit de gelovigen tot een vurige wederliefde tot Christus. Christus is de eerste oorzaak (vgl. Sacrosanctum Concilium, Constitutie over de H. Liturgie, 10). “Christus, ons Paaslam is geslacht, laten wij dan feestvieren met het zuivere Brood van reinheid en waarheid” (1 Kor 5, 7-8).
Christus leert ons in het Evangelie uit hoe wij moeten leven: “'Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand. Dit is het voornaam­ste en eerste gebod. Het tweede, daarmee gelijkwaar­dig: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf. Aan deze twee geboden hangt heel de Wet en de Profeten” (Mt. 22, 37-40)

K l e i n  v o c a b u l a r i u m
Mos, moris, m. – 1. gewoonte, zede, gebruik: ex more, naar gewoonte 2. wil, eigen wil, eigen zin 3. regel, voorschrift, wet 4. plural.: mores, morum, (goede) zeden, karakter, levenswandel. Het begrip komt voor in verbinding met boni mores, goede gewoonten / zeden;  digni mores, waardige zeden (d.i. zeden de Naam van christen waardig); angelicis…da moribus vivere (postcommunio 21 juni, MR 1962), geef ons, schenk ons te leven als de Engelen (na te zijn gevoed met het Brood der Engelen, de H. Eucharistie). Vgl. in het Nederlands spraakgebruik de uitdrukking: “iemand mores leren”, iemand leren hoe hij zich moet gedragen, met name binnen een bepaalde beroepsgroep zoals artsen of binnen de advocatuur. Omdat dit meestal naar aanleiding van een misdraging geschiedde, werd de betekenis gaandeweg: 'iemand scherp terechtwijzen, straffen, ervan langs geven'. Bij studentencorpora gebruikt men mores nog steeds voor 'de regels'.
Van de Romeinse orator en politicus Cicero (106-43 v.Chr.) stamt de uitdrukking: 'O tempora, o mores!' te vertalen met ‘In wat voor tijden leven we toch, met wat voor gewoonten!' ter aanduiding van het morele verval in het Romeinse Rijk te typeren. 'O tempora, o mores!' wordt in veel gevallen ironisch gebruikt: 'Waar moet het heen met de wereld?'
Assequamur, 1e pers. meervoud van de coniunctivusvorm præsentis van het deponens assequi, assecutus sum met betekenissen 1. bereiken 2. verkrijgen, verwerven 3. aankleven, volgen

G e t u i g e n i s  v a n  d e  V a d e r s
H. Cyrillus van Jeruzalem in zijn Catecheses Mystagogicæ, 22 :
“Laten wij daarom Zijn Lichaam en Bloed met volle overtuiging als Lichaam en Bloed van Christus tot ons nemen. Want onder het teken van brood wordt U Zijn Lichaam, onder het teken van wijn  Zijn Bloed geschonken opdat u door het nuttigen van het Lichaam en Bloed van Christus één van lichaam en één van bloed met Hem wordt. Insgelijks worden wij zo Christusdragers, als Zijn Lichaam en Zijn Bloed over onze ledematen verspreid worden. Op die manier worden wij volgende de heilige Petrus deelgenoten aan de goddelijke natuur”.      

Hilarius van Poitiers in De Trinitate Lib. 8, 13-16:
“Hoezeer wij in Hem zijn door het Sacrament, waarin Hij ons Zijn Vlees en Bloed meedeelt, getuigt Hij zelf, als Hij zegt: En deze wereld ziet Mij niet meer; gij echter zult Mij want Ik leef en ook gij zult leven; want Ik ben in Mijn Vader en gij zijt in Mij en Ik in u. Als Hij alleen maar een eenheid van gezindheid had bedoeld, waarom sprak Hij dan van een zekere trap en orde bij de vervulling van die eenheid, als het niet was dat wij zouden geloven, dat: zoals Hij door de natuur van Zijn Godheid in de Vader is, wij daarentegen in Hem zouden zijn door Zijn lichamelijke geboorte, en Hij weer in ons door het geheim van Zijn sacramenten; en zo zou de volmaakte eenheid door de Middellaar worden onderwezen.  Terwijl wij in Hem blijven, verblijft Hij in de Vader en terwijl Hij in de Vader blijft, verblijft Hij in ons.  En zo gaan wij voort naar de vereniging met de Vader, want Hij, die door Zijn geboorte van nature in de Vader is, laat ook ons van nature in de Vader zijn, omdat Christus van nature in ons blijft. En hoe natuurlijke die eenheid in ons is, heeft Hij zelf getuigd: Wie Mijn Vlees eet en Mijn Bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. Want niemand zal in Hem zijn, als Hijzelf al niet in hem aanwezig was, alleen diens vlees zal Hij in zich opgenomen houden, die het zijne genuttigd heeft”.              

H. Leo de Grote, paus, in Sermo 63, 7:
“Niets anders immers werkt de deelname aan het Lichaam en Bloed van Christus uit, dan dat wij veranderd worden in datgene, wat wij nuttigen; en dat wij Hem, in Wie wij medegestorven, medebegraven en medeverrezen zijn, in alle opzichten in onze geest en in ons vlees dragen, volgens het woord van de apostel: “Gij zijt immers gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God. Maar wanneer Christus, uw leven, verschijnen zal in de heerlijkheid , dan zult gij ook verschijnen in de heerlijkheid te samen met hem” (Kol 3, 3 ev.), die met de Vader en de Heilige Geest leeft en heerst in de eeuwen der eeuwen”.         
         
C o m m e n t a a r
Over het gebruik van de term “commercium” in liturgische en andere teksten is door de eeuwen heen veel gespiegeld en geschreven. Op dit weblog gebeurde dit ondermeer in het commentaar bij de Oratio super munera van Eerste Kerstdag. In die oratie prijken dan de woorden “per haec sacrosancta commercia” – die wij in de werkvertaling toen hebben vertaald met “door deze hoogheilige uitwisseling”. Deze zondag betreft het de passage: “per huius sacrificii veneranda commercia” in werkvertaling: “door de vererenswaardige ruil van dit offer”.
De uitdrukking “commercium” gaat terug op de ruilhandel, de uitwisseling van goederen tussen mensen. “Do ut des”- “ik geef opdat jij geeft”: Een koe voor twee schapen. Commercium kan ook duiden op correspondentie “epistolarum commercium”. De moderne mens schrijft niet meer zo vaak brieven. Dat is jammer want op die manier kan in het intellectuele vlak een rustige, over en weer begripsvolle en bezonnen uitwisseling (een “commercium” in het intellectuele vlak) van gedachten plaats vinden die niet zelden redelijke mensen voert tot een beter begrip van elkaar en zelfs tot een kwalitatief beter gemeenschappelijk standpunt dan dat zij voor die tijd hadden.
Ook zuiver geestelijke goederen kunnen worden uitgewisseld en ook tekens van liefde tussen de mensen onderling die niet zoals handelsgoederen “pretio æstimabilia” – op hun geldwaarde te schatten zijn, denk aan de uitwisseling van trouwringen die voor meer staan dan over en weer gegeven ronde gouden voorwerpjes.

In “sacrosanctum c.q. veneramdum commercium” – de hoogheilige uitwisseling- gaat het niet om zakelijke ruilhandel of intellectuele uitwisseling, en zelfs niet alleen een zuiver theologische duiding. Wanneer de liturgie spreekt van een heilige uitwisseling, is dat bedoeld als een lofprijzing op de goedheid van God, op zijn edelmoedigheid, die een dergelijke uitwisseling mogelijk maakt. Het fundament is dat God de Gever van al het goede is. Hij is het die de mensen het eerst heeft liefgehad en het eerst zijn barmhartigheid heeft geschonken. En God schenkt zó, dat degenen aan wie wordt geschonken deze gaven ook werkelijk bezitten en er als eigenaar over kunnen beschikken. Om die reden is het dan ook een reëel schenken en – tegenover God – een werkelijk offeren. Deze toedracht is de grondslag van elke uitwisseling, en het komt uit Zijn unieke liefde voort dat Hij het aldus heeft geschikt.