Posts tonen met het label Dominica V Paschae. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Dominica V Paschae. Alle posts tonen

zaterdag 17 mei 2025

The Love That Jesus Commands - Bishop Barron's Sunday Sermon - VPC

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Dominica V Paschæ Christus est dies


Ad Officium lectionis


Lectio altera

Ex Sermónibus sancti Máximi Taurinénsis epíscopi
(Sermo 53, 1-2. 4: CCL 23, 214-216)

Christus est dies

Per resurrectiónem Christi aperítur tártarum, per neóphytos Ecclésiæ innovátur terra, cælum per Sanctum Spíritum reserátur; apértum enim tártarum reddit mórtuos, innováta terra gérminat resurgéntes, cælum reserátum súscipit ascendéntes.

Dénique ascéndit latro in paradísum, sanctórum córpora ingrediúntur in sanctam civitátem, ad vivos mórtui revertúntur; et proféctu quodam in resurrectióne Christi ad altióra cuncta eleménta se tollunt.

Tártarum quos habet reddit ad súperos, terra quos sépelit mittit ad cælum, cælum quos súscipit repræséntat ad Dóminum; et una eadémque operatióne Salvatóris pássio élevat de imis, súscitat de terrénis, cóllocat in excélsis.

Resurréctio enim Christi defúnctis est vita, peccatóribus vénia, sanctis est glória. Omnem ergo creatúram ad festivitátem resurrectiónis Christi prophéta sanctus invítat; ait enim exsultándum in hac die quam fecit Dóminus et lætándum.

Lux Christi dies est sine nocte, dies sine fine. Quod autem iste dies Christus sit, Apóstolus dicit: Nox præcéssit, dies autem appropinquávit. Præcéssit, inquit, nox, non séquitur, ut intéllegas, superveniénte Christi lúmine, diáboli ténebras effugári et peccatórum obscúra non súbsequi; et iugi splendóre prætéritas calígines depélli, subrepéntia delícta prohibéri.

Ipse est enim dies Fílius, cui Pater dies divinitátis suæ erúctat arcánum. Ipse, inquam, est dies, qui ait per Salomónem: Ego feci ut orirétur in cælo lumen indefíciens.

Sicut ergo diem cæli nox omníno non séquitur, ita et Christi iustítiam peccatórum ténebræ non sequúntur. Semper enim dies cæli splendet, lucet et fulget, neque áliqua potest obscuritáte conclúdi; ita et lumen Christi semper micat, rádiat, corúscat, nec áliqua potest delictórum calígine comprehéndi, unde ait evangelísta Ioánnes: Et lux in ténebris lucet, et ténebræ eam non comprehendérunt.

Igitur, fratres, omnes in hac die sancta exsultáre debémus. Nullus se a commúni lætítia peccatórum consciéntia súbtrahat, nullus a públicis votis delictórum sárcina revocétur! Quamvis enim peccátor, in hac die de indulgéntia non debet desperáre; est enim prærogatíva non parva. Si enim latro paradísum méruit, cur non mereátur véniam christiánus?

Tweede lezing

Uit de preken van de H. Maximus van Turijn, bisschop.
(Sermo 53, 1-2. 4: CCL 23, 214-216)

Christus is de dag

Door de verrijzenis van Christus wordt de onderwereld geopend, door de nieuw gedoopten in de Kerk wordt de aarde vernieuwd en door de H. Geest wordt de hemel ontsloten. Want de geopende onderwereld geeft haar doden terug, de hernieuwde aarde brengt verrijzenden voort en de ontsloten hemel neemt die opstijgenden op.

Tenslotte stijgt de goede moordenaar op naar het paradijs, de lichamen der heiligen komen in de Heilige Stad, doden worden weer levend en door een zekere werking bij de verrijzenis van Christus verheffen alle elementen zich tot een hogere orde.

De onderwereld geeft wat ze heeft aan de bovenwereld terug; de aarde zendt degenen, die ze begraven heeft, naar de hemel; de hemel geleidt hen, die hij ontvangt, tot voor de Heer. Door een en dezelfde werking verheft het lijden van de Verlosser hen vanuit de diepten, doet hen opstaan van het aardse en plaatst hen in de hoogten.

Want de verrijzenis van Christus is voor de overledenen het leven, voor de zondaars de vergiffenis, voor de heiligen de glorie. Elk schepsel wordt tot het feest van de Verrijzenis van Christus door de heilige profeet uitgenodigd. Want hij zegt, dat men op deze dag, die de Heer gemaakt heeft, moet jubelen en zich verheugen.

Het licht van Christus is een dan zonder nacht, een dag zonder einde. Maar dat die dag Christus zelf is, zegt de Apostel: De nacht is voorbij, de dag breekt aan. Hij zegt: De nacht is voorbij ze volgt niet, opdat ge zoudt begrijpen, dat bij het verschijnen van Christus’ licht en duisternissen van de duivel worden verdreven en de donkerte van de zonde niet meer volgt: dat de vroegere duisternissen door een blijvende glans zijn verdreven en de misdaad niet meer kan binnensluipen.

De Zoon zelf toch is de dag, aan Wie de Vader als de dag de verborgenheden van zijn Godheid schenkt. Ik zeg, de dag is Hijzelf, die door Salomon zegt: Ik deed het blijvende licht aan de hemel opgaan.

Zoals er dus geen sprake van is, dat in de hemel op de dag een nacht zal volgen, zo zullen op Christus’ gerechtigheid geen duisternissen volgen van zonden. Want altijd schittert de dag in de hemel, geeft daar licht en glans, en kan niet door enige duisternis omsloten worden. Zo ook schittert altijd het licht van Christus, straalt en glanst, en kan niet omhuld worden door een duisternis van boosheid. Vandaar dat de Evangelist Johannes zegt: En het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis nam het niet aan.
Daarom, broeders, moeten wij allen juichen op deze heilige dag. Niemand mag zich aan de algemene vreugde onttrekken door het bewustzijn van zijn zonden. Niemand worde door de last van zijn misdaden teruggehouden van het openbaar gebed! Want hoewel iemand zondaar is, moet hij op deze dag niet wanhopen aan de vergiffenis, haar aanduiding is immers niet gering. Want als de goede moordenaar het paradijs verdiende, waarom zou dan de christen geen vergiffenis verdienen?


Introitus: Cantate Domino canticum novum Dominica V Paschae

Lezingen H. Mis 5e zondag van Pasen, jaar C - Gij moet elkaar liefhebben; zoals Ik u heb liefgehad,

Eerste lezing (Hand. 14, 21-27)
Uit de Handelingen van de Apostelen.
In die dagen keerden Paulus en Barnabas terug naar Lystra, Ikonium en Antiochië. Daar bevestigden zij de leerlingen in hun goede gesteldheid, spoorden hen aan in het geloof te volharden en zeiden dat zij door vele kwellingen het Rijks Gods moeten binnengaan. In elke gemeente stelden zij na gebed en vasten oudsten voor hen aan, en vertrouwden hen toe aan de Heer in wie zij nu geloofden. Zij reisden door Pisidië naar Pamfylië, predikten het woord in Perge en bereikten Attalia. Daar gingen ze scheep naar Antiochië vanwaar zij, aan Gods genade toevertrouwd, vertrokken waren naar het werk dat zij volbracht hadden. Na hun aankomst riepen zij de gemeente bijeen en vertelden alles wat God met hun medewerking tot stand had gebracht en hoe Hij voor de heidenen de poort van het geloof had geopend.

Tweede lezing (Apok. 21, 1-5a)
Uit de Openbaring van de heilige apostel Johannes.
Ik, Johannes, zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; de eerste hemel en de eerste aarde waren verdwenen en de zee bestond niet meer. En ik zag de heilige Stad, het nieuwe Jeruzalem van God uit de hemel neerdalen, schoon als een bruid die zich voor haar man heeft getooid. Toen hoorde ik een machtige stem die riep van de troon: “Zie hier Gods woning onder de mensen! Hij zal bij hen wonen. Zij zullen zijn volk zijn en Hij, God-met-hen, zal hun God zijn. En Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen en de dood zal niet meer zijn; geen rouw, geen geween, geen smart zal er zijn want al het oude is voorbij.” En Hij die op de troon is gezeten sprak: “Zie Ik maak alles nieuw.”

Evangelie (Joh. 13, 31-33a.34-35)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes.
In die tijd zei Jezus tot de leerlingen: “Nu is de Mensenzoon verheerlijkt en God is verheerlijkt in Hem. Als God in Hem verheerlijkt is zal God ook Hem in zichzelf verheerlijken, ja, Hij zal Hem spoedig verheerlijken. Kindertjes, nog maar kort zal Ik bij u zijn. Een nieuw gebod geef Ik u: gij moet elkaar liefhebben; zoals Ik u heb liefgehad, zo moet gij elkaar liefhebben. Hieruit zullen allen kunnen opmaken dat gij mijn leerlingen zijt: als gij de liefde onder elkaar bewaart.”


zaterdag 1 mei 2021

Lezingen H. Mis 5e zondag van Pasen jaar B - Als gij in Mij blijft en mijn woorden in u blijven, vraagt dan wat gij wilt en gij zult het krijgen.

Eerste lezing (Hand. 9, 26-31)
Uit de Handelingen der Apostelen.
In die tijd deed Paulus,
in Jeruzalem aangekomen,
pogingen zich bij de leerlingen aan te sluiten,
maar allen waren bang van hem,
omdat zij niet konden geloven, dat hij een leerling was.
Barnabas trok zich zijn lot aan,
bracht hem bij de apostelen
en verhaalde hun, hoe hij onderweg de Heer gezien had
en dat Deze tot hem had gesproken,
en hoe hij in Damascus vrijmoedig opgetreden was
in de Naam van Jezus.
Voortaan ging hij in Jeruzalem geregeld met hen om,
terwijl hij onverschrokken optrad in de Naam van de Heer.
Hij sprak en disputeerde met de Hellenisten.
Dezen probeerden hem te vermoorden.
Toen de broeders dit te weten kwamen,
brachten ze hem weg naar Caesarea
en lieten hem naar Tarsus vertrekken.
Nu genoot de Kerk in heel Judea, Galilea en Samaria vrede;
zij werd steeds meer bevestigd in de vreze des Heren
en nam gestadig in aantal toe
door vertroosting van de heilige Geest.

Tweede lezing (1 Joh. 3, 18-24)
Uit de eerste brief van de heilige apostel Johannes.
Vrienden,
wij moeten niet liefhebben met woorden en leuzen,
maar met concrete daden.
Dat is onze maatstaf;
daardoor krijgen wij de zekerheid,
dat wij thuishoren bij de waarachtige God.
Dan mogen wij ook voor zijn aanschijn ons geweten geruststellen,
ook als het ons veroordeelt,
want God is groter dan ons hart
en Hij weet alles.
Dierbare vrienden,
daar ons geweten ons dus niet hoeft te veroordelen,
mogen wij vrijmoedig met God omgaan;
wij krijgen van Hem alles wat wij vragen,
omdat wij zijn geboden onderhouden
en doen wat Hem aangenaam is.
En dit is zijn gebod:
van harte geloven in zijn Zoon Christus
en elkaar liefhebben, zoals Hij ons bevolen heeft.
Wie zijn geboden onderhoudt,
blijft in God
en God blijft in hem.
En dat Hij in ons woont,
weten we door de Geest, die Hij ons gegeven heeft.

Evangelie (Joh. 15, 1-8)
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Ik ben de ware wijnstok
en mijn Vader is de wijnbouwer.
Elke rank aan Mij, die geen vrucht draagt,
snijdt Hij af;
en elke die wel vrucht draagt,
zuivert Hij, opdat zij meer vrucht mag dragen.
Gij zijt al rein dankzij
het woord dat Ik tot u gesproken heb.
Blijft in Mij,
dan blijf Ik in u.
Zoals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf,
maar alleen als zij blijft aan de wijnstok,
zo gij evenmin als gij niet blijft in Mij.
Ik ben de wijnstok, gij de ranken.
Wie in Mij blijft, terwijl Ik blijf in hem,
die draagt veel vrucht,
want los van Mij kunt gij niets.
Als iemand niet in Mij blijft,
wordt hij weggeworpen als rank en verdort;
men brengt ze bij elkaar, gooit ze in het vuur en ze verbranden.
Als gij in Mij blijft en mijn woorden in u blijven,
vraagt dan wat gij wilt en gij zult het krijgen.
Hierdoor wordt mijn Vader verheerlijkt,
dat gij rijke vruchten draagt;
zo zult gij mijn leerlingen zijn.”

Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven” Vijfde zondag van Pasen Als ingewijden in uw waarheid, een leven leiden dat u waardig is


Christus ontvangt brood en wijn voor de H. Eucharistie
Als ingewijden in uw waarheid, een leven leiden dat u waardig is

I n l e i d i n g
Op donderdag onder het paasoctaaf sprak de Postcommunio van de “heilige uitwisseling van gaven die ons verlossing brengt.” In het Gebed over de gaven van deze zondag gaat het om de “vererenswaardige uitwisseling van dit offer”. Door deze ‘ruil’ laat God ons delen in het innerlijke leven van de ene en hoogste Godheid. Dit meest verheven denkbare goed is de tegengave van hetgeen de mensheid in het Offer van Christus heeft aangeboden: de enige Zoon van God, die ook in het Eucharistische Offer de Offergave zonder onderbreking is. Het Gebed over de gaven formuleert die onuitsprekelijke genade van onze verlossing, zoals die ons is geopenbaard: dat wij mogen delen in de goddelijke natuur: “Hij heeft ons begiftigd met kostbare, verheven beloften, opdat u, ontkomen aan het bederf en de zelfzucht van de wereld, deel zou hebben aan de goddelijke natuur” (2 Petr 1, 4). Op deze geopenbaarde waarheid bouwt de oratie voort: het is immers niet voldoende deze verheven waarheid te erkennen. Uiteraard stelt zij eisen aan onze manier van leven. Weliswaar is het delen in de goddelijke natuur ons in het Doopsel, toen wij echt kind van God werden, reeds geschonken. Maar deze gave moet door een christelijk leven, de Naam van Christus waardig en met verwerping van hetgeen niet aan die Naam beantwoordt, worden eigen gemaakt. Om die reden bidt de Kerk dat wij niet alleen kennis van de waarheid dragen, maar ook mogen verwerven wat zij belooft, namelijk in dit leven een werkzame, vruchtbare kennis van en liefde tot Christus, tegelijk met de genade minder te struikelen, en in de toekomst ruime toegang tot het eeuwige Koninkrijk van Jezus de Heer.

T e k s t
Missale Romanum – 1970
Deus, qui nos, per huius sacrificii veneranda commercia,
unius summæque divinitatis participes effecisti,
præsta, quæsumus,
ut, sicut tuam cognovimus veritatem,
sic eam dignis moribus assequamur.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie – 1979
Heer, door de heilige uitwisseling van gaven in dit offer
laat Gij ons delen in het ene, hoogverheven goddelijk leven.
Wij bidden U:
geef dat wij, als ingewijden in uw waarheid,
een leven leiden dat u waardig is.

Werkvertaling 
God, die ons, door de vererenswaardige uitwisselingen van dit offer
deelgenoot heeft gemaakt van de ene, allerhoogste Goddelijkheid,
verleen, vragen wij U
dat wij, [juist] zoals wij Uw waarheid kennis dragen van Uw waarheid
haar zo ook door een waardig leven mogen/kunnen verwerven.

L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n
De brontekst van deze oratio super munera/oblata of oratio secreta gaat terug tot op het Sacramentarium Gelasianum Vetus, Vat. Reg. lat. 316, 553, - eerste helft achtste eeuw . Sindsdien werd deze oratie met minieme varianten in meer dan 48 codices overgeleverd en stond in deze codices genoteerd onder de rubrieken: Secreta van Dominica post Pascha, collectio <ad pacem> Vetus Gallicanum; Dominica Ia post oct. Paschæ seu IIa post Pascha; Dom. IIIa post octavam (clausum GelasV) Paschæ seu IVa post Pascha.
(Zie: E. Mœller, J.M. Clément en B. Coppieters ’t Wallant, Corpus Orationum, III, D, Brepols, Turnhout 1993, p. 97-98, nr. 1907 A en B-versie, Br 409).
In het Romeins Missaal 1962 had deze oratie als Secreta haar plaats in het misformulier van  zaterdag in de paasweek (MR 124).
Deze Secreta kreeg in de Novus Ordo van het Missale Romanum [MR 1970] haar plaats als Super oblata van de 5e zondag van Pasen, met andere woorden vandaag. De oratie is een zeldzaam voorbeeld van de gebeden die door alle hervormingen heen hun eigen plaats behielden. In MR 1962 is hetzelfde gebed ook de Secreta van de 18e zondag na Pinksteren en in MR 1970 ook dat van donderdag in de derde week van Pasen.

S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l f i g u r e n
1.Deus, qui nos, per huius sacrificii veneranda commercia,
unius summæque divinitatis participes effecisti,
2.præsta, quæsumus,
3a. ut, 3b. sicut tuam cognovimus veritatem,
3a. sic eam dignis moribus assequamur.

Het Gebed over de gaven bestaat uit één enkele zin, samengesteld uit een openingszin, waarin God aan de spits van de oratie wordt aangesproken, gevolgd door een relatieve bijzin waarin een Hem kenmerkende bijzondere genade (heilsdaad) wordt vermeld (regel 1). Daarop volgt een opwekking, aansporing in de imperativusvorm, præsta, verleen, geef, schenk – afgezwakt door quæsumus, zoals in vele oraties het geval is, bijvoorbeeld in het Gebed over de gaven van de vierde zondag van Pasen. Tenslotte volgt de inhoudelijke bede in een finale/doelaanwijzende of consecutieve/gevolghebbende bijzin (r. 3a), ingeleid door het voegwoord ut [ut…sic…assequamur] met het prædicaat assequamur in de coniunctivusvorm vanwege het wenskarakter uitgedrukt in ut. Deze bijzin wordt onderbroken door de ondergeschikte (sub) bijzin (r. 3b) sicut …veritatem, een comparatieve (vergelijkende) bijzin in de indicativus  omdat hier sprake is van een feitelijkheid. 

Ad 1
Deus, God, - anaklese in de vocativusvorm;
qui effecisti, die hebt gemaakt -  prædicaat, 2e pers. perfecti activi van efficere, effeci, effectum met betekenissen als 1.voortbrengen 2. veroorzaken, bewerken 3. maken.
Qui, die – reflexivum, met Deus als antecedent, dat de relatieve bijzin inleidt. Het prædicaat, in de indicativus, heeft een dubbel object bij zich in de accusativusvormen meervoud nos en participes (van particeps, participis): die ons hebt gemaakt tot deelgenoten van.
Met deze accusativusvormen is de bijvoeglijke bepaling unius summæque divinitatis verbonden, een woordgroep van drie congruerende genitivusvormen: genitivus partitivus.
Per huius sacrificii veneranda commercia, door de vererenswaardige uitwisseling(en) van dit
Offer: voorzetselbepaling samengesteld uit de præpositie per + twee congruerende accusativusvormen die nader worden bepaald door de ingesloten congruerende genitivusvormen: huius sacrificii. Veneranda is een bijvoeglijk gebruikte vorm (accus. meerv. onzijdig) van de gerundivumvorm venerandus, -, -um, van het deponens venerari.

In deze relatieve bijzin wordt gewag gemaakt van de bijzondere genade, door God ons verleend, waardoor wij deelachtig worden aan het ene en hoogverheven goddelijke leven.
De H. Eucharistie is “de oorsprong en hoogtepunt van heel het christelijke leven” (fons et culmen). In dit Sacrament, in élk H. Misoffer, ligt heel het geestelijk goed van de Kerk vervat, namelijk Christus Zelf, ons Paaslam (CKK 1324). Christus kan alleen tot ons komen door zijn Mystiek Lichaam, de Kerk. Dit heeft Hij bewerkt door het schuldloze Offer van Zijn leven in ruil (commercia) voor onze zonden. Christus heeft de schuldbrief van de oude zonde uitgewist met het bloed van Zijn Hart. “Dit is het paasfeest, waarop het ware Lam wordt geslacht, Zijn bloed heiligt de deuren van hen die geloven” (vgl. Paasjubelzang Exsultet).
(Opmerking: de uitdrukking ‘de deuren’ verwijst naar de laatste plaag voorafgaand aan de Uittocht uit Egypte: de deurposten van de Joden moesten gemerkt worden met het bloed van het Paaslam dat was geslacht en genuttigd. Dit teken had tot gevolg dat de Engel des doods deze deuren voorbijging en de eerstgeborenen spaarde (vgl. Ex 18, 5-19).

Ad 2
præsta, quæsumus: zoals boven reeds besproken

Ad 3a-3b
De finale/doelaanwijzende resp. consecutieve/gevolgaanduidende bijzin, ingeleid door het voegwoord ut met het prædicaat assequamur in de coniunctivusvorm vanwege het wens-, gebedskarakter, (r. 3a) wordt onderbroken door een vergelijkende sub-bijzin (r. 3b) met het gezegde cognovimus in de indicativusvorm van het perfectum op grond van een ervaren feitelijkheid. Cognovimus heeft als object de congruerende accusativusvormen tuam […] veritatem bij zich, die door uiteen plaatsing een hyperbaton vormen.
3a. ut, [3b. sicut tuam cognovimus veritatem], 3a. sic eam dignis moribus assequamur: Opdat/zodat wij, zoals wij Uw waarheid hebben leren kennen, haar (deze) zó ook door een waardige levenswandel mogen verkrijgen.
Dignis moribus, door waardige zeden, door waardig te leven, - bijwoordelijke bepaling in twee congruerende ablativusvormen die het middel waardoor, de weg waarlangs, de wijze waarop, aanduiden (ablativus instrumentalis of modi) om die waarheid te verkrijgen.

Wanneer in de H. Eucharistie het Verbond van God met de mensen wordt vernieuwd, lokt en ontvlamt dit de gelovigen tot een vurige wederliefde tot Christus. Christus is de eerste oorzaak (vgl. Sacrosanctum Concilium, Constitutie over de H. Liturgie, 10). “Christus, ons Paaslam is geslacht, laten wij dan feestvieren met het zuivere Brood van reinheid en waarheid” (1 Kor 5, 7-8).
Christus leert ons in het Evangelie uit hoe wij moeten leven: “'Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand. Dit is het voornaam­ste en eerste gebod. Het tweede, daarmee gelijkwaar­dig: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf. Aan deze twee geboden hangt heel de Wet en de Profeten” (Mt. 22, 37-40)

K l e i n  v o c a b u l a r i u m
Mos, moris, m. – 1. gewoonte, zede, gebruik: ex more, naar gewoonte 2. wil, eigen wil, eigen zin 3. regel, voorschrift, wet 4. plural.: mores, morum, (goede) zeden, karakter, levenswandel. Het begrip komt voor in verbinding met boni mores, goede gewoonten / zeden;  digni mores, waardige zeden (d.i. zeden de Naam van christen waardig); angelicis…da moribus vivere (postcommunio 21 juni, MR 1962), geef ons, schenk ons te leven als de Engelen (na te zijn gevoed met het Brood der Engelen, de H. Eucharistie). Vgl. in het Nederlands spraakgebruik de uitdrukking: “iemand mores leren”, iemand leren hoe hij zich moet gedragen, met name binnen een bepaalde beroepsgroep zoals artsen of binnen de advocatuur. Omdat dit meestal naar aanleiding van een misdraging geschiedde, werd de betekenis gaandeweg: 'iemand scherp terechtwijzen, straffen, ervan langs geven'. Bij studentencorpora gebruikt men mores nog steeds voor 'de regels'.
Van de Romeinse orator en politicus Cicero (106-43 v.Chr.) stamt de uitdrukking: 'O tempora, o mores!' te vertalen met ‘In wat voor tijden leven we toch, met wat voor gewoonten!' ter aanduiding van het morele verval in het Romeinse Rijk te typeren. 'O tempora, o mores!' wordt in veel gevallen ironisch gebruikt: 'Waar moet het heen met de wereld?'
Assequamur, 1e pers. meervoud van de coniunctivusvorm præsentis van het deponens assequi, assecutus sum met betekenissen 1. bereiken 2. verkrijgen, verwerven 3. aankleven, volgen

G e t u i g e n i s  v a n  d e  V a d e r s
H. Cyrillus van Jeruzalem in zijn Catecheses Mystagogicæ, 22 :
“Laten wij daarom Zijn Lichaam en Bloed met volle overtuiging als Lichaam en Bloed van Christus tot ons nemen. Want onder het teken van brood wordt U Zijn Lichaam, onder het teken van wijn  Zijn Bloed geschonken opdat u door het nuttigen van het Lichaam en Bloed van Christus één van lichaam en één van bloed met Hem wordt. Insgelijks worden wij zo Christusdragers, als Zijn Lichaam en Zijn Bloed over onze ledematen verspreid worden. Op die manier worden wij volgende de heilige Petrus deelgenoten aan de goddelijke natuur”.      

Hilarius van Poitiers in De Trinitate Lib. 8, 13-16:
“Hoezeer wij in Hem zijn door het Sacrament, waarin Hij ons Zijn Vlees en Bloed meedeelt, getuigt Hij zelf, als Hij zegt: En deze wereld ziet Mij niet meer; gij echter zult Mij want Ik leef en ook gij zult leven; want Ik ben in Mijn Vader en gij zijt in Mij en Ik in u. Als Hij alleen maar een eenheid van gezindheid had bedoeld, waarom sprak Hij dan van een zekere trap en orde bij de vervulling van die eenheid, als het niet was dat wij zouden geloven, dat: zoals Hij door de natuur van Zijn Godheid in de Vader is, wij daarentegen in Hem zouden zijn door Zijn lichamelijke geboorte, en Hij weer in ons door het geheim van Zijn sacramenten; en zo zou de volmaakte eenheid door de Middellaar worden onderwezen.  Terwijl wij in Hem blijven, verblijft Hij in de Vader en terwijl Hij in de Vader blijft, verblijft Hij in ons.  En zo gaan wij voort naar de vereniging met de Vader, want Hij, die door Zijn geboorte van nature in de Vader is, laat ook ons van nature in de Vader zijn, omdat Christus van nature in ons blijft. En hoe natuurlijke die eenheid in ons is, heeft Hij zelf getuigd: Wie Mijn Vlees eet en Mijn Bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. Want niemand zal in Hem zijn, als Hijzelf al niet in hem aanwezig was, alleen diens vlees zal Hij in zich opgenomen houden, die het zijne genuttigd heeft”.              

H. Leo de Grote, paus, in Sermo 63, 7:
“Niets anders immers werkt de deelname aan het Lichaam en Bloed van Christus uit, dan dat wij veranderd worden in datgene, wat wij nuttigen; en dat wij Hem, in Wie wij medegestorven, medebegraven en medeverrezen zijn, in alle opzichten in onze geest en in ons vlees dragen, volgens het woord van de apostel: “Gij zijt immers gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God. Maar wanneer Christus, uw leven, verschijnen zal in de heerlijkheid , dan zult gij ook verschijnen in de heerlijkheid te samen met hem” (Kol 3, 3 ev.), die met de Vader en de Heilige Geest leeft en heerst in de eeuwen der eeuwen”.         
         
C o m m e n t a a r
Over het gebruik van de term “commercium” in liturgische en andere teksten is door de eeuwen heen veel gespiegeld en geschreven. Op dit weblog gebeurde dit ondermeer in het commentaar bij de Oratio super munera van Eerste Kerstdag. In die oratie prijken dan de woorden “per haec sacrosancta commercia” – die wij in de werkvertaling toen hebben vertaald met “door deze hoogheilige uitwisseling”. Deze zondag betreft het de passage: “per huius sacrificii veneranda commercia” in werkvertaling: “door de vererenswaardige ruil van dit offer”.
De uitdrukking “commercium” gaat terug op de ruilhandel, de uitwisseling van goederen tussen mensen. “Do ut des”- “ik geef opdat jij geeft”: Een koe voor twee schapen. Commercium kan ook duiden op correspondentie “epistolarum commercium”. De moderne mens schrijft niet meer zo vaak brieven. Dat is jammer want op die manier kan in het intellectuele vlak een rustige, over en weer begripsvolle en bezonnen uitwisseling (een “commercium” in het intellectuele vlak) van gedachten plaats vinden die niet zelden redelijke mensen voert tot een beter begrip van elkaar en zelfs tot een kwalitatief beter gemeenschappelijk standpunt dan dat zij voor die tijd hadden.
Ook zuiver geestelijke goederen kunnen worden uitgewisseld en ook tekens van liefde tussen de mensen onderling die niet zoals handelsgoederen “pretio æstimabilia” – op hun geldwaarde te schatten zijn, denk aan de uitwisseling van trouwringen die voor meer staan dan over en weer gegeven ronde gouden voorwerpjes.

In “sacrosanctum c.q. veneramdum commercium” – de hoogheilige uitwisseling- gaat het niet om zakelijke ruilhandel of intellectuele uitwisseling, en zelfs niet alleen een zuiver theologische duiding. Wanneer de liturgie spreekt van een heilige uitwisseling, is dat bedoeld als een lofprijzing op de goedheid van God, op zijn edelmoedigheid, die een dergelijke uitwisseling mogelijk maakt. Het fundament is dat God de Gever van al het goede is. Hij is het die de mensen het eerst heeft liefgehad en het eerst zijn barmhartigheid heeft geschonken. En God schenkt zó, dat degenen aan wie wordt geschonken deze gaven ook werkelijk bezitten en er als eigenaar over kunnen beschikken. Om die reden is het dan ook een reëel schenken en – tegenover God – een werkelijk offeren. Deze toedracht is de grondslag van elke uitwisseling, en het komt uit Zijn unieke liefde voort dat Hij het aldus heeft geschikt.

Liturgy of the Hours 5th Sunday of Easter Office of Readings Christ is the day


Second Reading

From a sermon by Saint Maximus of Turin, bishop

Christ is the day

Christ is risen! He has burst open the gates of hell and let the dead go free; he has renewed the earth through the members of his Church now born again in baptism, and has made it blossom afresh with men brought back to life. His Holy Spirit has unlocked the doors of heaven, which stand wide open to receive those who rise up from the earth. Because of Christ’s resurrection the thief ascends to paradise, the bodies of the blessed enter the holy city, and the dead are restored to the company of the living. There is an upward movement in the whole of creation, each element raising itself to something higher. We see hell restoring its victims to the upper regions, earth sending its buried dead to heaven, and heaven presenting the new arrivals to the Lord. In one and the same movement, our Saviour’s passion raises men from the depths, lifts them up from the earth, and sets them in the heights.
  Christ is risen. His rising brings life to the dead, forgiveness to sinners, and glory to the saints. And so David the prophet summons all creation to join in celebrating the Easter festival: Rejoice and be glad, he cries, on this day which the Lord has made.
  The light of Christ is an endless day that knows no night. Christ is this day, says the Apostle; such is the meaning of his words: Night is almost over; day is at hand. He tells us that night is almost over, not that it is about to fall. By this we are meant to understand that the coming of Christ’s light puts Satan’s darkness to flight, leaving no place for any shadow of sin. His everlasting radiance dispels the dark clouds of the past and checks the hidden growth of vice. The Son is that day to whom the day, which is the Father, communicates the mystery of his divinity. He is the day who says through the mouth of Solomon: I have caused an unfailing light to rise in heaven. And as in heaven no night can follow day, so no sin can overshadow the justice of Christ. The celestial day is perpetually bright and shining with brilliant light; clouds can never darken its skies. In the same way, the light of Christ is eternally glowing with luminous radiance and can never be extinguished by the darkness of sin. This is why John the evangelist says: The light shines in the darkness, and the darkness has never been able to overpower it.
  And so, my brothers, each of us ought surely to rejoice on this holy day. Let no one, conscious of his sinfulness, withdraw from our common celebration, nor let anyone be kept away from our public prayer by the burden of his guilt. Sinner he may indeed be, but he must not despair of pardon on this day which is so highly privileged; for if a thief could receive the grace of paradise, how could a Christian be refused forgiveness?

Collectegebed – Vijfde zondag van Pasen Ware vrijheid en erfdeel in eeuwig leven voor wie in Christus geloven


Ware vrijheid en erfdeel in eeuwig leven voor wie in Christus geloven

I n l e i d i n g

Het collectegebed (en de oratie in het Getijdengebed) van vandaag is gebaseerd op de beeldspraak van adoptie in het Nieuwe Testament. Het vloeit eveneens voort uit de oude Romeinse wettelijke concepten van het vrijlaten van slaven en het adopteren van erfgenamen. Onze adoptie door God haalt ons uit de slavernij en geeft ons een nieuwe status als vrije leden van de Kerk en als zonen en dochters. Het Doopsel verleent deze vrijheid, lidmaatschap en adoptie. Zelfs natuurlijke kinderen van een vader in Rome hadden zijn erkenning nodig voordat zij met recht als zijn wettelijke kinderen en erfgenamen konden worden beschouwd. Adoptie kon dezelfde rechten en privileges verlenen. De Romeinse adoptio verwijderde een persoon uit de ene familie en plaatste hem in een andere, terwijl adrogatio de mensen niet wettelijk onder het gezag van een ouder in een familie plaatste doch onder het gezag van een paterfamilias (Griekse genitief), de meester van het huis. In het Latijn is een familia een huis en alles wat daartoe behoort: een familie-landgoed, een familiebezit.

Missale Romanum 1970
Deus, per quem nobis et redemptio venit et præstatur adoptio,
fílios dilectionis tuæ benignus intende,
ut in Christo credentibus
et vera tribuatur libertas, et hereditas æterna.    

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie 1979
God, Gij hebt ons verlost en tot uw geliefde kinderen aangenomen.
Zie in uw goedheid naar allen die Gij als een vader bemint.
Geef hun die in Christus geloven de ware vrijheid en het erfdeel in het eeuwig leven.

Werkvertaling
God, door wiens toedoen de verlossing tot ons komt en door wie ook de aanname tot zijn kinderen wordt gegeven,
richt welwillend uw ogen op de kinderen van uw Liefde,
zodat aan hen die in Christus geloven de ware vrijheid en het eeuwige erfdeel wordt gegeven.

L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n
Bovenstaand collectegebed is hetzelfde als de collecta van de 23e zondag door het jaar.
De oratie kwam in voorafgaande edities van het Romeinse Missaal niet voor: de tekst gaat terug op het oude Sacramentarium Gregorianum (522; Hadr 93,4) 9e eeuw, en werd gevonden in een reeks oraties voor de Paastijd:

Deus, per quem nobis et redemptio venit et præstatur adoptio,
respice in opera misericordiæ tuæ,
ut in Christo renatis et æterna tribuatur hereditas et vera libertas.


Bij de liturgiehervorming van Vaticanum II heeft de tekst met enige wijzigingen een plaats gekregen in het Romeinse Missaal, editio typica 1970.

In de editie 2002 van het Romeinse Missaal werd dit collectegebed vervangen door een oratie uit het Sacramentarium Bergomense (Ambrosiaanse traditie, Ms. Bibl. di S. Alessandro in Colonna in

Bergamo) 9e eeuw. (1)

S t r u c t u u r a n a l y s e
1. Deus, per quem nobis et redemptio venit et praestatur adoptio,
2. filios dilectionis tuae benignus intende,
3. ut in Christo credentibus et vera tribuatur libertas, et hereditas aeterna.

Ad 1

De oratie richt zich onmiddellijk tot God, Deus. De vorm staat in de vocativus, de aanspreekvorm, gevolgd door een relatieve bijzin die heilsdaden van God als Vader memoreert. Het relativum (betrekkelijk voornaamwoord) quem heeft Deus als antecedent.

De relatieve zin bevat twee zinsdelen die elk een onderwerp en een gezegde bevatten ( redemptio venit en praestatur adoptio). De zinsdelen zijn in een kruisstelling geplaatst (chiasme). Het betreft hier een opsomming uitgedrukt door het tweevoudige gebruik van et (et…et = zowel… als, (en)…en ook). Opvallend is dat venit een actieve werkwoordsvorm is en praestatur een passieve werkwoordsvorm. Dit zorgt voor een variatie in de zinsstructuur, maar desalniettemin is in elk van beide zinsdelen God ontegenzeglijk herkenbaar, leesbaar zo men wil, als de verlossende Vader.

Ad 2

De hoofdzin met de eigenlijke bede, precies in het midden van de oratie.
Benignus is grammaticaal gezien als adiectivum gebruikt bij het subject Deus, die in deze regel echter niet meer expliciet wordt genoemd. Wanneer men de functie van adiectivum in de vertaling wil handhaven zou men kunnen kiezen voor deze variant: ‘Gij, die welwillend zijt…’. Een andere vertaalmogelijkheid is om het adiectivum als een adverbium, een bijwoord, te vertalen bij de imperativus intende: ‘ Richt welwillend uw ogen op…
Filios is object bij de imperativus intende en de genitivus dilectionis tuæ staat als aanvullende bepaling bij filios.

Ad 3

Finale/doelaanwijzende of consecutieve/gevolghebbende bijzin, klassiek ingeleid door het voegwoord ut; het verbum tribuatur met wenskarakter in de coniunctivus en in de passieve vorm behoort zowel bij het subject libertas als hereditas.

Zoals in regel 1 van deze oratio is ook in deze regel sprake van een opsomming (et…et) waarbij de twee zinsdelen (vera tribuatur libertas en hereditas aeterna) gekoppeld worden en geplaatst zijn in een kruisstelling (chiasme). Opvallend in deze regel is dat het werkwoord tribuatur voor beide zinsdelen als gezegde geldt. De zinsstructuur wijkt hierin af van de eerste regel van deze bede.

in Christo credentibus: bijwoordelijke bepaling samengesteld uit de ablativusvorm in Christo 

en het tegenwoordige deelwoord credentibus in de dativus pluralis. Zoals in regel 1 nobis als dativus wordt gebruikt, zo is in deze regel credentibus als dativus gebruikt; aan hen die geloven in Christus wordt de ware vrijheid en het eeuwigdurende erfdeel gegeven.

S t i j l v o r m e n
De oratie bevat zoals gezegd twee mooie chiasmen of kruisstellingen: een repetitio met omkering. Bij deze stijlfiguur worden de overeenkomstige termen van twee formuleringen in omgekeerde volgorde geplaatst: in regel 1: redemptio venit…praestatur adoptio (subject werkwoord … …werkwoord subject en in regel 3: vera libertas…hereditas æterna (adjectief, bijvoeglijk naamwoord …substantief, zelfstandig naamwoord… substantief…adjectief.
De substantieven redemptio…adoptio (r. 1) bevatten eindrijm in klank, eveneens de adjectieven vera …æterna en de substantieven libertas… hereditas (r. 3).
De verwantschap in het woordgebruik verwijst naar sommige patristische bronnen zoals De Trinitate 6,44 van Sint Hilarius van Poitiers (+ ca 368) en Epistula 9,65.5 van Sint Ambrosius van Milaan.

C o m m e n t a a r
De wijze waarop God in de openingszin wordt aangesproken legt de nadruk op een van zijn grootste heilsdaden, namelijk dat wij door God zijn vrijgekocht en dat Hij ons als kinderen heeft aangenomen. Allebei werken van de goddelijke barmhartigheid – opera misericordiæ - concreet: de kinderen van God, de nieuwe schepping, zo bidt de Kerk, mogen God in genade aanschouwen. Bij de kinderen die God uit liefde voortgebracht heeft, kan men aan 1 Joh 3,1 denken: “De Vader heeft ons zo’n grote liefde geschonken, dat wij kinderen van God genoemd worden, en wij zijn het ook.”

De uitdrukking filios dilectionis tuæ – de kinderen van Uw liefde verwijst tevens naar Kol 1,13 waar de Apostel Paulus in een dankhymne over God de Vader zegt: “qui eripuit nos de potestate tenebrarum et transtulit in regnum Filii dilectionis suæ”- Hij heeft ons ontrukt aan het machtsgebied van de duisternis en overgebracht naar het Koninkrijk van zijn geliefde Zoon.
De oorspronkelijke versie dacht als gebed van het Paasoctaaf in het bijzonder aan de nieuw gedoopten, als het om erfdeel en vrijheid bad voor de “wedergeborenen” - in Christo renatis -. Voor de vijfde zondag van de Paastijd wenste men de beperking tot de nieuw gedoopten op te heffen en veranderde renatos, “de nieuw gedoopten” in credentes, de “gelovigen”. Het lijkt erop, alsof er ook een verschil met betrekking tot afgesmeekte “ware vrijheid” ontstaat.
Deze libertas wordt in de originele versie na hereditas - het “erfdeel” genoemd, en het postconciliaire MR 1970 heeft die volgorde vermoedelijk bewust “verbeterd”. Het lijkt er echter op, dat Hadr aan de vrijheid van de heiligen dacht, die het erfdeel reeds ontvangen hebben. De gewijzigde versie van MR 1970 doet aan de vrijheid van de kinderen Gods denken, aan de “kinderen van de vrijgeborene”, die Christus “tot vrijheid heeft geroepen” (Gal 4,31; 5,1). 

K l e i n  v o c a b u l a r i u m
Præsto (præstiti, præstatum) betekent in feite “staan voor of ervoor staan”. Het werkwoord heeft echter een breed scala aan betekenissen, inclusief ”vervullen, handhaven, verrichten, uitvoeren” en betekenissen daar omheen (“prestatie” in het Nederlands), hetgeen præsto soms wat ingewikkeld maakt. Rond de tweede eeuw betekende præsto ook “lenen” (vgl. het Franse “prêter”) en vanaf de vierde eeuw “aanbieden”. Cassiodorus en andere auteurs gebruiken præsto voor “helpen, bijstaan, geven, verlenen”.
Het begrip adoptio kwam reeds aan de orde bij de uitleg van de oratie van de 19e zondag per annum en de 3e zondag van Pasen.
Hereditas betekent “erfdom, erfgoed” of de erfenis zelf, het vaderlijk erfdeel.
De originele versie dacht als gebed in het Paasoctaaf wel bijzonder aan de pasgedoopten (renatis – waarbij voor de “opnieuw geborenen” om erfschap en vrijheid werd gebeden. In de collecta van de 5e zondag van Pasen heeft men deze verengde toepassing op de pasgedoopten (de opnieuw geborenen) vervangen en staat er credentibus, aan hen die in Christus geloven.
Het geloof is noodzakelijk om als kinderen deel te krijgen aan de gemeenschap met de Vader, Zoon en H.Geest en is voorwaarde voor het ontvangen van het eeuwig leven.
(vgl. Katechismus van de Katholieke Kerk [KKK], nrs. 161,163).

Op grond van het feit dat wij in eenheid met Christus onze gemeenschappelijke menselijke natuur bezitten, werd de weg naar het goddelijk kindschap door de Vader in Christus voor ons geopend. Christus is van nature de Zoon van de Vader, wij zijn zonen en dochters door de genade. Onze aanneming door de genade is “volmaakt”(adoptio perfecta) omdat deze volkomen is. Perfecta komt van perficio, “tot een eind of conclusie brengen, afmaken, voltooien”. Vanuit Gods gezichtspunt is onze adoptie volmaakt omdat Hij zijn merkteken op ons legt, speciaal in het Doopsel en Vormsel. Aangezien God niet door tijd is beperkt en er voor Hem geen onderscheid in verleden of toekomst bestaat, ziet Hij volmaakt de resultaten van ieder gave van aanneming. Vanuit ons gezichtspunt zal adoptie pas voltooid zijn wanneer wij Hem van aangezicht tot aangezicht zien. Vanwege het Doopsel is het stempel van de Vader in ons voor eeuwig verzegeld. De H.Geest brengt ons in deze wonderbaarlijke aanneming de Vader en de Zoon wanneer Hij zijn rechtmatige plaats in onze ziel inneemt, waardoor Hij de volmaakte gemeenschap, zelfs verwantschap schept in onze ziel.

C o m m e n t a a r [vervolg]
De gedoopten zijn niet langer aan Satan onderworpen, maar vallen nu onder het nieuwe meesterschap van God. In Rome was er ook een vorm van “adoptie” door benoeming tot erfgenaam met het recht de naam aan te nemen van degene die het erfgoed vermaakte. Dit was echter geen complete adoptie in de volste zin: men werd erfgenaam van de naam en van het bezit van de vader zonder de andere volmachten van een pater familias totdat deze door de magistratuur waren bevestigd enz. Zelfs na het Doopsel kan onze status verdiept worden in het Vormsel. Vroegere slaven konden worden bevrijd, doch dat maakte hen nog niet tot Romeinse burgers met de grotere rechten. Door het Doopsel worden wij burgers van de hemel, leden van de (familie)-gemeenschap van de Kerk. Wij zijn niet enkel vrij, maar krijgen eveneens de kans op de eeuwige zaligheid. In het oude Rome kon een slaaf burger worden door bepaalde vormen van vrijlating (manumissio) uit de slavernij: door adoptie, door militaire dienst of op grond van een speciale concessie aan een gemeenschap of territorium. In zekere zin hebben wij dit alles ondergaan: door zijn hand (manus) op ons te leggen zijn wij bevrijd. We zijn tot zonen en dochters van een hemelse Vader gemaakt. Nu zijn we soldaten in de strijdende Kerk. Door het lidmaatschap van de gemeenschap van de Kerk, een heilig en priesterlijk Volk, krijgen we privileges en verplichtingen. God heeft ons als zijn eigen kinderen erkend met een volmaakte adoptie. Dit is ware vrijheid en waar erfschap, dat niets uitsluit en in zeker zin ons nog vrijgeviger en overvloediger geeft dan wij gehad zouden hebben voordat wij door zonde onder de heerschappij van de duivel vielen.

Het is een moeilijk te begrijpen mysterie: wij zijn reeds zonen en dochters in een volmaakt kindschap door adoptie, maar dat kindschap is nog niet compleet: het laatste essentiële onderdeel ontbreekt nog, en dat is volharding in geloof en gehoorzaamheid gedurende ons hele leven en hun bekrachtiging in de dood en het bijzonder oordeel. Door veel vallen en opstaan komen wij tot de volmaaktheid van de adoptie, waaraan wij nu nog op een onvolmaakte volmaakte wijze deelhebben.

Deze prachtige oratie in het voorjaar en verderop gedurende de Tijd door het jaar bevat vriendelijke aanmaningen ons te herinneren wie wij zijn, en daardoor aan wat wij te doen hebben.
Christus heeft beide geopenbaard.
  
V i n d p l a a t s e n van enkele begrippen in de Katechismus van de Katholieke Kerk: 
Redemptio:  Heilsmysterie en verlossing als “vrijkoop” uit de slavernij van de zonde, nrs. 571 en 601
Adoptio:        Jezus Christus is Mens geworden om ons te laten delen in de goddelijke natuur, nr. 460
Libertas:        Vrijheid door Christus, nr. 1741

(1)
Omnipotens sempiterne Deus,
semper in nobis paschale perfice sacramentum
ut, quos sacro baptismate dignatus es renovare,
sub tuae protectionis auxilio multos fructus afferant,
et ad aeternae vitae gaudia pervenire concedas.
Letterlijke vertaling in het Engels:
Almighty eternal God,
perfect in us always the paschal mystery,
so that those whom You deigned to renew by means of sacred baptism,
may under the aid of Your protection bear many fruits,
and that You will grant them to attain unto the joys of eternal life.
(2)
Een chiasme of kruisstelling is een repetitio met omkering. Bij deze stijlfiguur worden de overeenkomstige termen van twee formuleringen in omgekeerde volgorde geplaatst om afwisseling te creëren.

(3)
Flavius Magnus Aurelius Cassiodorus Senator (Scylaceum (Calabrië), ca. 484/490 ‑ klooster Vivarium bij Scylaceum, ca. 585), gewoonlijk bekend als Cassiodorus, was een Romeins staatsman (praefectus praetorio) en schrijver, tevens rechtsgeleerde en secretaris van Theodorik de Grote, koning van de Ostrogoten.Werken van zijn hand: Chronica. De orthographia. Expositio in psalterium. Complexiones in epistolis apostolorum et actibus eorum et apocalypse. Historia ecclesiastica tripartite. Historia Gothorum, overgeleverd als samenvatting in de Getica. Institutiones Divinarum et Saecularium Litterarum. Variae.