Posts tonen met het label Proba. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Proba. Alle posts tonen

zaterdag 16 oktober 2021

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Dominica XXIX per annum Ex Epístola sancti Augustíni epíscopi ad Probam.


  Ad Officium 


 Lectio altera

Ex Epístola sancti Augustíni epíscopi ad Probam
(Ep. 130, 8, 15. 17 — 9, 18: CSEL 44, 56-57. 59-60)

Tweede lezing
Uit de Brief van de Heilige Augustinus, bisschop, aan Proba
(Ep. 130, 8, 15. 17-9,18: CSEL 44,56-57. 59-60)
Moge ons verlangen door gebeden worden versterkt

Waarom laten wij ons door allerlei dingen verstrooien en zoeken wij hoe wij moeten bidden, uit vrees dat wij niet bidden zoals het behoort? Waarom zeggen wij niet liever met de psalm: Eén ding heb ik de Heer gevraagd, dit slechts begeer ik: in het huis des Heren te wonen al de dagen van mijn leven, om het genot van de Heer te overwegen en zijn tempel te bezoeken? Want daar zijn alle dagen niet alleen maar een komen en gaan en is het einde van de ene dag niet alleen maar het begin van de andere. Alle dagen zijn daar gelijk en zonder einde, waar het leven zelf geen einde heeft, van welk leven die dagen deel uitmaken.

Om nu dat zalige leven te verkrijgen, heeft het ware Leven zelf ons geleerd te bidden, niet in een vloed van woorden alsof wij in die mate verhoord zouden worden naarmate wij spraakzamer zouden zijn, terwijl wij toch tot Hem bidden die, zoals de Heer zelf zegt, weet wat wij nodig hebben, voor wij Hem erom vragen.
Waarom Hij dit doet, die toch al weet wat wij nodig hebben, voor wij er Hem om vragen, zou ons kunnen verwonderen, als wij niet begrepen, dat onze Heer en God niet ons verlangen wil leren kennen, dat Hem niet onbekend kan zijn, maar dat Hij ons verlangen wil versterken door ons gebed, opdat wij kunne begrijpen wat hij van plan is ons te geen. Want dat is zeer groot, maar wij zijn kleine en enghartig om te begrijpen. Daarom wordt ons gezegd: Zet uw hart open; vormt geen ongelijk span met de ongelovigen.

Want wij zullen des te begeriger zijn om een zo’n groot goed te verwerken (wat geen oog heeft gezien, omdat het geen kleur heeft; en geen oor heeft gehoord, omdat er geen geluid is; noch in een mensenhart is opgekomen, omdat het mensenhart eerst daarheen moet opstijgen) des te begeriger dus, naarmate wij dit ook geloviger aanvaarden, vaster verhopen en vuriger verlangen.

Als dan ons verlangen blijft voortduren, dan bidden wij steeds in dit geloof, in deze hoop en in die liefde. Daarom bidden wij met vaste tussenpozen van uren en tijde  ook met woorden tot God, om onszelf door die tekenen aan te manen, en wij voor onszelf duidelijk kunnen maken in hoeverre wij in dat verlangen zijn gevorderd, en wij onszelf nog meer aansporen om het te vergroten.. Want hoe vuriger onze ijver is, die vooraf gaat, des te kostbaarder is het effect. Door dit nu en door het woord van de Apostel: Bidt zonder ophouden, wat wordt er anders mee bedoeld dan: Verlangt zonder ophouden het zalige leven, dat geen ander is dan het eeuwig leven, van Hem te ontvangen, die alleen het geven kan. 

vrijdag 25 oktober 2019

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada XXIX per annum feria VI De H. Geest spreekt voor ons ten beste


  Ad Officium 

Lectio altera

Ex Epístola sancti Augustíni epíscopi ad Probam
(Ep. 130, 14, 27 — 15, 28: CSEL 44, 71-73)
Tweede lezing

Uit de Brief van de H. Augustinus aan Proba
(Ep. 130, 14, 27 — 15, 28: CSEL 44, 71-73)
De Geest spreekt voor ons ten beste

Alwie dat éne aan de Heer vraagt en dat verlangt, vraagt op een vaste en veilige wijze en behoeft niet te vrezen, dat het hem wellicht zal schaden, als Hij dat ontvangen heeft, zonder hetwelk hem niets van nut kan zijn, wat men dan ook al door een gebed, zoals het behoort te zijn, verkregen moge hebben. Want dat éne is het ene ware en alleen zalige leven: dat wij, onsterfelijk naar lichaam en geest, voor eeuwig de heerlijkheid van de Heer aanschouwen. Om dat éne wordt al het overige verlangd en niet onbehoorlijk gevraagd. Al wie dat éne bezit, zal ook alles bezitten wat hij wil, en zal niet bij machte zijn iets te willen hebben, wat niet behoorlijk is.

Daar is immers de bron des levens, naar welke wij nu moeten dorsten in het gebed, zolang wij leven in de hoop en nog niet zien wat wij hopen, zolang wij vertoeven In de beschutting van zijn vleugels, voor Wie al ons verlangen open ligt, om dronken te worden door de overvloed van zijn huis en gedrenkt te worden door de stroom van zijn geneugte, want bij Hem is de bron des leven, en in Zijn licht zullen wij het Licht aanschouwen, wanneer ons verlangen verzadigd zal worden met zijn goederen en er niets meer overblijft om al zuchtende te zoeken, maar alleen om in vreugde te bezitten.

Intussen, omdat dit de vrede is, die alle begrip te boven gaat, weten wij, wanneer wij deze vrede in het gebed vragen, ook dan niet altijd te bidden zoals het behoort. Want wat wij ons niet kunnen voorstellen hoe het is, kunnen wij natuurlijk ook niet kennen. Maar al wat ons in de gedachte komt, verwerpen wij, verachten wij, keuren wij af, omdat wij weten, dat het niet datgene is, wat wij zoeken, hoewel wij nog niet weten, wat het eigenlijk is.

Wij hebben dus in ons, om zo te zeggen, een soort kundige onwetendheid, maar dan kundig door de Geest Gods, die onze zwakheid te hulp komt. Want als de Apostel gezegd heeft: Daar onze hoop gericht is op het onzichtbare, moet onze verwachting gepaard gaan met standvastigheid, voegt hij eraan toe: Evenzo komt de Geest onze zwakheid te hulp. Want wij weten niet eens, hoe wij behoren te bidden, maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. En Hij, die de harten doorgrondt, weet waar de Geest op zint: Hij spreekt voor de heiligen ten beste naar Gods bedoeling.

Die moeten wij niet zo verstaan, alsof wij menen, dat de Heilige Geest van God, die in de Drieëenheid onveranderlijk God is en één met de Vader en de Zoon, voor de heiligen ten beste spreekt als iemand, die niet even hoog staat als God zelf. Er wordt immers gezegd: Hij spreekt voor de heiligen ten beste, omdat Hij de heiligen tot gebed aanspoort, zoals gezegd is: De Heer, uw God, stelt u op de proef, om te weten of gij Hem bemint, dit is, om het u te doen weten. Derhalve bewerkt Hij, dat de heiligen bidden met onuitsprekelijke verzuchtingen, hun het verlangen ingevend naar dat heerlijke, nog onbekende goed, dat wij in geduld verhopen. Hoe toch zou men dat kunnen zeggen, wanneer men verhoopt, wat men nog niet kent? Want als het geheel en al onbekend zou zijn, zou men er niet naar verlangen; en van de andere kant: als men het zou zien, zou men niet meer verlangen en het niet al zuchtende zoeken. 

woensdag 23 oktober 2019

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada XXIX per annum feria V H. Augustinus aan Proba "Wij weten niet, hoe wij behoren te bidden".



 Lectio altera

Ex Epístola sancti Augustíni epíscopi ad Probam
(Ep. 130, 14, 25 — 26: CSEL 44, 68-71)
Tweede lezing

Uit de ‘Brief aan Proba’van de H. Augustinus, bisschop
(Ep. 130, 14, 25 — 26: CSEL 44, 68-71)
Wij weten niet, hoe wij behoren te bidden

Misschien vraagt ge u nog af, waarom de Apostel zegt: Want wij weten niet, hoe wij behoren te bidden. Het is immers geenszins aan te nemen, dat ofwel hijzelf ofwel degenen, tot wie hij dit zei, het Gebed des Heren niet kenden.

Ook de Apostel zelf toonde niet vreemd te zijn aan die onwetendheid, voor zover hij tenminste niet wist hoe hij behoorde te bidden, toen hem een doorn in het vlees werd gestoken, een satansengel hem tuchtigde, opdat hij zich niet op buitengewone openbaringen iets zou laten voorstaan. Daarom bad hij tot driemaal toe tot de Heer om die beproeving van hem weg te nemen. Toen in alle geval wist hij niet hoe hij behoorde te bidden. Tenslotte ontving hij Gods antwoord, waarom niet geschiedde waarvoor die zo grote man bad en waarom deze gebedsverhoring niet dienstig was: Mijn genade is u genoeg, want de kracht openbaart zich ten volle in zwakheid. In dit soort beproevingen dus, die voordelig of nadelig kunnen zijn, weten wij niet, hoe wij behoren te bidden. Toch, omdat zij hard en lastig zijn en omdat ze ingaan tegen ons gevoel van zwakheid, bidden wij gedreven door een algemeen menselijke neiging, dat ze van ons mogen weggenomen worden. Maar zoveel vertrouwen zijn wij onze God en Heer verschuldigd, dat, als Hij ze niet van ons wegneemt, wij daarom niet mogen gaan menen, dat wij door Hem verwaarloosd worden, maar dat wij door het geduldig verdragen leed eerder meer goeds mogen verhopen. Want zo openbaart zich de kracht ten volle in zwakheid.

Deze voorbeelden staan geschreven, opdat niemand zich voor groot houdt, als zijn onverstandig gebed verhoring gevonden heeft, terwijl het nuttiger geweest ware, daarom niet te bidden; of om te verhinderen, dat iemand de moed opgeeft en gaat wanhopen aan de goddelijke barmhartigheid tegenover zijn persoon, als hij niet verhoord wordt, wanneer hij soms iets vraagt, waardoor hij in nog grotere ellende zou komen met het te ontvangen, ofwel door te grote voorspoed verslapt, geheel te gronde zou gaan. In dergelijke omstandigheden weten wij niet naar behoren te bidden.

Vandaar dat, als er iets gebeurt te tegenspraak met ons gebed, wij dat geduldig moeten aanvaarden, in alles God moeten danken en er niet het minst aan moeten twijfelen, dat datgene op de eerste plaats behoorde te geschieden, wat met Gods wil, niet met de onze onze, overeenkwam. Want ook hierin gaf ons die Middelaar het voorbeeld, die, toen Hij gezegd had: Vader, indien het mogelijk is, laat deze kelk aan Mij voorbijgaan, zijn menselijke wil, die Hij tengevolge van zijn menswording bezat, omvormde en er terstond aan toevoegde: Maar niet wat Ik wil, maar wat Gij wilt, Vader. Vandaar worden terecht om de gehoorzaamheid van Eén velen gerechtvaardigd.

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada XXIX per annum feria IV Gij zult niets vinden wat niet in dit Gebed des Heren besloten ligt.



Lectio altera

Ex Epístola sancti Augustíni epíscopi ad Probam
(Ep. 130, 12, 22 — 13, 24: CSEL 44, 65-68)

Tweede lezing

Uit de ‘Brief aan Proba’van de H. Augustinus, bisschop
(Ep. 130, 12, 22 — 13, 24: CSEL 44, 65-68)


Wie bij voorbeeld zegt: Verheerlijk U bij alle volkeren zoals bij ons verheerlijkt zijt, en: Laten uw profeten waarachtig worden bevonden, wat zegt hij dan anders dan: Geheiligd worde uw naam?

Wie zegt: God der heerscharen, richt ons weer op; laat uw aanschijn lichten, dat wij worden gered, wat zegt hij anders dan: Uw rijk kome?

Wie zegt: Richt mijn schreden naar uw bestel en laat geen onheil mij treffen,  wat zegt hij anders dan: Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel?

Wie zegt: Geef mij armoede noch rijkdom, Wat zegt hij anders dan: Geef ons heden ons dagelijks brood?

Wie zegt: Blijf David gedenken, Heer en al zijn zachtmoedigheid, of: Heer, als ik dat heb gedaan, als er onrecht kleeft aan mijn handen; als ik kwaad heb vergolden aan hem, die het mij aandeden, wat zegt hij dan anders dan: Vergeef ons onze schuld, zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven?

Wie zegt: Red mij van mijn vijanden, God, bescherm mij tegen mijn verdrukkers, wat zegt hij anders dan: Verlos ons van het kwade?

En als gij alle woorden van heilige gebeden doorneemt, zult ge, voor zover ik meen, niets vinden, wat niet in dat gebed des Heren ligt vervat en besloten. Vandaar staat het wel vrij: telkens met andere woorden en toch hetzelfde te zeggen bij het bidden, maar het staat niet vrij iets anders te zeggen.

Zo moeten wij bidden voor onszelf, voor de onzen en voor vreemden, zelfs voor onze vijanden, zonder een zweem van aarzeling, hoewel in het hart van degene die bidt, nu eens de behoefte tot gebed voor die ontstaat en zich verheffen moge, naargelang hij hem nader of verder staat.

Gij hebt, voor zover ik meen, nu vernomen niet alleen hoe gij zelf bij het gebed u moet gedragen, maar ook wat gij in uw gebed moet vragen; en dat heb ik u niet geleerd, maar degene, die zich verwaardigde ons allen te leren.

Het gelukzalige leven moet men zoeken en dit aan God de Heer vragen. De kwestie, wat het zeggen wil: gelukzalig te zijn, daarover is veel door velen getwist; maar waarom zouden wij ons ter wille van deze vele opvattingen wenden naar velen? In Gods Heilige Schrift wordt kort en waarachtig gezegd: Gelukkig het volk, waarvan de Heer zijn God is. Om tot zijn volk te behoren en om ertoe te kunnen komen Hem te beschouwen en voortdurend met Hem te kunnen leven, moeten wij beseffen, dat het doel van het gebod de liefde is, die voortkomt uit een rein hart, een goed geweten en een ongeveinsd geloof.

In deze drie ligt voor een goed geweten, de hoop gevestigd. Het geloof, de hoop en de liefde voeren dus degene, die bidt, tot God, d.w.z.: degene die gelooft, hoopt, verlangt en datgene overweegt, wat hij aan God vraagt in het gebed des Heren.

zondag 20 oktober 2019

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada XXIX per annum feria II Certis horis ad negotium orandi mentem revocemus. Op bepaalde uren moeten wij onze geest tot het gebed wenden.


Ad Officium lectionis

Lectio altera

Ex Epístola sancti Augustíni epíscopi ad Probam
(Ep. 130, 9, 18 — 10, 20: CSEL 44, 60-63)

Tweede lezing

Uit de ‘Brief aan Proba’van de H. Augustinus, bisschop
(Ep. 130, 9, 18 — 10, 20: CSEL 44, 60-63)
 Op bepaalde uren moeten wij onze geest tot het gebed wenden

Laten we steeds van God de Heer het zalig leven verhopen en daarvoor altijd blijven bidden. En daarom moeten wij onze geest van andere zorgen en bezigheden, waardoor ons verlangen zelf enigszins verzwakt, op bepaalde uren afwenden en keren tot gebed en met de woorden van het gebed onszelf op on verlangen richten, om dit niet te laten verflauwen, zodat het geheel zou verkoelen en tenslotte volkomen zou verdwijnen, als het niet bij herhaling wordt ontvlamd.

Vandaar dat men het gezegde van de Apostel: Uw wensen moeten bij God bekend zijn, niet zo moet worden verstaan, alsof deze wensen voor God bekend gemaakt  worden die deze al kende voor ze bestonden; maar zij moeten voor onszelf bekend worden door onze volharding bij God, niet door onze pralerij bij de mensen.

Omdat dit nu zo is, is het niet verkeerd en onnuttig wanneer men veel tijd aan het gebed besteedt, dit is, wanneer andere plichten van goede en nuttige werken er niet door gehinderd worden, hoewel ook daarbij, door dat verlangen, zoals ik zei, men altijd moet bidden. Want het betekent niet, zoals sommigen menen, met veel woorden bidden, als men wat langer bidt. Iets anders is veel woorden, iets anders voortdurende aandacht. Want ook over de Heer zelf staat geschreven, dat Hij de nacht doorbracht in gebed en dat Hij met meer aandrang bad. Wat deed Hij hier anders dan on een voorbeeld geven, Hij, die in de tijd op de juiste manier bad en die met de Vader in alle eeuwigheid de gebeden verhoort?

Men zegt, dat de broeders in de Egyptische woestijn wel herhaaldelijk bidden, maar dan zeer kort en snel bij wijze van schietgebeden, opdat niet de zorgvuldig opgewekte aandacht, die voor het bidden zo uiterst noodzakelijk is, door te lange duur verzwakt en verdwijnt.  Daardoor tonen zij ook voldoende aan, dat men die aandacht, als zij niet kan blijven voortduren, evenmin moet laten afstompen, als dat men die niet plotseling moet afbreken, wanneer ze nog voortduurt.

Bij het gebed toch vermijde men het veelspreken maar niet het veelsmeken, als de vurige aandacht behouden blijft. Want veel spreekt men als men bij het bidden datgene war voor ons nodig is, met overvloedige woorden tracht te bereiken.  Maar onder veel bidden verstaat men; bij Hem, tot Wie wij smeken, aandringen met een voortdurende en vrome ontroering des harten. Want die zaak wordt meestal meer met zuchten dan met woorden bepleit, meer met wenen dan met spreken. Want onze tranen heeft Hij voor zijn aangezicht geplaatst en ons zuchten bleef niet verborgen voor Hem, die alles schiep door zijn Woord en geen menselijke woorden nodig heeft.

maandag 22 oktober 2018

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada XXIX per annum feria III Brief H. Augustinus aan Proba over gebed II Op bepaalde uren moeten wij onze geest tot het gebed wenden.


 Ad Officium lectionis




Lectio altera

Ex Epístola sancti Augustíni epíscopi ad Probam
(Ep. 130, 9, 18 — 10, 20: CSEL 44, 60-63)

Tweede lezing

Uit de ‘Brief aan Proba’van de H. Augustinus, bisschop
(Ep. 130, 9, 18 — 10, 20: CSEL 44, 60-63)
 Op bepaalde uren moeten wij onze geest tot het gebed wenden

Laten we steeds van God de Heer het zalig leven verhopen en daarvoor altijd blijven bidden. En daarom moeten wij onze geest van andere zorgen en bezigheden, waardoor ons verlangen zelf enigszins verzwakt, op bepaalde uren afwenden en keren tot gebed en met de woorden van het gebed onszelf op on verlangen richten, om dit niet te laten verflauwen, zodat het geheel zou verkoelen en tenslotte volkomen zou verdwijnen, als het niet bij herhaling wordt ontvlamd.

Vandaar dat men het gezegde van de Apostel: Uw wensen moeten bij God bekend zijn, niet zo moet worden verstaan, alsof deze wensen voor God bekend gemaakt  worden die deze al kende voor ze bestonden; maar zij moeten voor onszelf bekend worden door onze volharding bij God, niet door onze pralerij bij de mensen.

Omdat dit nu zo is, is het niet verkeerd en onnuttig wanneer men veel tijd aan het gebed besteedt, dit is, wanneer andere plichten van goede en nuttige werken er niet door gehinderd worden, hoewel ook daarbij, door dat verlangen, zoals ik zei, men altijd moet bidden. Want het betekent niet, zoals sommigen menen, met veel woorden bidden, als men wat langer bidt. Iets anders is veel woorden, iets anders voortdurende aandacht. Want ook over de Heer zelf staat geschreven, dat Hij de nacht doorbracht in gebed en dat Hij met meer aandrang bad. Wat deed Hij hier anders dan on een voorbeeld geven, Hij, die in de tijd op de juiste manier bad en die met de Vader in alle eeuwigheid de gebeden verhoort?

Men zegt, dat de broeders in de Egyptische woestijn wel herhaaldelijk bidden, maar dan zeer kort en snel bij wijze van schietgebeden, opdat niet de zorgvuldig opgewekte aandacht, die voor het bidden zo uiterst noodzakelijk is, door te lange duur verzwakt en verdwijnt.  Daardoor tonen zij ook voldoende aan, dat men die aandacht, als zij niet kan blijven voortduren, evenmin moet laten afstompen, als dat men die niet plotseling moet afbreken, wanneer ze nog voortduurt.

Bij het gebed toch vermijde men het veelspreken maar niet het veelsmeken, als de vurige aandacht behouden blijft. Want veel spreekt men als men bij het bidden datgene war voor ons nodig is, met overvloedige woorden tracht te bereiken.  Maar onder veel bidden verstaat men; bij Hem, tot Wie wij smeken, aandringen met een voortdurende en vrome ontroering des harten. Want die zaak wordt meestal meer met zuchten dan met woorden bepleit, meer met wenen dan met spreken. Want onze tranen heeft Hij voor zijn aangezicht geplaatst en ons zuchten bleef niet verborgen voor Hem, die alles schiep door zijn Woord en geen menselijke woorden nodig heeft.

zaterdag 24 oktober 2015

Hoe en wat moeten we bidden? Sint Augustinus antwoordt Proba (VI)

De Geest spreekt voor ons ten beste

Alwie dat éne aan de Heer vraagt en dat verlangt, vraagt op een vaste en veilige wijze en behoeft niet te vrezen, dat het hem wellicht zal schaden, als Hij dat ontvangen heeft, zonder hetwelk hem niets van nut kan zijn, wat men dan ook al door een gebed, zoals het behoort te zijn, verkregen moge hebben. Want dat éne is het ene ware en alleen zalige leven: dat wij, onsterfelijk naar lichaam en geest, voor eeuwig de heerlijkheid van de Heer aanschouwen. Om dat éne wordt al het overige verlangd en niet onbehoorlijk gevraagd. Al wie dat éne bezit, zal ook alles bezitten wat hij wil, en zal niet bij machte zijn iets te willen hebben, wat niet behoorlijk is.

Daar is immers de bron des levens, naar welke wij nu moeten dorsten in het gebed, zolang wij leven in de hoop en nog niet zien wat wij hopen, zolang wij vertoeven In de beschutting van zijn vleugels, voor Wie al ons verlangen open ligt, om dronken te worden door de overvloed van zijn huis en gedrenkt te worden door de stroom van zijn geneugte, want bij Hem is de bron des leven, en in Zijn licht zullen wij het Licht aanschouwen, wanneer ons verlangen verzadigd zal worden met zijn goederen en er niets meer overblijft om al zuchtende te zoeken, maar alleen om in vreugde te bezitten.

Intussen, omdat dit de vrede is, die alle begrip te boven gaat, weten wij, wanneer wij deze vrede in het gebed vragen, ook dan niet altijd te bidden zoals het behoort. Want wat wij ons niet kunnen voorstellen hoe het is, kunnen wij natuurlijk ook niet kennen. Maar al wat ons in de gedachte komt, verwerpen wij, verachten wij, keuren wij af, omdat wij weten, dat het niet datgene is, wat wij zoeken, hoewel wij nog niet weten, wat het eigenlijk is.

Wij hebben dus in ons, om zo te zeggen, een soort kundige onwetendheid, maar dan kundig door de Geest Gods, die onze zwakheid te hulp komt. Want als de Apostel gezegd heeft: Daar onze hoop gericht is op het onzichtbare, moet onze verwachting gepaard gaan met standvastigheid, voegt hij eraan toe: Evenzo komt de Geest onze zwakheid te hulp. Want wij weten niet eens, hoe wij behoren te bidden, maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. En Hij, die de harten doorgrondt, weet waar de Geest op zint: Hij spreekt voor de heiligen ten beste naar Gods bedoeling.
Die moeten wij niet zo verstaan, alsof wij menen, dat de Heilige Geest van God, die in de Drieëenheid onveranderlijk God is en één met de Vader en de Zoon, voor de heiligen ten beste spreekt als iemand, die niet even hoog staat als God zelf. Er wordt immers gezegd: Hij spreekt voor de heiligen ten beste, omdat Hij de heiligen tot gebed aanspoort, zoals gezegd is: De Heer, uw God, stelt u op de proef, om te weten of gij Hem bemint, dit is, om het u te doen weten. Derhalve bewerkt Hij, dat de heiligen bidden met onuitsprekelijke verzuchtingen, hun het verlangen ingevend naar dat heerlijke, nog onbekende goed, dat wij in geduld verhopen. Hoe toch zou men dat kunnen zeggen, wanneer men verhoopt, wat men nog niet kent? Want als het geheel en al onbekend zou zijn, zou men er niet naar verlangen; en van de andere kant: als men het zou zien, zou men niet meer verlangen en het niet al zuchtende zoeken.


(Ep. [ad Probam] 130, 14, 27 — 15, 28: CSEL 44, 71-73)