Posts tonen met het label dominica XXIX per annum. Alle posts tonen
Posts tonen met het label dominica XXIX per annum. Alle posts tonen

zondag 20 oktober 2024

Overweging bij lezingen 29e zondag door het jaar B - Leven zoals Christus


Het evangelie van vandaag is een prachtige spiegel om er onszelf in te bekijken ; twee volgelingen van Christus speculeren op profijt, op ereplaatsen. Het hele gedoe staat in fel contrast met de woorden van Christus over zijn lijden.

De leerlingen zijn zó in de wolken over hun eigen dromen, dat ze gewoon niet meer horen.

Ook nu nog gebeurt dat. Mensen verliezen dan het contact met de werkelijkheid. Ze zonderen zich af. Ze hollen verder op hún wegen. Het is hun te doen om macht, aanzien en eer. Hoeveel leed wordt mensen niet aangedaan omdat anderen macht willen hebben. Mensen worden ongelukkig en verdrietig. Het vraagt zo enorm veel energie, die anders en beter besteed kan worden. Christus Zelf zal slachtoffer worden van een systeem dat mensen bouwen op macht.

Dit mag bij jullie niet het geval zijn, zegt Christus. Hij pleit voor verhoudingen tussen mensen die de vrede, het geluk en de eenheid bevorderen. Mensen zoeken hiernaar. Christus laat ons daarbij niet alleen. Hij stelt het omgekeerde voor van hoe mensen maar al te gauw doen : vrede en geluk zijn alleen maar mogelijk als je bescheiden en dienstbaar bent : hoe groter je wil worden, des te meer zul je dienstbaar moeten zijn, des te minder macht moet je willen.

Het gaat in het evangelie om een verandering van mentaliteit. Het is Christus NIET te doen om onderdanige ja-knikkers en mensen zonder ruggegraat. Het gaat Hem wel om mensen die EERBIED hebben en anderen NIET naar hun hand willen zetten. Dit vanuit een besef dat we allemáál onaf zijn en dat mensen geneigd zijn om anderen NIET de ruimte te geven waar ze RECHT op hebben. Voor God zijn we ALLEMAAL GELIJK. Hij heeft geen gunstelingen en God ook is onze ENIGE Vader, leraar en meester. Wij zijn ALLEN BROEDERS en ZUSTERS, we zijn STUK VOOR STUK VOLWAARDIGE mensen.

We zullen dan ook tijd maken voor elkaar en naar ELKAAR LUISTEREN. Je plaatst jezelf UIT het middelpunt om een ANDER in het middelpunt te plaatsen.

En hiervoor zullen we toch vaak weerstanden moeten overwinnen.

Het is een heel duidelijke manier om te leven zoals Christus.

Zegt ú ook tegen anderen : ´wat kan ik voor jóu betekenen ?´


Lezingen H. Mis 29e zondag door het jaar B - De Mensenzoon is gekomen om zijn leven te geven als losprijs voor velen.


Eerste lezing
: Jes. 53, 10-11

De Heer heeft besloten zijn dienaar te vernederen

en hem te doen lijden.

Waarlijk, hij gaf zijn leven als zoenoffer

maar hij zal een nageslacht zien

en het raadsbesluit van de Heer komt door hem tot vervulling.

Na zijn lijden

zal hij het licht zien en verzadigd worden.

Door zijn zwoegen

zal mijn rechtvaardige dienaar velen rechtvaardigen.

Hij zal zich belasten met hun fouten.


Tweede lezing: Hebr. 4, 14-16

Broeders en zusters,

nu wij een verheven hogepriester hebben,

een die de hemelen is doorgegaan,

Jezus, de Zoon van God,

nu moeten wij vasthouden aan onze belijdenis.

Want wij hebben een hogepriester

die in staat is mee te voelen met onze zwakheden.

Hij werd zelf op allerlei manieren op de proef gesteld,

precies zoals wij, afgezien dan van de zonde.

Laten wij daarom vrijmoedig naderen tot de troon van Gods genade,

om barmhartigheid en genade te verkrijgen

en tijdige hulp.


Evangelie: Mc. 10, 35-45

Toen kwamen Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs,

naar Jezus toe en zeiden:

“Meester, wij willen dat U voor ons doet wat wij U vragen.”

Hij antwoordde hun:

“Wat wilt ge dan dat Ik voor u doe?”

Zij zeiden Hem:

“Geef dat in uw glorie een van ons aan uw rechter- en de ander aan uw linkerhand moge zitten.”

Maar Jezus zei hun:

“Ge weet niet wat ge vraagt.

Zijt ge in staat de beker te drinken die Ik drink

en met het doopsel gedoopt te worden

waarmee Ik gedoopt word?”

Zij antwoordden Hem:

“Ja, dat kunnen wij.”

“Inderdaad”,

– gaf Jezus toe –

“de beker die Ik drink, zult gij drinken,

en met het doopsel waarmee Ik gedoopt word,

zult gij gedoopt worden;

maar het is niet aan Mij

u te doen zitten aan mijn rechter- of linkerhand,

omdat alleen zij dit verkrijgen voor wie dit is bereid.”

Toen de tien anderen dit hoorden,

werden ze kwaad op Jakobus en Johannes.

Jezus echter riep hen bij zich en sprak tot hen:

“Gij weet dat zij die als heersers der volkeren gelden

hen met ijzeren vuist regeren

en dat de groten misbruik maken van hun macht over hen.

Dit mag bij u niet het geval zijn;

wie onder u groot wil worden

moet dienaar van u zijn,

en wie onder u de eerste wil zijn moet aller slaaf wezen,

want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden,

maar om te dienen

en om zijn leven te geven als losprijs voor velen.”


zaterdag 16 oktober 2021

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Dominica XXIX per annum Ex Epístola sancti Augustíni epíscopi ad Probam.


  Ad Officium 


 Lectio altera

Ex Epístola sancti Augustíni epíscopi ad Probam
(Ep. 130, 8, 15. 17 — 9, 18: CSEL 44, 56-57. 59-60)

Tweede lezing
Uit de Brief van de Heilige Augustinus, bisschop, aan Proba
(Ep. 130, 8, 15. 17-9,18: CSEL 44,56-57. 59-60)
Moge ons verlangen door gebeden worden versterkt

Waarom laten wij ons door allerlei dingen verstrooien en zoeken wij hoe wij moeten bidden, uit vrees dat wij niet bidden zoals het behoort? Waarom zeggen wij niet liever met de psalm: Eén ding heb ik de Heer gevraagd, dit slechts begeer ik: in het huis des Heren te wonen al de dagen van mijn leven, om het genot van de Heer te overwegen en zijn tempel te bezoeken? Want daar zijn alle dagen niet alleen maar een komen en gaan en is het einde van de ene dag niet alleen maar het begin van de andere. Alle dagen zijn daar gelijk en zonder einde, waar het leven zelf geen einde heeft, van welk leven die dagen deel uitmaken.

Om nu dat zalige leven te verkrijgen, heeft het ware Leven zelf ons geleerd te bidden, niet in een vloed van woorden alsof wij in die mate verhoord zouden worden naarmate wij spraakzamer zouden zijn, terwijl wij toch tot Hem bidden die, zoals de Heer zelf zegt, weet wat wij nodig hebben, voor wij Hem erom vragen.
Waarom Hij dit doet, die toch al weet wat wij nodig hebben, voor wij er Hem om vragen, zou ons kunnen verwonderen, als wij niet begrepen, dat onze Heer en God niet ons verlangen wil leren kennen, dat Hem niet onbekend kan zijn, maar dat Hij ons verlangen wil versterken door ons gebed, opdat wij kunne begrijpen wat hij van plan is ons te geen. Want dat is zeer groot, maar wij zijn kleine en enghartig om te begrijpen. Daarom wordt ons gezegd: Zet uw hart open; vormt geen ongelijk span met de ongelovigen.

Want wij zullen des te begeriger zijn om een zo’n groot goed te verwerken (wat geen oog heeft gezien, omdat het geen kleur heeft; en geen oor heeft gehoord, omdat er geen geluid is; noch in een mensenhart is opgekomen, omdat het mensenhart eerst daarheen moet opstijgen) des te begeriger dus, naarmate wij dit ook geloviger aanvaarden, vaster verhopen en vuriger verlangen.

Als dan ons verlangen blijft voortduren, dan bidden wij steeds in dit geloof, in deze hoop en in die liefde. Daarom bidden wij met vaste tussenpozen van uren en tijde  ook met woorden tot God, om onszelf door die tekenen aan te manen, en wij voor onszelf duidelijk kunnen maken in hoeverre wij in dat verlangen zijn gevorderd, en wij onszelf nog meer aansporen om het te vergroten.. Want hoe vuriger onze ijver is, die vooraf gaat, des te kostbaarder is het effect. Door dit nu en door het woord van de Apostel: Bidt zonder ophouden, wat wordt er anders mee bedoeld dan: Verlangt zonder ophouden het zalige leven, dat geen ander is dan het eeuwig leven, van Hem te ontvangen, die alleen het geven kan. 

Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven” 29e zondag per annum / door het jaar Gereinigd worden door het Mysterie waarvan wij de dienaar zijn


Christus ontvangt brood en wijn voor de H. Eucharistie

Gereinigd worden door het Mysterie waarvan wij de dienaar zijn

I n l e i d i n g
Zoals in vele gebeden over de gaven wordt ook in dit gebed de zorg voor de zuivering van het hart indringend uitgedrukt. Wij vragen dat God ons door het Mysterie dat wij bedienen, loutert – en vóór het Mysterie, zou men in de zin van de heilige handeling mogen toevoegen. In eerste instantie lijkt het overvloedig dat nog uitdrukkelijk wordt gezegd: “door de zuiverende kracht van uw genade”. Maar de biddende Kerk is bezorgd: de gelovigen die de H. Eucharistie meevieren zouden op het einde kunnen denken dat het de ritus is die de reiniging bewerkt. Nee, het is God persoonlijk, zijn genadevol werken dat de zonden vergeeft. Zeer kunstvol wordt het wezen van dit dienen (“servire”) aan het begin van de oratie getypeerd. Het is een “vrije knechtsdienst”. In het “servire” van de tekst klinkt een “servitus” door, in de betekenis van “knechtschap”, “slaafsheid”, “onderworpenheid” en “dienstbaarheid” door. Dat zou echter niet volgens de wil van de Vader zijn, Gods wil die zijn kinderen heeft vrijgemaakt  door de “geest van aanneming tot zonen”: “De geest die gij ontvangen hebt, is er niet een van slaafsheid, die u opnieuw vrees zou aanjagen”. We horen het Sint Augustinus bij de wekelijkse voorlezing van zijn H. Regel telkens zeggen:  “Ga niet als slavinnen gebukt onder de wet” (Regel VIII,1; cf Rom 6,14-22), Gij hebt immers een geest van kindschap ontvangen, die ons doet uitroepen: Abba, Vader!” (Rom 8,15). Om deze vrije dienst – te leven “als vrije mensen onder de genade” (Regel VIII,1) - wordt gebeden, zij het ook dat degene die vrij is zich buigt voor de dienst en zij het dat de knecht zijn dienst verricht in het bewustzijn een vrij kind van God te zijn.

T e k s t
Missale Romanum – 1970
Tribue nos, Domine, quæsumus, donis tuis libera mente servire,
ut, tua purificante nos gratia,
iisdem quibus famulamur mysteriis emundemur.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie – 1979
Heer, geef dat wij U in vrijheid dienen met uw gaven,
opdat wij, door de zuiverende kracht van uw genade,
door hetzelfde Mysterie waarvan wij de dienaar zijn, worden gereinigd.
Werkvertaling
Verleen [ons], Heer, vragen wij, dat wij ons met vrij gemoed aan uw gaven wijden,
opdat wij, terwijl uw genade ons zuivert,
door dezelfde mysteries waaraan wij dienstbaar zijn, worden gereinigd.

L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n
De oratie is afkomstig uit het Sacramentarium Leonianum, 146, Verona, Kapittelbibliotheek LXXXV;  2e helft 6e eeuw, een beroemde codex omdat deze de Rotulus van Ravenna bevat.
De oratio super munera komt voor als secreta  ‘mense Aprilis, XXXVIII alia missa’.
(Zie: E. Moeller, J.M. Clément en B. Coppieters ’t Wallant, Corpus Orationum, IX, S-V,  Brepols, Turnhout 1996, p. 187, nr. 5916.
In de edities van het Missale Romanum vóór 1970 wordt de oratie niet aangetroffen.
S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l f i g u r e n
1. Tribue nos, Domine, quæsumus, donis tuis libera mente servire,
2a. ut, 3. tua purificante nos gratia,
2b. iisdem 4. quibus famulamur 2b. mysteriis emundemur.

Redekundig gezien bestaat de oratie uit één enkele zin, opgebouwd uit
1.      openingszin met imperativus-prædicaat, adres en eerste bede (tribue … servire) geformuleerd in een accusativus cum infinitivo-constructie
2.     gevolgd door een finale/doelaanwijzende resp. consecutieve/gevolghebbende bijzin met coniunctief optatief karakter ingeleid door het voegwoord ut  (ut…emundemur),
3.     onderbroken door een bijzin met ablativus absolutus-constructie (tua…gratia)
en met inlassing in de laatste regel van
4.     een relatieve bijzin (quibus famulamur) in de indicativus – waarbij het pronomen relativum quibus refereert aan iisdem […] mysteriis (r. 2b) en donis tuis (r. 1), als eerder antecedent.

Ad 1
Tribue, schenk, verleen, geef, -  prædicaat van de openingszin in de imperativusvorm van het verbum tribuere, -ui, -tum, 3,  aan de spits van de oratie, even verderop klassiek gevolgd door de losse werkwoordsvorm quæsumus, met de dubbele functie van afzwakking van het gebiedende karakter en toegevoegde waarde van beter ritmische cursus van de oratie.
Het prædicaat tribue wordt gevolgd door de accusativus cum infinitivusconstructie (a.c.i.) nos …servire, dat wij [U] dienen, welke constructie als object bij het prædicaat dient.
Domine, [o] Heer, - anaklese in de vocativusvorm van Dominus.
Donis tuis, met uw gaven, - bijwoordelijke bepaling bij servire bestaande uit twee congruerende ablativusvormen, ablativus instrumentalis (van middel). Het verbum servire draagt als object de dativus bij zich. Dat betekent dat donis tuis hoc loco ook als een dativus pluralis bedoeld kan zijn.
Libera mente, met vrij gemoed, met vrije geest, uit vrije wil  - een volgende bijwoordelijke bepaling in twee congruerende ablativusvormen: ablativus modi die de wijze uitdrukt met welke innerlijke gesteldheid wij God met zijn gaven willen dienen óf ablativus qualitatis, van hoedanigheid. Beide mogelijkheden liggen dicht bijeen. Van het woordenpaar ‘libera mente’ zijn in de oratietaal verschillende varianten te vinden, zoals: pura mente, fideli mente, secura mente en devota mente.
In de openingsregel valt op dat de i-klank sterk aanwezig is.

Ad 2
Finale/doelaanwijzende resp. consecutieve/gevolghebbende bijzin van coniunctief karakter bepaald door het voegwoord ut.
Emundemur, op-/zodat wij worden gereinigd, - prædicaat in de 1e persoon meervoud præsentis passivi van het verbum emundare,  1, reinigen, zuiveren. Het præfix e of ex voor verba geeft dikwijls een meer intensieve betekenis aan het verbum. Hier wil de gebruikte vorm aanduiden hoe radicaal de H. Eucharistie van zonden zuivert. Dit betreft uiteraard de dagelijkse zonden, grote zonden of doodzonden is materie voor het Sacrament van boete en verzoening.
Iisdem…mysteriis, door dezelfde mysteries, - bijwoordelijke bepaling bij het prædicaat in twee congruerende ablativusvormen, die het middel of de oorzaak uitdrukken: ablativus instrumenti resp. causæ. De bij elkaar horende ablativi zijn uiteen geplaatst en vormen aldus de stijlfiguur hyperbaton.
Iisdem, met/door dezelfde, ablativus meervoud van het pronomen demonstrativum idem, eadem, idem, de-, hetzelfde. Mysteriis, door de mysteries/sacramenten, ablativus meervoud van het substanticum mysterium, ii, onz. De uiteenplaatsing van iisdem en mysteriis is een hyperbaton.

Ad 3
Bijzin met ablativus absolutus-constructie, samengesteld uit de twee congruente ablativusvormen tua…gratia, hier in een hyperbaton uiteengeplaatst gekoppeld aan het participium præsens in de ablativus en met nos als object van het prædicaat purificante. Twee, ook inhoudelijk, vergelijkbare constructies worden aangetroffen in de orationes super munera van de 9e zondag door het jaar: ‘tua purificante nos gratia’ en de 17e zondag: ‘gratiæ tuæ operante virtute’.

Ad 4
Quibus famulamur, waaraan wij dienstbaar zijn/die wij dienen -
Famulamur, 1e pers. meervoud præsentis passivi indicativi van het deponens famulari, famulatus sum. De indicativusmodus geeft een feitelijke toestand weer.
Evenals bij ‘servire’ (servire alicui) is de dativus, te lezen als ‘object’,  dikwijls gekoppeld aan dit verbum. Zie commentaar hierboven bij ‘donis tuis’.
Quibus, [aan] welke, - pronomen relativum 3e pers. meervoud onzijdig van qui, quæ, quod refererend aan  iisdem [..] mysteriis (r. 2b) en donis tuis (r. 1), als eerder antecedenten.

C o m m e n t a a r
De oratie begint met de bede ‘tribue…servire’. Het tekstelement ‘donis tuis…servire’  - [U] te dienen met/door uw gaven – kan hier worden begrepen in de zin van de gaven die tot een passende manier worden om God te aanbidden.
In de passage ‘libera…mente’, vrij van geest - vraagt de Kerk dat zij haar werk mag voltrekken, onbezwaard van wat haar mag hinderen zoals gebrek aan geloof, besef van eigen zondig- en onwaardigheid te midden van andere verstrooiingen. Het juiste gebruik van Gods gaven sluit in dat de Kerk de gaven offert in de Eucharistische gedachtenis van het Offer van Christus Zelf, met onbezwaard gemoed en onder dankzegging aan God.
De bewoording ‘in vrijheid’ van het Nederlands Altaarmissaal van 1979 is minder exact omdat vrijheid als zodanig een interne en externe component heeft: extern wil zeggen: vrij van uitwendige druk, intern wil zeggen: met onbezwaard gemoed. ‘Libera mente’  betekent dus met onbezwaard gemoed en niet vrij van uitwendige druk.
Het valt op dat in het Gebed over de gaven van deze zondag twee termen worden gebruikt die betrekking hebben op dienstbetoon. In het eerste gedeelte van de oratie is voor ‘servire’ gekozen, terwijl in de bijzin die het verhoopte effect van de offerande beschrijft, is gekozen voor ‘famulari’. Beide termen verwijzen naar de relatie tussen God en mens als Meester en knecht, ouder en kind en zelfs van vriend tot vriend. Het verbum ‘famulari’ lijkt – sterker dan ‘servire’- te duiden op een meer intieme relatie tussen God en mens die ontstaat in de Eucharistieviering: wij zijn immers Gods aangenomen kinderen (adoptio). Bij Jo 15, 15 zegt Jezus: ‘Ik noem u geen dienaars meer, want de dienaar weet niet wat zijn heer doet, maar u heb Ik vrienden genoemd, want Ik heb u alles meegedeeld wat Ik van de Vader heb gehoord’.
Een ‘famulus’ is immers geen willekeurige dienaar, maar een ‘huisdienaar’, die tot de familie behoort.
In de H. Eucharistie is geen sprake van uitwisseling (‘commercium’) onder gelijken, maar gaat het om de betrekking met God waarin mensen niet gehouden zijn tot zuivere serviliteit, maar worden verheven om zich aan de Heer te geven en daar tegenover God Zelf mogen ontvangen: vgl. de tekstpassage  ‘teipsum mereamur acciptere’ in de Oratio super munera van de 20e zondag door het jaar.
Eveneens valt op dat in de oratietekst het ‘servire’ wordt getemperd door de frase ‘libera mente’.  Deze vrijwilligheid van dienstbetoon brengt immers het begrip in herinnering dat Sint Irenæus beschrijft als een gemeenschap van vrije mensen die genereus en van vreugde vervuld hun aardse bezittingen opgeven en zichzelf in dienst van God stellen (Adversus hæreses, IV, cap. 1, in Sources chrétiennes, 100)).
‘Servire’ is, God dienen.
Het concept van een man die God als dienaar dient is van Bijbelse oorsprong. In de Vulgaat zijn de begrippen ‘servire’ en ‘servus’ de gebruikelijke vertalingen voor δουλεύειν en δούλος τού θεού. Het verbum komt in de oraties in een moreel religieuze betekenis voor. Gewoonlijk is het object ‘tibi’, bijvoorbeeld: ‘purificatis tibi mentibus servire mereamur’- dat wij [U] met een gezuiverd hart mogen dienen – (Collecta Maria Lichtmis) en ‘ut tibi a fidelibus tuis digne et laudabiliter serviatur’, - opdat U door uw gelovigen waardig en loffelijk worde gediend’ (Collecta 31e zondag door het jaar). Dat deze  ‘dienst’ aan God werkelijk een eredienst  betekent, wordt passend uitgedrukt door een oxymoron (stijlfiguur waarbij twee woorden worden gecombineerd die elkaar in hun letterlijke betekenis tegenspreken).
Dus we hebben bijvoorbeeld ‘ut…Ecclesia tua secura tibi serviat libertate’, opdat uw Kerk U in rust en vrijheid mag dienen  (Collecta 2 Om de hulp van de Heiligen te vragen; MR 1962); ‘libera tibi mente servire’, om U met een vrij hart te dienen (Secreta, H.Lucas, 18 okt.; MR 1970); ‘liberis tibi mentibus deserviant’, dat zij U met een vrij hart kunnen dienen (Postcomm. Misformulier Tegen de heidenen die de Kerk vervolgen, MR 1962) en ‘Deus ..cui servire regnare est’, U dienen is heersen (Postcomm. Misformulier Voor de vrede, MR 1962).
De voorbeelden hier tonen dat ‘liberis mentibus’ toch ook wijst op het vrij zijn van uitwendige dwang.
Het werkwoord ‘servire’ is ook gebruikt in een cultische betekenis, verwijzend naar de liturgische handeling, bijvoorbeeld ‘Protege nos… tuis mysteriis servientes’, Bescherm ons…die aan uw geheimen deelnemen / die uw geheimen bedienen (Secreta Misformulier Tegen de vervolgers van de Kerk, MR 1962); ‘ut digne tuis servire semper altaribus mereamur’,  dat wij waardig de dienst van uw altaren mogen waarnemen (Secreta, Feria VI post Dom. Passionis, MR 1962) en ‘me…cælestibus mysteriis servire tribuisti’, en mij…hebt verleend uw heilige geheimen te bedienen (Collecta Misformulier Voor de priester zelf, MR 1962).
Het begrip ‘gratia’ wordt uitdrukkelijk genoemd in vier orationes super munera in de Tijd door het jaar (zondagen IX, XVII,  XXIX, XXXIII), impliciet echter is het begrip in alle orationes aanwezig.
Wat de Kerk doet in de liturgie maar in feite in haar hele leven en werkzaamheid berust op een voorafgaande gave daartoe van de kant van God. Genade wordt hier beschouwd als de aan God eigen liefhebbende vriendelijkheid tegenover de mensen, die vrij, vrijgevig, totaal onverwacht en onverdiend is.
De voorbereiding en aanbieding van de gaven voor de H. Eucharistie is een bijzondere manifestatie van Gods genade die in de orationes super munera op drie manieren tot uitdrukking wordt gebracht:
·        In sommige gevallen behelst de oratie expliciet het woord gratia dat staat voor de bijzondere werkzaamheid van de genade in de Eucharistische viering. Daarin kan de genade reinigend werken zoals in de oratie van deze zondag.
·        De werking van de genade kan ook heiligen zijn en voeren tot de eeuwige vreugde: ‘ad gaudia sempiterna perducant’ (Dom. 17 oratio super munera).
·        Het sterkt de devotie van degenen die de gaven aanbieden om het paasmysterie - het Lijden, de Dood en de Verrijzenis van de Heer, geactualiseerd in de H. Eucharistie - te commemoreren: ‘Concede, quæsumus, Domine, ut oculis tuæ maiestatis munus oblatum…gratiam nobis devotionis obtineat’, Heer, laat ons door de gaven die wij voor uw aanschijn hebben opgedragen de genade verkrijgen van devotie (Dom. 33 oratio super munera).
In deze oraties die toespelingen op de genade bevatten, bewerkt deze genade allereerst dat de offerande van de gaven en van de dienstbaarheid van de Kerk voor God aanvaardbaar zijn en door Hem worden ontvangen én tenslotte tot voordeel strekken van de Kerk.

Het Secreta-gebed van zondag Quinquagesima en de 3e zondag van de Vasten in MR 1962 wezen – geheel overeenkomstig de liturgische tijd van Voorvasten en Vasten - op het zuiverende karakter van de offergaven. De tekst luidde dan: ‘Deze offergave moge ons zuiveren van zonden voor het vieren van het Offer’
De offergave waarvan wordt verwacht dat zij de zondaar zuivert, kan alleen het Lichaam en Bloed van de Heer zijn. Evenmin zouden brood en wijn het lichaam en de ziel van de biddenden kunnen heiligen.
‘Het Lichaam van Christus dat wij in de Communie ontvangen, werd ‘voor ons overgeleverd’, en het Bloed dat wij drinken, werd ‘vergoten voor velen tot vergeving van de zonden’. Daarom kan de H. Eucharistie ons niet met Christus verenigen zonder ons ook tegelijk te zuiveren van bedreven zonden en ons te behoeden voor toekomstige zonden” (Katechismus Kath. Kerk nr. 1393).
De H. Eucharistie neemt dus onze zonden weg omdat zij het Offer van Onze Heer Jezus Christus is. Hij betaalde de prijs voor alle zonden ooit begaan of die ooit zullen worden begaan. Zijn Persoon is de prijs van onze redding. In het H. Misoffer wordt deze daad van Verlossing geactualiseerd en erkend als bron van kwijtschelding. Als het sleutelwoord, Offer, wordt losgelaten, wordt de Waarheid en het Volk van God tekort gedaan, dat verdient te weten wat de oratie werkelijk zegt.
Bisschop Ambrosius van Milaan [Trier 339 - Milaan 397) zegt tegen de pasgedoopten bij zijn onderricht over de H. Eucharistie na het Doopsel: “Telkens wanneer wij Hem ontvangen, verkondigen wij de Dood van de Heer’ (1 Kor 11,26). Wanneer wij de Dood van de Heer verkondigen, verkondigen wij ook de vergeving van de zonden. Wanneer zijn Bloed, telkens als het vergoten wordt, vergoten wordt voor de vergeving van de zonden, dan moet ik het altijd ontvangen, opdat mijn zonden altijd vergeven worden. Daar ik altijd zondig, moet ik altijd een redmiddel hebben” (De Sacramentis 4,28).


Ego clamavi Introitus Dominica XXIX per annum

Oratio post Communionem – Gebed na de Communie (Postcommunio) Dominica XXIX per annum Negenentwintigste zondag door het jaar Laat de viering van dit Mysterie ons vertrouwd maken met het heilige.


Het Laatste Avondmaal.
Mozaïek in de S. Apollinare Nuovo, Ravenna (vóór 529)

Laat de viering van dit Mysterie ons vertrouwd maken met het heilige
I n l e i d i n g
Altijd opnieuw benadrukken de liturgische gebeden, dat de Heilige Eucharistie, hier - “omgang met de hemelse werkelijkheid” - , ons tot voordeel en tot heil mogen strekken. De Postcommunio van deze zondag vraagt dat aan de hand van de symboliek van eten en drinken, om gevoed en gesterkt worden.
Daarbij is, volgens het wezen van het Sacrament, in de regel geestelijke voortgang en groei bedoeld met het oog op onze voltooiing tot mens in het eeuwige leven.
In de Postcommunio van vandaag stijgt het gebed boven het domein van ons natuurlijk bestaan uit, maar wordt evenzeer om hulp gevraagd door weldaden in onze tijd, hier en nu. De Eucharistie brengt geeft zelf aanleiding om beide domeinen in één enkele synthese te zien, omdat de mens de hem voor zijn natuurlijke bestaan geschonken gaven God aanbiedt, opdat deze hem bij de voltrekking van het eucharistisch Mysterie dichter bij zijn bestemming bij God in de eeuwigheid brengt: “Uit uw milde hand hebben wij het brood ontvangen. Aan U dragen wij op de vrucht van de aarde, het werk van onze handen. Maak het voor ons tot brood van eeuwig leven”, zo opent de celebrant de offeranderitus met de bereiding en de aanbieding van de gaven, brood en wijn (Ordo Missæ).
Volgens de Postcommunio worden de “beneficia temporalia”, de weldaden in de tijd en in de omgang met de hemelse werkelijkheid tot “beneficia æterna”, die ons leven als mens tot voltooiing moeten brengen.

T e k s t
Missale Romanum [MR] 1970
Fac nos, quæsumus, Domine,
cælestium rerum frequentatione proficere,
ut et temporalibus beneficiis adiuvemur,
et erudiamur æternis.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie 1979
Heer, laat de viering van dit mysterie ons heilzaam zijn.
Sta ons bij met uw weldaden in dit aardse bestaan
en maak ons vertrouwd met het eeuwige.

Werkvertaling
Maak, Heer, vragen wij [U], dat wij vorderen door de herhaaldelijke deelname aan deze hemelse Geheimen,
op-/zodat wij zowel door de tijdelijke weldaden worden geholpen als door de eeuwige worden opgevoed.

L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n
De tekst is een nieuwe compositie voor MR 1970, ofschoon duidelijk beïnvloed door de postcommunio in het Sacramentarium Leonianum, folio 982 (Verona, Kapittelbibliotheek, LXXXV, tweede helft zesde eeuw.
T e x t u e l e  a n a l y s e 
1. Fac nos, 1a. quæsumus, 1. Domine,
cælestium rerum frequentatione proficere,
2. ut et temporalibus beneficiis adiuvemur,
et erudiamur æternis.

De oratie bestaat uit één enkele doorlopende frase, opgebouwd uit een hoofdzin (openingszin) met een imperativus- en infinitivusvorm, regel 1, waarin de bede wordt geformuleerd, gevolgd door een bijzin in de coniunctivusvorm, bepaald door het voegwoord ut, waarin het effect wordt verwoord van de in regel 1 gevraagde genade krachtens de ontvangen H. Communie.
Ad 1
Domine, [o] Heer – anaklese van Dominus in de vocativusvorm
Fac nos proficere, geef dat wij vorderingen maken – a.c.i.-constructie (accusativus cum infinitivo), bestaande uit de imperativus fac van facere, 3, de accusativusvorm nos van het pronomen personale nos en de infinitivusvorm proficere, 3.
Cælestium rerum frequentatione, met de viering van de[ze] heilige dingen – bijwoordelijke bepaling op te splitsen in de ablativusvorm frequentatione en de bijvoeglijke bepaling cælestium rerum van twee congruerende genitivusvormen, genitivus explicativus.
Ad 1a
Tussenzin met de op zich zelf staande werkwoordsvorm quæsumus, wij bidden, wij vragen [U], met tweeledige functie: 1. afzwakking van de imperativusvorm fac tegenover de goddelijke Majesteit en 2. ondersteuning van ritmisch verloop van de uitgesproken of gezongen oratietekst.
Ad 2
ut et temporalibus beneficiis adiuvemur, et erudiamur æternis, op-/zodat wij én door de tijdelijke weldaden worden geholpen en door de eeuwige worden opgevoed.
Ut … adiuvemur et erudiamur: prædicaten van de bijzin, afhankelijk van het voegwoord ut, in de coniunctivusvorm præsentis passivi van de verba adiuvare en erudire. Beide prædicaten zijn verbonden door de coniunctie et, een onderdeel van de stijlfiguur (repetitio) et…et, waardoor niet alleen een onderling verband tussen de beide prædicaten wordt aangegeven maar ook het dubbele effect van de deelname aan de goddelijke geheimen (sacramenten) wordt onderstreept.
Temporalibus beneficiis, door de weldaden in de tijd – bijwoordelijke bepaling in twee congruerende ablativusvormen in het meervoud die het middel waardoor/-mee  uitdrukken; ablativus instrumenti.
[Beneficiis] æternis, door de eeuwige weldaden – bijwoordelijke bepaling gevormd door een ablativus instrumenti in het meervoud.
Et…et, zowel…als, niet alleen… maar ook – conjunctie om de onderlinge betrekking tussen de weldaden in de tijd en die in de eeuwigheid nauwkeuriger te bepalen.

S t i j l f i g u r e n
Repetitio (anafoor): et … et (r. 2)
Chiasme van de begrippen: temporibus beneficiis adiuvemur en erudiamur aeternis (r. 2),  een kruisstelling van twee ablativusvormen en twee verba in de coniunctivusvorm præsentis passivi. Ellips door het weglaten van het te verwachten substantivum beneficiis bij het adiectivum æternis.

K l e i n  v o c a b u l a r i  u m
Als ijverige studenten die de officiële taal van de Rooms-Katholieke Kerk willen leren,  raadplegen we naar goede gewoonte beproefde en dorwrochte  woordenboeken zolals Lewis & Short.

Proficio, - feci, - fectum 3
is een van de verba met veelzijdige betekenis dat dikwijls voorkomt in de oraties, en betekent gewoonlijk “vooruitkomen, verderkomen, vorderingen maken, nuttig zijn, baten, helpen, dienstig -, bruikbaar  -, voordelig zijn” enz. en vandaar ook “effect hebben, voltooien, bijdragen tot, leiden tot, tenderen naar”.  (In het Nederlands is “proficiat” een uitdrukking waarmee men iemand geluk wenst, naast de term  “gefeliciteerd” waarin de Latijnse wortel “felix”, vruchtbaar, gelukkig, voorspoedig, zalig herkenbaar is.

Adiuvare, -iuvi, iutum 1
heeft, naast het simplex iuvare, betekenissen als helpen, bijstaan, ondersteunen en voorts bevorderen, onderhouden, bevorderlijk-, van nut zijn, meewerken.
De beginverzen van de uren van het Goddelijk Officie bevatten – afgezien van de Lezingendienst (de vroegere Metten) – twee afgeleide vormen van het verbum adiuvare:
V. Deus, in adiutorium meum intende
R. Domine, ad adiuvandum me festina.
Ad V. God, kom mij te hulp: in adiutorium  intende, letterlijk: neig u tot hulp aan mij. In adiutorium: (præpositie in + accusativusvorm  van het onzijdige sunstantivum adiutorium, -ii.
Ad R. Heer, haast U mij te helpen: ad adiuvandum = gerundium (actieve vorm van het verbum dat wordt behandeld alsof het een substantivum is. I
Psalmvers 2 Deus, in adiutorium….Domine. ad adiuvandum… van psalm 70 (69)  bevat dus met de begrippen “in adiutorium meum” en “ad adiuvandum me” een paralellisme, een stijlfiguur eigen aan de poëzie van de psalmen.

Frequentatio, - onis f.
Dit substantivum hebben we gezien bij de bespreking van de Postcommunio van de 15e zondag per annum en herhalen graag de uitleg voor de nieuwe lezers.
Frequentatio heeft betekenissen als  frequentie, frequent gebruik, frequente samenkomst. Als stijlfiguur in de retorica is het een beknopte recapitulatie van reeds apart aangevoerde argumenten, een samenvatting of résumé. Het is jammer dat dit element in de officiële vertaling niet uit de verf komt.
Dit zelfstandig naamwoord komt van het verbum ‘frequentare” dat betekent “dikwijls doen/maken, dikwijls bezoeken, een rituele viering voltrekken, een liturgisch feest vieren of bijwonen in grote getale.
Dit werkwoord heeft sinds het oud-Latijn van de Numidische schrijver, filosoof en redenaar L. Apuleius Madaurensis ca. 123/125-ca. 170/180) (noordwestelijk van Algerije) zijn iteratieve betekenis praktisch verloren. Zijn schelmenroman De Gouden Ezel is de enige Latijnse roman die in zijn geheel de tijd heeft kunnen trotseren, grote invloed als dit werk had op de Westerse literatuur.
In het Latijn van de Romeinse heidense religie en in het Christelijk Latijn had het begrip “frequentatio” een cultische betekenis. De H. Augustinus was bijvoorbeeld dol op dit begrip, dat men frequent vindt in zijn grote werk “De Civitate Dei”, en daar, toegepast op individuele personen, “vieren, in acht nemen, in stand houden”, betekent.
In de grammatica beschrijft een “frequentatief werkwoord” een herhaalde handeling, door bijvoorbeeld aan de uitgang – are van de 1e conjugatie der verba “–it” in te lassen: palpare (betasten, strelen, aaien) naast palpitare (trekken van de oogleden, kloppen van het hart, spartelen), cogere (3) en cogitare, latere en latitare, enz. In het Nederlands kennen we hinken/hinkelen, schudden/schuddelen, trommen/trommelen, kruimen/kruimelen, krabben/krabbelen, knippen/knipperen enz.

Erudio, - divi, - ditum, 4
Zoals we zagen bij de bespreking van de tekst van de Super munera van de 5e zondag van Quadragesima (Veertigdagentijd) betekent het verbum e-rudio, erudivi/erudii, eruditum  “van ruwheid ontdoen, polijsten, beschaven” vandaar onderrichten, onderwijzen. Enkele synoniemen zijn doceo, edoceo, praecipio, instituo.
Bij de kerkvaders vinden we het begrip eruditor, onderwijzer, leraar.
Eruditio, onis vr. f.: 1. onderwijs, onderricht (in deze betekenis het eerst door de Romeinse redenaar, politicus, advocaat en filosoof Marcus Tullius Cicero, 106-43 voor Christus, gehanteerd) 2. geleerdheid, vorming, beschaving. De in het Nederlands gebruikte begrippen: eruditie, erudiet hebben dus een Latijnse herkomst.
Eruditie bezitten betekent dus overgebracht zijn of zich ontwikkeld hebben vanuit een staat van (e(x)-rudio): van een ruwe, ongevormde, ongepolijste, onbeschaafde en onwetende status. Onderricht / gevormd zijn betekent een vorming die verandering en beschaving bewerkt.

Beneficium, -i, onz.
Betekent weldaad, gunst en behoort net als benefactum, weldaad, tot de verwante begrippen van het verbum benefacere, - feci, - factum, 3, goed doen, wel doen. Een benefactor, -oris is een weldoener, beneficentia, liefdadigheid en het adiectivum benefices, weldadig, of, zelfstandig gebruikt, óók weldoener.
Het in het Nederlands gangbare begrip beneficie (van: bene = goed, en ficere = doen) verwijst naar een uit de Middeleeuwen daterend kerkelijk ambt of geestelijke waardigheid, waaraan het recht op materiële voordelen en inkomsten (prebendes) verbonden is.
Het begrip werd zowel in het wereldlijke als in het kerkelijke recht gebruikt.
In wereldlijke zin:
In de ruileconomie ten tijde van het Frankische Rijk konden leenmannen alleen beloond worden door hen gronden en het vruchtgebruik daarvan te geven. Dit werd aanvankelijk beneficium genoemd en hiermee bond de heer zijn vazallen aan zich. Deze waren verplicht de heer bij te staan met manschappen ten tijde van oorlog. Hieruit ontwikkelde het systeem zich tot het feodalisme. Vanaf de tiende eeuw werd gesproken van feodum en werd beneficies nog slechts gebruikt voor het kerkelijke ambt.
In kerkelijk opzicht:
Vóór de vijfde eeuw was er alleen sprake van gezamenlijke inkomsten van een bisdom. Daarna werden bepaalde zaken voor het leven in leen gegeven aan geestelijken. Dit groeide uit tot een geestelijk ambt (officium) met daaraan het recht op de inkomsten uit de prebende verbonden. De inkomsten waren afkomstig uit de opbrengsten van schenkingen, bijvoorbeeld in de vorm van gronden, door gelovigen verricht. Dit inkomen werd verworven door op een vaste plaats en vaste tijdstippen HH. Missen op te dragen aan een daartoe bestemd altaar. Dit kon bijvoorbeeld een altaar zijn van een schuttersgilde of broederschap. De geestelijke die de Mis op droeg werd de beneficiant of drager van het beneficie genoemd.
Door de confiscatie van kerkelijke goederen tijdens de Franse Revolutie werden de meeste beneficies afgeschaft. Met de invoering van het kerkelijk wetboek van 1917 vermeerderde dit aantal weer. Tegenwoordig zijn de geestelijken echter niet meer aangewezen op het beneficiaal systeem.
De inkomsten van een kapittel van kanunniken (koorheren), bestemd voor het levensonderhoud van deze geestelijken, worden oorspronkelijk prebenden (naar het Latijnse werkwoord praebeo (Nederlands: aan-, toereiken of verschaffen) genoemd.In het dagelijks spraakgebruik worden deze inkomsten ook beneficies genoemd.

O v e r w e g i n g 
Als christenen bevinden we ons in deze wereld als in een school, een school die ons vormt en polijst. We worden geïnstrueerd, krijgen les en worden gecorrigeerd, ontvangen beloningen en gaan uitdagingen aan.
Tegelijk met onze eerste natuurlijke opvoeders, onze ouders, geeft God ons ook de Heilige Kerk, die is Mater et magistra, Moeder en lerares. Door de stem en de liturgie van de Kerk onderricht Christus ons persoonlijk en schenkt ons wat we nodig hebben om Hem te behagen en, zo het Hem behaagt, te worden beloond. Anders dan ons onderricht, hier en nu, waarbij we dingen leren door middel van de leraar, maar niet de leraar zelf, is in de school van ons leven met God, Christus Zelf de Leraar en Degene die wij steeds beter moeten leren kennen. Hij onderricht ons persoonlijk. “Neem mijn juk op uw schouders en leer van Mij: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen” (Mt 11, 29).
We hebben de H. Hieronymus in zijn Proloog van de Commentaren op de profeet Jesaja onlangs (op 30 september, zijn gedachtenis) horen zeggen: “De Schriften niet kennen is Christus niet kennen” (Pl  24, 17). Onze Moeder de Kerk spoort ons dan ook aan tot regelmatige lezing van de goddelijke geschriften ”om de allesovertreffende kennis van Christus Jezus (Fil 3,8) te verwerven, waarbij de lezing van de Heilige Schrift vrucht draagt als deze samengaat  met gebed en een gesprek ontstaat tussen God en de mens, want “tot Hem spreken wij als wij bidden, Hem horen wij, als wij Gods woorden lezen” (H. Ambrosius,  De officiis ministrorum I, 20, 88: PL 16, 50).
Christus moeten we leren kennen. Maria helpt ons daarbij. Met het rozenkransgebed, zegt paus Johannes-Paulus II in zijn Brief Rosarium Virginis Mariae (20.9.2002), bevinden christenen zich in de school van Maria om de schoonheid op het gelaat van Christus te overdenken en om de diepten van Zijn liefde te ervaren. Door dit gebed ontvangt de gelovige genade in overvloed alsof die uit de handen van de Moeder van de Verlosser zelf komt. Want van nature eist de rozenkrans, dat hij door rustig bidden en in als het ware nadenkende langzaamheid voortkabbelt, waardoor de bidder zich gemakkelijker op de overweging toelegt van de mysteries van het leven van Christus, zoals zij door het hart van haar worden gezien die van allen het naast was aan de Heer, opdat de onnaspeurlijke rijkdommen van deze mysteries worden ontsloten”.
Geen ander beschouwde Zjn gelaat ooit zoals zij. Door met Maria tijd voor de Rozenkrans te maken en door onze blik op Hem te richten, kunnen we leren met Hem te zijn. Als katholieken en christenen moeten we ons laten scholen met Maria. Het is een vorm van geestelijk gepolijst worden.
Door een proces van schaven en polijsten worden dingen glad, mooi, inpasbaar en bruikbaar gemaakt. In vroeger tijden en als het goed is nu nog werden kinderen en jonge mensen door hun ouders aan zo’n proces onderworpen teneinde goed voorbereid te zijn om met goede manieren  in het openbaar te verschijnen of bijvoorbeeeld te verschijnen op een debutantenbal.
Als kinderen van de hemelse Vader zullen we ooit voor de troon van de Koning en Rechter verschijnen. Al de goede dingen van de schepping zijn ons door God als weldaden en tot ons voordeel gegeven.  Maar terwijl wij al deze goede dingen beheren en ze gebruiken tot Gods eer en glorie, gebruikt God deze om ons te vormen en te polijsten naar zijn bedoeling. Bij dit beeld blijvend van schuren, schaven en polijsten komt ook het beeld op van langzaam afbrokkelende rotsen langs de kust door het eeuwenlang beuken van aanrollende en zich terugtrekkende golven. Heel ons leven lang ondergaan we een langzaam, maar zeker proces van geslepen en  afgeslepen, geschuurd, geschaafd en gepolijst worden. Soms waaien er harde winden die grotere brokken doen afbreken wat soms niet anders kàn. 
Wil een lens of spiegel perfect zijn voor reflectie of om iets helder te kunnen zien, dan moeten deze gepolijst zijn. We zijn tegelijk spiegel en lens. Beide optische elementen sturen of kaatsen licht terug. Dit laat zich onder twee opzichten beschouwen. Een spiegel reflecteert beelden. Wij werden geschapen naar Gods beeld en gelijkenis, om te handelen zoals Hij handelt, te kennen, te willen en te beminnen zoals Hij. Wij zijn gemaakt om Christus in al onze woorden en daden te ‘weerkaatsen’. Juist als Christus de Vader aan ons openbaart in alles wat Hij heeft gezegd en gedaan, moeten wij uitwendig beeld en gelijkenis met Christus zijn en wel zó  dat degenen die ons zien Hem zien en Degene die Hem heeft gezonden. Als wij zo beeld van Christus zijn, dan plaatsen we de Heer in groter perspectief. We kunnen zijn verheerlijkte natuur laten stralen en Hem verheerlijken, zoals de Moeder van Jezus toen zij werd ontvangen in het huis van haar nicht Elizabeth, haar hart verhief en de Heer in haar Magnificat prees.
Om een goede spiegel en lens te zijn, moeten we gepolijst worden. Ik haal hier enkele fragmenten aan uit een brief van de H. Pater Pio (Uitgave 1994, II, 87-90, n. 8):
“De goddelijke Bouwmeester wil – door middel van aanhoudende slagen met de heilzame beitel en van een nauwgezet polijstwerk – stenen maken, waarmee Hij het eeuwige bouwwerk kan optrekken, zoals onze zachtmoedige moeder, de heilige Katholieke Kerk, het bezingt in de hymne van het officie voor een kerkwijding. En zo is het ook inderdaad.
Iedere ziel – bestemd voor de eeuwige heerlijkheid – kan men het beste omschrijven als een steen die gemaakt is om het eeuwige bouwwerk op te richten. De bouwer die een gebouw wil oprichten kan het beste eerst de stenen waarmee het zal worden gebouwd, polijsten. Dit bereikt hij door middel van de slagen met hamer en beitel. Op gelijke wijze handelt eigenlijk de hemelse Vader met uitverkoren zielen die, van eeuwigheid af, door zijn grote wijsheid en voorzienigheid zijn bestemd om het eeuwige bouwwerk op te richten.
De ziel nu, geschapen om met Christus te heersen in de eeuwige heerlijkheid, moet door de slagen van hamer en beitel worden gepolijst. De goddelijke Bouwmeester gebruikt deze slagen om stenen – dat wil zeggen uitverkoren zielen – voor gebruik gereed te maken. Maar wat zijn deze slagen van hamer en beitel? Perioden van duisternis, mijn zuster, angsten, bekoringen, een bedroefde toestand van de geest, geestelijke angsten die sterk op ziekte lijken, en lichamelijke lasten.
Brengt daarom dank aan de oneindige goedheid van de eeuwige Vader, die op deze wijze omgaat met uw ziel die toch bestemd is voor het heil. Waarom zouden we niet trots zijn op deze liefdevolle behandeling die de beste van alle vaders ons geeft? Opent uw hart voor deze hemelse Geneesheer van de zielen en geeft uzelf, vol vertrouwen, over aan zijn allerheiligste armen: Hij die u behandelt als zijn uitverkorenen, opdat gij Jezus van nabij zoudt volgen op de steile weg naar Calvarië. Ik aanschouw met vreugde en ten diepste bewogen hoe de genade haar werk in u heeft verricht.
Gij moet er geenszins aan twijfelen dat God alles wat uw ziel overkomt, zo heeft geordend. Weest daarom niet bevreesd dat gij kwaad zult doen of God zult beledigen! Laat het voor u voldoende zijn te weten dat gij, waar het gaat om het geheel van uw leven, de Heer nooit hebt beledigd, integendeel, Hij wordt in uw leven zelfs meer en meer verheerlijkt”.
Tot zover Pater pio. Wij wensen U ook morgen veel devotie bij de viering van de H. Mis!