zaterdag 27 november 2021

Mgr. Robert Barron FIRST SUNDAY OF ADVENT

Luke 21:25-28, 34-36

Friends, in today’s Gospel Jesus tells his disciples to be vigilant. Today marks the beginning of Advent, the great liturgical season of vigilance, of waiting and watching.

What practically can we do during this season of vigil keeping? What are some practices that might incarnate for us the Advent spirituality?

I strongly recommend the classically Catholic discipline of Eucharistic adoration. To spend a half hour or an hour in the presence of the Lord is not to accomplish or achieve very much—it is not really "getting" anywhere—but it is a particularly rich form of spiritual waiting.

As you keep vigil before the Blessed Sacrament, bring to Christ some problem or dilemma that you have been fretting over, and then say: "Lord, I’m waiting for you to solve this, to show me the way out, the way forward. I’ve been running, planning, worrying, but now I’m going to let you work." Then, throughout Advent, watch attentively for signs.

Also, when you pray before the Eucharist, allow your desire for the things of God to intensify; allow your heart and soul to expand. Pray, "Lord, make me ready to receive the gifts you want to give," or even, "Lord Jesus, surprise me."

Lectio divina lingua latina Dominica I Adventus Liturgia Horarum Ad Officium lectionis (+EN et NL)

Ex Catechésibus sancti Cyrílli Hierosolymitáni epíscopi (Cat. 15, 1-3: PG 33, 870-874)
Second Reading
St Cyril of Jerusalem
The twofold coming of Christ
We do not preach only one coming of Christ, but a second as well, much more glorious than the first. The first coming was marked by patience; the second will bring the crown of a divine kingdom.
  In general, whatever relates to our Lord Jesus Christ has two aspects. There is a birth from God before the ages, and a birth from a virgin at the fullness of time. There is a hidden coming, like that of rain on fleece, and a coming before all eyes, still in the future.
  At the first coming he was wrapped in swaddling clothes in a manger. At his second coming he will be clothed in light as in a garment. In the first coming he endured the cross, despising the shame; in the second coming he will be in glory, escorted by an army of angels.
  We look then beyond the first coming and await the second. At the first coming we said: Blessed is he who comes in the name of the Lord. At the second we shall say it again; we shall go out with the angels to meet the Lord and cry out in adoration: Blessed is he who comes in the name of the Lord.
  The Saviour will not come to be judged again, but to judge those by whom he was judged. At his own judgement he was silent; then he will address those who committed the outrages against him when they crucified him and will remind them: You did these things, and I was silent.
  His first coming was to fulfil his plan of love, to teach men by gentle persuasion. This time, whether men like it or not, they will be subjects of his kingdom by necessity.
  The prophet Malachi speaks of the two comings. And the Lord whom you seek will come suddenly to his temple: that is one coming.
  Again he says of another coming: Look, the Lord almighty will come, and who will endure the day of his entry, or who will stand in his sight? Because he comes like a refiner’s fire, a fuller’s herb, and he will sit refining and cleansing.
  These two comings are also referred to by Paul in writing to Titus: The grace of God the Saviour has appeared to all men, instructing us to put aside impiety and worldly desires and live temperately, uprightly, and religiously in this present age, waiting for the joyful hope, the appearance of the glory of our great God and Saviour, Jesus Christ. Notice how he speaks of a first coming for which he gives thanks, and a second, the one we still await.
  That is why the faith we profess has been handed on to you in these words: He ascended into heaven, and is seated at the right hand of the Father, and he will come again in glory to judge the living and the dead, and his kingdom will have no end.
  Our Lord Jesus Christ will therefore come from heaven. He will come at the end of the world, in glory, at the last day. For there will be an end to this world, and the created world will be made new.

Uit de Onderrichtingen van de heilige Cyrillus, bisschop van Jeruzalem († 348)
De tweevoudige komst van Jezus Christus.
Wij verkondigen de komst van Christus. Niet alleen zijn eerste komst, maar ook de tweede, die veel heerlijker zal zijn dan de eerste. Want de eerste stond in het teken van de beproeving, de tweede voert de kroon van de goddelijke heerschappij.
Want bij onze Heer Jezus Christus verloopt alles meestal op tweevoudige wijze: een tweevoudige geboorte, de ene uit God vóór alle tijden, de andere uit de Maagd bij de volheid van de tijden; een tweevoudige nederdaling, de ene onmerkbaar, zoals de dauw op de vacht van Gideon, de tweede in volle klaarheid, die nog moet komen.
Bij zijn eerste komst werd Hij in doeken gewikkeld in een kribbe, bij zijn tweede is Hij met licht bekleed als met een mantel. Bij de eerste doorstond Hij de beproeving van het kruis en gaf Hij niet om vernedering en smaad, bij de tweede komt hij omstuwd door een legerschaar van engelen, in heerlijkheid.
Daarom houden wij het niet alleen bij zijn eerste komst, maar zien wij ook uit naar de tweede. Bij zijn eerste komst hebben wij geroepen: ‘Gezegend de Komende in de naam des Heren’ (Mt. 21, 9), bij de tweede zullen wij weer hetzelfde roepen. Met de engelen zullen we Hem tegemoet trekken, voor Hem knielen en roepen: ‘Gezegend de Komende in de naam des Heren’. De Verlosser zal dan komen, niet om zich opnieuw te laten vonnissen, maar om vonnis te spreken over hen die Hem hebben gevonnist. De eerste keer zweeg Hij, toen men Hem veroordeelde. Maar dan zal Hij de misdadigers die Hem bij zijn kruisgang onmenselijk hebben behandeld, aan hun daden herinneren en zeggen: ‘Zou ik dan zwijgen als gij zo iets doet?’ (Ps. 50 (49), 21). Eerst kwam Hij, volgens het heilsplan, om de mensen met aandrang te onderrichten, maar dan zullen zij zich noodgedwongen aan zijn heerschappij onderwerpen, zelfs tegen hun wil.
Over die beide komsten spreekt de profeet Maleachi: ‘Plotseling zal de Heer in zijn heiligdom binnentreden, de Heer die gij zoekt’ (Mal. 3, 1). Dat betreft zijn eerste komst. Maar dan spreekt Maleachi over zijn tweede komst: ‘De bode van het verbond, naar wie gij met vreugde uitziet. Zie, Hij komt, de Heer van de machten. Maar wie verdraagt de dag van zijn komst? Wie blijft er staande, als Hij verschijnt? Want Hij is als het vuur van de smelter, als het loog van de blekers. Hij zal zich neerzetten, Hij die het zilver smelt en reinigt’ (Mal. 3, 1-3).
Ook Paulus verwijst naar deze dubbele komst van de Heer, wanneer hij aan Titus schrijft: ‘De genade van God, bron van heil voor alle mensen, is op aarde verschenen. Zij leert ons goddeloosheid en wereldse begeerten te verzaken en bezonnen, rechtvaardig en vroom te leven in deze tijd, terwijl wij uitzien naar de zalige vervulling van onze hoop, de openbaring van de heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Christus Jezus’ (Tit. 2, 11-13). Ziet gij hoe Paulus spreekt over een eerste komst die hij dankbaar gedenkt, én over een tweede waarnaar wij uitzien?
Daarom is de inhoud van het geloof dat wij belijden, aldus overgeleverd: wij geloven in Hem ‘die opgevaren is ten hemel en zit aan de rechterhand van de Vader, die zal weder komen in heerlijkheid, om te oordelen de levenden en de doden, en aan zijn rijk komt geen einde’. Onze Heer Jezus Christus zal dus uit de hemel komen. Bij het einde van deze wereld zal Hij komen in heerlijkheid, op de laatste dag. Want aan deze wereld zal een einde komen, en deze geschapen wereld zal weer nieuw geschapen worden.

Lezingen H.Mis 1e zondag van de advent, jaar C

Eerste lezing (Jer. 33, 14-16)
Uit de Profeet Jeremia.
Zo spreekt de Heer:
Er komt een tijd,
dat Ik de belofte vervul, die Ik aan Israël en Juda gedaan heb.
Dan schenk Ik David een wettige afstammeling,
die het land rechtvaardig en eerlijk bestuurt.
In die dagen wordt Juda gered en is Jeruzalem veilig.
En die stad zal heten: Heer, onze gerechtigheid.

Tweede lezing (1 Tess. 3, 12-4, 2)
Uit de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Tessalonica.
Broeders en zusters,
moge de Heer u overvloedig doen toenemen
in liefde voor elkaar en voor alle mensen,
zoals ook mijn liefde uitgaat naar u.
Hij sterke uw hart, zodat gij onberispelijk zijt en heilig
voor het aanschijn van God, onze Vader,
bij de komst van onze Heer Jezus met al zijn heiligen.
Voor het overige, broeders en zusters,
vragen en vermanen wij u in de Heer Jezus,
dat gij de overlevering, die gij van ons hebt ontvangen,
de overlevering namelijk over een levenswandel,
die God welgevallig is,
nog trouwer naleeft dan gij al doet.
Gij kent de voorschriften,
die wij u op gezag van de Heer Jezus gegeven hebben.

Evangelie (Lc. 21, 25-28.34-36)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas.
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Er zullen tekenen zijn aan de zon, maan en sterren
en op de aarde zullen volkeren in angst verkeren,
radeloos door het gebulder van de onstuimige zee.
De mensen zullen het besterven van schrik,
in spanning om wat de wereld gaat overkomen.
Want de hemelse heerscharen zullen in verwarring geraken.
Dan zullen zij de Mensenzoon zien komen op een wolk,
met macht en grote heerlijkheid.
Wanneer zich dit alles begint te voltrekken,
richt u dan op en heft uw hoofden omhoog,
want uw verlossing komt nabij.
Zorg ervoor dat uw geest niet afgestompt raakt
door een roes van dronkenschap en de zorgen van het leven;
laat die dag u niet onverhoeds grijpen als in een strik;
want hij zal komen over alle mensen, waar ook ter wereld.
Weest daarom altijd waakzaam en bidt
dat ge in staat moogt zijn te ontkomen
aan al die dingen, die zich gaan voltrekken,
en dat ge stand moogt houden
voor het aangezicht van de Mensenzoon.”

Overweging bij begin van de Advent - Een wachten dat tegelijk een hopen is in alle nood, geborgen in liefdevol erbarmen.



Een fundamenteel element van de Advent is het wachten, dat tegelijkertijd een hopen is. Daarmee verwijst de Advent naar wat de christelijke tijdsbeleving en de betekenis van de geschiedenis is. 

Jezus heeft dat in verschillende gelijkenissen aanschouwelijk gemaakt: in het verhaal van de knechten die op de terugkeer van hun meester wachten, of er gewoon niet aan denken en zich gedragen alsof zij heer en meester zijn over hetgeen hen is toevertrouwd (Mt 24, 45-51); of met de het verhaal van de bruidsmeisjes die de bruidegom verwachten of juist niet kunnen verwachten (Mt 25, 1-13) en in de gelijkenis van het zaad en de oogst (Mt 13, 18-23).

De mens is in zijn leven iemand die wacht: als kind wil hij volwassen worden, als volwassene wil hij vooruit komen in het leven en slagen; tenslotte verlangt hij naar rust en uiteindelijk komt voor sommige mensen de tijd dat zij ontdekken dat zij te weinig hebben gehoopt….. anderen hopen en geloven in een voltooiing na dit leven.

Maar de mensen in het algemeen zijn altijd blijven hopen op betere tijden, ‘hoop doet leven’; de christenen hopen dat de Heer heel hun leven begeleidt en dat Hij eens al onze tranen en lasten zal verzamelen, zodat alles zijn verklaring en vervulling vindt in Zijn Rijk. Dan bestaat er geen zinloze tijd meer, er is altijd hoop. Vanuit de ouderdom kan men terugkijken, maar de tijd van het rusten is ook de tijd dat een uitwendige schijnbare nutteloosheid in hoge mate een groeien naar God kan worden.

Nu nog zien we vol hoop en vastberadenheid naar die toekomst van eeuwig geluk uit, de deur die Christus voor ons heeft geopend: ooit zullen wij er binnengaan en wonen wanneer Hij komt in heerlijkheid voorgoed. Dat is de Wederkomst van Christus in goddelijke majesteit.

Hij zelf ontsteekt in ons de vreugde en de kracht om toe te leven naar de dag van zijn Geboorte. Laat Hij ons vinden, waakzaam, biddend, vol van dat geheim. Dat is eerste komst van Christus bij zijn Menswording, zijn komst binnen onze geschiedenis. 

Zo verwoorden de twee prefaties van de Advent het verlangen naar de komst van Jezus. 

Veel directer echter is Jezus wanneer we de eerste woorden van Hem in het nieuwe liturgische jaar horen: ‘Wees op uw hoede, wees waakzaam, want gij weet niet wanneer het ogenblik daar is.’ En als er iets is dat we de voorbije maanden dag na dag gehoord hebben, is het wel dat we op onze hoede, dat we dus waakzaam moeten zijn, want we weten niet wanneer het coronavirus daar is. Maar ook zonder dat virus zijn het woorden die we heel dikwijls horen, en die we in al hun varianten wellicht ook dikwijls zelf gebruiken. Varianten als ‘let op’, ‘pas op’, ‘wees voorzichtig.’ ‘Let op als je de straat oversteekt of de trappen afgaat’. ‘Let op wat je zegt, dat je niemand kwetst.’ ‘Weest voorzichtig met de glazen en de borden, zodat niets wordt gebroken’. 

De Advent is niet een heilig spel van de liturgie, aan de hand waarvan in de teksten van de H. Mis en het Goddelijk Officie de heilsgeschiedenis voor ons opnieuw aanschouwelijk wordt gemaakt, opdat wij het heil nu met vreugde kunnen beleven. De Advent is niet enkel ‘her-innering’ van het verleden, maar Advent is ons leven nú, onze werkelijkheid. De Kerk wijst ons ook op de waarheid van de betekenis van ons christelijk bestaan.

De Adventstijd maakt ons hiervan telkens aan het begin van een nieuw kerkelijk jaar levendig bewust. De teksten nodigen ons uit en doen ons beseffen dat onze zonden en tekorten niet te maken hebben met een toestand van niet-verlost zijn, die ooit boven de wereld hing of nog hangt, maar met onszelf alles te maken hebben en ook binnen de Kerk een feit zijn. Tot ons christen-zijn behoort ook dat we los komen van onze duistere aanvechtingen en God ons leven klaar en volledig open voorleggen. Juist Hem mogen we moeten wij de lasten van ons leven eerlijk en waarachtig toevertrouwen. Advent betekent met God spreken zoals Job het heeft gedaan, ook wanneer we als Job geen antwoorden hebben en alleen maar overblijft God het antwoord te laten en Hem te zeggen hoe we dikwijls zonder antwoord in onze duisternis staan.

Geven we daarom metterdaad gehoor aan de woorden van de H. Paulus in de korte lezing van de Lauden van de 1e Adventszondag: “Abiciamus ergo opera tenebrarum et induamur arma lucis” (Rom 13, 12b) - Leggen we dus de werken van de duisternis af en bekleden we ons met de wapenrusting van het licht.

Vandaag zingen we in de Getijden gedeelten van de sequens Dies iræ. De Jongste Dag wordt geanticipeerd tegen een grootse achtergrond van een wereldbrand. Het is een ernstige bezinning op het einde van de wereld zoals die zich nu manifesteert, maar ook op het einde van ons eigen leven. Jezus wordt aangeroepen als Fons pietatis (Bron van medelijden) en Iesu pie (Goede Jezus), die de zondares en de goede moordenaar heeft vergeven. Er is redding en hoop.

Vanuit het besef dat Christus, weliswaar tegen een kostbare prijs, de dood voorgoed heeft overwonnen kunnen we straks het Paasofficie zingen, als sluiting van de voortgezette Paastijd, om vervolgens opnieuw wachtend, wakend, biddend en werkend uit te zien naar de drie komsten van Christus: met Kerstmis als herdenking van zijn komst in de geschiedenis van de mensen, zijn komst op het einde der tijden en zijn komst in genade bij het ontvangen van de H. Communie. Veni, Domine, noli tardare, Kom, Heer, wacht niet langer.

De Advent leert ons dat alle nood naar ziel en lichaam geborgen is in een liefdevol erbarmen, gevangen en overtroffen is door de vergevende en reddende genade van onze Verlosser.
Als men dit zo beleeft kan men terecht spreken van een zalig Kerstfeest en blije Kersttijd.

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada XXXIV per annum Sabbato Cantemus Alleluia Deo bono, qui liberat nos a malo. Zingen wij een Alleluia voor de goede God, die ons bevrijd heeft van het kwaad.


  Ad Officium lectionis



Lectio altera

Ex Sermónibus sancti Augustíni epíscopi
(Sermo 256, 1. 2. 3: PL 38, 1191-1193)

Tweede lezing
Uit de Preken van de H. Augustinus, bisschop
(Sermo 256, 1. 2. 3: PL 38, 1191-1193)

Zingen wij een Alleluia voor de goede God, die ons bevrijd heeft van het kwaad

Laten wij hier het Alleluia zingen, nu wij nog vol zorgen zijn, om het een dáár te kunnen doen, waar wij veilig zijn. Waarom zijn wij vol zorgen? Wilt gij dan, dat ik niet verontrust ben, wanneer ik lees: Is het mensenleven op aarde dan geen beproeving? Wilt gij dan, dat ik niet verontrust ben, wanneer mij ook nog gezegd word: Waakt en bidt, opdat ge niet in bekoring komt? Wilt ge dan, dat ik niet verontrust ben, wanneer de beproeving zo hoog stijgt dat, wanneer wij bidden, ons gebed zelf ons voorschrijft: Vergeef ons onze schuld, zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven? Dagelijks zijn wij bidders, dagelijks ook schuldenaren. Wilt gij soms, dat ik mij veilig voel, wanneer ik dagelijks vergeving vraag voor mijn zonden en om hulp in gevaren? Want wanneer ik wegens mijn vroegere zonden zal zeggen: Vergeef ons onze schuld, zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven, voeg ik er, om de toekomstige gevaren, altijd aan toe: Leid mij niet in bekoring. En hoe kan het volk in goeden doen zijn, wanneer het met mij uitroept: Verlos ons van het kwade?  En toch, broeders, temidden van dat kwaad moeten we toch ons Alleluia blijven zingen voor de goede God, die ons bevrijdt van het kwade.

Ja, laten wij zelfs in gevaren, in bekoringen, die zowel van anderen als van onszelf komen, ons Alleluia zingen. Want God is getrouw, die niet zal toelaten, is er gezegd, dat gij boven uw krachten bekoord wordt. Laten we dus ook nu ons Alleluia zingen. De mens is nog wel schuldig maar God is getrouw. Er staat niet: Hij zal niet toelaten dat gij bekoord wordt; maar: Hij zal niet toelaten, dat gij bekoord wordt boven uw krachten, maar Hij zal met de bekoring ook geven dat ge eruit komt om ze te kunnen doorstaan. Gij zijt in een bekoring gekomen; maar God zal ook het eruitgaan geven, zodat ge niet in die bekoring bezwijkt; opdat, zoals het vat van de pottenbaker, gij gevormd wordt door het woord van de prediking en daarna gehard wordt door de verdrukking. Maar wanneer ge erin komt, denk dan aan het eruit gaan. Want God is getrouw: De Heer waakt over uw binnenkomen en uitgaan.

En verder – wanneer dit lichaam onsterfelijk en onbederfelijk is geworden als alle bekoring voorbij is, terwijl toch van de andere kant het lichaam de dood is gewijd -, waarom is het dan dood? Vanwege de zonde. Maar uw geest leeft. Waarom ? Dank zij de gerechtigheid. Moeten wij dan het dode lichaam opgeven? Neen, want haar: Maar als de Geest van Hem, die Jezus van de doden heeft opgewekt, in u woont, zal Hij, die Christus van de doden heeft doen opstaan, ook uw sterfelijke lichamen levend maken. Want nu is het een natuurlijk lichaam, dan een geestelijk.

O, dat gelukkig Alleluia daar! Dat veilige! Dat zonder tegenstand! Waar niemand vijand is en geen vriend verloren gaat. Daar zijn lofzangen tot God en ook hier zijn lofzangen tot God. Hier echter door bedrukten, daar door veiligen; hier door sterfelijken, daar door die altijd zullen leven; hier in hoop, daar in werkelijkheid; hier onderweg, daar in het vaderland

Laten wij daarom, mijn broeders, nu zingen, niet in genoeglijke rust, maar tot troost bij het zwoegen. Zoals zij, die onderweg zijn, gewoon zijn te zingen: zing ook, maar ga voort. Verzacht uw zwoegen door te zingen. Geef u niet over aan lusteloosheid. Zing en ga voort. Wat is dat: ga voort? Vertrek, ga voort in het goede. Want er zijn er volgens de Apostel, die voortgang maken in het slechte. Maar als gij vertrekt, blijf dan lopen. Maar vertrek in het goede, in het ware geloof, in goede zeden. Zing dan en ga voort!

CHRISTUS KONING, ONZE VERLOSSER - Wij vragen de compassio, barmhartigheid en zegen van Christus over alle mensen. .



Afgelopen zondag vierden we het hoogfeest van Christus Koning. In de teksten van H. Mis en Goddelijk Officie konden we de verschillende aspecten van zijn Koningschap opmerken.

Jezus is ook Koning, omdat Hij de Rechter van allen en alles is. Ja, Hij is Zelf in persoon het gerechtelijk oordeel. Naarmate we in Hem geloven of niet, beslissen we zelf over ons heil of onheil. De Vader heeft Hem het oordelen over levenden en doden in handen gegeven (Jo 5, 22-30). Het eindoordeel over ons leven wordt in ons leven van nu reeds voorbereid en wordt bepaald door onze relatie tot Jezus. Wie in Hem gelooft, dat betekent wie zich zonder voorbehoud aan Hem overgeeft, wordt niet geoordeeld. Wie niet gelooft, is reeds geoordeeld, omdat hij niet gelooft in de Naam van de eniggeboren Zoon van God (Jo 3, 13). Bij het Laatste Oordeel is Christus bij uitstek Rechter: als Heer en Koning bezit Hij de sleutels van de dood en de onderwereld (Apoc 1, 18); uit beide kan Hij de zielen redden.

Wij zijn nog in de Novembermaand, de maand van de overledenen, de maand van alle zielen. Vergeten we niet voor hen te bidden, voor hen om vergeving te vragen.

Gisteren zongen we het Dies iræ, een sequens met een grote inhoudelijke realiteit: Christus wordt onder meer aangesproken als de Rex tremendæ maiestatis, Koning van huiveringwekkende majesteit, maar tegelijk als Iesu pie, goede Jezus, en dat betekent dat we hoopvol mogen rekenen op zijn goedheid en troost. Als Maria Magdalena en de Goede Moordenaar werden vergeven, en als de vermoeide Heer op de rand van de put de Samaritaanse het levende water, - dat Hijzelf is - aanbood, hoeven we niet te vrezen.

Wat kunnen wij in onze situatie doen voor zoveel dwalende en onwetende mensen met wie we in contact komen? Voor zoveel mensen die onvoorbereid in deze pandemie sterven…

Zijn compassio, zijn barmhartigheid en zijn zegen over hen vragen.

Vragen wij ook voor onszelf gespaard te worden bij het Laatste Oordeel door dagelijks vergeving te vragen en ons met een eenvoudig schietgebed in het Latijn, de laatste strofe uit het Dies iræ volgens de tekst van Liturgia Horarum, regelmatig tot de Heer te wenden:

O tu, Deus maiestatis - O, Gij God van majesteit
Alme candor Trinitatis - Zegenrijke schittering van Drievuldigheid
Nos coniunge cum beatis - Neem ook ons op in zaligheid

Als God voor ons is, wie zal dan nog tegen ons zijn? God zal ons in zijn trouw geen schade toevoegen, Hij bedriegt niet en Hij zal Zijn beloften niet te niet doen. De trouw van God is niets anders dan het nooit eindigende heilswerk van de Drieëne God, die barmhartigheid en liefde is tot heil van de wereld.

Vandaag zongen we de Verrijzenismis en bidden we het Officie van Pasen als sluiting van de (in onze Orde van het H. Graf verlengde) Paastijd om straks het nieuwe liturgische jaar te beginnen met de 1e Vespers van de 1e Adventszondag. In alle deze zo verschillende liturgische vieringen komt het verlossende heil - Menswording, Kruis en Verrijzenis - in één stralende kern bijeen.

Het mysterie van de Verlossing is het fundamentele mysterie van het Christendom. Christus, de God-Mens, heeft alle zonden op Zich genomen en door zijn kruisdood vernietigd. Dat weten we, en dikwijls dringt de jubel om die Verlossing tot ons door vanuit het breviergebed.

En toch, als we rondom ons kijken in de wereld; als we maar even denken aan al het kwaad dat nu de wereld overspoelt, dan vraagt men zich wel eens af: hoe nu verder? Is dan het lijden en de dood van de Heer tevergeefs geleden? Het mysterie van het kwaad dringt zich meer dan ooit op dan in de mensengeschiedenis het geval is geweest, zo lijkt het toch. De haat tegen God beheerst de wereld duidelijk. In die wereld hebben wij de opdracht te loven en te danken voor de Verlossing.

Op de eerste plaats komt het er op aan een duidelijk inzicht te hebben in de weldaad van de Verlossing. Ons geloof moet, door het gebed, opbloeien tot een zekerheid dat diep in ons die Verlossing leeft. De mensen die naar ons toe komen voelen dat, naar ze zeggen, sterker aan dan we het zelf vermoeden, hoe de rust van het ‘in God gevestigd zijn’ de sfeer bepaalt. Wanneer iemand een geschenk ontvangt, dan vraagt de wellevendheid niet alleen dat men bedankt, maar ook dat men laat blijken dat het een passend cadeau is, door het blij in gebruik te nemen.

Naast het vurige gebed (dat wil zeggen: intens bewust liefdevol) moeten we dus proberen de Verlossingsgenade te gebruiken en deze in ons te laten groeien. We moeten dus leven als verloste mensen. Naast allerlei omschrijvingen kunnen we dit bondig samenvatten als leven als blije mensen. Niet gemaakt of gekunsteld, maar in het onverstoorbare bewustzijn dat God met ons is, door de genade van Onze Heer Jezus Christus. Die diepe rustige vreugde moeten we in ons laten groeien, uit dankbaarheid voor de Verlossing - innerlijk blij zijn!

De liturgische teksten van de Advent zijn een goede hulp om steeds meer ontvankelijk te worden voor Gods Licht, uit ons duister egoïsme te breken, op te staan uit onze slaap en Hem tegemoet te gaan, nu, op de geschikte tijd, niet alleen met werken van gerechtigheid, maar vooral met geloof, hoop en liefde Hem verwachtend Die gekomen is en steeds opnieuw komt om bij ons zijn intrek te nemen, om ons in Hem te laten wonen.

Het komt dus minstens even sterk aan op het ontvangen als op het doen.

Een zalige Paasdag en een zalige Advent!

Aanbevolen lezing
Lezing: lectio altera van zaterdag in de 34e week per annum:

vrijdag 26 november 2021

Zaterdag voor 1e zondag van de Advent - laatste dag van het liturgisch jaar -een daverend slotaccoord in de verrijzenisspiritualiteit van de Orde van het Heilig Graf. Deze gedachtenis van de Verrijzenis wordt in Priorij Thabor als sluitstuk van het liturgisch jaar gevierd.

GEDACHTENIS VAN DE VERRIJZENIS EN SLUITING VAN DE PAASTIJD IN DE EIGEN LITURGIE VAN DE KANUNNIKESSEN VAN HET H. GRAF


De liturgie van de laatste week van het liturgisch jaar (de 34e week door het jaar) staat stil bij de wederkomst van Christus en de betekenis daarvan voor de mens. De mens komt na zijn dood voor zijn Heer te staan en moet verantwoording afleggen van zijn doen en laten. Voor deze ontmoeting van de mens met zijn Heer kreeg de mens tijdens zijn leven de tijd om al dan niet voor God te kiezen, om zich voor te bereiden op de wederkomst van Christus.

Tijdens de 34e week door het jaar wordt de sequentia “Dies Irae” (Dag van toorn) als hymne gebeden tijdens het getijdengebed. In deze hymne komt tot uitdrukking dat één ding in het leven zeker is: iedereen sterft, iedereen wordt geconfronteerd met de dood en wordt door God geoordeeld. De verschrikking van de dood wordt in deze hymne plastisch uitgedrukt, maar ook is er de bede om genade en hoop op een eeuwige gelukzalige rust op grond van de verlossing door Jezus Christus, door Zijn lijden, dood en verrijzen.

De kanunnikessen van het H. Graf vieren op de laatste dag van het liturgisch jaar, de zaterdag vóór de 1e zondag van de Advent met inbegrip van de Vespers op de vrijdag ervoor, de Gedachtenis van de Verrijzenis. Zij zien de liturgische tijd van Pinksteren tot de Advent als voortzetting van de Paastijd en iedere zondag als een klein Pasen. Deze gedachtenis van de Verrijzenis wordt in Priorij Thabor als sluitstuk van het liturgisch jaar gevierd. Met de Paasliturgie op deze dag wordt heel het liturgisch jaar, waarin de heilsmysteries van Christus worden ontvouwd, bezegeld, zoals in werkelijkheid de Verrijzenis van Christus de bezegeling was van zijn Menswording.

Zo worden aan het einde van het liturgisch jaar de grote thema’s zonde, dood en verrijzenis nog eenmaal beschouwd, zoals het zo mooi verwoord is in de Paassequentia “Victimae paschali laudes”
 Victimae paschali laudes immolent Christiani.
 
Agnus redemit oves: Christus innocens Patri reconciliavit peccatores.
 Mors et vita duello conflixere mirando: dux vitae mortuus regnat vivus.
 Dic nobis, Maria, quid vidisti in via?
 Sepulcrum Christi viventis: et gloriam vidi resurgentis.
 Angelicos testes, sudarium et vestes.
 Surrexit Christus spes mea: praecedet suos in Galilaeam.
 Scimus Christum surrexisse a mortuis vere: tu nobis, victor Rex, miserere.
 
Amen.
 Alleluja.

Laten de christenen aan het Paaslam huldezangen wijden.
Het Lam heeft nu de schapen vrijgekocht; en Christus, die zonder zonden was, heeft de zondaars met de Vader weer verzoend.
Dood en leven streden een wondere strijd; de vorst des levens, die gestorven was, heerst nu in onvergankelijkheid.
Zeg ons, Maria, wat hebt gij op uw weg gezien?
Ik zag het graf van de levende Christus en de heerlijkheid van de Verrezene;
zijn engelen zag ik als getuigen en ook de zweetdoek en het grafkleed.
Christus, mijn hoop, is verrezen! Hij zal de zijnen voorgaan naar Galilea.
Nu weten wij, dat Christus uit de doden is verrezen. Gij, overwinnaar Koning, ontferm u over ons.
Amen.
Alleluja. 

Onderstaand vers uit de hymne Dies irae,  waarin dood, verlossing en hoop op verrijzenis in drie regels worden uitgedrukt, vormt als het ware een brug naar de blijde verwachting die de 1e zondag van de Advent brengt.
“Gedenk, lieve Jezus,
dat ik de reden van uw komst ben,
laat mij die dag dan niet verloren gaan.”