dinsdag 21 mei 2019
Liturgy of the Hours Tuesday of the 5th week of Eastertide Office of Readings I am the vine, you are the branches
Second Reading
From a commentary on the gospel of John by Saint Cyril of Alexandria, bishop
I am the vine, you are the branches
The Lord calls himself the vine and those united to him branches in order to teach us how much we shall benefit from our union with him, and how important it is for us to remain in his love. By receiving the Holy Spirit, who is the bond of union between us and Christ our Saviour, those who are joined to him, as branches are to a vine, share in his own nature.
On the part of those who come to the vine, their union with him depends upon a deliberate act of the will; on his part, the union is effected by grace. Because we had good will, we made the act of faith that brought us to Christ, and received from him the dignity of adoptive sonship that made us his own kinsmen, according to the words of Saint Paul: He who is joined to the Lord is one spirit with him.
The prophet Isaiah calls Christ the foundation, because it is upon him that we as living and spiritual stones are built into a holy priesthood to be a dwelling place for God in the Spirit. Upon no other foundation than Christ can this temple be built. Here Christ is teaching the same truth by calling himself the vine, since the vine is the parent of its branches, and provides their nourishment.
From Christ and in Christ, we have been reborn through the Spirit in order to bear the fruit of life; not the fruit of our old, sinful life but the fruit of a new life founded upon our faith in him and our love for him. Like branches growing from a vine, we now draw our life from Christ, and we cling to his holy commandment in order to preserve this life. Eager to safeguard the blessing of our noble birth, we are careful not to grieve the Holy Spirit who dwells in us, and who makes us aware of God’s presence in us.
Let the wisdom of John teach us how we live in Christ and Christ lives in us: The proof that we are living in him and he is living in us is that he has given us a share in his Spirit. Just as the trunk of the vine gives its own natural properties to each of its branches, so, by bestowing on them the Holy Spirit, the Word of God, the only-begotten Son of the Father, gives Christians a certain kinship with himself and with God the Father because they have been united to him by faith and determination to do his will in all things. He helps them to grow in love and reverence for God, and teaches them to discern right from wrong and to act with integrity.
Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada V Temporis Paschalis feria III Ego sum vitis, vos palmites Ik ben de wijnstok, gij de ranken
Ad Officium
lectionis
Lectio altera
Ex Commentário sancti
Cyrílli Alexandríni epíscopi in Evangélium Ioánnis
(Lib. 10, 2: PG 74, 331-334)
Ego sum vitis, vos palmites
Quod opórteat dilectióni erga se inhærére,
et quantum ex eo quod ei coniúncti sumus cómmodi nobis evéniat volens
osténdere, vitem quidem Dóminus seípsum esse dicit; qui autem ei sunt uníti,
atque ínsiti quodámmodo et infíxi, et iam facti sunt natúræ ipsíus consórtes,
participáto nempe Sancto Spíritu (sanctus enim Christi Spíritus nos ei
coniúngit), hos palmítibus cómparat.
Eórum enim, qui ad vitem accédunt, adhæsio
voluntátis est atque propósiti; eius autem coniúnctio nobíscum, afféctus et
habitúdinis. Ex bono quippe propósito nos ad Christum accéssimus per fidem;
genus autem ipsíus facti sumus, adoptiónis dignitátem ab eo consecúti. Etenim,
iuxta sanctum Paulum, qui adhæret Dómino, unus spíritus est.
Sicut ergo álibi per vocem Prophétæ basis
et fundaméntum nominátus est (super ipsum enim nos ædificámur, et lápides
nuncupáti sumus vivéntes ac spiritáles in sacerdótium sanctum, in habitáculum
Dei in Spíritu, nec álio modo póssumus in hoc ædificári, nisi Christus nobis
fundaméntum fúerit), hic quoque eódem sensu vitem seípsum esse ait, pálmitum,
qui ex ea sunt, quasi matrem et alúmnam.
Regeneráti enim sumus ex ipso et in ipso,
in Spíritu, ad feréndum fructum vitæ, non véteris illíus et exsolétæ, sed eius
quæ novitáte vitæ constat et erga ipsum caritáte. Conservámur autem in esse,
ipsi quodámmodo insérti, et trádito nobis sancto mandáto mórdicus inhæréntes,
et nobilitátis bonum serváre studéntes, id est, non sinéntes prorsus
inhabitántem in nobis Spíritum vel mínimum contristári, per quem habitáre in nobis
Deus intellégitur.
Quómodo enim simus in Christo, et is in
nobis, ipse nobis sápiens Ioánnes osténdit, dicens: In hoc cognóscimus quóniam
in eo manémus, et ipse in nobis, quóniam de Spíritu suo dedit nobis.
Quemádmodum enim radix naturálem suam
qualitátem palmítibus impértit, sic unigénitum Dei Verbum Dei ac Patris suæque
natúræ quandam véluti cognatiónem sanctis ínserit, Spíritum lárgiens iis
potíssimum qui uníti sunt ei per fidem, et omnímodam sanctitátem, eósque ad
pietátem alit, omnísque virtútis ac bonitátis cognitiónem in iis operátur.
Uit het Commentaar op het Johannes-Evangelie van de H. Cyrillus van
Alexandrië, bisschop
(Lib. 10, 2: PG 74, 331-334)
Ik ben de wijnstok, gij de ranken
Omdat wij trouw moeten
blijven aan onze liefde jegens Hem, en Hij ons wil tonen hoe grote vruchten er
voortvloeien uit het feit dat wij met Hem verbonden zijn, noemt Hij zichzelf de
wijnstok. Maar die met hem verenigd zijn en in zekere zin ingeënt zijn, en die
dus deelgenoten zijn geworden aan zijn natuur door de mededeling namelijk van
de Heilige Geest – (want de Heilige Geest van Christus verenigt ons met Hem) –
die vergelijkt Hij met de ranken van de wijnstok.
De gehechtheid van hen, die
tot de wijnstok naderen, is er een van de wil en het voornemen; maar zijn band
met ons is er een van blijvende liefde. Door onze goede voornemens naderen wij
tot christus langs het geloof. Mara wij zijn van zijn geslacht, omdat wij de
waardigheid van de adoptie door Hem hebben ontvangen. Wan volgens de H. Paulus
is wie zich met de Heer verenigt, ‘’en
geest met Hem.
Zoals Hij dan ook elders
door het woord van de profeet de grondslag en het fundament genoemd wordt –
(want op Hem worden wij opgebouwd en worden wij levende en geestelijke stenen
genoemd tot een heilig priesterschap, tot een woonstede van Goid in de Geest,
en op geen andere wijze kunnen wij daarin worden opgebouwd, tenzij Christus ons
fundament is) – zo zegt Hij ook in dezelfde zin de wijnstok te zijn en als de
moeder en voedster van de ranken, die uit deze voortkomen.
Want wij zijn uit Hem en in
Hem herboren, in de om vruchten van leven te dragen, niet van dat vroegere en
verouderde leven, maar in nieuwheid van leven en in liefde tot Hem. Wij worden
in de toestand gehouden, dat wij in Hem zijn, doordat wij a.h.w. ingeplant
zijn, ons onverzettelijk vasthouden aan het heilig gebod, dat ons is
overgeleverd en ons beijveren het goed van onze adel te bewaren. Dit is dat wij
volstrekt niet toelaten, dat we de Geest, die in ons woont, ook maar in het
minst bedroeven, door Wie, zoals wij weten, God in ons woont.
Hoe we in Christus zijn en
Hij in ons, toont ons de wijze Johannes,
als hij zegt: Hieraan weten wij dat wij
in Hem blijven en Hij in ons, omdat
Hij ons van zijn Geest heeft gegeven.
Want zoals de wortel zijn
natuurlijk eigenschappen aan de takken meedeelt, zo geeft ook het eniggeboren
Woord van God een soort verwantschap van zijn natuur en van God en wel van de
Vader mee aan de heiligen, door zijn Geest te geven vooral aan hen, die door
het geloof met Hem verenigd zijn. Hij deelt hun op allerlei wijzen zijn
heiligheid mee, voedt ze op tot godsvrucht en schenkt hun kennis van elk soort
van deugd en goedheid.
maandag 20 mei 2019
Liturgia Horarum - H. Gregorius van Nyssa over het bidden van de Psalmen
Uit een preek van de heilige Gregorius, bisschop van Nyssa († 394)
Dit is het geslacht dat zich richt tot God.
Wat een aangename reisgezel voor het menselijk leven is de profeet David! Op alle levenswegen is hij te vinden, in alle stadia van het geestelijk leven is hij werkzaam; voor elke leeftijd en in alle omstandigheden is hij behulpzaam. Hij speelt mee met hen die in Gods ogen nog zuigelingen zijn; hij vecht samen met de volwassenen; hij voedt de jeugd op en geeft steun aan de ouderdom. Kortom, hij is alles voor allen: wapen van de soldaten, trainer van de atleten, strijdperk van de worstelaars, krans van de overwinnaars, bij de maaltijd opgewektheid, bij de begrafenis troost.
Want in de ene psalm spoort hij je aan, een schaap te zijn dat door God geweid wordt en dat niets te kort komt. Het heeft dan ook gras om te weiden, water ter verfrissing, voedsel, een beschutte plek, een pad en leiding: in alles betoont de herder zich de goede herder (vgl. Ps. 23 (22); Joh. 10, 11). Kortom, ten overstaan van elke behoefte stelt Hij op herderlijke wijze een eigen genadegave ter beschikking. Door dit alles beleert Christus de kerk: jullie moeten het eerste schaap van de goede herder zijn dat door het juiste onderricht geleid wordt tot de goddelijke weideplaatsen en tot de bronnen van de leer. Dit alles om samen met Hem door het doopsel in de dood begraven te worden en een dergelijke dood niet te vrezen.
Want dat is geen dood maar een schaduw en een afdruk van de dood. Hij zegt: ‘Al voert mijn weg door donkere kloven, ik vrees geen onheil waar Gij mij leidt’ (Ps. 23 (22), 4). Daarna troost Hij jullie met de staf van de Geest; want de Geest is de Helper en Vertrooster. Hij stelt jullie de tafel der mysteriën voor ogen, die geheel anders bereid is dan die van de demonen. Die richten immers door de afgoderij het leven van de mensen te gronde. Daaraan tegengesteld is de tafel van de Geest. Vervolgens zalft Hij het hoofd met de olie van de Geest. Dan voegt Hij daar de wijn aan toe die het hart verblijdt, en Hij legt de ziel die bekende dronkenschap der nuchterheid op (vgl. Ps. 23 (22), 5), en wel door de menselijke overwegingen van het vergankelijke naar het onvergankelijke te richten. Want wie geproefd heeft van een dergelijke dronkenschap, ruilt al het kortstondige in voor het oneindige: zijn woning zal zijn in het huis van de Heer voor alle komende tijden (vgl. Ps. 23 (22), 6).
Begiftigt Christus ons in de ene psalm met dergelijke gaven, in de volgende wekt Hij de ziel op tot een nog grotere en volmaaktere vreugde. Laat mij, als jullie het goed vinden, ook de zin van die psalm, met een enkel woord, ter overweging geven. ‘Aan God hoort de aarde en al wat erop is’ (Ps. 24 (23), 1). Wat dan, beste mens, is bevreemdend, als onze God op aarde zou verschijnen en zou omgaan met de mensen? De aarde is immers zijn schepping; want Hij heeft haar ook gemaakt. Het is dan ook niet vreemd of abnormaal dat de Meester naar zijn bezittingen komt. Hij komt immers niet in een vreemde wereld maar in een die Hijzelf tot stand heeft gebracht, Hij die de aarde op het water heeft gegrondvest en haar vastgelegd op de zee. Waartoe dient dan zijn aanwezigheid op aarde? Om jullie te bevrijden uit de afgrond van de zonde en jullie naar de berg te leiden. Bij de weg omhoog moeten jullie het voertuig van het koninkrijk, dat wil zeggen: van de op deugd gegrondveste gemeenschap, gebruiken. Want het zou niet mogelijk zijn die berg op te gaan, als men zich niet liet begeleiden door de deugden. Dat houdt in dat jullie handen onschuldig zijn, door geen enkele slechte daad bevlekt, dat jullie zuiver van hart zijn, dat jullie je ziel niet op ijdele gedachten brengen en dat jullie geen list tegen de naaste beramen. De beloning voor die beklimming bestaat uit de zegen. Aan wie de berg beklommen heeft, geeft God de voor hem bestemde barmhartigheid. ‘Zo doet het geslacht dat zich richt tot Hem’, dat wil zeggen: het klimt naar de top langs de weg van de deugd en het ‘staat voor het aanschijn van Jakobs God’ (Ps. 24 (23), 6).
Gregorius van Nyssa - Over de hoop, God te zullen zien
![]() |
| Gregorius van Nyssa |
Uit de preken van de H. Gregorius van Nyssa, bisschop:
(Orat. 6 de beatitudinibus: PG 44, 1266-1267)
Over de hoop, God te zullen zien
De belofte van God is zeker zo groot, dat zij de uiterste grens van gelukzaligheid te boven gaat. Want wat heeft iemand na het bezit van dit soort goed nog te verlangen, daar hij alles heeft in Hem, die hij ziet? Want zien betekent in het woordgebruik van de Schrift hetzelfde als bezitten, zoals de wens: Moogt gij de zegeningen van Jeruzalem aanschouwen, hetzelfde betekent als: Moogt ge ze vinden. en met: De goddeloze worde weggenomen, zodat hij de glorie van de Heer niet kan zien, bedoelt de Profeet met niet zien: geen deel hebben aan.
Wie dus God ziet, bezit ook alles, wat goed heet, door wat hij ziet: ‘het eeuwig leven, de eeuwige onbederfelijkheid, de onsterfelijke gelukzaligheid, het rijk zonder einde, de blijvende vreugde, het ware licht, een geestelijke en aangename stem, ontoegankelijke glorie, een voortdurende verrukking, tenslotte alle goed.’
Immers, wat in de belofte omtrent de zaligheid ons door de hoop wordt voorgehouden, is ook inderdaad zodanig en zo groot; maar omdat het hier tevoren al is uiteengezet, dat de weg om God te zien hierin gelegen is, dat iemand leeft met een rein hart, wordt mijn geest weer a.h.w. onrustig met duizeling aangegrepen, niet wetend of die zuiverheid des harten soms niet gelegen zou zijn in dingen, die wij niet kunnen bereiken en die onze natuur te boven gaat. Want als door die zuiverheid God gezien wordt, dan blijft toch, dat Mozes en Paulus hier niet hebben gezien, daar zij beweren, dat God noch door henzelf noch door wie ook kan worden gezien, dan is de zaak, die nu door het Woord als zaligheid wordt voorgehouden van dien aard, dat ze niet bewerkt of aanschouwelijk gemaakt kan worden.
Wat heeft het dus voor ons van nut, dat wij weten onder welke voorwaarden wij God kunnen zien, als ons de krachten ontbreken om aan die voorwaarden te voldoen? Want dat zou hetzelfde zijn als wanneer iemand zou zeggen, dat het gelukzalig is in de hemel te zijn, omdat men daar ziet, wat men in dit leven niet ziet. Maar als er een preek en manier zou worden aangetoond, om een weg naar de hemel vrij te maken, dan zou het nuttig zijn voor de toehoorders te weten, dat het zo’n groot geluk is in de hemel te zijn. Zolang evenwel het opstijgen naar de hemel niet mogelijk is, wat nut heeft dan die kennis van de hemelse vreugde, waardoor wij alleen maar beangstigd worden en het slecht met ons gesteld is, als wij te weten komen van welke goederen wij verstoken zijn en het bezit ervan missen door de onmogelijkheid van ons opstijgen naar die hemel? Maar – spoort de Heer ons dan aan tot iets, wat boven onze natuur ligt, en gaat de verhevenheid van het gebod dan soms onze menselijke krachten te boven?
Dat zeker niet. Want Hij beveelt niet om vogels te worden aan hen, aan wie Hij geen vleugels gegeven heeft, noch om onder water te leven aan degenen, voor wie Hij een leven op aarde bestemd heeft. Als dus een wet bij alle andere, voor wie de wet bestemd is, aan hun krachten is aangepast en tot niets verplicht wat boven hun natuur ligt, moeten wij dit zeker ook zo verstaan in wat daarmee overeenkomt, namelijk niet wanhopen aan datgene, wat ons van tevoren gezegd is over de gelukzaligheid. Immers, noch Johannes noch Paulus noch Mozes of wie op hen geleek hebben deze verheven gelukzaligheid gemist, die voortkomt uit de aanschouwing Gods, noch hij, die gezegd heeft: Nu wacht mij de krans der gerechtigheid, waarmee mij de Heer als rechtvaardige Rechter zal belonen, noch hij, die aan de borst van Jezus rustte, noch hij, die van de goddelijke stem te horen kreeg: Ik ken u boven allen. Als er dus geen twijfel over bestaat, dat zij, die bewezen, dat de Gods-aanschouwing boven onze natuurlijke krachten ligt, toch zalig zijn, maar de gelukzaligheid voortkomt uit de Gods-aanschouwing, en het God-zien te beurt valt aan die zuiver van hart zijn, dan komt de zuiverheid des harten, waardoor men zalig kan worden, ook niet voort uit iets, wat wij zelf niet kunnen verrichten.
En daardoor kan er gezegd worden, dat zij de waarheid spreken, die met Paulus verkondigen, dat de aanschouwing van God boven onze krachten ligt, en dat het woord des Heren hen toch niet tegenspreekt, dat belooft, dat God door de zuiverheid van het hart aanschouwd zal worden.
zondag 19 mei 2019
Abonneren op:
Posts (Atom)




