Posts tonen met het label H. Gregorius van Nyssa. Alle posts tonen
Posts tonen met het label H. Gregorius van Nyssa. Alle posts tonen

woensdag 18 november 2020

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada XXXIII per annum Feria V Oratio ad bonum pastorem. Gebed tot de goede Herder.


  Ad Officium lectionis



Lectio altera

Ex Commentário sancti Gregórii Nysséni epíscopi in Cántica canticórum
 (Cap. 2: PG 44, 802)
Tweede lezing

Uit het Commentaar op het Hooglied, van de H. Gregorius van Nyssa
(Cap. 2: PG 44, 802)

Gebed tot de goede Herder

Waar weidt gij, o goede Herder, die heel uw kudde op uw schouders draagt? (heel de menselijke natuur immers is als één schaap, dat Gij op uw schouders hebt genomen). Toen mij de plaats van rust, leid mij naar de goede weide om mij te voeden. Roep mij bij mijn naam, zodat ik als een schaap uw stem herken en geef mij vanwege uw stem het eeuwig leven: Bericht het mij, mijn zielsbeminde.

Want zo noem ik U, omdat uw Naam uitgaat boven alle naam en alle begrip, en heel de verstandelijke natuur dit niet kan uitspreken of begrijpen. Uw Naam dus, waardoor uw goedheid gekend wordt, is de grond van de genegenheid van zijn ziel jegens U. Want hoe zou ik U niet beminnen, die mij zo beminde – ook al was ik nog zo zwart- dat Gij uw leven hebt gegeven voor uw schapen, die Gij weidt? Men kan geen grotere liefde bedenken dan deze: dat Gij met uw leven mijn heil hebt gekocht.

Leer mij dus, waar Gij weidt,  om de heilzame weide te vinden, waar ik met hemels voedsel verzadigd word. Zonder dat voedsel te eten kan men het eeuwig leven niet binnengaan. Ik zal naar de bron snellen en de goddelijke drank drinken, die Gij als uit een bron aan de dorstigen voorhoudt, namelijk het water, dat uit uw zijde vloeit, nadat die ader door de lans werd geopend; en wie dat geproefd heeft, wordt zelf één bron van levend water, opborrelend ten eeuwigen leven.

Als Gij mij hier weidt, doet Gij mij waarlijk rusten in de middag, wanneer ik in vrede slapend mag rusten in het licht zonder schaduw. Want de middag heeft geen schaduw, als de zon op haar hoogtepunt staat, waar Gij hen doet rusten, die Gij gevoed hebt, en uw dienstknechten met U opneemt in uw rustplaats. Maar niemand wordt die middagrust waardig gekeurd, die geen kind is van het licht en van de dag. Wie nu op gelijke wijze zich verwijdert van de schaduwen in de avond of in de morgen, dit is, waar de zonde begint en eindigt, die wordt door de Zon der gerechtigheid naar de middag overgebracht om hem daar te laten rusten.

Duid mij dan aan, hoe men moet rusten en weiden en waar de weg ligt naar de middagrust om te voorkomen, dat ik misschien door gebrek aan kennis van de waarheid van uw kudde afdwaal en terecht kom in kuddes, die aan uw schapen vreemd zijn.

Zo sprak de ziel, vol zorg over de schoonheid, die haar van Godswege was geschonken, omdat zij wilde inzien hoe haar geluk voor altijd zou kunnen voortbestaan.



zondag 10 mei 2020

Liturgy of the Hours Office of Readings Saint Gregory of Nyssa, bishop The firstborn of the new creation

Second Reading

From a sermon by Saint Gregory of Nyssa, bishop

The firstborn of the new creation

The reign of life has begun, the tyranny of death is ended. A new birth has taken place, a new life has come, a new order of existence has appeared, our very nature has been transformed! This birth is not brought about by human generation, by the will of man, or by the desire of the flesh, but by God.
  If you wonder how, I will explain in clear language. Faith is the womb that conceives this new life, baptism the rebirth by which it is brought forth into the light of day. The Church is its nurse; her teachings are its milk, the bread from heaven is its food. It is brought to maturity by the practice of virtue; it is wedded to wisdom; it gives birth to hope. Its home is the kingdom; its rich inheritance the joys of paradise; its end, not death, but the blessed and everlasting life prepared for those who are worthy.
  This is the day the Lord has made – a day far different from those made when the world was first created and which are measured by the passage of time. This is the beginning of a new creation. On this day, as the prophet says, God makes a new heaven and a new earth. What is this new heaven? you may ask. It is the firmament of our faith in Christ. What is the new earth? A good heart, a heart like the earth, which drinks up the rain that falls on it and yields a rich harvest.
  In this new creation, purity of life is the sun, the virtues are the stars, transparent goodness is the air, and the depths of the riches of wisdom and knowledge, the sea. Sound doctrine, the divine teachings are the grass and plants that feed God’s flock, the people whom he shepherds; the keeping of the commandments is the fruit borne by the trees.
  On this day is created the true man, the man made in the image and likeness of God. For this day the Lord has made is the beginning of this new world. Of this day the prophet says that it is not like other days, nor is this night like other nights. But still we have not spoken of the greatest gift it has brought us. This day destroyed the pangs of death and brought to birth the firstborn of the dead.
  I ascend to my Father and to your Father, to my God and to your God. O what wonderful good news! He who for our sake became like us in order to make us his brothers, now presents to his true Father his own humanity in order to draw all his kindred up after him.

maandag 20 mei 2019

Liturgia Horarum - H. Gregorius van Nyssa over het bidden van de Psalmen


Uit een preek van de heilige Gregorius, bisschop van Nyssa († 394)

Dit is het geslacht dat zich richt tot God.

Wat een aangename reisgezel voor het menselijk leven is de profeet David! Op alle levenswegen is hij te vinden, in alle stadia van het geestelijk leven is hij werkzaam; voor elke leeftijd en in alle omstandigheden is hij behulpzaam. Hij speelt mee met hen die in Gods ogen nog zuigelingen zijn; hij vecht samen met de volwassenen; hij voedt de jeugd op en geeft steun aan de ouderdom. Kortom, hij is alles voor allen: wapen van de soldaten, trainer van de atleten, strijdperk van de worstelaars, krans van de overwinnaars, bij de maaltijd opgewektheid, bij de begrafenis troost.
Want in de ene psalm spoort hij je aan, een schaap te zijn dat door God geweid wordt en dat niets te kort komt. Het heeft dan ook gras om te weiden, water ter verfrissing, voedsel, een beschutte plek, een pad en leiding: in alles betoont de herder zich de goede herder (vgl. Ps. 23 (22); Joh. 10, 11). Kortom, ten overstaan van elke behoefte stelt Hij op herderlijke wijze een eigen genadegave ter beschikking. Door dit alles beleert Christus de kerk: jullie moeten het eerste schaap van de goede herder zijn dat door het juiste onderricht geleid wordt tot de goddelijke weideplaatsen en tot de bronnen van de leer. Dit alles om samen met Hem door het doopsel in de dood begraven te worden en een dergelijke dood niet te vrezen.
Want dat is geen dood maar een schaduw en een afdruk van de dood. Hij zegt: ‘Al voert mijn weg door donkere kloven, ik vrees geen onheil waar Gij mij leidt’ (Ps. 23 (22), 4). Daarna troost Hij jullie met de staf van de Geest; want de Geest is de Helper en Vertrooster. Hij stelt jullie de tafel der mysteriën voor ogen, die geheel anders bereid is dan die van de demonen. Die richten immers door de afgoderij het leven van de mensen te gronde. Daaraan tegengesteld is de tafel van de Geest. Vervolgens zalft Hij het hoofd met de olie van de Geest. Dan voegt Hij daar de wijn aan toe die het hart verblijdt, en Hij legt de ziel die bekende dronkenschap der nuchterheid op (vgl. Ps. 23 (22), 5), en wel door de menselijke overwegingen van het vergankelijke naar het onvergankelijke te richten. Want wie geproefd heeft van een dergelijke dronkenschap, ruilt al het kortstondige in voor het oneindige: zijn woning zal zijn in het huis van de Heer voor alle komende tijden (vgl. Ps. 23 (22), 6).
Begiftigt Christus ons in de ene psalm met dergelijke gaven, in de volgende wekt Hij de ziel op tot een nog grotere en volmaaktere vreugde. Laat mij, als jullie het goed vinden, ook de zin van die psalm, met een enkel woord, ter overweging geven. ‘Aan God hoort de aarde en al wat erop is’ (Ps. 24 (23), 1). Wat dan, beste mens, is bevreemdend, als onze God op aarde zou verschijnen en zou omgaan met de mensen? De aarde is immers zijn schepping; want Hij heeft haar ook gemaakt. Het is dan ook niet vreemd of abnormaal dat de Meester naar zijn bezittingen komt. Hij komt immers niet in een vreemde wereld maar in een die Hijzelf tot stand heeft gebracht, Hij die de aarde op het water heeft gegrondvest en haar vastgelegd op de zee. Waartoe dient dan zijn aanwezigheid op aarde? Om jullie te bevrijden uit de afgrond van de zonde en jullie naar de berg te leiden. Bij de weg omhoog moeten jullie het voertuig van het koninkrijk, dat wil zeggen: van de op deugd gegrondveste gemeenschap, gebruiken. Want het zou niet mogelijk zijn die berg op te gaan, als men zich niet liet begeleiden door de deugden. Dat houdt in dat jullie handen onschuldig zijn, door geen enkele slechte daad bevlekt, dat jullie zuiver van hart zijn, dat jullie je ziel niet op ijdele gedachten brengen en dat jullie geen list tegen de naaste beramen. De beloning voor die beklimming bestaat uit de zegen. Aan wie de berg beklommen heeft, geeft God de voor hem bestemde barmhartigheid. ‘Zo doet het geslacht dat zich richt tot Hem’, dat wil zeggen: het klimt naar de top langs de weg van de deugd en het ‘staat voor het aanschijn van Jakobs God’ (Ps. 24 (23), 6).

Gregorius van Nyssa - Over de hoop, God te zullen zien

Gregorius van Nyssa
Teksten uit Liturgia Horarum / Getijdenboek
Uit de preken van de H. Gregorius van Nyssa, bisschop:
(Orat. 6 de beatitudinibus: PG 44, 1266-1267)

Over de hoop, God te zullen zien

De belofte van God is zeker zo groot, dat zij de uiterste grens van gelukzaligheid te boven gaat. Want wat heeft iemand na het bezit van dit soort goed nog te verlangen, daar hij alles heeft in Hem, die hij ziet? Want zien betekent in het woordgebruik van de Schrift hetzelfde als bezitten, zoals de wens: Moogt gij de zegeningen van Jeruzalem aanschouwen, hetzelfde betekent als: Moogt ge ze vinden. en met: De goddeloze worde weggenomen, zodat hij de glorie van de Heer niet kan zien, bedoelt de Profeet met niet zien: geen deel hebben aan.

Wie dus God ziet, bezit ook alles, wat goed heet, door wat hij ziet: ‘het eeuwig leven, de eeuwige onbederfelijkheid, de onsterfelijke gelukzaligheid, het rijk zonder einde, de blijvende vreugde, het ware licht, een geestelijke en aangename stem, ontoegankelijke glorie, een voortdurende verrukking, tenslotte alle goed.’

Immers, wat in de belofte omtrent de zaligheid ons door de hoop wordt voorgehouden, is ook inderdaad zodanig en zo groot; maar omdat het hier tevoren al is uiteengezet, dat de weg om God te zien hierin gelegen is, dat iemand leeft met een rein hart, wordt mijn geest weer a.h.w. onrustig met duizeling aangegrepen, niet wetend of die zuiverheid des harten soms niet gelegen zou zijn in dingen, die wij niet kunnen bereiken en die onze natuur te boven gaat. Want als door die zuiverheid God gezien wordt, dan blijft toch, dat Mozes en Paulus hier niet hebben gezien, daar zij beweren, dat God noch door henzelf noch door wie ook kan worden gezien, dan is de zaak, die nu door het Woord als zaligheid wordt voorgehouden van dien aard, dat ze niet bewerkt of aanschouwelijk gemaakt kan worden.

Wat heeft het dus voor ons van nut, dat wij weten onder welke voorwaarden wij God kunnen zien, als ons de krachten ontbreken om aan die voorwaarden te voldoen? Want dat zou hetzelfde zijn als wanneer iemand zou zeggen, dat het gelukzalig is in de hemel te zijn, omdat men daar ziet, wat men in dit leven niet ziet. Maar als er een preek en manier zou worden aangetoond, om een weg naar de hemel vrij te maken, dan zou het nuttig zijn voor de toehoorders te weten, dat het zo’n groot geluk is in de hemel te zijn. Zolang evenwel het opstijgen naar de hemel niet mogelijk is, wat nut heeft dan die kennis van de hemelse vreugde, waardoor wij alleen maar beangstigd worden en het slecht met ons gesteld is, als wij te weten komen van welke goederen wij verstoken zijn en het bezit ervan missen door de onmogelijkheid van ons opstijgen naar die hemel? Maar – spoort de Heer ons dan aan tot iets, wat boven onze natuur ligt, en gaat de verhevenheid van het gebod dan soms onze menselijke krachten te boven?

Dat zeker niet. Want Hij beveelt niet om vogels te worden aan hen, aan wie Hij geen vleugels gegeven heeft, noch om onder water te leven aan degenen, voor wie Hij een leven op aarde bestemd heeft. Als dus een wet bij alle andere, voor wie de wet bestemd is, aan hun krachten is aangepast en tot niets verplicht wat boven hun natuur ligt, moeten wij dit zeker ook zo verstaan in wat daarmee overeenkomt, namelijk niet wanhopen aan datgene, wat ons van tevoren gezegd is over de gelukzaligheid. Immers, noch Johannes noch Paulus noch Mozes of wie op hen geleek hebben deze verheven gelukzaligheid gemist, die voortkomt uit de aanschouwing Gods, noch hij, die gezegd heeft: Nu wacht mij de krans der gerechtigheid, waarmee mij de Heer als rechtvaardige Rechter zal belonen, noch hij, die aan de borst van Jezus rustte, noch hij, die van de goddelijke stem te horen kreeg: Ik ken u boven allen. Als er dus geen twijfel over bestaat, dat zij, die bewezen, dat de Gods-aanschouwing boven onze natuurlijke krachten ligt, toch zalig zijn, maar de gelukzaligheid voortkomt uit de Gods-aanschouwing, en het God-zien te beurt valt aan die zuiver van hart zijn, dan komt de zuiverheid des harten, waardoor men zalig kan worden, ook niet voort uit iets, wat wij zelf niet kunnen verrichten.

En daardoor kan er gezegd worden, dat zij de waarheid spreken, die met Paulus verkondigen, dat de aanschouwing van God boven onze krachten ligt, en dat het woord des Heren hen toch niet tegenspreekt, dat belooft, dat God door de zuiverheid van het hart aanschouwd zal worden.