vrijdag 10 juli 2015

H. Ambrosius, bisschop: "Bij de deur van de ziel komt Christus en klopt"

Teksten uit Liturgia Horarum / Getijdenboek

H. Ambrosius, bisschop:
Uit de Verklaring op Psalm 118

 De Tempel van God is heilig, en die zijt gij

Mijn Vader en Ik zullen tot hem komen en ons verblijf bij hem nemen. Open uw deur bij zijn komst, open uw ziel, verruim de schoot van uw geest om de rijkdommen te kunnen zien van eenvoud, de schatten van vrede, de heerlijkheid van de genade. Verruim uw hart, snel de Zon van het eeuwig Licht tegemoet, dat elke mens verlicht. Dat ware Licht schijnt ongetwijfeld voor allen, maar als iemand zijn venster sluit, zal hij zichzelf van dat eeuwig licht beroven. Ook Christus wordt dan buitengesloten, als gij de deur van uw geest sluit. Hoewel Hij toch kan binnenkomen, wil Hij niet ongewenst binnendringen; Hij wil geen onwilligen dwingen.

Geboren uit de Maagd trad Hij uit de schoot naar voren, heel de wereld verlichtend om voor allen te stralen. Zij, die verlangen naar de klaarheid van die blijvende glans, die door geen nacht wordt onderbroken, nemen dat Licht op. Op deze Zon, die wij dagelijks zien, volgt immers de duistere nacht; maar de Zon der gerechtigheid gaat nooit onder, want daarop volgt de Wijsheid en niet de boosheid.

Zalig hij dus, aan wiens deur Christus aanklopt. Onze deur is het geloof, dat, als het sterk is, heel het huis verstevigt. Door die deur komt Christus binnen. Vandaar dat ook de Kerk in het Hooglied zegt: De stem van mijn broer klopt aan mijn deur. Luister naar Hem, die klopt; luister naar Hem, die verlangt binnen te komen: Doe open, mijn zuster, mijn liefste, mijn duifje, mijn schoonste, want mijn hoofd is nat van de dauw en mijn lokken zijn klam van de nacht.

Beschouw hoe het Goddelijk Woord dan vooral aan uw deur klopt, wanneer zijn Hoofd nat is van de nachtelijke dauw. Want juist als wij in beproeving en bekoringen verkeren verwaardigt Hij zich ons te bezoeken, om te voorkomen, dat iemand door ellende overwonnen, bezwijkt. Zijn hoofd is nat van de dauw of het vocht, wanneer zijn Lichaam lijdt. Dan dus moet men waken, om te voorkomen dat de Bruidegom, wanneer Hij komt, heengaat, omdat Hem niet wordt opengedaan. Want als gij slaapt en uw hart niet waakt, gaat Hij al heen vóór Hij nog klopt; maar als uw hart waakt, zal Hij kloppen en vragen de deur voor Hem te openen.

Wij hebben dus een deur in onze ziel; wij hebben ook poorten, waarover gezegd is: Eeuwige poorten, heft uw kroonlijsten op, rekt u omhoog; en de Koning der glorie zal binnengaan. Als gij de poorten van uw geloof wilt omhoog heffen, zal de Koning der glorie bij u binnenkomen, de overwinning meedragend van zijn eigen Lijden. Ook de gerechtigheid heeft haar poorten. Want ook over deze vinden wij geschreven, dat de Heer Jezus door zijn Profeet zegt: Open Mij de poorten der gerechtigheid.

De ziel heeft dus een deur; zij heeft ook poorten. Bij die deur komt Christus en klopt; Hij klopt ook bij de poorten. Doe dus voor Hem open: Hij wil binnenkomen, Hij wil zijn Bruid wakend vinden.

(Nn. 12. 13-14: CSEL 62, 258-259)

Teksten uit Liturgia Horarum / Getijdenboek:

donderdag in de 14e week door het jaar

woensdag 8 juli 2015

De Didachè over de H. Eucharistie "Aldus moet uw dankzegging luiden"


De Didachè over de H. Eucharistie

Lezing in het Getijdengebed  - Liturgia Horarum - van woensdag in de 14e week door het jaar uit een vroeg christelijk werkje “Didachè” ofwel “De Leer van de Twaalf Apostelen” genoemd.

De Didachè (Grieks: Διδαχ τν δώδεκα ποστόλων Didachē` tôn ddeka apostólōn“De Leer van de twaalf Apostelen“, in het Latijn Doctrina duodecim apostolorum) – ook  De Leer van de Heer door de twaalf Apostelen voor de heidenen“ genoemd, is een vroeg christelijk geschrift dat waarschijnlijk door verschillende onbekende auteurs in Syrië werd samengesteld. De titel is mogelijk later toegevoegd. Het werkje bevat teksten over de kerkorganisatie van het vroege christendom die voor het grootste deel in de 1e eeuw na Christus zijn geschreven. Ook thema’s uit het leven binnen de vroeg christelijke gemeenten wordt breed en plastisch uitgedrukt. Gedurende lange tijd werd de Didachè tot de kanonieke geschriften gerekend – hetgeen door bisschop en kerkhistoricus Eusebius van Cæsarea reeds werd afgewezen. De tekst werd in 1873 door Philotheos Bryennios in een kloosterbibliotheek in Constantinopel (Istanboel) in de Codex Hierosolymitanus, welke een collectie autentieke en niet-autenthieke oudchristelijhke teksten bevat, opnieuw ontdekt. De Didachè is van grote betekenis voor het theologisch onderzoek; buiten genoemde bron zijn geen andere handschriften bekend, zodat de autenticiteit van deze tekst slechts op grond van interne critera kan worden beoordeeld. De in de tekst De blijkbaar eenvoudige verhoudingen binnen de christelijke gemeenten zonder verwijzing naar latere theologische discussies lijken het bewijs te leveren dat de tekst van het handschrift wezenlijk onveranderd tot ons is gekomen.
Ook de volgende tekst over de H. Eucharistie is een onvergelijkelijke ontmoeting met het begin van het christendom!

De Eucharistie

De Didachè over de H. Eucharistie

Aldus moet uw dankzegging luiden: Eerst over de Kelk: ‘Wij danken U, onze Vader, voor de heilige Wijnstok van David, uw dienaar, die Gij hebt doen kennen door Jezus, uw Dienaar; U zij eer tot in eeuwigheid. ’

Bij het breken van het Brood: ‘Wij danken U, onze Vader, voor het leven en voor de kennis, die Gij ons geopenbaard hebt door Jezus, uw Dienaar; U zij eer tot in eeuwigheid. Zoals dit brood (namelijk deze graankorrels) verspreid lag op de bergen en na verzameld te zijn één (brood) werd, laat zo uw Kerk vanaf de grenzen der aarde verzameld worden tot uw Rijk; want U is de glorie en de kracht, door Jezus Christus in eeuwigheid.’

Niemand ete of drinke dus van uw ‘Dankzegging’ dan alleen zij, die gedoopt zijn in de Naam des Heren; want hierover zegt de Heer: Wilt het Heilige niet aan de honden geven.

Na verzadigd te zijn moet gij aldus danken: ‘Wij danken U, heilige Vader, voor de heilige Naam, die Gij een plaats hebt gegeven in onze harten, en voor de kennis en het geloof en de onsterfelijkheid, die Gij ons geopenbaard hebt door Jezus Christus, uw Dienaar; U zij de glorie in eeuwigheid’.
‘Gij, almachtige Heer, hebt alles geschapen om uw Naam. Spijs en drank hebt Gij de mensen tot voedsel gegeven, opdat zij U zouden danken. Ons hebt Gij echter een geestelijke spijs en drank geschonken en het eeuwig leven door uw Dienaar. Vóór alles danken wij u, omdat Gij machtig zijt; U zij de glorie in eeuwigheid’.
‘Gedenk, Heer, uw Kerk, dat Gij haar moogt verdedigen tegen alle kwaad en haar vervolmaken in uw liefde. Verzamel haar vanuit de vier windstreken, haar de geheiligde, tot uw Rijk, dat Gij haar bereid hebt; want U is de kracht en de glorie in eeuwigheid’.
‘Moge uw genade komen en moge deze wereld vergaan! Hosanna de God van David. Als iemand heilig is, hij kome nader: zo nier, laat hem boete doen: Maranatha. Amen’.

Op de dag des Heren bijeengekomen moet gij het Brood breken en dankzeggen, nadat gij uw zonden beleden hebt, opdat uw Offerande rein zij. Ieder evenwel die een onenigheid heeft met zijn naaste, kome niet met u samen vóór zij zich verzoend hebben, opdat uw Offer niet ontwijd worde. Want zo is het gezegd door de Heer: Op elke plaats en op elke tijd moet Mij een rein Offer worden opgedragen, want Ik ben de grote Koning, zegt de Heer, en mijn Naam is wonderbaar onder de volken.

(Nn. 9,1–10,6; 14,1-3: editie Funk 2, 19-22. 26)

maandag 6 juli 2015

"Kom en zie" - Maandelijkse roepings-retraitedag


Voor jonge vrouwen van zaterdag 14u tot zondag ca 15u

De Orde van de Kanunniken van het H. Graf is ontstaan in Jeruzalem bij het H. Graf van onze Heer Jezus Christus in het jaar 1099. Daar ligt ook de oorsprong van de spiritualiteit van de Kanunnikessen van het H. Graf in Sint-Odiliënberg. In de loop der eeuwen heeft deze spiritualiteit zich ontwikkeld tot de manier van leven die tot op de dag van vandaag in Sint-Odiliënberg bewaard is en de atmosfeer draagt. Deze atmosfeer treedt aan het licht in het gebedsleven, in de bestuursvormen en het dagelijks leven van de zusters, maar werkt ook door in monastieke regels en gewoonten van de priorij, op het immateriële en op het materiële vlak waarin begrippen als goed rentmeesterschap, zorg voor de schepping, duurzaamheid en zuinigheid van belang zijn en het collectief belang vaak wordt gesteld boven individueel voordeel steeds met de zorg dat het geknakte riet niet wordt gebroken en de kwijnende vlaspit niet dooft.

Deelname aan de H. Mis, het Goddelijk Officie, Rozenkransgebed, inleidingen over  de H. Grafspiritualiteit, mogelijkheid tot gesprek en contact met zusters
Exacte data worden in overleg vastgesteld
Meebrengen: toiletgerei, handdoeken, rozenkrans  en vooral een open hart
Contact:  
  Kanunnikessen van het H. Graf
Priorij Thabor
Aan de Berg 3
6077 AC Sint-Odiliënberg
E-mail: inlichtingen@priorijthabor.nl

zaterdag 4 juli 2015

Overweging bij lezingen op de Veertiende Zondag door het jaar (B) "Heer, tot wie zouden wij anders gaan?"

Evangelist Marcus Wtewael, Joachim (1615) Rijksmuseum
Ezechiël 2, 2-5
2 Korintiërs 12, 7-10
Marcus 6, 1-6

Tussen zijn grote broers Matteüs en Lucas, schrijvers van de respectievelijke evangelies, lijkt Marcus  met zijn veel kleiner verslag over de woorden en daden van Jezus er enigszins bekaaid af te komen. Geen Bergrede of geboorteverhalen waarmee Matteüs en Lucas ons verrassen en ontroeren, geen grote redevoeringen van Jezus waarvan we onder de indruk komen, geen bijzondere gelijkenissen die ons tot tranen toe bewegen. Nee, Marcus gaat eigenzinnig te werk. Als woordvoerder van Petrus is hij niet alleen  kritisch op de leerlingen, Petrus incluis, maar ook op Jezus’ verwanten en tijdgenoten. Het geheim van Jezus als profeet, als Messias en als Zoon van God is niet zo maar toegankelijk. Wie Jezus is, ontvouwt zich alleen langs wegen van geleidelijkheid, via onbegrip en twijfel, met vallen en opstaan. In Hem geloven, in Hem kunnen geloven is een lange weg die wij, met Hem als gids, moeten gaan door lijden en dood heen. Profeten vinden meestal geen goed onthaal zoals de profeet Ezechiël in de eerste lezing moet ervaren; onze zwakheden geven maar weinig aanleiding om trots op te zijn zoals Paulus dat blijkens de tweede lezing heeft moeten ondervinden. En in de derde lezing, het evangeliegedeelte blijkt dat Jezus lang niet altijd overal welkom is, ja, juist daar niet waar je het toch zou mogen verwachten.
Enkele zondagen terug hoorden we Jezus een gelijkenis vertellen over het zaad. Dat doet Jezus natuurlijk niet om ons in te lichten omtrent de gang van zaken in de land- en tuinbouw. Het gaat in Jezus’ verkondiging altijd om Gods Koningschap. De vraag wat er van zijn Koninklijke macht in deze wereld terecht komt, wordt als volgt beantwoord: kijk naar de boer die geduldig afwacht en erop vertrouwt dat de natuur zijn werk doet. Kijk naar het zaad dat groeikracht bezit en tegen alle verdrukking in toch boven de grond uitgroeit en rijke vrucht opbrengt ook al is de schijn tegen. Voorafgaand aan het evangeliegedeelte van deze dag heeft Jezus drie grote wonderen verricht. Ze staan beschreven in hoofdstuk 5 en vinden allemaal plaats rond het meer van Galilea. Aan de overzijde, in het heidense gebied, dreef Jezus de onreine geest van een man uit in een kudde varkens, en aan deze kant van het meer, het gebied waar de gelovige Joden wonen, redt hij het dochtertje van Jaïrus van de dood en geneest hij een vrouw die al twaalf jaar lang aan bloedverlies leed. Jezus’ Naam is gevestigd, zijn roem heeft zich door het ganse land verspreid: een man met een nieuw geluid, een profetische boodschap over Gods aanwezige en groeiende koningschap, met macht over de kwaaie krachten in de natuur en de samenleving, kortom een man die heling brengt waar de boel aan stukken ligt, en bevrijding waar mensen geknecht en machteloos zijn. In die situatie van een rondtrekkende profeet en leraar met een schare volgelingen doet Jezus ook zijn geboortedorp aan. Zijn vaderstad wordt het genoemd, de stad waar hij zijn wortels, zijn ‘roots’ heeft, waar zijn familie is achtergebleven, wellicht nog mokkend over het feit dat de oudste zoon zijn familieplichten niet was nagekomen, huis en haard had verlaten en gekozen had voor een ongewis avontuur. De naam wordt niet eens genoemd, een onooglijk dorpje in het heuvelland van Galilea. Marcus vermeldt het maar eenmaal, in hoofdstuk 1 namelijk wanneer de evangelist opmerkt dat Jezus door Gods Geest aangedreven, Nazareth in Galilea verliet en op weg ging naar de woestijn, naar Johannes de Doper.  Er zijn nogal wat radio- en TV- programma’s die verslag doen van kinderen die op zoek zijn naar hun ouders, of van vrienden of klasgenoten die elkaar uit het oog hebben verloren en elkaar weer willen ontmoeten. Vaak maar niet altijd loopt het op een teleurstelling uit. De familie zit helemaal niet te wachten op een zoon die uit het verleden opduikt, en de verloren gewaande vriend of vriendin beantwoordt maar weinig aan het beeld dat wij twintig, dertig jaar geleden of nog langer van hem of haar hadden. Ik zit me al nadenkende voor te stellen hoe een en ander in zijn werk is gegaan. Zouden de inwoners een ereboog voor Hem hebben opgericht met een mooie welkomsttekst? Zouden de vrouwen Hem juichend en dansend hebben ingehaald zoals eens zijn voorvader David na de overwinning op de Filistijnen door de vrouwen bejubeld werd? Zou de dorpsoudste een feestrede hebben voorbereid om de nu alom beroemde dorpsgenoot toe te spreken? We horen daar in het evangelie niets van. Ook niet of Hij misschien eerst naar zijn ouderlijk huis is gegaan om zijn moeder te omhelzen en zijn broers en zusters te begroeten. Hebben ze het huis feestelijk versierd, de vlag voor hem uitgestoken? Niets van dit alles. Marcus is niet geïnteresseerd in familiaire kwesties of dorpse aangelegenheden, in geen enkel opzicht komt hij onze menselijke nieuwsgierigheid tegemoet. Wat hij ons meedeelt luidt: Jezus komt aan in zijn vaderstad, met de leerlingen in zijn gevolg. En wanneer het sabbat is, gaat Hij naar de synagoge en begint er onderricht te geven. Hij meldt zich niet bij de stadspoort waar de belangrijke mannen de stadszaken regelen, Hij klopt niet aan bij zijn ouderlijk huis gelijk de zwerver uit het gedicht De Moeder van Geerten Gossaert die weer na jaren en jaren terugkomt. Ook niet naar de waterput waar de vrouwen samenkomen voor hun dagelijkse taken en gesprekken. Nee, naar de synagoge gaat Hij, zoals Hij van het begin af gewoon is (1,21 en 3,1). Want de synagoge is de plek waar Gods volk elke zevende dag van de week samenkomt, daar wordt gebeden en voorgelezen uit de Tora, het boek van het verbond dat God met hun voorouders sloot. De inwoners van Nazareth zijn diep onder de indruk van zijn wijsheid, zijn woorden brengen hen in vervoering, hun monden vallen open van verbazing. Maar dan slaat hun aanvankelijke trots om in ergernis. Wat verbeeldt Hij zich wel om op te roepen tot een ander leven? Wie is Hij nu helemaal wel om bekering te prediken, om hen te bewegen na te denken over de keuzes die zij in hun leven maken. Ze maken Hem klein om veilig met hun kleine dorpsleven te kunnen doorgaan. Waar zij zich aanvankelijk verwonderden over zijn wijsheid, verwondert Jezus zich nu over hun ongeloof. Ongeloof sluit de deuren voor Gods genade. Daar kan God niet binnenkomen, daar kan Hij die toch de Machtige is, niets uitrichten.
Zo maakt Marcus het stadje Nazaret de regelrechte tegenhanger van Kafarnaüm. In beide plaatsen gaat Jezus op sabbat naar de synagoge en geeft er onderricht. In Kafarnaüm met groot succes omdat Hij erkend wordt als iemand met groot gezag, omdat zij voor hem open stonden en zo de ruimte schiepen voor zijn goddelijke kracht. In Nazaret zonder succes omdat zij God en zijn koninkrijk wilden verengen tot hun klein-menselijke opvattingen. De volksheld mag niet en moet niet boven hun maaiveld uitrijzen. Aldus is Nazaret het schoolvoorbeeld van de harde grond waarin het zaad geen wortel kan schieten, het toonbeeld van situaties waarin zelfs Gods wondermacht niets kan uitrichten. Voor ons mensen van nu die van zondag tot zondag op de eerste dag van de week bijeenkomen in de Kerk, Gods huis, is de vraag aan de orde: ontvangen we Jezus in geloof, maken we ruimte voor Hem in ons hart zodat Gods goede kracht in ons zijn werk kan doen, zoals bij de mensen in Kafarnaüm? Of wijzen we Hem af zoals de inwoners van Nazareth en blijft Jezus’ bijzondere band met God zijn Vader voor ons verborgen? Durven wij in de spiegel te kijken die Jezus ons voorhoudt, te kiezen voor het leven dat Hij heeft voorgeleefd, en Hem te volgen op de weg die Hij is gegaan? Aan ons de dagelijkse opdracht om gewetensvol de oproep van Jezus te beantwoorden. Ofwel met scepsis en teleurgesteld ongeloof, ofwel met spontaan en twijfelend geloof: Heer, tot wie zouden wij anders gaan? Amen.

Alfons Jaakke, pr.

Collectegebed 14e zondag door het jaar – “Laat ons eens delen in de vreugde van uw Koninkrijk”

Missale Romanum – 1970
Deus, qui Filii tui humilitate iacentem mundum erexisti, fidelibus tuis sanctam concede laetitiam, ut, quos eripuisti a servitute peccati, gaudiis facias perfrui sempiternis.
Altaarmissaal – 1979
God, door de vrijwillige vernedering van uw Zoon hebt gij de gevallen mensheid weer opgericht. Schenk uw gelovigen de ware blijdschap. Gij hebt ons allen uit de slavernij van de zonde bevrijd; laat ons eens delen in de vreugde van uw Koninkrijk.
Meer letterlijke vertaling
God, die door de vernedering van uw Zoon de terneerliggende wereld hebt opgericht, verleen uw gelovigen een heilige blijdschap, opdat Gij hen die Gij aan de slavernij van de zonde hebt ontrukt, de eeuwige vreugden doet genieten.

I n l e i d i n g
Het collectegebed voor de 14e zondag door het jaar biedt het beeld van de materiële schepping als een krachteloos lichaam, verzwakt door zonde en liggend in het stof, waaruit het eens is voortgekomen. De erfzonde verwondde heel de schepping. Dit kunnen we elke dag ervaren. De harmonie die zou moeten bestaan binnen de schepping, tussen ons en de rest van de stoffelijke schepping, is ver te zoeken; wij schieten tekort als rentmeesters. God bewerkte echter het paradoxale wonder dat Hij de falende wereld herstelde en een nieuwe kans gaf. Door de neerdaling van Christus als liberator, Verlosser, en diens aannemen van een menselijk lichaam heeft Hij de gevallen wereld weer opgericht. “De dwaasheid van God is wijzer dan de mensen, en de zwakheid van God is sterker dan de mensen” (1 Kor 1,15). 
Christus wekt ons, en bevrijdt ons van zonde en dood. Als we meewerken en weer op onze voeten staan, richt de Heer ons eerst weer op de vreugde die in deze wereld mogelijk is, en daarna, op die van de komende wereld. De heilige vreugde die in het collectegebed wordt afgebeden, is niet van deze wereld, zij bestaat niettemin in onze tijdelijkheid, maar zij reikt met haar werking tot in de eeuwigheid, omdat God het is, die deze vreugde voor ons bewerkt. En degenen van onze lezers die meer of minder regelmatig biechten, weten over welke vreugde we het hier hebben.
L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n   e n   w o o r d e n l i j s t
Het collectegebed lijkt op dat van de 2e zondag na Pasen in het Romeins Missaal van 1962. Het Sacramentarium Gelasianum Vetus, 514,  uit de 1e helft van de achtste eeuw heeft een vroegere versie die kennelijk als basis heet gediend.
Perfruor (“volkomen/voortdurend genieten”) is een van die weinige deponente werkwoorden (werkwoordsvormen in het passivum maar met actieve betekenis) die gewoonlijk het bijbehorende “object” (dat wezenlijk meer is dan een instrument) in de ablativus heeft staan, bijvoorbeeld: fruor, “ik geniet van… /ik profiteer van…).
Gaudium en laetitia kunnen beide worden vertaald met “vreugde” maar “vreugde” kent meerdere facetten.  Gaudium verwijst volgens sommigen vooral naar innerlijke vreugde terwijl laetitia meer op de uitwendige uitdrukking van vreugde doelt. Maar gaudium in het meervoud, zoals in de oratie van vandaag, kan volgens anderen ook betekenen “uitwendige uitdrukkingen van vreugde” als in “onbegrensd geluk” of “eindeloze gelukzaligheid”, terwijl laetitia eenvoudig “voorspoed” is. Er is dus een geestelijk-materieel onderscheid, maar deze nuances moeten ook weer niet te zeer worden benadrukt. De voorschriften van klassieke redenaarskunst – deze oratie is tamelijk oud – vereisten niet alleen een rijke woordenschat, maar ook het vermijden van herhaling en eentonigheid – tenzij opzettelijk als stijlfiguur. Daarom kent ook “oratietaal” een grote gelaagdheid die in het Latijn al moeilijk te vatten is, laat staan in een Nederlandse vertaling op een bepaald moment. Zo valt bij deze oratie in de vertaling van het Altaarmissaal op dat zonder noodzaak het woord “vrijwillige” is toegevoegd alsof in de heilsorde denkbaar zou kunnen zijn dat God de Vader de Zoon tot iets dwong, laat staan tot de vernedering van het Kruis.
Erigo is “’opheffen, opzetten, oprichten” en ook  “wekken, opwekken, prikkkelen” terwijl iaceo is “liggen” zoals in “ziek of dood liggen, ter neer liggen, gevallen” of “neergeworpen, neergesmakt zijn, onbeweeglijk op de grond liggen”.
A. Blaise zegt in zijn dictionnaire van liturgisch Latijn dat humilitas,laagheid, nederigheid, nederige staat”, een meer theologische betekeneis heeft, namelijk de “vernedering” van de Mens-geworden God die de gestalte van een “slaaf” aannam (vgl. Fil 2,7). Blaise citeert het collectegebed van deze zondag onder het lemma “humilitas”. Humilitas komt van humus, “modder, slijk, aarde, grond”.
C o m m e n t a a r
De laatste zin van het collectegebed doet denken aan andere bekende Latijnse gebeden. In het afsluitende gebed van de Lauretaanse Litanie van O.L.Vrouw wordt gebeden: “(…) a praesenti liberari tristitia, et aeterna perfrui laetitia – “dat we verlost mogen worden van de tegenwoordige droefheid en de eeuwige vreugde mogen genieten”; we zien de overgang van droefheid naar vreugde. Verder, wanneer een priester zich kleedt voor de H.Mis zegt hij traditiegetrouw speciale gebeden bij  het zich bekleden met elk onderdeel van de liturgische gewaden.  Bij de albe bidt hij: Dealba me, Domine, et munda cor meum, ut in sanguine agni de albatus gaudiis perfruar sempiternis, dat is vertaald: “Zuiver mij, o Heer en maak mijn hart rein, opdat ik in het Bloed van het Lam gezuiverd, de eeuwige vreugde moge genieten”. Eerst het Offer, vervolgens de vreugde.
Bij een eerdere bespreking van de collectegebeden zagen we een patroon van descendere en ascendere, van “afdalen en opklimmen”, van “weggaan en terugkeren”.  Vóór de Verrijzenis komt de Passie, het Lijden. Vóór verheffing is er vernedering. Afdaling, lijden en vernedering brengen verrijzenis, terugkeer en vreugde: beide bewegingen omvatten zowel het inwendige als het uitwendige van de mens, kortom heel de mens in alle facetten van zijn bestaan.
Zoals gezegd vertoont het collectegebed van vandaag gelijkenis met een gebed uit het Romeinse Missaal van 1962. De postconciliaire versie zegt: (…) quos eripuisti a servitute peccati (…) – “die Gij uit de slavernij van de zonde hebt bevrijd” en de collecte van het Romeinse Missaal 1962 zegt: (…) quos perpetuæ mortis eripuisti casibus (…) – “die Gij hebt ontrukt aan de ondergang in de eeuwige dood”.

We hebben in de twee versies van de oratie te doen met een verschillende typering van degenen die dit gebed uitspreken.  De oude versie (1962) paste volledig in de opgeroepen klassieke aanschouwelijkheid van de op vallen en weer opgericht worden ingestelde oratie. De neerliggende wereld, door de zonde ten val gebracht, liep het gevaar verder naar beneden te storten in een niet meer omkeerbare beweging tot in de afgrond van de eeuwige dood. Dit gevaar is afgewend door de Dood van Christus – zijn diepste vernedering in volledige zelfontlediging. De Dood van Christus heeft een oneindig gewicht, triomfeert over de eeuwige dood in de Verrijzenis van de Heer én in die van de zijnen.
In de postconciliaire editie van het gebed in de Novus Ordo ontbreken de ondubbelzinnige concepten van zonde, schuld en veroordeling, ten gunste van een wellicht iets minder bedreigend begrip van “bevrijding uit de slavernij van de zonde”? De veranderde postconciliaire versie zou door Fil 2 geïnspireerd kunnen zijn, waar de vernedering van Christus aan een bestaan als slaaf wordt gerelateerd. De goddelijke heilsdaad van het oprichten van de terneerliggende wereld, zoals de Novus Ordo versie van de oratie het formuleert, is echter nog steeds niets anders dan de bevrijding uit de knechtschap van de slavernij, veroorzaakt door de zondeval.
Wanneer men de realiteit van de “slavernij van de zonde” diep geestelijk tot zich laat doordringen is dit besef verschrikkelijk. Het "loon" van de zonde is immers de dood (vgl. Rom 6,23)… Om deze slavernij te keren werd de Zoon van God  zelf “als een slaaf” (vgl. Fil 2,7). In de oratie van vandaag bidden we te mogen delen in de vreugde van Gods Koninkrijk nadat God ons allen uit de slavernij van de zonde heeft bevrijd; daar bidden we morgen speciaal voor in het collectegebed en ook op andere liturgische momenten op vele manieren, maar deze bede hoort ook rotsvast in ons eigen geestelijk leven verankerd te zijn: zonder God kunnen we niets en met Gods  genade kunnen we alles.

(Bewerking en vertaling van FatherZuhlsdorf, WDTPRS)

woensdag 1 juli 2015

St. Augustinus "Hij is de Heer onze God, wij het volk van zijn weide"

Uit Liturgia Horarum / Getijdengebed van dinsdag, de 13e week door het jaar: een preek van de H.Augustinus op Psalm 94, de openingspsalm van het getijdengebed aan het begin van elke dag, vroeg in de morgen.

Uit de Preken van de H. Augustinus, bisschop

Hij is de Heer, onze God, wij het volk van zijn weide 

De woorden, die wij gezongen hebben, bevatten de belijdenis, dat wij Gods schapen zijn: Want Hij is de Heer, onze God, die ons gemaakt heeft. Hij is onze God; wij het volk van zijn weide en de schapen van zijn hand. De menselijke herders hebben de schapen die zij bezitten niet zelf gemaakt; de kudde, die zij weiden, hebben zij niet zelf geschapen. Maar God, onze Heer heeft, als God en Schepper, de schapen die Hij heeft en weidt, voor Zich gemaakt. En die Hij weidt, heeft géén anderen geschapen, noch zal een ander hen weiden, die Hij geschapen heeft.

Als wij dan in dit lied belijden, dat wij zijn schapen zijn, het volk van zijn weide, de schapen van zijn hand, laten wij dan ook luisteren naar wat Hij tot ons, als zijn schapen, zegt. In vroegere tijden sprak Hij tot zijn herders; maar nu spreekt Hij tot zijn schapen. Bij die vroegere woorden van Hem, luisterden wij, als herders, met vrees, maar gij als schapen met vertrouwen. Hoe is dat evenwel bij die tegenwoordige woorden van God? Luisteren wij nu, omgekeerd, met vertrouwen en gij met vrees? Dat zeker niet. Want op de eerste plaats, ook al zijn wij herders, een herder aanhoort niet alleen met vrees, wat tot de herders gericht is, maar ook wat tot de schapen wordt gezegd. Want als de herder onbekommerd aanhoort, wat tot de schapen wordt gezegd, is hij niet waarlijk bezorgd over zijn schapen. Vervolgens, zoals wij al eerder gezegd hebben, moeten wij, uit liefde tot u, twee dingen bij onszelf beschouwen: ten eerste, dat wij christenen zijn, ten tweede, dat wij in gezag zijn gesteld. Wat dat laatste betreft: wij worden tot herders aangesteld, als wij daarvoor geschikt zijn. Wat het eerste betreft, namelijk, dat wij christenen zijn, ook wij behoren dan mét u tot de schapen. Hetzij dus de Heer tot de herders spreekt, hetzij tot de schapen, wij moeten alles met vrees aanhoren, en de bezorgdheid wijke niet van ons hart.

Laten wij, broeders, derhalve luisteren naar de berispingen van de Heer tot zijn slechte schapen en naar wat Hij aan de goede belooft. En gij, zegt Hij, zijt mijn schapen. Op de eerste plaats, als men bedenkt, broeders, wat een groot geluk het is tot de kudde van God te behoren, zal men dit zelfs te midden van de tranen en beproevingen van dit leven als een groot geluk opvatten. En tot de Heer werd gezegd: Gij, die Israël weidt: op Hem slaat het woord: Hij zal niet sluimeren noch slapen, die Israël behoedt. Hij waakt dus over ons, als wij waken en ook als wij slapen. Als dan de kudde al veilig is bij een menselijke herder, hoeveel te groter moet dan onze veiligheid zijn, als God ons weidt, niet alleen omdat Hij ons weidt, maar ook omdat Hij ons geschapen heeft.

En nu, mijn schapen, wat u zelf betreft, dit zegt de Heer uw God: Zie Ik zal het ene schaap van het andere scheiden; de rammen van de bokken. Wat doen hier de bokken in de kudde van God? Zij bevinden zich op dezelfde weide, bij dezelfde bronnen, en toch bevinden zich de bokken, die aan de linkerzijde zullen staan, zich nu onder diegenen, die aan de rechterzijde zullen staan, en vóór die eerste gescheiden worden, worden zij geduld. Hier wordt het geduld van de goede schapen geoefend naar het voorbeeld van Gods geduld. Want de scheiding zal door Hem gebeuren: de enen naar de linker-, de anderen naar de rechterzijde.


(S. Augustini, Sermo 47, 1. 2. 3. 6, De ovibus: CCL 41, 572-573, 575-576)

maandag 29 juni 2015

John Henry Newman [1801-1890] De eigenschappen van God (7) God onze enige steun in alle eeuwigheid

John Henry Newman [1801-1890]
De eigenschappen van God (7)
God onze enige steun in alle eeuwigheid
Mijn God, ik geloof, ik geloof, ik ken en aanbid U als oneindig in de veelheid en diepte van Uw hoedanigheden.  Ik aanbid U als in U omsluitende een overvloed van alles wat de ziel kan verlangen en bevredigen. Van de andere kant weet ik, en droevige ervaring heeft het mij maar al te duidelijk gemaakt, dat al wat geschapen is, al wat aards is, slechts een tijd lang kan behagen en dan begint het tegen te staan en te vervelen. Ik ben overtuigd dat er hier op aarde volstrekt niets is dat ik op de duur niet moe zou worden. Al had ik alle middelen tot geluk die het leven mij kan geven, toch ben ik overtuigd dat ik na verloop van tijd genoeg zou krijgen van dit leven, dat alles mij zou aandoen als afgezaagd en saai en nutteloos. Als het mijn lot was dat eeuwenlange leven te leiden van voor de zondvloed, en als ik dan dat leven moest leiden zonder U, dan ben ik overtuigd dat ik mij ten slotte volstrekt en bovenmate ellendig zou voelen. Ik geloof dat ik er toe zou kunnen komen mijzelf van kant te maken uit louter verveling en walging. Als mijn leven lang genoeg zou duren, dan geloof ik dat ik mijn verstand zou verliezen en krankzinnig zou worden. Ik zou mij opgesloten voelen als in een cellulaire gevangenis, want ik zou dan opgesloten zijn in mijzelf, zonder gezelschap, als ik niet kon omgaan met U, o mijn God. Gij alleen, mijn oneindige Heer, Gij zijt altijd nieuw, al zijt gij de Hoogbejaarde, de laatste zowel als de eerste (Dan 7, 9, 13, 22).
Gij o mijn God, zijt altijd nieuw, ofschoon Gij de oudste zijt. Gij alleen zijt het voedsel voor alle eeuwigheid. Ik zal blijven leven, niet voor een aantal jaren maar voor altijd, en macht over mijn bestaan heb ik niet. Ik kan mijzelf niet vernietigen, al zou ik boosaardig genoeg zijn om dit te willen. Ik moet verder blijven leven, voor altijd, met begrip en bewustzijn, in weerwil van mijzelf. Zonder U zou de eeuwigheid een andere naam zijn voor eeuwige ellende. In U alleen heb ik iets wat mij voor altijd kan steunen: Gij alleen zijt het voedsel van mijn ziel. Gij alleen zijt onuitputtelijk en Gij biedt mij steeds iets nieuws om te kennen, iets nieuws om te beminnen. Na het einde van miljoenen jaren zal ik U nog zo weinig kennen dat het mij zal toeschijnen, dat ik pas ben begonnen. Op het einde van miljoenen jaren zal ik in U nog dezelfde, of liever een nog grotere zoetheid vinden, dan in het begin, en zal het mij toeschijnen dat ik pas begonnen ben U te genieten. En zo zal ik de hele eeuwigheid door als een kind zijn, dat de eerste beginselen leert van Uw oneindige goddelijke natuur. Want Gij zijt zelf de zetel en het middelpunt van alle goed, de enige realiteit in deze wereld van schaduwen, de hemel waarin de zalige geesten leven en genieten.
Mijn God, ik neem U als mijn erfdeel. Reeds uit louter verstandelijk overleg keer ik mij van de wereld af en kom ik tot U; ik geef de wereld prijs voor U. Wat enkel maar belooft verzaak ik voor Hem die doet. Tot wie anders zou ik gaan? Ik wil U hier vinden en mij met U voeden; ik wil mij met U voeden, Jesus mijn Heer, die zijt opgestaan uit het graf, die ten hemel zijt opgestegen, en die toch blijft bij Uw volk op aarde. Ik zie naar U op. Ik zoek het Levend Brood dat in de hemel is en dat neerdaalt uit de hemel. Geef mij steeds van dit Brood. Vernietig dit leven dat spoedig vergaan zal, ook al vernietigt Gij het niet, en vul mij met dat bovennatuurlijk leven dat nooit sterven zal.

(Nederlandse vertaling van pater dr. Aurelius Pompe ofm)