zaterdag 6 oktober 2018

Lezingen H. Mis 27e zondag door het jaar B

Eerste lezing (Gen. 2, 18-24)
Uit het boek Genesis.
De Heer God sprak:
“Het is niet goed dat de mens alleen blijft.
Ik ga een hulp voor hem maken, die bij hem past.”
Toen boetseerde de Heer God uit de aarde
alle dieren op het land en alle vogels van de lucht
en bracht die bij de mens om te zien hoe hij ze noemen zou:
zoals de mens ze zou noemen, zo zouden ze heten.
De mens gaf dus namen aan al de tamme dieren
en aan al de vogels van de lucht en aan al de wilde beesten;
maar een hulp die bij hem paste vond de mens niet.
Toen liet de Heer God de mens in een diepe slaap vallen;
en terwijl hij sliep, nam hij één van zijn ribben weg
en zette er vlees voor in de plaats.
Daarna vormde de Heer God
uit de rib, die hij bij de mens had weggenomen,
een vrouw
en bracht haar naar de mens.
Toen sprak de mens:
“Eindelijk been van mijn gebeente
en vlees van mijn vlees!
Mannin zal zij heten,
want uit een man is zij genomen.”
Zo komt het, dat een man zijn vader en moeder verlaat
en zich zo aan zijn vrouw hecht dat zij volkomen één worden.

Tweede lezing (Hebr. 2, 9-11)
Uit de brief aan de Hebreeën.
Broeders en zusters,
wij zien hoe Jezus,
die voor een korte tijd beneden de engelen was gesteld,
nu met luister en eer gekroond is,
omdat Hij de dood heeft verduurd.
Door Gods genade kwam zijn sterven aan allen ten goede.
God,
einddoel en oorsprong van alle dingen,
wil vele kinderen tot hemelse heerlijkheid leiden;
was het dan niet passend,
dat Hij de aanvoerder die hen redt,
niet dan door lijden tot de voleinding bracht?
Want Hij die heiligt
en zij die geheiligd worden, hebben een en dezelfde oorsprong;
daarom schrikt Hij er ook niet voor terug
hen zijn broeders te noemen.

Evangelie (Mc. 10, 2-16)
In die tijd kwamen er Farizeeën die Jezus vroegen: “Staat het een man vrij zijn vrouw te verstoten?” Daarmee wilden zij Hem op de proef stellen.
Hij antwoordde hun met een wedervraag:
“Wat heeft Mozes u voorgeschreven?”
Zij zeiden:
“Mozes heeft toegestaan een scheidingsbrief op te stellen en haar weg te zenden.”
Doch Jezus antwoordde hun:
“Om de hardheid van uw hart
heeft hij die bepaling voor u neergeschreven.
Maar in het begin, bij de schepping,
heeft God hen als man en vrouw gemaakt.
Daarom zal de man zijn vader en moeder verlaten om zich te binden aan zijn vrouw
en deze twee zullen één vlees worden.
Zo zijn zij dus niet langer twee,
één vlees als zij geworden zijn.
Wat God derhalve heeft verbonden
mag een mens niet scheiden.”
Thuis ondervroegen de leerlingen Hem nogmaals daarover.
Hij sprak tot hen:
“Wie zijn vrouw wegzendt en een andere huwt,
maakt zich tegenover haar schuldig aan echtbreuk.
En wanneer zij haar man verlaat en een andere huwt
begaat zij echtbreuk.”
De mensen brachten kinderen bij Hem
met de bedoeling dat Hij ze zou aanraken.
Maar bars wezen de leerlingen ze af.
Toen Jezus dit zag, zei Hij verontwaardigd:
“Laat de kinderen toch bij Mij komen
en houdt ze niet tegen.
Want aan hen die zijn zoals zij behoort het Koninkrijk Gods.
Voorwaar, Ik zeg u:
wie het Koninkrijk Gods niet aanneemt als een kind,
zal er zeker niet binnengaan.”
Daarop omarmde Hij ze en zegende hen
terwijl Hij hun de handen oplegde.

vrijdag 5 oktober 2018

Liturgia Horarum 6 oktober - Uit de brief van de heilige priester Bruno aan zijn zonen, de karthuizers

Mijn geest juicht in de Heer

Dank zij de veelvuldige en goede berichten van onze gezegende broeder Landuïnus heb ik vernomen dat u zich met onwrikbare strengheid aan uw wijze en werkelijk lofwaardige leefregel houdt. Ook heb ik gehoord van uw heilige liefde en uw voordurende toeleg op een zuiver en deugdzaam leven. Daarom juicht mijn geest van vreugde in de Heer. Werkelijk, ik juich van vreugde en voel me gedreven de Heer te loven en te danken – en toch klaag ik vol bitterheid. Weliswaar juich ik terecht om de steeds toenemende vruchten van uw deugdzaamheid, maar tegelijk betreur ik het en voel ik me beschaamd dat ik zelf zo laks en lui in het vuil van mijn zonden blijf liggen.

Verheugt u dus, mijn zeer geliefde medebroeders, over uw gelukkig lot en over de gulle hand waarmee God u zijn genade schenkt. Verheugt u omdat u aan de veelsoortige gevaren en schipbreuken van een kolkende wereld ontkomen bent.

Verheugt u omdat u de rustige en veilige ankerplaats van een verborgen haven hebt bereikt. Hoewel velen hier verlangen te komen en nogal wat pogingen hiertoe doen, bereiken zij die toch niet. Maar er zijn ook velen die ze hadden weten te vinden, maar die er toch van zijn uitgesloten, omdat het niemand van hen van hogerhand was verleend.

Voor u, mijn broeders, moet het dan ook onomstotelijk vaststaan: ieder die van dit zo begerenswaardige geluk genoten heeft en het op een of andere wijze heeft verloren, zal het zijn leven lang betreuren, als hij zich tenminste enigszins bekommert om zijn zieleheil of zich er zorgen om maakt.

Over u, mijn zeer beminde lekenbroeders, zeg ik: “Mijn hart prijst hoog de Heer” (Lc 1,46), omdat ik zie met welke gulheid God u zijn barmhartigheid bewijst. Dit deelt mij uw prior en liefdevolle vader mee, die vol lof is over u en zich om u verheugt. Want ofschoon u onkundig bent op het gebied van lezen en schrijven, schrijft de machtige God met zijn eigen vinger niet slechts de liefde in uw hart, maar ook de kennis van zijn heilige wet. Door uw werk laat u immers zien wat het voorwerp is van uw liefde en kennis. Want omdat u met alle zorg en ijver de ware gehoorzaamheid beoefent, is het overduidelijk dat u die zoetste en levenschenkende vrucht van de heilige Schrift met wijsheid weet te plukken.


(Nn. 1-3: SCh 88, 82-84)

Liturgia Horarum 6 oktober H. Bruno Verheugt u omdat u een verborgen haven hebt bereikt.


Uit een brief van de heilige priester Bruno († 1101) aan zijn zonen, de kartuizers

Verheugt u omdat u een verborgen haven hebt bereikt.

Dank zij de veelvuldige en goede berichten van onze gezegende broeder Landuïnus heb ik vernomen dat u zich met onwrikbare strengheid aan uw wijze en werkelijk lofwaardige leefregel houdt. Ook heb ik gehoord van uw heilige liefde en uw voortdurende toeleg op een zuiver en deugdzaam leven. Daarom juicht mijn geest van vreugde in de Heer. Werkelijk, ik juich van vreugde en voel me gedreven de Heer te loven en te danken - en toch klaag ik vol bitterheid. Weliswaar juich ik terecht om de steeds toenemende vruchten van uw deugdzaamheid, maar tegelijk betreur ik het en voel ik me beschaamd dat ikzelf zo laks en lui in het vuil van mijn zonden blijf liggen.
Verheugt u dus, mijn zeer geliefde medebroeders, over uw gelukkig lot en over de gulle hand waarmee God u zijn genade schenkt. Verheugt u omdat u aan de veelsoortige gevaren en schipbreuken van een kolkende wereld ontkomen bent. Verheugt u omdat u de rustige en veilige ankerplaats van een verborgen haven hebt bereikt. Hoewel velen hier verlangen te komen en nogal wat pogingen hiertoe doen, bereiken zij die toch niet. Maar er zijn ook velen die ze hadden weten te vinden, maar die er toch van zijn uitgesloten, omdat het niemand van hen van hogerhand was verleend.
Voor u, mijn broeders, moet het dan ook onomstotelijk vaststaan: ieder die van dit zo begerenswaardige geluk genoten heeft en het op een of andere wijze heeft verloren, zal het zijn leven lang betreuren, als hij zich tenminste enigszins bekommert om zijn zieleheil of zich er zorgen om maakt.
Over u, mijn zeer beminde lekebroeders, zeg ik: ‘Mijn hart prijst hoog de Heer’ (Lc. 1, 46), omdat ik zie met welke gulheid God u zijn barmhartigheid bewijst. Dit deelt mij uw prior en liefdevolle vader mee, die vol lof is over u en zich om u verheugt. Want ofschoon u onkundig bent op het gebied van lezen en schrijven, schrijft de machtige God met zijn eigen vinger niet slechts de liefde in uw hart, maar ook de kennis van zijn heilige wet. Door uw werk laat u immers zien wat het voorwerp is van uw liefde en kennis. Want omdat u met alle zorg en ijver de ware gehoorzaamheid beoefent, is het overduidelijk dat u die zoetste en levenschenkende vrucht van de heilige Schrift met wijsheid weet te plukken.

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada XXVI per annum feria VI Ad Officium lectionisGaudete in Domino semper. Verheugt u in de Heer te allen tijde.



 Lectio altera

Ex Tractátu Pseudo-Ambrósii in Epístolam ad Philippénses

Tweede lezing

Uit de verhandelingen op Paulus’ brief aan de Philippensen, van de H. Ambrosius,       bisschop
(PLS 1: 617-618)

Verheugt u in de Heer te allen tijde

Zeer geliefde broeders, de goddelijke liefde roept ons omwille van ons zieleheil tot de vreugde van de eeuwige zaligheid, zoals gij in de lezing van vandaag van de Apostel gehoord hebt: Verheugt u in de Heer te allen tijde. De vreugde van de wereld loopt uit op de eeuwige droefheid, maar de vreugde, die in de wil van de Heer is gelegen, zal degenen, die daarin volharden, overbrengen naar de blijvende en eeuwige vreugde. Daarom zegt de Apostel: Nog eens, verheugt u.

Hij spoort ons aan, dat onze vreugde in God en in het onderhouden van zijn geboden steeds meer en meer moet toenemen. Want hoe meer wij in deze wereld ons best hebben gedaan om aan de geboden van God en Heer te gehoorzamen, des te gelukzaliger zullen wij in het toekomstige leven zijn, en des te groter glorie zullen wij in Gods oog verwerven.

Uw vriendelijkheid moet bij alle mensen bekend zijn, Dit is, uw heilige omgang moet niet alleen bekend zijn bij God, maar ook bij de mensen tot een voorbeeld van bescheidenheid en bezonnenheid voor allen, die met u op aarde leven, of ook tot een vrome gedachtenis bij God en de mensen.

De Heer is nabij: weest onbezorgd: de Heer is steeds he nabij, die Hem in waarheid aanroepen, in het ware geloof, met een vaste hoop en in volmaakte liefde. Hij toch weet, wat gij nodig hebt al vóór gij het Hem vraagt: Hij is steeds bereid allen, die Hem trouw dienen, in alle moeilijkheden te hulp te komen. Daarom moeten wij bij rampen, die ons bedreigen, niet al te bezorgd zijn, omdat wij ervan overtuigd zijn, dat God als onze verdediger ons nabij is, volgens het woord: Gebroken harten blijft de Heer nabij en vermorzelde zielen komt Hij te hulp. Hoe talrijk de rampen van de rechtvaardigen ook zijn, de Heer redt hen eruit. Als wij ons inspannen zijn geboden te vervullen en te onderhouden, zal Hij niet talmen ons te geven, wat Hij beloofde.

Maar in elk gebed en smeking moeten uw wensen met dankzegging bij God bekend worden, om te voorkomen, dat gij, door wederwaardigheden bedroefd, deze slechts met gemor of droefheid zoudt dragen, wat verre van u zij; maar gij moet ze dragen met geduld en blijmoedigheid, altijd God in alle omstandigheden dankzeggend.

donderdag 4 oktober 2018

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Hebdomada XXVI per annum feria V Christus ædificet vos in fide et veritate. Christus bouwe u op in geloof en waarheid.


Lectio altera

Ex Epístola sancti Polycárpi epíscopi et mártyris ad Philippénses
(Nn. 12, 1 — 14: Funk 1, 279-283)

Tweede lezing

Uit de brief aan de Philippensen, van de H. Polycarpus, bisschap en martelaar
(Nn. 12, 1 — 14: Funk 1, 279-283)

Christus bouwe u op in geloof en waarheid

Ik vertrouw erop, dat gij goed bedreven zijt in de H. Schrift en dat er daar voor u niets verborgen is; mij toch komt het niet toe (u te vermanen). Alleen, zoals in die Schrift staat: Wordt toornig, maar zondigt niet, en: Laat de zon niet ondergaan over uw toorn. Zalig, die daaraan denkt; en ik geloof, dat dit bij u het geval is.

God echter en de Vader van onze Heer Jezus Christus en de eeuwige Hogepriester zelf, Gods Zoon Jezus Christus, moge u doen groeien in geloof en waarheid, in alle zachtmoedigheid en zonder toorn, in geduld en lankmoedigheid, in verdraagzaamheid en kuisheid. Hij schenke u als uw lot een aandeel onder zijn heiligen en ook aan ons met u en aan allen, die onder de hemel wonen en die zullen geloven in onze Heer Jezus Christus en in zijn Vader, die Hem uit de doden heeft opgewekt.

Bidt voor alle heiligen. Bidt ook voor de koningen en machthebbers en vorsten, ook voor die u vervolgen en haten en voor de vijanden van het kruis, zodat uw vrucht voor allen zichtbaar zij, en gij volmaakt moogt zijn in Hem.

Gij zelf en ook Ignatius hebt mij geschreven om, als er iemand naar Syrië zou gaan, uw brief mee te nemen. Dat zal ik doen, als ik er een geschikte tijd voor kan vinden. Ofwel doe ik het zelf ofwel stuur ik iemand uit uw naam.
Wat de brieven betreft van Ignatius, die hij ons gestuurd heeft en alle andere die wij hier bij ons hebben, hebben wij u toegezonden zoals gij hadt opgedragen; ze zijn bij deze brief gevoegd. Gij zult er veel vrucht uit trekken, want ze handelen over het geloof, het geduld en over alles, wat ons dichter brengt bij onze Heer. Bericht ons ook alles, wat gij met zekerheid te weten zijt gekomen omtrent Ignatius zelf en zijn metgezellen.

Dit heb ik u geschreven door Crescens, die ik u reeds heb aanbevolen en dit nu weer doe. Want hij heeft zich onder ons onberispelijk gedragen; ik vertrouw, dat hij dit ook bij u zal doen. Ook zijn zuster zij u aanbevolen, als zij bij u komt.
Het beste u toegewenst in de Heer Jezus Christus en zijn genade zij met u allen. Amen.


Exclusief voor kinderen! 4 oktober Sint Franciscus van Assisi

Sint Franciscus van Assisi

Zijn vader is een rijke koopman. Natuurlijk hoopt hij, dat zijn zoon later de zaak overneemt. Daarom is het goed, dat Franciscus veel rijke vrienden heeft, die later bij hem komen kopen. De vader geeft aan Frans veel geld om feest te vieren. Zo krijg je natuurlijk vrienden. Er is het ene feest na het andere.

Wanneer de stad Assisi ruzie heeft met een andere stad, gaat Franciscus ook mee vechten. Maar daar heeft hij pech mee. Want al gauw brengen ze hem gewond naar huis. Hij zal geen ridder worden, tenminste niet zoals zijn vader het denkt.

Op een dag zit Franciscus in een oude kapel. Wat ziet ze er uit. Er zijn gaten in het dak, stenen zitten los, de vloer is gescheurd. In die kapel hangt een oud kruis. Wat gebeurt er nu? Je zult het bijna niet geloven. En toch is het waar. Het kruis begint opeens te praten. Tegen Franciscus. "Franciscus, zie je niet hoe mijn huis tot een ruïne vervalt? Ga het voor Mij herstellen."

Franciscus herstelt het kerkje, dat je nu nog kunt zien. Maar hij doet meer. Hij geeft steeds meer weg aan de arme mensen. Er zijn geen feesten meer. Alles is voor de armen. Dan gebeurt er nog iets heel belangrijks. Op een dag komt Franciscus een melaatse tegen. De jonge man rilt van afschuw. Maar dan geeft hij aan deze zieke een kus. Dat is heel gevaarlijk, want dan kun je zelf ook melaats worden. Franciscus kent zich zelf niet meer terug. Toen hij nog een feestvierder was, zou hij nooit naar een melaatse hebben omgekeken. En nu doet hij zo.

Intussen is de vader van Franciscus heel boos. Wat zullen we nou krijgen! Gaat me dat jong alles weggeven! En kijk eens hoe hij er zelf bij loopt! Is dat de jongen die straks de rijke winkel moet overnemen? Al het geld verknoeit hij aan kerken en aan arme mensen! Zo kun je geen zakenman worden!

Wat de vader ook probeert, Franciscus blijft voor de armen zorgen. Dan wordt de vader zo kwaad, dat hij al het geld van Franciscus terugeist. Midden voor de kerk van de bisschop geeft Frans niet alleen zijn geld, maar ook nog zijn kleren terug aan de vader. Nu heeft hij geen vader meer. Zijn enige vader is nu God.

In de buurt ligt nog een oud kerkje. Daar gaat Franciscus helemaal alleen wonen. Hij wordt een kluizenaar. Hij leeft heel streng. Hij vast veel en bidt. Hij doet dat om zijn eigen zonden goed te maken. Maar hij doet het ook voor de zonden van andere mensen. Wanneer hij een keer de heilige Mis dient, hoort hij het evangelie, waarin Jezus de apostelen uitstuurt om te gaan preken. Franciscus begrijpt, dat hij dat ook moet gaan doen. Dus verlaat hij zijn kerkje en gaat overal over God en Jezus vertellen. De mensen begrijpen er niets van. Is dat niet die rijke jongen van die deftige winkel? Moet je eens kijken! Het lijkt wel een bedelaar! En wat praat hij toch over God? Toch zijn er ook mensen die gaan nadenken. Zo komen de eerste broeders bij Franciscus. Ze willen net zo gaan leven als hij. Wanneer de broeders van Franciscus ook in Rome komen, geeft de paus hen verlof, om bij elkaar te blijven. Zo zijn de franciscanen ontstaan. Overal hebben ze gepreekt en goed voor de arme mensen gezorgd. Franciscus wordt hun eerste overste.

Jezus laat op een dag zien, dat Hij veel van Franciscus houdt. In de handen en voeten van Franciscus komen dezelfde wonden die Jezus ook had. Nu lijkt Frans nog meer op Jezus. En Frans laat ook zien, hoeveel hij van Jezus houdt. Hij maakt ook een heel mooi lied, waarin hij God bedankt voor al het mooie van de natuur. Dat noemen we het Zonnelied.

Wanneer Franciscus 44 jaar oud is, sterft hij. Al twee jaar later wordt hij heilig verklaard.

We vieren het feest van Franciscus op 4 oktober.

Heilige Franciscus, u hebt een kerkje voor God opgeknapt. Maar u hebt de Kerk van God, die dreigde te vervallen, nog veel meer opgeknapt door uw preken en goede werken. Help ons, dat wij in onze tijd ook leven zoals u. Dan zal de Kerk weer net zo mooi worden als u haar toen gemaakt hebt. Amen.

Met dank aan Pastoor Domen van de H. Dionysiusparochie in Heerhugowaard