Eerste lezing (Hab. 1,2-3; 2,2-4)
Hoelang moet ik nog roepen, Heer,
terwijl Gij maar niet luistert?
Hoelang moet ik de hemel nog geweld aandoen,
terwijl Gij maar geen uitkomst brengt?
Waarom laat Gij mij onrecht lijden
en ziet Gij die ellende maar aan?
Waarom moet ik leven te midden van geweld en verdrukking
en waarom rijst er twist
en moet men lijden onder tweedracht?
De Heer gaf mij antwoord:
“Schrijf het visioen op,
zet het duidelijk op schrift,
zodat men het vlot kan lezen.
Want dit visioen
– al wacht het de vastgestelde tijd nog af –
hunkert niettemin naar zijn vervulling:
het vertelt geen leugen.
Al blijft het ook uit, geef het wachten niet op,
want komen doet het beslist
en het komt niet te laat.
Bezwijken zal hij,
die in zijn hart niet deugt;
de rechtvaardige echter blijft leven door zijn trouw.”
Tweede lezing (2 Tim. 1,6-8.13-14)
Dierbare,
vergeet niet het vuur aan te wakkeren van Gods genade,
die in u is door de oplegging van mijn handen.
Want God
heeft ons niet een geest geschonken van vreesachtigheid,
maar een geest van kracht, liefde en bezonnenheid.
Schaam u dus niet van onze Heer te getuigen.
Schaam u evenmin voor mij, zijn gevangene.
Draag uw deel in het lijden voor het evangelie.
Neem als richtsnoer de gezonde beginselen, die gij uit mijn mond hebt vernomen
en houdt ze vast in het geloof en de liefde van Christus Jezus.
Bewaar de u toevertrouwde schat
met de hulp van de heilige Geest, die in ons woont.
Evangelie (Lc. 17,5-10)
In die tijd zeiden de apostelen tot de Heer:
“Geef ons meer geloof.”
De Heer antwoordde:
“Als ge een geloof had als een mosterdzaadje,
zoudt ge tot die moerbeiboom zeggen:
Maak uw wortels los uit de grond en plant u in de zee,
en hij zou u gehoorzamen.
Wie van u zal tot de knecht,
die hij in dienst heeft als ploeger of veehoeder
bij diens thuiskomst van het land zeggen:
Kom meteen aan tafel en tast toe?
Zal hij niet eerder zeggen:
Maak mijn maaltijd klaar;
omgord je en bedien mij, terwijl ik eet en drink;
daarna kun je zelf eten en drinken?
Moet hij die knecht soms dankbaar zijn,
omdat hij heeft uitgevoerd wat hem is opgedragen?
Zo is het ook met u:
wanneer ge alles hebt gedaan wat u opgedragen werd,
zegt dan: Wij zijn maar gewone knechten;
wij hebben alleen maar onze plicht gedaan.”
Posts tonen met het label dominica XXVII per annum. Alle posts tonen
Posts tonen met het label dominica XXVII per annum. Alle posts tonen
zondag 5 oktober 2025
Collectegebed 27e zondag door het jaar I Schenk ons wat wij niet durven vragen.
Collectegebed
27e zondag door het jaar I - Overweging
Schenk ons wat wij niet
durven vragen.
I n l e i d i n g
Het collectegebed van vandaag is rijk aan
fijngevoelige gedachten: Gods vaderlijke
goedheid is oneindig en geeft meer dan wij verdienen. De bede vraagt
vergiffenis voor “al wat ons geweten verontrust” en om zaken, “die het gebed
niet durft te vragen”. Ook hier horen we de echo van de twee kernbeden van het
Onze Vader: “Uw Rijk kome” en “vergeef ons onze schuld”.
Missale Romanum – 1970
Omnipotens sempiterne Deus,
qui abundantia
pietatis tuæ et merita supplicum excedis et vota,
effunde super nos
misericordiam tuam,
ut dimittas quæ
conscientia metuit,
et adiicias quod oratio non præsumit.
Nederlands Altaarmissaal –
1979
Almachtige eeuwige God,
in uw grote goedheid geeft
Gij meer dan ons toekomt, meer dan wij verlangen.
Wij vragen U: bewijs ons uw
overvloedige barmhartigheid:
vergeef al wat ons geweten
verontrust
en schenk ons wat wij niet
durven vragen.
Werkvertaling
Almachtige eeuwige God,
Die met/door de overvloed van uw liefde
de verdiensten en wensen van hen die tot U smeken overstijgt,
stort uw barmhartigheid over ons uit
zodat Gij wegneemt wat ons geweten
verontrust
en toevoegt wat ons gebed niet durft
verwachten.
L i t u r g i s
c h e a n t e c e d e n t e n
Met een kleine variant staat het collectegebed van
deze zondag vermeld in het oude Sacramentarium
Gelasianum, 1201 (Vat.Reg.Lat.316; 1e helft 8e eeuw).
In het preconciliaire Missale Romanum
was dit de collecte van de 11e zondag na Pinksteren en werd in de Novus
Ordo Missale Romanum opgenomen
als collecte van de 27e zondag van de Tijd door het Jaar.
O v e r w e g i n g
De
liturgie hanteert graag het concept van de overvloedige rijkdom van God
(abundantia). Dat deze overvloed te vinden is in de liefde (pietas) maakt het
hart van de bidder gelukkig zodat het als het ware wordt aangemoedigd véél en
overdadig te vragen, ofschoon het er geen enkele aanspraak op kan maken. Goed
beschouwd verdienen wij dit geschenk van God niet, maar het is de genade is die
ons onverdiend deze overvloed schenkt. Dit ligt op geen enkele wijze aan ons
maar enkel en alleen aan de overvloedige rijkdom van zijn liefde.
Daarmee
is nog niet het belangrijkste gezegd: de liefde van God overstijgt in haar
vrijgevigheid zelfs onze onverzadigbare wensen (vota). Want wanneer wij naar
oneindig en eeuwig geluk verlangen, kunnen we deze onbegrensdheid slechts door
ontkenning van de grenzen vatten maar nooit ten volle de oneindige heerlijkheid
van de goddelijke gaven begrijpen. We zouden God en zijn liefde zelf moeten
kennen om uit te kunnen drukken wat God ons heeft beloofd en wat wij Hem
vragen.
Vanuit
de gedachte aan de overvloedige rijkdom kiest het gebed al onmiddellijk zijn
eerste term: “stort uw barmhartigheid over ons uit”. “Uitstorten” (infunde) is
de taal die de oraties graag gebruiken in deze context en vooral wanneer de
liefde zich kenbaar maakt in de “Uitstorting van de Heilige Geest” daarbij de
H. Schrift volgend als deze zegt: “De liefde van God is in ons hart uitgestort
door de Heilige Geest die ons werd geschonken” (Rom 5,5).
Vervolgens
wordt de algemeen gehouden bede (effunde super nos misericordiam tuam) in twee
richtingen geconcretiseerd. Eerst gaat het om de vergeving van de zonde. Onder
de indruk van de onmeetbare liefde van God voelt het geweten van de zondaar
zich door vrees bevangen. Er bestaat geen grotere schrik dan het bewustzijn
deze overvloedige liefde gekwetst te hebben. Daarvoor is er geen redding tenzij
juist deze liefde van God. Zij moedigt de bidder aan vergiffenis te vragen en
vervult hem met vertrouwen. Zij bemoedigt hem zelfs opnieuw zonder beperking te
vragen, wat het gebed niet waagt uit te spreken, ja, zo zal men mogen
toevoegen, dát te vragen wat verder gaat dan waartoe het door de liefde
gedreven biddende en zo mateloos verlangende hart in staat is.
Vandaag is deze dank heel bewust en levendig in ons,
en de zondag weerklinkt als verrijzenisdag van de Heer van de vreugde over zijn
mateloze barmhartigheid. God de Vader heeft in zijn “overgrote liefde” meer
gegeven dan wij konden vragen, en eraan toegevoegd wat het gebed nooit zou
hebben durven vragen: het goddelijk leven. Een bovennatuurlijke levenskracht,
die alleen de christen kent door de uitstorting van de Heilige Geest stuwt
geest en lichaam voort en maakt van hem, zoals de H. Paulus zegt, een levendmakende
Geest (1 Kor 15,45).
De eerste christenen zijn hiervan een levend
getuigenis. Vol liefde droegen zij de last van het zware dagelijkse leven,
vervuld van een vreugde, die niemand begreep. Dagelijks stelden zij in de dagen
van vervolging hun leven in de waagschaal. Blij leden zij het verlies van hun aardse
goederen en gingen zij in ballingschap of naar het schavot zoals anderen naar
een feestmaal. Vrijwillig verlieten zij hun bezittingen, verdwenen voor de
wereld en leidden in de woestijn een leven vol ontbering, maar rijk door het
bezit van God. Maagdelijk en louter en alleen levend voor God droegen zij
overvloedige de vruchten van leven uit hun vereniging met Christus. Dit is ook
nu nog evenals in de vroegste tijd het wezen
van de christen: hij bezit het leven, omdat hij het met de Heer heeft
prijsgegeven in de mystieke dood. De verrijzenis van Christus is de onuitputtelijke
bron van goddelijk leven voor de zijnen. Daarom houdt de Kerk niet op, de
boodschap van de Verrijzenis te verkondigen: “Voor alles heb ik u overgeleverd,
wat ik ook zelf als overlevering heb ontvangen, namelijk dat Christus gestorven
is voor onze zonden volgens de Schriften, dat hij begraven is en verrezen op de
derde dag…” (1 Kor 15,3-4). Dat is de
belangrijkste boodschap van het leven voor alle gelovigen en gedoopten, die -ook
beleefd en uitgedragen door de Kanunnikessen van het Heilig Graf in Sint
Odilienberg in het devies van het huis- verwoord wordt met het psalmwoord:
“Apud te est fons vitæ et in lumine tuo videbimus lumen” – bij U is de bron van
het Leven en in Uw licht [van de Verrijzenis] zullen wij het licht zien – (Ps 35[36]10). Niet met woorden alleen,
maar vooral door haar liturgisch handelen verkondigt de Kerk dagelijks opnieuw:
“Christus leeft”- ook wij zullen leven, zo wij met Hem sterven. Het dagelijks
Offer in de H. Mis en de liturgische viering van het kerkelijk jaar zijn niets
anders dan de plechtige verkondiging van
de Dood en Verrijzenis van Christus.
Hier stroomt de kracht van zijn onsterfelijk leven op de zijnen over en geeft Hij “aan zijn volk kracht en
sterkte” (Ps 67[68],36). Hier worden
wij gered naar lichaam en ziel maar smachten steeds opnieuw naar zijn redding door op zijn woord onze hoop te
stellen (Cf. Ps 118,81; Communio 27e
zondag). Hier vinden wij kracht en vreugde in de Communie en bidden wij om op
te gaan in Hem die ons voedsel is (Cf. Gebed na de Communie, 27e
zondag): in lumine tuo videbimus lumen!
(Bew. van J. Passcher
en Aem. Löhr)
maandag 4 oktober 2021
Oratio post Communionem – Gebed na de Communie (Postcommunio) Dominica XXVII per annum Zevenentwintigste zondag door het jaar Geef dat wij opgaan in Hem die ons voedsel is: Christus, onze Heer.
Het
Laatste Avondmaal.
Mozaïek in de S. Apollinare Nuovo,
Ravenna (vóór 529)
Geef dat wij opgaan in Hem die ons voedsel is:
Christus, onze Heer.
I n l e i d i n g
De Postcommunio van deze zondag bidt om de volle
uitwerking van de Heilige Communie. De oratie brengt daarbij de eucharistische
gaven in verband met de tekst van 1 Kor 10, 16: de kelk der zegening die wij
zegenen en het brood dat wij breken. Bij de kelk denkt het gebed aan vers 5 uit
Psalm 23 (Vulgaat): “Calix meus inebrians quam præclarus est”, hoe vloeit mijn
schitterende beker over. Uit deze psalm komt ook het woord weiden (“pascamur”)
dat verwijst naar het beeld van de Goede Herder, die herders én schapen weidt
op grazige weiden en drenkt aan zuivere waterstromen (cf Preek 46, 24-25 van de H. Augustinus Over de
herders in CCL 41, 551-553). Want “Vos grex meus, grex pascuæ meæ vos, et ego
Dominus Deus vester” – Gij zijt mijn kudde, de schapen die Ik weid en Ik ben de
Heer, uw God (Ez 34, 31).
De “overvloeiende kelk” roept opnieuw de gedachten aan
de overvloed aan genade op zoals het Gebed over de gaven van deze zondag het
graag uitdrukt. In feite moet het aan overvloedige genade te danken zijn, wil
het gebed werkelijkheid worden: dat wij in dat, wat wij hebben ontvangen,
worden veranderd. Wanneer we ons goed realiseren wat hier wordt gezegd is het ongehoord,
dat de mens in Christus veranderd kan worden of zelfs in en door Hem delen in de
goddelijke natuur: “Hij [Christus] heeft ons begiftigd met kostbare, verheven
beloften, opdat gij, ontkomen aan het bederf en de zelfzucht van de wereld,
deel zoudt hebben aan de goddelijke natuur” (2 Pe 1, 4). Ook kunnen we denken
aan Paulus’ woord in Romeinen 8, 29:
“Die Hij tevoren heeft gekend, heeft Hij ook tevoren bestemd tot
gelijkvormigheid met het beeld van zijn Zoon.
T e k s t
Missale Romanum [MR] 1970
Concede
nobis omnipotens Deus,
ut
de perceptis sacramentis, inebriemur atque pascamur,
quatenus
in id quod sumimus transeamus.
Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie
1979
Almachtige
God,
laat
ons in deze Communie kracht en vreugde vinden,
en
geef dat wij opgaan in Hem die ons voedsel is: Christus, onze Heer.
Werkvertaling
Geef
ons, almachtige God,
dat
wij door de ontvangen sacramenten worden gelaafd en gevoed,
op-/zodat
wij overgaan in dat wat wij hebben genuttigd.
L i t u r g i s
c h e a n t e c e d e n t e n
De Postcommunio draagt
sporen van preek 63 van de H. Leo de Grote, paus, gehouden op woensdag in de
Goede Week, 19 maart 452, over het Lijden van de Heer (Sermo 63, 7 – PL
54, 357 of CCL 138A, p. 388).
In MR 1962 is deze oratie niet opgenomen.
G e t u i g e n
i s s e n v a n d e V
a d e r s
H. Augustinus van
Hippo, bisschop en kerkvader 354-430
“Door middel van
brood en kelk heeft Christus ons zijn Lichaam willen toevertrouwen en zijn
Bloed, dat Hij voor ons vergoot tot vergiffenis van de zonden. Hebt gij het
goed ontvangen, dan zijt ge wat ge ontvangen hebt.”
Sermo 227, in die Paschæ
“Omdat het Woord
voor ons heeft geleden, daarom heeft Hij ons in dit Sacrament zijn Lichaam en
Bloed nagelaten wat Hij ook onszelf heeft gemaakt. Want ook wij zijn tot zijn Lichaam geworden
en door zijn barmhartigheid zijn wij zelf datgene wat wij ontvangen”.
Sermo Denis, 6
“De kracht die
door de H. Eucharistie te verstaan wordt gegeven, is de eenheid; dat wil
zeggen, nadat wij in het Lichaam van Christus zijn opgenomen en zijn ledematen
geworden zijn, zijn wij wat wij ontvangen.”
Sermo 57, 7, 7
H. Leo de Grote,
paus 440-461
“Niets anders
immers werkt de deelname aan het Lchaam en Bloed van Christus uit, dan dat wij veranderd
worden in datgene, wat wij nuttigen; en dat wij Hem, in Wie wij medegestorven,
medebegraven en medeverrezen zijn, in alle opzichten in onze geest en in ons
vlees dragen, volgens het woord van de Apostel: “Gij zijt immers gestorven en
uw leven is met Christus verborgen in God. Maar wanneer Christus, uw Leven
verschijnen zal, dan zult gij ook verschijnen in de heerlijkheid te samen met
Hem” (Kol 3, 3 e.v.), die met de Vader en de Heilige Geest leeft en heerst in
de eeuwen der eeuwen. Amen.
T e x t u e l e a n a l y s e
1.
Concede nobis omnipotens Deus,
2.
ut de perceptis sacramentis, inebriemur atque pascamur,
3.
quatenus in id quod sumimus transeamus.
De
oratie bestaat uit een enkele zin, op te splitsen in de aanhefzin met anaklese
(aanspreekvorm) omnipotens Deus en de vraag om verhoring in de imperativusvorm
(regel 1), gevolgd door een bijzin met de prædicaten inebriemur en pascamur in
de coniunctivusvorm, ingeleid door het voegwoord ut, met nadere specifiëring
van het gevraagde (r. 2) en afgesloten door een volgende bijzin quatenus …
transeamur die de korte afhankelijke bijzin quod sumimus omsluit en het
verhoopte effect van de ontvangen Communie verwoordt (r. 3).
Ad
1
Concede,
verleen – prædicaat in de imperativusvorm van concedere, consessi, consessum,
3, dat verlenen, toegeven, toestaan betekent in de taal van de oraties. Het
gebruik van dit werkwoord drukt een respectvolle, beleefde houding tegenover
God uit en tegelijkertijd een aandringen om te worden ‘verhoord’.
Omnipotens
Deus – [o] almachtige God, anaklese in de vocativusvorm van het
substantivum Deus dat congrueert met het
adiectivum omnipotens. Omnipotens is een exclusief epitheton voor God.
Nobis,
(aan) ons – bijwoordelijke bepaling in de dativusvorm pluralis van nos: dativus
commodi (van voordeel)
Ad
2
(ut)
… inebriemur, (op)dat wij worden gelaafd – 1e prædicaat in de 1e
persoon pluralis præsentis passivi van ebriari, dronken worden, zich laven.
Pascamur,
(op)dat wij worden geweid – 2e prædicaat in de 1e persoon
pluralis passivi van pascere, pavi, pastum, 3, weiden.
Atque,
maar/en ook – coniunctie
De
perceptis sacramentis, door/vanuit de ontvangen sacramenten – bijwoordelijke
bepaling in twee congruerende ablativusvormen bepaald door het præpositum de (+
ablativus).
Ad
3
Quatenus,
op-/zodat, ten einde – bijwoordelijke bepaling
Transeamus,
wij kunnen/mogen overgaan – prædicaat in de 1e pers. pluralis
coniunctivi vanwege het wenskarakter.
In
id quod sumimus, in dat wat wij nuttigen – voorzetselbepaling bestaande uit het
præpositum in + acccusativus id gevolgd door een relatieve bijzin met quod als
pronomen relativum en sumimus als prædicaat in de 1e persoon
pluralis præsantis indicativi vanwege de weergave van een werkelijkheid.
S t i j l f i g u r e n
Gewone congruentieregel: omnipotens Deus (regel 1), perceptis
sacramentis (r. 2).
Eind-/klankrijm op – is in perceptis sacramentis (r. 2), op – mur in
inebriamur en pascamur (r. 2), op – mus in sumimus en transeamus (r. 3) en op
–us in quatenus, sumimus en transeamus (r. 3).
De uitgangen inebriamur en pascamur van het præsens passivi (r. 2)
vormen een mooie cohesie, versterkt door de coniunctie atque en anticiperen op
het hoogtepunt: in id quod sumimus transeamus, hetgeen
het uiteindelijke doel van het communiceren is.
V o c a b u l a r i u m
Inebriare, -avi, -atum 1.
Betekent 1. vochtig maken, drenken 2. dronken maken, verzadigen met
vocht, bedwelmen 3. zich laven aan.
Nog maar pas geleden zongen we de sequens “Stabat Mater dolorosa” (15
september, Feest O.L.Vrouw van Smarten). In een van de laatste strofen luidt de
bede:
“Fac me plagas vulnerari, cruce hac inebriari, et cruore Filii” – Laat
zijn wonden mij doorwonden, maak mij dronken van zijn lijden, van zijn kruis en
godd’lijk Bloed. Het is een uiting van de liefde tot de gekruisigde Jezus oop
hget terrain van de mystiek.
Overigens komt het verbum inebriare slechts eenmaal voor in MR 1962 en
wel in deze sequens.
De volheid en overvloed van Gods barmhartigheid wordt als volgt
uitgedrukt in Psalm 35 (36), 9-10: “Inebriabuntur ab ubertate domus tuæ,
Domine, et torrente voluptatis tuæ potabis eos; quoniam apud te est fons vitæ,
et in lumine tuo videbimus lumen” – Het kostelijkst van uw huis gewordt hun (de
mensenkinderen) als verkwikking, Gij laaft hen aan de stroom van uwe
heerlijkheden. Gij bergt de bron des levens, in úw licht zien wij licht.
Pascere, pavi, pastum 3.
heeft de volgende betekenissen:
1. weiden, laten weiden, voederen 2. spijzigen, voeden 3. onderhouden 4. In het
passivum: a) vreten, grazen b) zich te goed doen, vermeien.
Dit verbum is verwant met de concepten pastor, panis, pabulum en ook
met Pales, een oude Italische veldgodin die het vee beschermde en vruchtbaar
maakte. De Romeinse dichter Publius Ovidius Naso (43 v. Chr.-17 n. Chr.) spreekt over de ‘festa Palilia’ (of enkel Palilia),
Palilië, een herdersfeest ter ere van Pales, waarbij het vee door strovuren
werd gedreven waarover de herder vervolgens zelf heensprongen. Het werd tevens
als de stichtingsdag van Rome gevierd op 21 april.
Palea is stro of graan. Wij kennen het begrip ‘paljas’ of ‘stroman’, oorspronkelijk een met stro (Lat.: palea:
stro) gevulde hansworst uit het Napolitaanse volkstheater. Te vergelijken met
Pierrot. Zijn kostuum was rood-blauw-wit. Vandaar ontstonden betekenissen als:
1) Clown 2) Grapjas 3) Guit 4) Hansworst
5) Harlekijn 6) Opera van Leoncavallo 7)
Paillasse 8) Pias, Potsenmaker 9) Snaak 10) Strozak 11) Uilenspiegel enz.
De meesten van ons zullen onmiddellijk dit verbum in verband bengen met
dat moment op de kust van het Meer van
Galilea wanneer Jezus Petrus na hem zijn verraad te hebben vergeven zijn
bijzondere opdracht geeft: Weid mijn lammeren, weid mijn schapen, “Pasce agnos meos… pasce oves meas… pasce oves meas…” (Jo 21,
15-17).
Pascendi Dominici Gregis ("het
weiden van de kudde des Heren") is de naam van de tiende encycliek van de H. Pius X, die werd
gepromulgeerd op 8 september 1907 en die handelt over het modernisme.
Transeo, transire, transivi of – ii, transitum 4.
Intransitief, onovergankelijk betekent het: 1. door…heen gaan 2.
overgaan 3. veranderen 4. voorbij gaan, voorbijtrekken en transitief,
overgankelijk: 1. over iets gaan, overschrijden 2. klaar komen met 3.
overtreffen.
Wanneer je een rivier oversteekt, word je nat en je kleren worden
doordrenkt met water. Alles wat geverfd wordt of in een verfstof wordt gedrenkt
krijgt een andere tint. Onze ziel is gedrenkt in het trinitaire leven van
Vader, Zoon en H. Geest én gemerkt met het merkteken van Christus toen wij gedoopt warden. ‘Transi(vi)mus” – wij zijn overgegaan van de
oude dood naar het nieuwe leven.
Met het uitnodigende ‘Transeamus’ begint, zoals bekend, het Latijnse
kerstlied ‘Transeamus usque Bethlehem’ dat in rooms-katholieke kerken tijdens
de Nachtmis van Kerstmis wordt gezongen. Lange tijd werden tekst en melodie
toegeschreven aan de Duitse domkapelmeester Joseph Schnabel (1767-1831), maar
dit bleek uiteindelijk alleen te gelden voor het instrumentale deel.
In het Nederlands kennen we het begrip
transitie met breed betekenisscala. De grondbetekenis is ‘overgang’.
Quatenus
Dit ietwat vreemd onverbuigbaar adverbium betekent 1. in zover als, tot hoever, zover als,
hoelang 2. opdat, zodat. We zullen dit bijwoord
terugzien in de Postcommunio van de 22e zondag door het jaar.
Percipio, percepi, perceptum, 3.
De eerste betekenis van dit verbum is inzamelen,
innemen, in bezit nemen, oogsten, ontvangen, verkrijgen, nuttigen en vervolgens
met extentie: waarnemen, gewaarworden,
bemerken, begrijpen, leren, vernemen, horen.
Sumo, sumpsi, sumptum – 3,
heeft als grondbetekenis nemen, pakken, opnemen, aannemen, aanvatten,
vatten. In sommige teksten ook “consumeren”, verteren, nuttigen, verorberen
(vgl. consumptie / consumptief enz.). In ouder Nederlands taalgebruik betekent
“nemen” ook “eten, voedsel tot zich nemen”.
C o m m e n t a a r
De Postcommunio van vandaag doet ons ook denken aan een ander gebed,
traditioneel opgenomen in het Missale Romanum (ook in de
nieuwste editie MR 2002 op p. 1292) in een reeks devotionele gebeden, bedoeld
tot stichting van de priester en als dankzegging na de H. Mis.
Het wordt breed toegeschreven aan de H. Ignatius van
Loyola (1491-1556) die het aan het begin van zijn Geestelijke Oefeningen plaatste. Het gebed werd echter reeds gevonden in een
document van 1334 en sommige auteurs veronderstellen dat het misschien
afkomstig is van Sint Patrick (Ierland, 7e eeuw).
Anima
Christi, sanctifica me.
Ziel van Christus, heilig mij.
Corpus Christi, salva me.
Corpus Christi, salva me.
Lichaam van Christus, red mij.
Sanguis Christi, inebria
me.
Bloed van Christus, wil mij laven.
Aqua lateris Christi, lava me.
Aqua lateris Christi, lava me.
Water uit de zijde van Christus, was mij.
Passio Christi, conforta me.
Passio Christi, conforta me.
Lijden van Christus, sterk mij.
O bone Iesu, exaudi me.
O goede Jezus, verhoor mij.
O bone Iesu, exaudi me.
O goede Jezus, verhoor mij.
Intra
tua vulnera absconde me.
In uw wonden, verberg mij.
Ne permittas me separari a te.
Ne permittas me separari a te.
Laat mij niet van U gescheiden worden.
Ab hoste maligno defende me.
Ab hoste maligno defende me.
Tegen de boze vijand, bescherm mij.
In hora mortis meae voca me.
In hora mortis meae voca me.
In het uur van mijn dood, roep mij.
Et iube me venire ad te,
Et iube me venire ad te,
En laat mij tot U komen
Ut cum Sanctis tuis laudem te
Ut cum Sanctis tuis laudem te
Om met uw Heiligen U te loven
in saecula saeculorum.
in saecula saeculorum.
In de eeuwen der eeuwen.
Het beeld dat de ziel als het ware in dronkenschap
verkeert wanneer zij met God in de Heilige Communie wordt verenigd, is niet
nieuw. Wanneer de H. Ambrosius van Milaan, (ca. 340-397), kerkvader en
kerkleraar, schrijft over het Hooglied zegt hij: “ Werkelijk, zo dikwijls als
gij drinkt [het Bloed van Christus], ontvangt gij de vergeving van uw zonden en
wordt gij dronken door de Geest. Want wie dronken wordt van wijn wankelt en
struikelt, wie dronken wordt van de Geest is in Christus geworteld. En daarom
is dit een uitmuntende dronkenschap, die de nuchterheid van de geest bewerkt (De
sacramentis 5, 17).
De H. Gregorius van Nyssa (c. 334-395), eveneens
kerkvader en kerkleraar gebruikt dikwijls een treffende paradoxale beschrijving
van de ziel in vereniging met God: “nuchtere dronkenschap”. Waneeer hij het
Hooglied becommentarieert,z egt hij: “Dit is ook de betekenis van de bloeiende
wingerd (cf 2, 13), waarvan de wijn het hart verblijdt en eens de kelk van
wijsheid zal vullen. Zij zal met een
overvloed aan wijn worden aangeboden aan hen die drinken om te genieten van een
goede en nuchtere dronkenschap (nephalion methen)” en eveneens: “Elke
dronkenschap die maakt dat de geest die overweldigd wordt door de wijn in
extase (ekstasis) raakt. Wat het Hooglied derhalve vordert, wordt werkelijkheid
door zich te laven aan het goddelijk voedsel en de goddelijke drank van het
Evangelie; toen, nu en altijd bewerkt dit voedsel en deze drank een
voortdurende verandering (metabole) van een minder goede naar een betere
gesteltenis.
Het is duidelijk dat
de “dronkenschap” waarover we spreken, de “nuchtere dronkenschap” van Gregorius van Nyssa en van
Ambrosius van Milaan, niets van doen heeft met alcoholische dronkenschap, die
verstand en wil verzwakt die het verschil maken met wilde dieren. Door nuchtere
dronkenschap in de Heer, in de Heilige Communie, rijzen de wil en het verstand
door de genade boven zichzelf uit voor een nieuw plan.Elke keer dat wij de
Heilige Communie ontvangen, kunnen we misschien streven naar nuchtere
dronkenschap, een opstijgen boven en uit onszelf tot een eenheid met Hem die ons door zijn
liefde duidelijk maakt wie wij zijn (cf. Gaudium et spes 22). “Ik
leef, maar niet meer ikzelf, Christus is het die leeft in mij” (Gal 2, 20).
In de Postcommunio van vandaag horen we de echo van
een preek van de H. Leo de Grote, die in 452 zei: “in id quod sumimus
transeamus..mogen wij
overgaan in dat wat wij nuttigen”. Wij willen worden wat wij ontvangen. Wij
verlangen door onze Communie naar zo’n intense
vereniging met Christus dat Hij ons meer en meer kan veranderen in wie
Hij is. Het is een krachtige en intieme vereniging die mogelijk wordt door een
goede en heilige Communie. Uit de H.
Schrift weten we dat man en vrouw, wanneer zij huwen, “één vlees” worden, maar
zij worden echter niet “één geest”. Van de andere kant kan de relatie die de
ziel kan hebben met de Eucharistische Heer, de meest uitmuntende Bruidegom,
zelfs inniger zijn dan de huwelijksband. “Wie zich echter met de Heer verenigt,
is met Hem één geest” (1 Cor 6, 17).
Dat God ons,
onwaardige schepselen, deze wijze van vereniging met Hem heeft aangeboden, moet
ons wel in vervoering brengen.
Collectegebed 27e zondag door het jaar II - Vergeef al wat ons geweten verontrust
Collectegebed 27e
zondag door het jaar II - Tekstanalyse
en commentaar
Vergeef al wat ons geweten verontrust
Missale Romanum – 1970
Omnipotens sempiterne Deus,
qui abundantia pietatis tuæ et merita supplicum excedis et vota,
effunde super nos misericordiam tuam,
ut dimittas quæ conscientia metuit,
et adiicias quod oratio non
præsumit.
Nederlands Altaarmissaal –
1979
Almachtige eeuwige God,
in uw grote goedheid geeft Gij meer dan
ons toekomt, meer dan wij verlangen.
Wij vragen U: bewijs ons uw overvloedige
barmhartigheid:
vergeef al wat ons geweten verontrust
en schenk ons wat wij niet durven vragen.
Werkvertaling
Almachtige eeuwige God,
Die met de overvloed van uw liefde de
verdiensten en wensen van hen die tot U smeken overstijgt,
stort uw barmhartigheid over ons uit
zodat Gij wegneemt wat ons geweten
verontrust
en toevoegt wat ons gebed niet durft
verwachten.
L i t u r g i s
c h e a n t e c e d e n t e n
Met een kleine variant staat het collectegebed van
deze zondag vermeld in het oude Sacramentarium
Gelasianum, 1201 (Vat.Reg.Lat.316; 1e helft 8e eeuw).
In het preconciliaire Missale Romanum
was dit de collecte van de 11e zondag na Pinksteren en werd in de Novus
Ordo Missale Romanum opgenomen
als collecte van de 27e zondag van de Tijd door het Jaar.
S t r u c t u u r
1 Omnipotens sempiterne Deus,
2 qui abundantia
pietatis tuæ et merita supplicum excedis et vota,
3 effunde super
nos misericordiam tuam,
4 ut dimittas quæ
conscientia metuit,
5 et adiicias
quod oratio non præsumit.
Ad 1. Omnipotens sempiterne Deus,
De oratie opent met een drievoudige
vocativus: God wordt aangesproken in zijn hoedanigheid van Almachtige en
Eeuwige, begrippen die verwijzen naar de macht en majesteit van God als
Albeheerser (Omnipotens – Pantokrator). Het adiectivum omnipotens is
samengesteld uit de twee adiectiva omnis en potens (geheel
machtig), het adiectivum sempiterne
uit het adverbium semper (altijd) en het adiectivum æternus (eeuwig).
Ad 2. qui
abundantia pietatis tuæ et merita supplicum excedis et vota,
Betrekkelijk bijzin met een mooie
woordschikking die de hoedanigheden of eigenschappen van God verder illustreert.
qui excedis – gezegde in de aantonende
wijs vanwege mededeling van een feit. Excedere, cessi, cessum betekent:
1. uitgaan 2. te boven gaan, overschrijden 3. te buiten gaan, afwijken. Naast
de vorm excessus (participium perfecti passivi – verleden deelwoord)
bestaat ook het substantivum excessus,-us met de betekenissen zoals boven en
met afleidingen in het Nederlands als exces, excessief. Het gezegde qui…excedis
/die overstijgt, heeft een dubbel object (accusativus) bij zich: merita
en vota / verdiensten en wensen, beide substantieven in het onzijdige
meervoud. Merita wordt gevolgd door de genitivus (possesivus) supplicum
die in het tekstverband ook gedacht moet worden bij vota. De nevenschikkend
voegwoorden et…et onderstrepen
de opsomming.
Abundantia pietatis tuæ - bijwoordelijke bepaling in de
ablativus (causæ) gevolgd door twee genitivi pietatis tuæ als toelichting:
door/met de overvloed van Uw liefde.
Merita – onzijdig meervoud, hier in de accusativus van meritum,
-i, : verdienste, loon, ook verdienstelijke daad. In het Nederlands de
afleiding in de betekenis van verdienstelijke prestaties.
Ad 3. effunde super nos misericordiam
tuam: de hoofdzin in het midden van de
oratie met het verbum: effunde/giet uit, stort uit, in de imperativus
aan de kop, gekoppeld aan de bijwoordelijke bepaling super nos/over ons
en met het object misericordiam tuam in de accusativus.
Ad
4-5. ut dimittas quæ conscientia metuit, et adiicias quod oratio non præsumit.
Finale/consecutieve bijzin, klasssiek
ingeleid door het voegwoord ut dat in de twee nevenschikkende
(nevengeschikte?) zinnen verbonden door de coniunctie et de verba dimittas
en adiicias in de coniucntivus/toevoegende wijs bij zich heeft. De twee
nevengeschikte bijzinnen vormen een tegenstelling ten opzichte van elkaar:
opdat/zodat Gij wegneemt… en [opdat/zodat Gij] toevoegt. De coniunctieve vormen
dimittas en adiicias worden gevolgd door een afhankelijke bijzin met de verba metuit
en præsumit in de indicativus/aantonende wijs die een werkelijkheid
uitdrukt: opdat/zodat Gij wegneemt wat ons geweten vreest (metuit, van metuere,
metui, 3e persoon enkelvoud præsens activi (hij/zij vreest) en ook 3e
persoon enkelvoud van het perfectum activi (hij/zij heeft gevreesd) en toevoegt
waartoe het gebed zich niet verstout.
De laatste zin van het collectegebed is
troostvol: adiicias quod oratio non præsumit..opdat/zodat Gij toevoegt wat ons
gebed niet durft .. of eerder…waarop ons gebed niet anticipeert. Præsumo
betekent ook “voorzien” of “anticiperen
op iets”. Met ons beperkt onderscheidingsvermogen zijn we niet in staat de
eventualiteiten die we in ons leven tegenkomen te zien of er voor te bidden, maar
God overziet en kent ze alle. Hij kan onze vrees voor de zonden die we ons
herinneren milderen en ook de zaken waar we ons bezorgd over maken of waar we
alleen maar naar gissen.
K l e i n v o c a b u l a r i u m
Volgens onze woordenboeken betekent votum een
“plechtige gelofte ten overstaan van godheid afgelegd”. Daarmee betekent het
ook de zaak die wordt beloofd of onder gelofte wordt toegewijd. En in meer
algemene zin “wens, verlangen, bede”. Votum heeft in het religieuze leven ook
de betekenis van “gelofte”, vota sollemnia zijn plechtige geloften en votum
vovere betekent geloften afleggen.
Supplex
is een adiectivum/bijvoeglijk naamwoord, ook zelfstandig gebruikt met de
betekenis “nederige bede of smeekgebed; nederig, onderdanig, dringend
verzoekend, smekeling, suppliant, supplicant: iemand die iets verzoekt”;
afleidingen in het Nederland: supplicatie en suppliek. Deze en andere afgeleide
vormen worden regelmatig gebruikt in de Latijnse oraties zoals het bijwoord suppliciter.
Supplex komt volgens de Lewis & Short Dictionnary van sup-plico,
“de knieën buigen, neerknielen”. Het artikel in
het Franse etymologisch woordenboek van het Latijn door Alfred Ernout en
Antoine Meillet oppert dat supplex
niet komt van plico maar van plecto, “plooien, vouwen, vlechten”. E&M geven ook de mogelijkheid dat
het komt van placo, “verzoenen;
bedaren, kalmeren, tot rust brengen, tot vrede brengen”. De eerstgenoemde
betekenis beschrijft de fysieke houding van de smekeling, de tweede zijn morele
gesteltenis.
Het meer waarschijnlijke plecto geeft meer dezelfde impact als plico. Bij L&S zijn plico en plecto dus synoniemen. De voorstelling die we ons eerder maakten
van een smekeling, eerbiedig voorover gebogen op zijn knieën (geknield of diep
naar de grond gebogen) klopt dus. In de antieke culturen was het dus
gebruikelijk dat de smekeling zijn armen vouwde (plecto) rond (om?) de knieën van degene tot wie hij zijn verzoek
richtte.
De
vorm supplicum in het collectegebed is de zelfstandig gebruikte
genitivus meervoud van het adiectivum supplex, -icis: van hen die [tot U]
smeken.
Commentaar
Het is goed nog even stil te staan
bij het woord “supplex” (smekeling). Op een aantal momenten tijdens de H. Mis wordt
uitdrukkelijke nederigheid c.q. ootmoed van de gelovige gevraagd ten overstaan
van God als zijn Schepper, de Allerhoogste. Nederigheid is een wezenlijk
onderdeel van ieder gezond geestelijk leven. Wij mogen en moeten hem aanbidden
in het besef van onze zondigheid. In de velen nog steeds zeer vertrouwde liturgie
van de klassieke Uitvaart (requiemmis) werd vroeger altijd en nu nog
facultatief de sequentie “Dies Irae” gezongen.
In deze indringende tekst van
de Franciscaan Thomas van Celano (overleden 1270), vooral als die weerklinkt te
midden van zwarte liturgische gewaden (vroeger verplicht nu facultatief en
meestal vervangen door paars), wordt iedere gelovige onontkoombaar
geconfronteerd met het onvermijdelijke oordeel dat “in hora mortis nostrae” - in
het uur van onze dood door de “Rex tremendae majestatis” – “Koning van
huiveringwekkende majesteit” over ons zal worden geveld, “cum vix justus sit securus”
– “wanneer zelfs de rechtvaardige nauwelijks veilig is” (voor dat oordeel). Vele
componisten hebben gegrepen door de tekst deze op een wijze verklankt waarin nederigheid
en huiver doorklinken, bijvoorbeeld Verdi, Mozart en Perosi.
In twee verzen van het Dies Irae
bidden wij:
Confutatis maledictis Moet
gij dan vermaledijden
Flammis acribus addictis in het eeuwig vuur doen lijden.
Voca me cum benedictis Roep tot mij: “Gebenedijden!
Flammis acribus addictis in het eeuwig vuur doen lijden.
Voca me cum benedictis Roep tot mij: “Gebenedijden!
Oro supplex et acclinis Want
ik kom al jammerklagen
Cor contritum quasi cinis 't herte als assen rouw geslagen
Gere curam mei finis. hulpe in mijn doodsstrijd vragen*.
Cor contritum quasi cinis 't herte als assen rouw geslagen
Gere curam mei finis. hulpe in mijn doodsstrijd vragen*.
Het woord “supplex” –
smekeling- wijst op een houding van diep berouw over onze zonden, hetgeen vervolgens
de basis mag zijn voor vreugdevoller en vertrouwvoller gebed. De nederige
houding doordringt ons van de realiteit van onze zonden, Gods belofte om die te
vergeven in de H. Biecht en de vreugde die wij mogen smaken wanneer wij ons onderwerpen
aan Gods plan. God neemt onze zonden weg, maar alleen als wij Hem smeken dat te
doen.
Sommige collectegebeden
behelzen een verwijzing naar het Gebed des Heren, het Onze Vader. Ook in dit
collectegebed lijkt dit het geval. In deze tekst is het gebed (oratio) grammaticaal
het voorwerp van adicio “en schenk ons wat wij niet durven vragen”. Na
het Eucharistisch Gebed in de H. Mis leidt de priester het Onze Vader in met de
tekst: “Aangespoord door een gebod van de Heer en door zijn Goddelijk woord
onderricht, durven wij zeggen” – audemus dicere. Zelf zouden wij nooit
gebeden tot de Vader durven richten als niet de Zoon voor ons de weg al had
geplaveid, waarmee wij zijn opgenomen in diens Mystieke persoonlijkheid als
mede-erfgenaam. Verheven taalgebruik helpt ons te vermijden aanmatigend te zijn
en doet ons, met andere woorden, onze plaats beseffen.
De bewoording van het collectegebed
brengt ons in de juiste gesteldheid. We
zien het beeld van iemand die niet alleen het hoofd buigt, maar die op zijn
knieën neervalt om de dringendheid van zijn verzoek te onderstrepen. Hij richt
zich tot de Almachtige Vader, barmhartig en goed als deze is, met de bede zijn
vrees weg te nemen en hem te geven wat hij niet durft te vragen en waarvan hij
niet eens weet dat hij het aan de Vader zou moeten vragen (non praesumit). Hij
heeft tegelijkertijd de nederigheid van de knielende smekeling, maar ook de
vrijmoedigheid van het kindschap. Hij
durft te vragen wat buiten zijn eigen vermogen ligt, omdat God de Vader zelf
hem tot zijn zoon maakte door de mystieke adoptie. Hij is aangemoedigd om veel aan de Vader te
vragen in vertrouwvol geloof (vergelijk Mc 11:24 en 9:23).
Bidden wij dat wij de H. Mis,
de hoogste sacrale handeling, vieren in de juiste gesteldheid van nederigheid
en vertrouwvol opzien naar de Allerhoogste –tot eer van God en heil van mensen.
*vertaling Guido Gezelle
*vertaling Guido Gezelle
Abonneren op:
Posts (Atom)



