Posts tonen met het label dominica XXVII per annum. Alle posts tonen
Posts tonen met het label dominica XXVII per annum. Alle posts tonen

zondag 5 oktober 2025

Lezingen H. Mis 27e zondag door het jaar C "Wij zijn maar gewone knechten; wij hebben alleen maar onze plicht gedaan.”

Eerste lezing (Hab. 1,2-3; 2,2-4)
Hoelang moet ik nog roepen, Heer,
terwijl Gij maar niet luistert?
Hoelang moet ik de hemel nog geweld aandoen,
terwijl Gij maar geen uitkomst brengt?
Waarom laat Gij mij onrecht lijden
en ziet Gij die ellende maar aan?
Waarom moet ik leven te midden van geweld en verdrukking
en waarom rijst er twist
en moet men lijden onder tweedracht?

De Heer gaf mij antwoord:
“Schrijf het visioen op,
zet het duidelijk op schrift,
zodat men het vlot kan lezen.
Want dit visioen
– al wacht het de vastgestelde tijd nog af –
hunkert niettemin naar zijn vervulling:
het vertelt geen leugen.
Al blijft het ook uit, geef het wachten niet op,
want komen doet het beslist
en het komt niet te laat.
Bezwijken zal hij,
die in zijn hart niet deugt;
de rechtvaardige echter blijft leven door zijn trouw.”

Tweede lezing (2 Tim. 1,6-8.13-14)
Dierbare,
vergeet niet het vuur aan te wakkeren van Gods genade,
die in u is door de oplegging van mijn handen.
Want God
heeft ons niet een geest geschonken van vreesachtigheid,
maar een geest van kracht, liefde en bezonnenheid.
Schaam u dus niet van onze Heer te getuigen.
Schaam u evenmin voor mij, zijn gevangene.
Draag uw deel in het lijden voor het evangelie.
Neem als richtsnoer de gezonde beginselen, die gij uit mijn mond hebt vernomen
en houdt ze vast in het geloof en de liefde van Christus Jezus.
Bewaar de u toevertrouwde schat
met de hulp van de heilige Geest, die in ons woont.

Evangelie (Lc. 17,5-10)
In die tijd zeiden de apostelen tot de Heer:
“Geef ons meer geloof.”
De Heer antwoordde:
“Als ge een geloof had als een mosterdzaadje,
zoudt ge tot die moerbeiboom zeggen:
Maak uw wortels los uit de grond en plant u in de zee,
en hij zou u gehoorzamen.
Wie van u zal tot de knecht,
die hij in dienst heeft als ploeger of veehoeder
bij diens thuiskomst van het land zeggen:
Kom meteen aan tafel en tast toe?
Zal hij niet eerder zeggen:
Maak mijn maaltijd klaar;
omgord je en bedien mij, terwijl ik eet en drink;
daarna kun je zelf eten en drinken?
Moet hij die knecht soms dankbaar zijn,
omdat hij heeft uitgevoerd wat hem is opgedragen?
Zo is het ook met u:
wanneer ge alles hebt gedaan wat u opgedragen werd,
zegt dan: Wij zijn maar gewone knechten;
wij hebben alleen maar onze plicht gedaan.”

Dominica XXVII per annum - Introitus (In voluntate tua)

Collectegebed 27e zondag door het jaar I Schenk ons wat wij niet durven vragen.

Collectegebed 27e zondag door het jaar I  - Overweging

Schenk ons wat wij niet durven vragen.
I n l e i d i n g
Het collectegebed van vandaag is rijk aan fijngevoelige gedachten:  Gods vaderlijke goedheid is oneindig en geeft meer dan wij verdienen. De bede vraagt vergiffenis voor “al wat ons geweten verontrust” en om zaken, “die het gebed niet durft te vragen”. Ook hier horen we de echo van de twee kernbeden van het Onze Vader: “Uw Rijk kome” en “vergeef ons onze schuld”.

Missale Romanum – 1970
Omnipotens sempiterne Deus,
qui abundantia pietatis tuæ et merita supplicum excedis et vota,
effunde super nos misericordiam tuam,
ut dimittas quæ conscientia metuit,
 et adiicias quod oratio non præsumit.

Nederlands Altaarmissaal – 1979
Almachtige eeuwige God,
in uw grote goedheid geeft Gij meer dan ons toekomt, meer dan wij verlangen.
Wij vragen U: bewijs ons uw overvloedige barmhartigheid:
vergeef al wat ons geweten verontrust
en schenk ons wat wij niet durven vragen.

Werkvertaling
Almachtige eeuwige God,
Die met/door de overvloed van uw liefde de verdiensten en wensen van hen die tot U smeken overstijgt,
stort uw barmhartigheid over ons uit
zodat Gij wegneemt wat ons geweten verontrust
en toevoegt wat ons gebed niet durft verwachten.
L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n
Met een kleine variant staat het collectegebed van deze zondag vermeld in het oude Sacramentarium Gelasianum, 1201 (Vat.Reg.Lat.316; 1e helft 8e eeuw). In het preconciliaire Missale Romanum was dit de collecte van de 11e zondag na Pinksteren en werd in de Novus Ordo Missale Romanum opgenomen als collecte van de 27e zondag van de Tijd door het Jaar.
O v e r w e g i n g 
De liturgie hanteert graag het concept van de overvloedige rijkdom van God (abundantia). Dat deze overvloed te vinden is in de liefde (pietas) maakt het hart van de bidder gelukkig zodat het als het ware wordt aangemoedigd véél en overdadig te vragen, ofschoon het er geen enkele aanspraak op kan maken. Goed beschouwd verdienen wij dit geschenk van God niet, maar het is de genade is die ons onverdiend deze overvloed schenkt. Dit ligt op geen enkele wijze aan ons maar enkel en alleen aan de overvloedige rijkdom van zijn liefde.

Daarmee is nog niet het belangrijkste gezegd: de liefde van God overstijgt in haar vrijgevigheid zelfs onze onverzadigbare wensen (vota). Want wanneer wij naar oneindig en eeuwig geluk verlangen, kunnen we deze onbegrensdheid slechts door ontkenning van de grenzen vatten maar nooit ten volle de oneindige heerlijkheid van de goddelijke gaven begrijpen. We zouden God en zijn liefde zelf moeten kennen om uit te kunnen drukken wat God ons heeft beloofd en wat wij Hem vragen.
Vanuit de gedachte aan de overvloedige rijkdom kiest het gebed al onmiddellijk zijn eerste term: “stort uw barmhartigheid over ons uit”. “Uitstorten” (infunde) is de taal die de oraties graag gebruiken in deze context en vooral wanneer de liefde zich kenbaar maakt in de “Uitstorting van de Heilige Geest” daarbij de H. Schrift volgend als deze zegt: “De liefde van God is in ons hart uitgestort door de Heilige Geest die ons werd geschonken” (Rom 5,5).
Vervolgens wordt de algemeen gehouden bede (effunde super nos misericordiam tuam) in twee richtingen geconcretiseerd. Eerst gaat het om de vergeving van de zonde. Onder de indruk van de onmeetbare liefde van God voelt het geweten van de zondaar zich door vrees bevangen. Er bestaat geen grotere schrik dan het bewustzijn deze overvloedige liefde gekwetst te hebben. Daarvoor is er geen redding tenzij juist deze liefde van God. Zij moedigt de bidder aan vergiffenis te vragen en vervult hem met vertrouwen. Zij bemoedigt hem zelfs opnieuw zonder beperking te vragen, wat het gebed niet waagt uit te spreken, ja, zo zal men mogen toevoegen, dát te vragen wat verder gaat dan waartoe het door de liefde gedreven biddende en zo mateloos verlangende hart in staat is.
Vandaag is deze dank heel bewust en levendig in ons, en de zondag weerklinkt als verrijzenisdag van de Heer van de vreugde over zijn mateloze barmhartigheid. God de Vader heeft in zijn “overgrote liefde” meer gegeven dan wij konden vragen, en eraan toegevoegd wat het gebed nooit zou hebben durven vragen: het goddelijk leven. Een bovennatuurlijke levenskracht, die alleen de christen kent door de uitstorting van de Heilige Geest stuwt geest en lichaam voort en maakt van hem, zoals de H. Paulus zegt, een levendmakende Geest (1 Kor 15,45).

De eerste christenen zijn hiervan een levend getuigenis. Vol liefde droegen zij de last van het zware dagelijkse leven, vervuld van een vreugde, die niemand begreep. Dagelijks stelden zij in de dagen van vervolging hun leven in de waagschaal. Blij leden zij het verlies van hun aardse goederen en gingen zij in ballingschap of naar het schavot zoals anderen naar een feestmaal. Vrijwillig verlieten zij hun bezittingen, verdwenen voor de wereld en leidden in de woestijn een leven vol ontbering, maar rijk door het bezit van God. Maagdelijk en louter en alleen levend voor God droegen zij overvloedige de vruchten van leven uit hun vereniging met Christus. Dit is ook nu nog evenals in de vroegste tijd het wezen van de christen: hij bezit het leven, omdat hij het met de Heer heeft prijsgegeven in de mystieke dood. De verrijzenis van Christus is de onuitputtelijke bron van goddelijk leven voor de zijnen. Daarom houdt de Kerk niet op, de boodschap van de Verrijzenis te verkondigen: “Voor alles heb ik u overgeleverd, wat ik ook zelf als overlevering heb ontvangen, namelijk dat Christus gestorven is voor onze zonden volgens de Schriften, dat hij begraven is en verrezen op de derde dag…” (1 Kor 15,3-4). Dat is de belangrijkste boodschap van het leven voor alle gelovigen en gedoopten, die -ook beleefd en uitgedragen door de Kanunnikessen van het Heilig Graf in Sint Odilienberg in het devies van het huis- verwoord wordt met het psalmwoord: “Apud te est fons vitæ et in lumine tuo videbimus lumen” – bij U is de bron van het Leven en in Uw licht [van de Verrijzenis] zullen wij het licht zien – (Ps 35[36]10). Niet met woorden alleen, maar vooral door haar liturgisch handelen verkondigt de Kerk dagelijks opnieuw: “Christus leeft”- ook wij zullen leven, zo wij met Hem sterven. Het dagelijks Offer in de H. Mis en de liturgische viering van het kerkelijk jaar zijn niets anders dan de plechtige verkondiging  van de Dood  en Verrijzenis van Christus. Hier stroomt de kracht van zijn onsterfelijk leven op de zijnen  over en geeft Hij “aan zijn volk kracht en sterkte” (Ps 67[68],36). Hier worden wij gered naar lichaam en ziel maar smachten steeds opnieuw naar  zijn redding door op zijn woord onze hoop te stellen (Cf. Ps 118,81; Communio 27e zondag). Hier vinden wij kracht en vreugde in de Communie en bidden wij om op te gaan in Hem die ons voedsel is (Cf. Gebed na de Communie, 27e zondag):  in lumine tuo videbimus lumen!

(Bew. van J. Passcher en Aem. Löhr)

Trust in God’s Plan - Bishop Barron’s Sunday Sermon

maandag 4 oktober 2021

Oratio post Communionem – Gebed na de Communie (Postcommunio) Dominica XXVII per annum Zevenentwintigste zondag door het jaar Geef dat wij opgaan in Hem die ons voedsel is: Christus, onze Heer.


Het Laatste Avondmaal.
Mozaïek in de S. Apollinare Nuovo, Ravenna (vóór 529)

Geef dat wij opgaan in Hem die ons voedsel is: Christus, onze Heer.

I n l e i d i n g
De Postcommunio van deze zondag bidt om de volle uitwerking van de Heilige Communie. De oratie brengt daarbij de eucharistische gaven in verband met de tekst van 1 Kor 10, 16: de kelk der zegening die wij zegenen en het brood dat wij breken. Bij de kelk denkt het gebed aan vers 5 uit Psalm 23 (Vulgaat): “Calix meus inebrians quam præclarus est”, hoe vloeit mijn schitterende beker over. Uit deze psalm komt ook het woord weiden (“pascamur”) dat verwijst naar het beeld van de Goede Herder, die herders én schapen weidt op grazige weiden en drenkt aan zuivere waterstromen (cf  Preek 46, 24-25 van de H. Augustinus Over de herders in CCL 41, 551-553). Want “Vos grex meus, grex pascuæ meæ vos, et ego Dominus Deus vester” – Gij zijt mijn kudde, de schapen die Ik weid en Ik ben de Heer, uw God (Ez 34, 31).
De “overvloeiende kelk” roept opnieuw de gedachten aan de overvloed aan genade op zoals het Gebed over de gaven van deze zondag het graag uitdrukt. In feite moet het aan overvloedige genade te danken zijn, wil het gebed werkelijkheid worden: dat wij in dat, wat wij hebben ontvangen, worden veranderd. Wanneer we ons goed realiseren wat hier wordt gezegd is het ongehoord, dat de mens in Christus veranderd kan worden of zelfs in en door Hem delen in de goddelijke natuur: “Hij [Christus] heeft ons begiftigd met kostbare, verheven beloften, opdat gij, ontkomen aan het bederf en de zelfzucht van de wereld, deel zoudt hebben aan de goddelijke natuur” (2 Pe 1, 4). Ook kunnen we denken aan Paulus’ woord in Romeinen  8, 29: “Die Hij tevoren heeft gekend, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid met het beeld van zijn Zoon.

T e k s t
Missale Romanum [MR] 1970
Concede nobis omnipotens Deus,
ut de perceptis sacramentis, inebriemur atque pascamur,
quatenus in id quod sumimus transeamus. 

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie 1979
Almachtige God,
laat ons in deze Communie kracht en vreugde vinden,
en geef dat wij opgaan in Hem die ons voedsel is: Christus, onze Heer.

Werkvertaling
Geef ons, almachtige God,
dat wij door de ontvangen sacramenten worden gelaafd en gevoed,
op-/zodat wij overgaan in dat wat wij hebben genuttigd.

L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n
De Postcommunio draagt sporen van preek 63 van de H. Leo de Grote, paus, gehouden op woensdag in de Goede Week, 19 maart 452, over het Lijden van de Heer (Sermo 63, 7 – PL 54, 357 of CCL 138A, p. 388).
In MR 1962 is deze oratie niet opgenomen.

G e t u i g e n i s s e n  v a n  d e  V a d e r s
H. Augustinus van Hippo, bisschop en kerkvader 354-430
“Door middel van brood en kelk heeft Christus ons zijn Lichaam willen toevertrouwen en zijn Bloed, dat Hij voor ons vergoot tot vergiffenis van de zonden. Hebt gij het goed ontvangen, dan zijt ge wat ge ontvangen hebt.”
Sermo 227, in die Paschæ

“Omdat het Woord voor ons heeft geleden, daarom heeft Hij ons in dit Sacrament zijn Lichaam en Bloed nagelaten wat Hij ook onszelf heeft gemaakt.  Want ook wij zijn tot zijn Lichaam geworden en door zijn barmhartigheid zijn wij zelf datgene wat wij ontvangen”.
Sermo Denis, 6

“De kracht die door de H. Eucharistie te verstaan wordt gegeven, is de eenheid; dat wil zeggen, nadat wij in het Lichaam van Christus zijn opgenomen en zijn ledematen geworden zijn, zijn wij wat wij ontvangen.”
Sermo 57, 7, 7

H. Leo de Grote, paus 440-461
“Niets anders immers werkt de deelname aan het Lchaam en Bloed van Christus uit, dan dat wij veranderd worden in datgene, wat wij nuttigen; en dat wij Hem, in Wie wij medegestorven, medebegraven en medeverrezen zijn, in alle opzichten in onze geest en in ons vlees dragen, volgens het woord van de Apostel: “Gij zijt immers gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God. Maar wanneer Christus, uw Leven verschijnen zal, dan zult gij ook verschijnen in de heerlijkheid te samen met Hem” (Kol 3, 3 e.v.), die met de Vader en de Heilige Geest leeft en heerst in de eeuwen der eeuwen. Amen.
T e x t u e l e  a n a l y s e 
1. Concede nobis omnipotens Deus,
2. ut de perceptis sacramentis, inebriemur atque pascamur,
3. quatenus in id quod sumimus transeamus. 

De oratie bestaat uit een enkele zin, op te splitsen in de aanhefzin met anaklese (aanspreekvorm) omnipotens Deus en de vraag om verhoring in de imperativusvorm (regel 1), gevolgd door een bijzin met de prædicaten inebriemur en pascamur in de coniunctivusvorm, ingeleid door het voegwoord ut, met nadere specifiëring van het gevraagde (r. 2) en afgesloten door een volgende bijzin quatenus … transeamur die de korte afhankelijke bijzin quod sumimus omsluit en het verhoopte effect van de ontvangen Communie verwoordt (r. 3).        

Ad 1
Concede, verleen – prædicaat in de imperativusvorm van concedere, consessi, consessum, 3, dat verlenen, toegeven, toestaan betekent in de taal van de oraties. Het gebruik van dit werkwoord drukt een respectvolle, beleefde houding tegenover God uit en tegelijkertijd een aandringen om te worden ‘verhoord’.
Omnipotens Deus – [o] almachtige God, anaklese in de vocativusvorm van het substantivum  Deus dat congrueert met het adiectivum omnipotens. Omnipotens is een exclusief epitheton voor God.
Nobis, (aan) ons – bijwoordelijke bepaling in de dativusvorm pluralis van nos: dativus commodi (van voordeel)
Ad 2
(ut) … inebriemur, (op)dat wij worden gelaafd – 1e prædicaat in de 1e persoon pluralis præsentis passivi van ebriari, dronken worden, zich laven.
Pascamur, (op)dat wij worden geweid – 2e prædicaat in de 1e persoon pluralis passivi van pascere, pavi, pastum, 3, weiden.
Atque, maar/en ook – coniunctie
De perceptis sacramentis, door/vanuit de ontvangen sacramenten – bijwoordelijke bepaling in twee congruerende ablativusvormen bepaald door het præpositum de (+ ablativus).
Ad 3
Quatenus, op-/zodat, ten einde – bijwoordelijke bepaling
Transeamus, wij kunnen/mogen overgaan – prædicaat in de 1e pers. pluralis coniunctivi vanwege het wenskarakter.
In id quod sumimus, in dat wat wij nuttigen – voorzetselbepaling bestaande uit het præpositum in + acccusativus id gevolgd door een relatieve bijzin met quod als pronomen relativum en sumimus als prædicaat in de 1e persoon pluralis præsantis indicativi vanwege de weergave van een werkelijkheid.

S t i j l f i g u r e n
Gewone congruentieregel: omnipotens Deus (regel 1), perceptis sacramentis (r. 2).
Eind-/klankrijm op – is in perceptis sacramentis (r. 2), op – mur in inebriamur en pascamur (r. 2), op – mus in sumimus en transeamus (r. 3) en op –us in quatenus, sumimus en transeamus (r. 3).
De uitgangen inebriamur en pascamur van het præsens passivi (r. 2) vormen een mooie cohesie, versterkt door de coniunctie atque en anticiperen op het hoogtepunt:  in id quod sumimus transeamus, hetgeen het uiteindelijke doel van het communiceren is.

V o c a b u l a r i  u m
Inebriare, -avi, -atum 1.
Betekent 1. vochtig maken, drenken 2. dronken maken, verzadigen met vocht, bedwelmen 3. zich laven aan.
Nog maar pas geleden zongen we de sequens “Stabat Mater dolorosa” (15 september, Feest O.L.Vrouw van Smarten). In een van de laatste strofen luidt de bede:
“Fac me plagas vulnerari, cruce hac inebriari, et cruore Filii” – Laat zijn wonden mij doorwonden, maak mij dronken van zijn lijden, van zijn kruis en godd’lijk Bloed. Het is een uiting van de liefde tot de gekruisigde Jezus oop hget terrain van de mystiek.
Overigens komt het verbum inebriare slechts eenmaal voor in MR 1962 en wel in deze sequens.
De volheid en overvloed van Gods barmhartigheid wordt als volgt uitgedrukt in Psalm 35 (36), 9-10: “Inebriabuntur ab ubertate domus tuæ, Domine, et torrente voluptatis tuæ potabis eos; quoniam apud te est fons vitæ, et in lumine tuo videbimus lumen” – Het kostelijkst van uw huis gewordt hun (de mensenkinderen) als verkwikking, Gij laaft hen aan de stroom van uwe heerlijkheden. Gij bergt de bron des levens, in úw licht zien wij licht.

Pascere, pavi, pastum 3.
heeft de volgende  betekenissen: 1. weiden, laten weiden, voederen 2. spijzigen, voeden 3. onderhouden 4. In het passivum: a) vreten, grazen b) zich te goed doen, vermeien.
Dit verbum is verwant met de concepten pastor, panis, pabulum en ook met Pales, een oude Italische veldgodin die het vee beschermde en vruchtbaar maakte. De Romeinse dichter Publius Ovidius Naso (43 v. Chr.-17 n. Chr.)  spreekt over  de ‘festa Palilia’ (of enkel Palilia), Palilië, een herdersfeest ter ere van Pales, waarbij het vee door strovuren werd gedreven waarover de herder vervolgens zelf heensprongen. Het werd tevens als de stichtingsdag van Rome gevierd op 21 april.
Palea is stro of graan. Wij kennen het begrip ‘paljas’ of ‘stroman’,  oorspronkelijk een met stro (Lat.: palea: stro) gevulde hansworst uit het Napolitaanse volkstheater. Te vergelijken met Pierrot. Zijn kostuum was rood-blauw-wit. Vandaar ontstonden betekenissen als: 1) Clown 2)  Grapjas 3) Guit 4) Hansworst 5) Harlekijn 6) Opera van Leoncavallo  7) Paillasse 8) Pias, Potsenmaker 9) Snaak 10) Strozak 11) Uilenspiegel enz.
De meesten van ons zullen onmiddellijk dit verbum in verband bengen met dat moment op de kust  van het Meer van Galilea wanneer Jezus Petrus na hem zijn verraad te hebben vergeven zijn bijzondere opdracht geeft: Weid mijn lammeren, weid mijn schapen, “Pasce agnos meos… pasce oves meas… pasce oves meas…” (Jo 21, 15-17).  
Pascendi Dominici Gregis ("het weiden van de kudde des Heren") is de naam van de tiende encycliek van de H. Pius X, die werd gepromulgeerd op 8 september 1907 en die handelt over het modernisme.

Transeo, transire, transivi of – ii, transitum 4.
Intransitief, onovergankelijk betekent het: 1. door…heen gaan 2. overgaan 3. veranderen 4. voorbij gaan, voorbijtrekken en transitief, overgankelijk: 1. over iets gaan, overschrijden 2. klaar komen met 3. overtreffen.
Wanneer je een rivier oversteekt, word je nat en je kleren worden doordrenkt met water. Alles wat geverfd wordt of in een verfstof wordt gedrenkt krijgt een andere tint. Onze ziel is gedrenkt in het trinitaire leven van Vader, Zoon en H. Geest én gemerkt met het merkteken van Christus toen wij  gedoopt warden.  ‘Transi(vi)mus” – wij zijn overgegaan van de oude dood naar het nieuwe leven. 
Met het uitnodigende ‘Transeamus’ begint, zoals bekend, het Latijnse kerstlied ‘Transeamus usque Bethlehem’ dat in rooms-katholieke kerken tijdens de Nachtmis van Kerstmis wordt gezongen. Lange tijd werden tekst en melodie toegeschreven aan de Duitse domkapelmeester Joseph Schnabel (1767-1831), maar dit bleek uiteindelijk alleen te gelden voor het instrumentale deel.
In het Nederlands kennen we het begrip transitie met breed betekenisscala. De grondbetekenis is ‘overgang’.
Quatenus
Dit ietwat vreemd onverbuigbaar adverbium betekent  1. in zover als, tot hoever, zover als, hoelang  2. opdat, zodat. We zullen dit bijwoord terugzien in de Postcommunio van de 22e zondag door het jaar.

Percipio, percepi, perceptum, 3.
De eerste betekenis van dit verbum is inzamelen, innemen, in bezit nemen, oogsten, ontvangen, verkrijgen, nuttigen en vervolgens met extentie:  waarnemen, gewaarworden, bemerken, begrijpen, leren, vernemen, horen. 

Sumo, sumpsi, sumptum – 3,
heeft als grondbetekenis  nemen, pakken, opnemen, aannemen, aanvatten, vatten. In sommige teksten ook “consumeren”, verteren, nuttigen, verorberen (vgl. consumptie / consumptief enz.). In ouder Nederlands taalgebruik betekent “nemen” ook “eten, voedsel tot zich nemen”.

C o m m e n t a a r
De Postcommunio van vandaag doet ons ook denken aan een ander gebed, traditioneel opgenomen in het Missale Romanum (ook in de nieuwste editie MR 2002 op p. 1292) in een reeks devotionele gebeden, bedoeld tot stichting van de priester en als dankzegging na de H. Mis.
Het wordt breed toegeschreven aan de H. Ignatius van Loyola (1491-1556) die het aan het begin van zijn Geestelijke Oefeningen plaatste.  Het gebed werd echter reeds gevonden in een document van 1334 en sommige auteurs veronderstellen dat het misschien afkomstig is van Sint Patrick (Ierland, 7e eeuw).   
Anima Christi, sanctifica me.
Ziel van Christus, heilig mij.
Corpus Christi, salva me.
Lichaam van Christus, red mij.
Sanguis Christi, inebria me.
Bloed van Christus, wil mij laven.
Aqua lateris Christi, lava me.
Water uit de zijde van Christus, was mij.
Passio Christi, conforta me.
Lijden van Christus, sterk mij.
O bone Iesu, exaudi me.
O goede Jezus, verhoor mij.

Intra tua vulnera absconde me.
In uw wonden, verberg mij.
Ne permittas me separari a te.
Laat mij niet van U gescheiden worden.
Ab hoste maligno defende me.
Tegen de boze vijand, bescherm mij.
In hora mortis meae voca me.
In het uur van mijn dood, roep mij.
Et iube me venire ad te,
En laat mij tot U komen
Ut cum Sanctis tuis laudem te
Om met uw Heiligen U te loven
in saecula saeculorum.
In de eeuwen der eeuwen.
Het beeld dat de ziel als het ware in dronkenschap verkeert wanneer zij met God in de Heilige Communie wordt verenigd, is niet nieuw. Wanneer de H. Ambrosius van Milaan, (ca. 340-397), kerkvader en kerkleraar, schrijft over het Hooglied zegt hij: “ Werkelijk, zo dikwijls als gij drinkt [het Bloed van Christus], ontvangt gij de vergeving van uw zonden en wordt gij dronken door de Geest. Want wie dronken wordt van wijn wankelt en struikelt, wie dronken wordt van de Geest is in Christus geworteld. En daarom is dit een uitmuntende dronkenschap, die de nuchterheid van de geest bewerkt (De sacramentis 5, 17).  
De H. Gregorius van Nyssa (c. 334-395), eveneens kerkvader en kerkleraar gebruikt dikwijls een treffende paradoxale beschrijving van de ziel in vereniging met God: “nuchtere dronkenschap”. Waneeer hij het Hooglied becommentarieert,z egt hij: “Dit is ook de betekenis van de bloeiende wingerd (cf 2, 13), waarvan de wijn het hart verblijdt en eens de kelk van wijsheid zal vullen.  Zij zal met een overvloed aan wijn worden aangeboden aan hen die drinken om te genieten van een goede en nuchtere dronkenschap (nephalion methen)” en eveneens: “Elke dronkenschap die maakt dat de geest die overweldigd wordt door de wijn in extase (ekstasis) raakt. Wat het Hooglied derhalve vordert, wordt werkelijkheid door zich te laven aan het goddelijk voedsel en de goddelijke drank van het Evangelie; toen, nu en altijd bewerkt dit voedsel en deze drank een voortdurende verandering (metabole) van een minder goede naar een betere gesteltenis.
Het is duidelijk dat  de “dronkenschap” waarover we spreken, de “nuchtere  dronkenschap” van Gregorius van Nyssa en van Ambrosius van Milaan, niets van doen heeft met alcoholische dronkenschap, die verstand en wil verzwakt die het verschil maken met wilde dieren. Door nuchtere dronkenschap in de Heer, in de Heilige Communie, rijzen de wil en het verstand door de genade boven zichzelf uit voor een nieuw plan.Elke keer dat wij de Heilige Communie ontvangen, kunnen we misschien streven naar nuchtere dronkenschap, een opstijgen boven en uit onszelf  tot een eenheid met Hem die ons door zijn liefde duidelijk maakt wie wij zijn (cf. Gaudium et spes 22). “Ik leef, maar niet meer ikzelf, Christus is het die leeft in mij” (Gal 2, 20).
In de Postcommunio van vandaag horen we de echo van een preek van de H. Leo de Grote, die in 452 zei: “in id quod sumimus transeamus..mogen wij overgaan in dat wat wij nuttigen”. Wij willen worden wat wij ontvangen. Wij verlangen door onze Communie naar zo’n intense  vereniging met Christus dat Hij ons meer en meer kan veranderen in wie Hij is. Het is een krachtige en intieme vereniging die mogelijk wordt door een goede en heilige Communie.  Uit de H. Schrift weten we dat man en vrouw, wanneer zij huwen, “één vlees” worden, maar zij worden echter niet “één geest”. Van de andere kant kan de relatie die de ziel kan hebben met de Eucharistische Heer, de meest uitmuntende Bruidegom, zelfs inniger zijn dan de huwelijksband. “Wie zich echter met de Heer verenigt, is met Hem één geest” (1 Cor 6, 17). 
Dat God ons, onwaardige schepselen, deze wijze van vereniging met Hem heeft aangeboden, moet ons wel in vervoering brengen.


Collectegebed 27e zondag door het jaar II - Vergeef al wat ons geweten verontrust


Collectegebed 27e zondag door het jaar II - Tekstanalyse en  commentaar
Vergeef al wat ons geweten verontrust

Missale Romanum – 1970
Omnipotens sempiterne Deus,
qui abundantia pietatis tuæ et merita supplicum excedis et vota,
effunde super nos misericordiam tuam,
ut dimittas quæ conscientia metuit,
 et adiicias quod oratio non præsumit.

Nederlands Altaarmissaal – 1979
Almachtige eeuwige God,
in uw grote goedheid geeft Gij meer dan ons toekomt, meer dan wij verlangen.
Wij vragen U: bewijs ons uw overvloedige barmhartigheid:
vergeef al wat ons geweten verontrust
en schenk ons wat wij niet durven vragen.

Werkvertaling
Almachtige eeuwige God,
Die met de overvloed van uw liefde de verdiensten en wensen van hen die tot U smeken overstijgt,
stort uw barmhartigheid over ons uit
zodat Gij wegneemt wat ons geweten verontrust
en toevoegt wat ons gebed niet durft verwachten.

L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n
Met een kleine variant staat het collectegebed van deze zondag vermeld in het oude Sacramentarium Gelasianum, 1201 (Vat.Reg.Lat.316; 1e helft 8e eeuw). In het preconciliaire Missale Romanum was dit de collecte van de 11e zondag na Pinksteren en werd in de Novus Ordo Missale Romanum opgenomen als collecte van de 27e zondag van de Tijd door het Jaar.
S t r u c t u u r
1 Omnipotens sempiterne Deus,
2 qui abundantia pietatis tuæ et merita supplicum excedis et vota,
3 effunde super nos misericordiam tuam,
4 ut dimittas quæ conscientia metuit,
5 et adiicias quod oratio non præsumit.

Ad 1. Omnipotens sempiterne Deus,
De oratie opent met een drievoudige vocativus: God wordt aangesproken in zijn hoedanigheid van Almachtige en Eeuwige, begrippen die verwijzen naar de macht en majesteit van God als Albeheerser (Omnipotens – Pantokrator). Het adiectivum omnipotens is samengesteld uit de twee adiectiva omnis en potens (geheel machtig), het adiectivum sempiterne  uit het adverbium semper (altijd) en het adiectivum æternus (eeuwig).

Ad 2. qui abundantia pietatis tuæ et merita supplicum excedis et vota,
Betrekkelijk bijzin met een mooie woordschikking die de hoedanigheden of eigenschappen van God verder illustreert.
qui excedis – gezegde in de aantonende wijs vanwege mededeling van een feit. Excedere, cessi, cessum betekent: 1. uitgaan 2. te boven gaan, overschrijden 3. te buiten gaan, afwijken. Naast de vorm excessus (participium perfecti passivi – verleden deelwoord) bestaat ook het substantivum excessus,-us met de betekenissen zoals boven en met afleidingen in het Nederlands als exces, excessief. Het gezegde qui…excedis /die overstijgt, heeft een dubbel object (accusativus) bij zich: merita en vota / verdiensten en wensen, beide substantieven in het onzijdige meervoud. Merita wordt gevolgd door de genitivus (possesivus) supplicum die in het tekstverband ook gedacht moet worden bij vota. De nevenschikkend voegwoorden et…et  onderstrepen de opsomming.
Abundantia pietatis tuæ - bijwoordelijke bepaling in de ablativus (causæ) gevolgd door twee genitivi pietatis tuæ als toelichting: door/met de overvloed van Uw liefde.
Merita – onzijdig meervoud, hier in de accusativus van meritum, -i, : verdienste, loon, ook verdienstelijke daad. In het Nederlands de afleiding in de betekenis van verdienstelijke prestaties.

Ad 3. effunde super nos misericordiam tuam:  de hoofdzin in het midden van de oratie met het verbum: effunde/giet uit, stort uit, in de imperativus aan de kop, gekoppeld aan de bijwoordelijke bepaling super nos/over ons en met het object misericordiam tuam in de accusativus.

Ad 4-5. ut dimittas quæ conscientia metuit, et adiicias quod oratio non præsumit.
Finale/consecutieve bijzin, klasssiek ingeleid door het voegwoord ut dat in de twee nevenschikkende (nevengeschikte?) zinnen verbonden door de coniunctie et de verba dimittas en adiicias in de coniucntivus/toevoegende wijs bij zich heeft. De twee nevengeschikte bijzinnen vormen een tegenstelling ten opzichte van elkaar: opdat/zodat Gij wegneemt… en [opdat/zodat Gij] toevoegt. De coniunctieve vormen dimittas en adiicias worden gevolgd door een afhankelijke bijzin met de verba metuit en præsumit in de indicativus/aantonende wijs die een werkelijkheid uitdrukt: opdat/zodat Gij wegneemt wat ons geweten vreest (metuit, van metuere, metui, 3e persoon enkelvoud præsens activi (hij/zij vreest) en ook 3e persoon enkelvoud van het perfectum activi (hij/zij heeft gevreesd) en toevoegt waartoe het gebed zich niet verstout.

De laatste zin van het collectegebed is troostvol: adiicias quod oratio non præsumit..opdat/zodat Gij toevoegt wat ons gebed niet durft .. of eerder…waarop ons gebed niet anticipeert. Præsumo betekent ook “voorzien” of  “anticiperen op iets”. Met ons beperkt onderscheidingsvermogen zijn we niet in staat de eventualiteiten die we in ons leven tegenkomen te zien of er voor te bidden, maar God overziet en kent ze alle. Hij kan onze vrees voor de zonden die we ons herinneren milderen en ook de zaken waar we ons bezorgd over maken of waar we alleen maar naar gissen.

K l e i n  v o c a b u l a r i u m
Volgens onze woordenboeken betekent votum een “plechtige gelofte ten overstaan van godheid afgelegd”. Daarmee betekent het ook de zaak die wordt beloofd of onder gelofte wordt toegewijd. En in meer algemene zin “wens, verlangen, bede”. Votum heeft in het religieuze leven ook de betekenis van “gelofte”, vota sollemnia zijn plechtige geloften en votum vovere betekent geloften afleggen.
Supplex is een adiectivum/bijvoeglijk naamwoord, ook zelfstandig gebruikt met de betekenis “nederige bede of smeekgebed; nederig, onderdanig, dringend verzoekend, smekeling, suppliant, supplicant: iemand die iets verzoekt”; afleidingen in het Nederland: supplicatie en suppliek. Deze en andere afgeleide vormen worden regelmatig gebruikt in de Latijnse oraties zoals het bijwoord suppliciter. Supplex komt volgens de Lewis & Short Dictionnary  van sup-plico, “de knieën buigen, neerknielen”. Het artikel in  het Franse etymologisch woordenboek van het Latijn door Alfred Ernout en Antoine Meillet oppert dat supplex niet komt van plico maar van plecto, “plooien, vouwen, vlechten”. E&M geven ook de mogelijkheid dat het komt van placo, “verzoenen; bedaren, kalmeren, tot rust brengen, tot vrede brengen”. De eerstgenoemde betekenis beschrijft de fysieke houding van de smekeling, de tweede zijn morele gesteltenis.
Het meer waarschijnlijke plecto geeft meer dezelfde impact als plico. Bij L&S zijn plico en plecto dus synoniemen. De voorstelling die we ons eerder maakten van een smekeling, eerbiedig voorover gebogen op zijn knieën (geknield of diep naar de grond gebogen) klopt dus. In de antieke culturen was het dus gebruikelijk dat de smekeling zijn armen vouwde (plecto) rond (om?) de knieën van degene tot wie hij zijn verzoek richtte.
De vorm supplicum in het collectegebed is de zelfstandig gebruikte genitivus meervoud van het adiectivum supplex, -icis: van hen die [tot U] smeken.
Commentaar
Het is goed nog even stil te staan bij het woord “supplex” (smekeling). Op een aantal momenten tijdens de H. Mis wordt uitdrukkelijke nederigheid c.q. ootmoed van de gelovige gevraagd ten overstaan van God als zijn Schepper, de Allerhoogste. Nederigheid is een wezenlijk onderdeel van ieder gezond geestelijk leven. Wij mogen en moeten hem aanbidden in het besef van onze zondigheid. In de velen nog steeds zeer vertrouwde liturgie van de klassieke Uitvaart (requiemmis) werd vroeger altijd en nu nog facultatief de sequentie “Dies Irae” gezongen.
In deze indringende tekst van de Franciscaan Thomas van Celano (overleden 1270), vooral als die weerklinkt te midden van zwarte liturgische gewaden (vroeger verplicht nu facultatief en meestal vervangen door paars), wordt iedere gelovige onontkoombaar geconfronteerd met het onvermijdelijke oordeel dat “in hora mortis nostrae” - in het uur van onze dood door de “Rex tremendae majestatis” – “Koning van huiveringwekkende majesteit” over ons zal worden geveld, “cum vix justus sit securus” – “wanneer zelfs de rechtvaardige nauwelijks veilig is” (voor dat oordeel). Vele componisten hebben gegrepen door de tekst deze op een wijze verklankt waarin nederigheid en huiver doorklinken, bijvoorbeeld Verdi, Mozart en  Perosi.
In twee verzen van het Dies Irae bidden wij:
Confutatis maledictis                          Moet gij dan vermaledijden
Flammis acribus addictis                    in het eeuwig vuur doen lijden.
Voca me cum benedictis                     Roep tot mij: “Gebenedijden!

Oro supplex et acclinis                        Want ik kom al jammerklagen
Cor contritum quasi cinis                    't herte als assen rouw geslagen
Gere curam mei finis.                          hulpe in mijn doodsstrijd vragen*.

Het woord “supplex” – smekeling- wijst op een houding van diep berouw over onze zonden, hetgeen vervolgens de basis mag zijn voor vreugdevoller en vertrouwvoller gebed. De nederige houding doordringt ons van de realiteit van onze zonden, Gods belofte om die te vergeven in de H. Biecht en de vreugde die wij mogen smaken wanneer wij ons onderwerpen aan Gods plan. God neemt onze zonden weg, maar alleen als wij Hem smeken dat te doen.
Sommige collectegebeden behelzen een verwijzing naar het Gebed des Heren, het Onze Vader. Ook in dit collectegebed lijkt dit het geval. In deze tekst is het gebed (oratio) grammaticaal het voorwerp van adicio “en schenk ons wat wij niet durven vragen”. Na het Eucharistisch Gebed in de H. Mis leidt de priester het Onze Vader in met de tekst: “Aangespoord door een gebod van de Heer en door zijn Goddelijk woord onderricht, durven wij zeggen” – audemus dicere. Zelf zouden wij nooit gebeden tot de Vader durven richten als niet de Zoon voor ons de weg al had geplaveid, waarmee wij zijn opgenomen in diens Mystieke persoonlijkheid als mede-erfgenaam. Verheven taalgebruik helpt ons te vermijden aanmatigend te zijn en doet ons, met andere woorden, onze plaats beseffen.
De bewoording van het collectegebed brengt ons in de juiste gesteldheid.  We zien het beeld van iemand die niet alleen het hoofd buigt, maar die op zijn knieën neervalt om de dringendheid van zijn verzoek te onderstrepen. Hij richt zich tot de Almachtige Vader, barmhartig en goed als deze is, met de bede zijn vrees weg te nemen en hem te geven wat hij niet durft te vragen en waarvan hij niet eens weet dat hij het aan de Vader zou moeten vragen (non praesumit). Hij heeft tegelijkertijd de nederigheid van de knielende smekeling, maar ook de vrijmoedigheid van het kindschap.  Hij durft te vragen wat buiten zijn eigen vermogen ligt, omdat God de Vader zelf hem tot zijn zoon maakte door de mystieke adoptie.  Hij is aangemoedigd om veel aan de Vader te vragen in vertrouwvol geloof (vergelijk Mc 11:24 en 9:23).
Bidden wij dat wij de H. Mis, de hoogste sacrale handeling, vieren in de juiste gesteldheid van nederigheid en vertrouwvol opzien naar de Allerhoogste –tot eer van God en heil van mensen.

*vertaling Guido Gezelle