woensdag 12 oktober 2016

12 oktober Een bladzijde uit het Martyrologium Romanum


1
1. Te Rome aan de Via Laurentius de heilige Hedistus, martelaar. 

2. Te Ain-Varza in Cilicië in het huidige Turkije , de heilige Domnina, martelares, die volgens de overlevering onder keizer Diocletianus en landvoogd Lysias veel  folteringen had te verduren en in de gevangenis haar leven teruggaf aan God.

3. De gedenkdag van de 4966 heilige martelaren en geloofsbelijders die stierven tijdens de vervolging door de Vandalen in Noord-Afrika. Onder hen bevonden zich bisschoppen,priesters en diakens van Gods Kerk, die op bevel van de ariaanse koning Hunnerik vanwege hun ambt en uit haat tegen de waarheid van het katholieke geloof samen met grote groepen uit de gelovige bevolking werden verbannen naar de verschrikkelijke woestijn, op verschillende wijze werden gefolterd en zo hun martelaarschap vierden. Onder hen waren de bisschoppen Cyprianuas en Felix de voornaamste priesters van de Heer.

4. Te Piacenza in Emilia in Italië de heilige Oplio, diaken.

5. Te Rome de heilige paus Felix IV, die op het Forum Romanum een tweetal tempels ombouwde tot een kerk ter ere van de heilige Cosmas en Damianus, die zich ten zeerste inzette voor het katholieke geloof.

6. In Opper-Oostenrijk de heilige Maximilianus, van wie men aanneemt dat hij bisschop was van Lorch.

7. Te Pavia in Lombardije de heilige Rotobaldus, bisschop, een man van voorbeeldige onthechting, wiens aandacht en toewijding in het bijzonder uitgingen naar de goddelijke eredienst en het vinden van de relieken van heiligen.

8. Te Ascoli in de Marken in Italië de heilige Serafinus van Montegranaro, (Felix) de Nicola, kloosterling uit de Orde van de Minderbroeders Kapucijnen, die echt arm leefde en uitblonk in nederigheid en godsvrucht.

9. Te Londen in Engeland de zalige Thomas Bullaker, priester uit de Orde van de Minderbroeders en martelaar, die onder koning Karel I tijdens het vieren van de Mis gevangen werd genomen en omwille van zijn priesterschap werd opgehangen te Tyburn. Terwijl hij nog leefde, sneed men hem de ingewanden uit. Daarop stierf hij.

10. In het dorp Ribarroja de Turía in het gebied van Valencia in Spanje de zalige Jozef González Huguet, priester en martelaar, die tijdens het woeden van de geloofsvervolging de uitmuntende strijd voor Christus volbracht.

11. In het dorp Massamagrel in hetzelfde gebied van Spanje de zalige Pacificus (Petrus) Salcedo Puchades, kloosterling uit de Orde van de Minderbroeders Kapucijnen en martelaar, die tijdens dezelfde vervolging gelijkvormig werd aan Christus in diens lijden en sterven.

12. In het concentratiekamp Oświęcim of Auschwitz bij Krakau in Polen de zalige Romanus Sitko, priester en martelaar, die in de oorlog tijdens de bezetting van Polen vreselijk werd gefolterd door de vervolgers zonder eerbied voor mens en godsdienst en die overging tot de aanschouwing van de eeuwige zaligheid.

Deum, qui glorificatur in concilio sanctorum, venite, adoremus.
Komt, laten wij God, die verheerlijkt wordt in de gemeenschap van alle Heiligen, aanbidden!
Invitatorium bij het begin van het Getijdengebed op Allerheiligen

dinsdag 11 oktober 2016

Liturgia Horarum H. Columbanus Een blijvend licht in de tempel van de eeuwige Hogepriester

Liturgia Horarum / Getijdengebed
Lezing van de dag in de Lezingendienst

Uit de instructies van de H. Columbanus, abt [+ 616]

Een blijvend licht in de tempel van de eeuwige Hogepriester

Hoe zalig, hoe gelukkig zijn die dienaren, die de Heer bij zijn komst wakende vindt? Zalig waken, waardoor men waakzaam is voor God, de Schepper van alles die alles vervult en alles te boven gaat!Mocht Hij zich verwaardigen ook mij, hoewel een nietswaardige maar toch zijn geringe dienaar, zó uit de slaap van de traagheid te wekken, zó te ontsteken door dát vuur van de goddelijk liefde waardoor de vlam van Zijn liefde tot boven de sterren schittert , dat het verlangen naar zijn overgrote liefde  en zijn goddelijk vuur altijd in mij brandt!
Mocht ik door mijn verdiensten zó zijn, dat mijn lamp ’s nachts voortdurend brandt in de tempel van mijn Heer, zodat ze voor allen licht, die het huis van mijn God binnengaan!
Heer,  geef mij, bid ik U, in de naam van Jezus Christus, uw Zoon en mijn God, die liefde, die niet kan verminderen, zodat mijn lamp wel kan branden maar niet gedoofd kan worden. Dat zij voor mij brande en voor anderen lichte.
Gij, Christus, gewaardig U onze lampen te ontsteken, onze Verlosser uiterst beminnelijk voor ons, waarvoor die lampen altijd licht mogen geven in uw tempel en van U, het eeuwig Licht, hun blijvend licht mogen ontvangen zodat onze duisternissen worden verlicht en de duisternissen van de wereld van ons worden verdreven.
Schenk zo, bid ik U, mijn Jezus, uw licht aan mijn lamp, opdat onder dat licht het Heilige der heiligen voor mij verschijne, dat U, eeuwige Hogepriester van het eeuwige, bij de poorten van uw tempel ontvangt, als Gij daar binnentreedt, waar ik U voortdurend moge zien, beschouwen en begeren. Moge ik vol liefde alleen maar oog hebben voor U en moge mijn lamp steeds lichtend en brandend zijn voor U.
Moge het U behagen, bid ik, U zelf aan ons te tonen, als wij bij U aankloppen, allerliefste Verlosser om U aanschouwend slechts U te beminnen, U alleen te beminnen, U alleen te begeren, aan U alleen te denken bij dag en nacht, U alleen  te bemediteren. Dat Gij U verwaardigt ons zo’n grote liefde tot U in te storten als waarmee Gij verdient bemind te worden; zodat de liefde tot U heel ons innerlijk beheerst, uw liefde ons geheel en al in bezit neemt en onze zintuigen geheel en al vervult; zodat wij buiten U, die eeuwig zijt, niets anders weten te beminnen. Moge daardoor die zo grote liefde niet door de vele wateren van deze lucht en deze aarde en deze zee in ons geblust kunnen worden, volgens het woord van de Schrift: En de vele watergolven konden de liefde niet blussen.
Moge dit ook in ons, al is het maar ten dele, vervuld worden, door de gave van Onze Heer Jezus Christus, aan Wie de glorie in de eeuwen der eeuwen. Amen.
(Instr. De compunctione, 12, 2-3: Opera, Dublin 1957, pp. 112-114)

Liturgia Horarum Thomas a Kempis De zuiverheid van geest en de eenvoudige bedoeling.

 
Uit de Navolging van Christus
 
De zuiverheid van geest en de eenvoudige bedoeling.
 
Op twee vleugels wordt de mens van het aardse omhoog gedragen: eenvoud en zuiverheid. Eenvoud moet er zijn in zijn bedoeling, zuiverheid in zijn begeren. De eenvoud heeft God voor ogen, de zuiverheid vat en smaakt Hem. Geen enkel goed werk zal u een hindernis zijn, wanneer gij innerlijk maar vrij zijt van ongeregelde begeerte. Wanneer gij niets anders voor ogen hebt en zoekt dan Gods welbehagen en het nut van uw naaste, zult gij de innerlijke vrijheid genieten.
Als uw hart rechtgeaard was, dan zou ieder schepsel een levensspiegel voor u zijn en een boek vol heilige lering. Er is geen schepsel zo klein of min, of het brengt u Gods goedheid voor ogen. Wanneer gij van binnen maar goed en zuiver zoudt zijn, dan zoudt gij alle dingen onbelemmerd zien en goed verstaan. Een zuiver hart dringt door de hemel en de hel.
Zoals ieder van binnen is, zo oordeelt hij van buiten. Als er in de wereld vreugde bestaat, dan is deze beslist het bezit van de mens die zuiver is van hart. En als ‘er ergens ellende is en nood’ (Rom. 2, 9), dan weet het slechte geweten daar het meest van mee te spreken.
Zoals ijzer in het vuur zijn roest kwijtraakt en volkomen wit gaat gloeien, zo wordt de mens die zich algeheel tot God bekeert, ontdaan van zijn traagheid en verandert hij in een nieuwe mens. Wanneer een mens lauw begint te worden, dan is hij voor een klein beetje inspanning al beducht en aanvaardt hij met graagte vertroosting van buiten. Maar wanneer hij zichzelf volkomen begint te overwinnen en manmoedig Gods weg begint te gaan, dan telt hij die dingen niet meer zozeer waardoor hij zich eerst bezwaard voelde.

Opkomende avondnevels in de Roeruiterwaarden rondom de priorij








zaterdag 8 oktober 2016

Liturgia Horarum - Jan van Ruusbroec Lof en dank aan God om de waardigheid van Maria

Maria op zaterdag 

Uit de geschriften van de zalige Jan van Ruusbroec (†1381)
Lof en dank aan God om de waardigheid van Maria.
Wij moeten onze lieve Heer Jezus Christus lof en dank brengen om de waardigheid van Maria, zijn lieve moeder. Want uit heel de wereld koos Hij haar uit om zijn moeder te zijn. Hij achtte het niet beneden zijn waardigheid dat zij Hem ontving van de heilige Geest, Hem droeg en Hem ter wereld bracht zonder smet en zonder smart, Moeder en Maagd. En Hij achtte het niet beneden zijn waardigheid om aan haar borst gevoed te worden. De engelen zongen Hem toe: Eer aan God in de hemel, en Hij schreide in de kribbe bij zijn moeder. Zij aanbad Hem en keek naar Hem als naar haar God en haar zoon. Zij diende Hem met grote eerbied en Hij op zijn beurt diende haar zoals een goed kind zijn lieve moeder. Zij mocht tot Hem bidden als tot haar God en Hem gebieden als haar zoon. Zo’n groot wonder werd nooit gezien.
De adel van Maria’s deugden en van haar heilig leven kan men niet beschrijven noch uiteenzetten. Zij is diep in ootmoedigheid, hoog in reinheid, wijd en breed in liefde, lang in barmhartigheid jegens de zondaars die haar aanroepen, want zij is de moeder van de goedertierenheid en van alle genade en zij is onze voorspreekster en middelares tussen ons en haar zoon. Hij kan haar niet weigeren wat zij vraagt, want zij is zijn moeder en zit aan zijn rechterzijde als de koningin die met Hem gekroond is, als de vrouw die machtig is in de hemel en op de aarde, verheven boven alle schepselen en Hem het meest nabij.
Hierom moeten wij Hem danken en loven voor de grote eer, die Hij geschonken heeft aan zijn moeder naar de menselijke natuur, die ook de moeder van ons allen is. Want ondankbaarheid zou de bron van Gods genade doen opdrogen.

vrijdag 7 oktober 2016

Liturgia Horarum H. Bernardus - Wij moeten de heilsmysteries overwegen.

 
Uit een preek van de heilige Bernardus, abt van Clairvaux († 1153)
 
Wij moeten de heilsmysteries overwegen.
 
‘Wat uit u geboren wordt, zal heilig genoemd worden, Zoon van God’ (Lc. 1, 35). Bron van wijsheid, Woord van de Vader in den hoge! Dat Woord zal door uw bemiddeling, heilige Maagd, mens worden, zodat Hij die zegt: ‘Ik ben in de Vader en de Vader is in Mij’ (Joh. 14, 11), bovendien kan zeggen: van God ben Ik uitgegaan en gekomen.
‘In het begin - zo luidt het - was het Woord’ (Joh. 1, 1). De bron borrelt al op, maar vloeit intussen nog in zichzelf terug. Vervolgens: het Woord was bij God, want het woonde inderdaad in het ontoegankelijke licht. Eveneens vanaf den beginne sprak de Heer: ‘Mijn gedachten zijn gedachten van vrede en niet van onheil’ (Jer. 29, 11). Maar uw denken, Heer, blijft binnen U besloten; wat Gij denkt, weten wij niet. Want wie kende de gedachten van de Heer en wie was zijn raadsman? Daarom daalde uw gedachte van vrede af en ging over tot het werk van vrede: het Woord is vlees geworden en woont nu onder ons. Het woont inderdaad krachtens het geloof in ons hart, het woont in onze herinnering, het woont in ons denken, ja, het is zelfs afgedaald tot onze verbeelding, ons voorstellingsvermogen. Want wat voor denkbeeld kon de mens voordien maken van God, afgezien van de mogelijkheid in de geest een afgodsbeeld te maken? Onvatbaar was God en ontoegankelijk, onzichtbaar en geheel onvoorstelbaar. Voortaan echter wil Hij omvat worden, gezien worden; Hij wil het voorwerp worden van ons voorstellingsvermogen.
Gij vraagt: op welke wijze? Zoals Hij neerlag in de kribbe, zoals Hij rustte op de schoot van de Maagd, op de berg predikte, biddend de nacht doorbracht, zoals Hij aan het kruis hing, met de doodskleur getekend, zoals Hij onbelemmerd was onder de doden en in het dodenrijk heerste, zoals Hij op de derde dag verrees en aan de apostelen de littekens van de nagelen toonde als tekenen van zijn overwinning, zoals Hij tenslotte voor hun ogen opsteeg naar de hemel, die voor ons verborgen is.
Inderdaad, welke van deze gebeurtenissen wordt niet vroom, heilig en waarachtig overwogen? Telkens als ik hieraan denk, denk ik aan God, want in dit alles is Hijzelf mijn God. Dit overwegen noem ik wijsheid; de herinnering oproepen van de geur die hieruit opstijgt, noem ik inzicht. Het is de geur van vele bloeiende knoppen van de staf van Aäron, de zoete geur die Maria uit den hoge heeft ontvangen en overvloedig over ons heeft laten neerdalen.

zondag 2 oktober 2016