Posts tonen met het label hebdomada XXXII per annum. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hebdomada XXXII per annum. Alle posts tonen

zondag 10 november 2024

Overweging bij 32e zondag door het jaar - B En tóch........is er stééds uitzicht.


Het evangelie wijst ons de weg naar God. De Bijbel nodigt ons uit om ons met wat we hebben en zijn aan de levende God toe te vertrouwen.

Dit bevordert ons welzijn, geeft ons rust. God geeft ons heil, geluk en zegen. Dit zal ons nooit ontbreken.

In het evangelie is er sprake van een weduwe, die alles waarvan ze moest leven, weggaf. Het is een teken dat een levenshouding uitdrukt die het heil, het geluk niet van je eigen inspanning alléén  verwacht ; maar wél van de overvloed van God, van zijn liefde. Zo´n mens vertrouwt op Hem. De Heer immers, leeft mee met ieder van ons persoonlijk, en wel voor altijd. God zegt tot ieder van ons : ´Ik bemin jou zoals jij bent´. Als God zo is, dan weten we ook dat het leven toekomst heeft, dat het perspectief biedt. We kijken naar het leven a.h.w. met de ogen van God. Ons leven krijgt dan een bevrijdende ruimte en zo komen we uit ons isolement. We beseffen dat wij zélf alleen, een blijvende toekomst niet kunnen maken. We zullen ons op God verlaten.

Echt geloven is een sprong. Het is je toevertrouwen aan God omdat je vertrouwen hebt. Je zegt ´ja´ tegen een ander, tegen God. Je durft met Hem in zee te gaan.

Van de Bijbel kunnen we dat bij uitstek leren. Hij leert ons dat God onze Vader is ; dat liefde opbouwt, maar ook dat we elkaars leven kunnen afbreken, door onrechtvaardig en gemeen te zijn, b.v. ; dat we bij God altijd opnieuw kunnen beginnen ; dat de lichamelijke dood niet het definitieve einde is.

De Bijbel leert ons de dingen te zien, zoals God ze ziet, Gods kijk op leven en dood, op goed en minder goed, op heel onze geschiedenis. De boodschap van de Bijbel is er een van liefde en bevrijding, van uitzicht vooral. Waar wij zeggen ´dat doet een mens goed´, daar worden we iets van God gewaar, daar is Hij aanwezig. We worden dan ook uitgenodigd om te bouwen aan het geluk van elkaar, juist omdat God elke mens voor het geluk bestemd heeft.

Soms lukt het ons niet om op deze uitnodiging in te gaan. En tóch........is er stééds uitzicht. Deze woordjes ´en toch´ kenmerken het beste hoe God en ons geloof zijn. De eenzaamheid kan drukken, het verdriet kan groot zijn........en tóch; de dood mag niet te ontkomen zijn........en tóch. Tóch is er licht en toekomst, omdat God ons die wil geven.

zaterdag 9 november 2024

Lezingen H. Mis 32e zondag door het jaar B - Zij offerde van haar armoe al wat ze bezat, alles waar ze van leven moest.

Eerste lezing (1 Kon. 17, 10-16)
Uit het eerste boek Koningen.
In die dagen stond de profeet Elia op
en vertrok naar Sarefat.
Toen hij bij de stadspoort kwam
was daar een weduwe hout aan het sprokkelen.
Hij riep tot haar:
“Wees zo goed en haal voor mij in uw kruik een beetje water;
ik zou graag wat drinken.”
Toen zij het ging halen, riep hij haar na:
“Wees zo goed en breng ook een stuk brood mee.”
Zij antwoordde:
“Zowaar de Heer uw God leeft, ik heb geen brood meer;
alleen nog maar een handvol meel in de pot
en een beetje olie in de kruik.
Ik sprokkel nu wat hout en ga dadelijk naar huis
om voor mij en mijn zoon voor het laatst eten klaar te maken;
daarna wacht ons de dood.”
Elia antwoordde:
“Vrees niet,
ga naar huis en doe wat u van plan bent,
maar maak van het meel en de olie
eerst een broodje voor mij en breng mij dat;
voor uzelf en uw zoon kunt u daarna zorgen.
Want zo zegt de Heer, de God van Israël:
De pot meel raakt niet leeg en de kruik met olie niet uitgeput,
totdat de Heer het weer laat regenen.”
Toen ging zij heen en deed wat Elia gezegd had
en dag aan dag hadden zij te eten, zij en haar gezin.
De pot met meel raakte niet leeg en de kruik met olie niet uitgeput
naar het woord dat de Heer gesproken had door Elia.

Tweede lezing (Hebr. 9, 24-28)
Uit de brief aan de Hebreeën.
Broeders en zusters,
Christus is niet het heiligdom binnengegaan dat
- door mensenhanden gemaakt -
slechts een symbool is van het waarachtige heiligdom;
Hij is de hemel zelf binnengegaan om er nu
voor onze zaak bij God present te zijn.
Ook hoeft Hij zich daar niet telkens opnieuw te offeren,
terwijl de hogepriester, jaar in jaar uit,
het allerheiligste binnengaat, met bloed dat niet het zijne is.
Anders had Christus meerdere malen moeten lijden,
vanaf het begin van de wereld;
maar in feite is Hij slechts éénmaal verschenen,
op het hoogtepunt van de geschiedenis
om door zijn offer de zonden te delgen.
Het is het lot van de mens éénmaal te sterven
en daarna komt het oordeel;
zo is ook Christus éénmaal geofferd,
omdat Hij de zonden van allen op zich had genomen;
als Hij een tweede maal verschijnt zal het zijn
los van de zonde,
om heil te brengen aan allen, die naar Hem uitzien.

Evangelie (Mc. 12, 38-44)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus.
In die tijd gaf Jezus bij zijn onderricht ook deze waarschuwing:
“Wacht u voor de schriftgeleerden,
die graag in lange gewaden rondlopen,
die zich laten groeten op de markt,
belust zijn op de voornaamste zetels in de synagogen en op de ereplaatsen bij de maaltijden,
maar die de huizen der weduwen opslokken,
terwijl ze voor de schijn lange gebeden verrichten; over deze mensen zal een strenger vonnis worden uitgesproken.”
Hij ging tegenover de offerkist zitten
en keek toe, hoe het volk koperstukken daarin wierp, terwijl menige rijke er veel in liet vallen.
Er kwam ook een arme weduwe,
die er twee penningen, ter waarde van een cent in wierp.
Hij riep nu zijn leerlingen bij zich en sprak:
“Voorwaar, Ik zeg u:
die arme weduwe heeft het meest geofferd
van allen die iets in de offerkist wierpen;
allen wierpen ze er iets in van hun overvloed,
maar zij offerde van haar armoe al wat ze bezat,
alles waar ze van leven moest.”

vrijdag 12 november 2021

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada XXXII per annum Sabbato Faciamus iustitiam, ut in finem salvemur. Laten wij de gerechtigheid beoefenen om uiteindelijk gered te worden.



Lectio altera

Ex Homilía auctóris sæculi secúndi
(Cap. 18,1 — 20, 5: Funk 1, 167-171)
Tweede lezing
Uit de homilie van een Schrijver uit de tweede eeuw
(Cap. 18,1 — 20, 5: Funk 1, 167-171)
Laten wij de gerechtigheid beoefenen om uiteindelijk gered te worden
Wij zijn uit hen geboren, die dankzeggen, die God dienden, niet uit goddelozen, die veroordeeld worden. Want hoewel ik zelf in alles zondaar ben en nog niet alle bekoring ontvlucht ben, maar nog leef temidden van de instrumenten van de duivel, doe ik toch mijn best naar de gerechtigheid te streven om zo mogelijk, al is het maar haar nabij te komen, omdat ik het toekomstige oordeel vrees.

Derhalve, broeders en zusters, nadat de God der waarheid gehoord is (in de voorgelezen Schrift), lees ik u een aansporing voor om goed te letten op dat wat geschreven staat, en gij u zelf redt en degene, die bij u voorleest. Want als loon vraag ik, dat ge van ganser harte boete doet, waardoor ge u zelf heil en lven schenkt. Als ge dat zoet, zullen wij u als model voorhouden bij alle jonge mensen, die willen luisteren naar de liefde en goedheid van God. Katen we het ook niet hinderlijk en beledigend vinden, wie die dwaas zijn, als iemand ons vermaant en tracht ons van ongerechtigheid naar gerechtigheid te bekeren. Want soms letten we er zelf niet op, dat wij verkeerd doen, wegens onze dubbelhartigheid en ons ongeloof, die in ons wonen, omdat onze geest verduisterd is door ijdele begeerten.

Laten wij dus de gerechtigheid beoefenen om uiteindelijk gered te worden. Zalig zij, die naar deze voorschriften luisteren, zelfs als zij maar korte tijd in deze wereld moeten lijden, zullen zij de onbederfelijke vrucht oogsten van de verrijzenis. De vrome late zich daarom niet bedroeven, als hij in deze tijden ellende moet verdragen, want een zalige tijd wacht hem. Daarboven zal hij herleefd met de vaderen zich verheugen tot in de eeuwigheid, die door geen droefheid zal verstoord worden.

Laat het onze geest niet in verwarring brengen dat we de bozen in rijkdom zien leven en de dienaren Gods in verdrukking. Laten we toch geloven, broeders en zuster, dat wij in dit leven voor de levende God een strijd doorstaan en ons oefenen, om in het toekomstige leven gekroond te worden. Geen van de rechtvaardigen heeft aanstonds vrucht geoogst, maar verwacht het. Want als God terstond aan de rechtvaardigen hun loon zou geven, zouden wij spoedig en soort handel gaan drijven, geen godsdienst beoefenen. Wij, gerechtigen, zouden dan de schijn hebben niet uit te zijn op vroomheid, maar op winst; en zo verontrust het goddelijk oordeel een geest, die niet rechtvaardig is en bezwaart deze met boeien.

Alleen aan de onzichtbare God, de Vader der waarheid, die ons de Verlosser zond en de Bewerker van de onbederfelijkheid, door Wie Hij ons ook de waarheid en het hemels leven openbaarde, Hem zij de glorie in de euwen der eeuwen. Amen.ij ons ook de waarheid en het hemels leven opentbaarde, Hem zij de glorie in de eeuwen der eeuwen. Amen.


donderdag 11 november 2021

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada XXXII per annum Feria VI Convertamur ad Deum, qui nos vocavit. Laten wij ons tot God bekeren, die ons geroepen heeft.


  Ad Officium lectionis



Lectio altera

Ex Homilía auctóris sæculi secúndi
(Cap. 15, 1 — 17, 2: Funk 1, 163-165)
Tweede lezing
Uit de homilie van een Schrijver uit de tweede eeuw
(Cap. 15, 1 — 17, 2: Funk 1, 163-165)
Laten wij ons tot God bekeren, die ons geroepen heeft
Ik meen, dat ik geen slechte raad heb gegeven over de zelfbeheersing; als iemand die opvlgt, zal het hem niet berouwen, maar zal het hem zelfs redden en ook mij, die de raad gaf. Want er is geen geringe beloning verbonden aan het feit, dat men een dwalende en verloren gelopen ziel weer tot diens heil heeft teruggevoerd. De dank ervoor kunnen wij God geven, die ons geschapen heeft, als hij die spreekt, en hij die luistert, met geloof en liefde spreekt en luistert.
Blijven we dus rechtvaardig en heilig bij hetgeen we geloven, om met vertrouwen tot God te kunnen bidden, die zegt: Zelfs als gij nog aan het spreken zijt, zal Ik u al antwoorden. Zie, hier ben Ik. Dit gezegde och is een teken van grote belofte, want de Heer toont hiermee meer bereid te zijn om te geven dan de ander om te vragen. Als wij dan deel hebben aan een zo grote welwillendheid, moeten we elkaar niet benijden zulke grote weldaden ontvangen te hebben. Want zo groot als de vreugde is, die deze oorden bewerken bij die dit volbrengen, zo groot zal ook de veroordeling zijn voor die er niet naar luisteren.
Derhalve, broeders, nu wij die niet geringe gelegenheid gekregen hebben om boetvaardigheid te doen, laten wij, nu wij de tijd hebben, ons tot God bekeren , die ons geroepen heeft, zolang als wij hem nog bezitten, die ons zal opnemen. Want als wij aan die wellusten verzaken en onze ziel ertoe brengen geen deel te nemen aan die slechte begeerten, zullen wij aan de barmhartigheid van Jezus deelachtig worden. Weet toch, dat de dag van het oordeel gaat komen, die brandt als een oven, en dat de hemelen in vlammen zullen opgaan,  en heel de aarde zal smelten als lood in het vuur, en dat dan de verborgen werken der mensen ook openbaar zullen worden. Goed is daarom de aalmoes als een boete voor de zonde; maar beter is het vasten dan het gebed, en de aalmoes is beter dan deze beide.  Want deliefde bedekt een menigte van zonden, maar het gebed met een rein geweten bevrijdt van de dood. Zalig eenieder, die hierin volmaakt wordt bevonden, want de aalmoes is een verlichting voor de zondeschuld.
Laten we dus van harte boete doen, zodat er niemand van ons verloren gaat. Want als wij zijn geboden hebben om ook dit te doen, namelijk anderen van afgoderij afbrengen en onderrichten, hoeveel te meer dan mag een ziel, die God al kent, behouden blijven? Helpen wij dus elkaar, om ook de zwakken tot het goede te leiden, zodat wij allen zalig worden, en laten wij ons wederkerig bekeren en vermanen.

dinsdag 9 november 2021

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada XXXII per annum Feria IV Sperantes sustineamus. Laten wij volharden in de hoop.


   Ad Officium lectionis

Lectio altera

Ex Homilía auctóris sæculi secúndi
(Cap. 10, 1 — 12, 1; 13, 1: Funk 1, 157-159)

Tweede lezing
Uit de homilie van een Schrijver uit de tweede eeuw
(Cap. 10, 1 — 12, 1; 13, 1: Funk 1, 157-159)
Laten wij volharden in de hoop
Laten wij dus, mijn broeders, de Wil van de Vader volbrengen, die ons geroepen heeft om te leven en om liever te volharden in de deugd; vermijden wij de ondeugd als de voorloopster van onze misstappen, en vluchten wij de ongodsdienstigheid om te voorkomen, dat rampen ons treffen. Want als wij ons best doen om goed te handelen, zal de vrede ons deel zijn. Daarom kunnen die mensen de vrede niet vinden, die door menselijke berekening worden gedreven en het tegenwoordige genot stellen boven de toekomstige belofte. En als zij dit alleen nog maar zichzelf aandeden, dan kon men er nog vrede mee nemen; maar nu houden ze niet op onschuldige zielen met hun slechte leerstellingen te doordringen, niet wetend dat zij tweevoudige veroordeling oplopen zowel voor zichzelf als voor degenen, die naar hen luisteren.
Laten we dus God dienen met een zuiver hart en we zullen gerechtvaardigd zijn, maar als wij Hem niet dienen en niet in Gods beloften geloven, zullen we rampzalig zijn. Want het woord van de profeet luidt: Ongelukkig zij, die dubbelhartig zijn en twijfelen in hun hart, terwijl zij zeggen: Dit hebben wij vroeger al eens van onze vaderen gehoord; maar wij, van dag tot dag in afwachting, hebben er niets van gezien. O dwazen, vergelijkt uzelf met een boom, neem bij voorbeeld een wijnstok: eerst is hij zonder bladeren, dan loopt hij uit, vervolgens komen er zure druiven aan en tenslotte rijpe. Zo ontmoet mijn volk beroeringen en druk; maar eindelijk ontvangt het goede gaven.
Derhalve, mijn broeders, laten we niet dubbelhartig zijn, maar in hoop stand houden om ook de beloning te ontvangen. Want getrouw is Hij, die beloofd heeft aan eenieder te zullen geven naar zijn werken. Als wij dus de gerechtigheid beoefend hebben voor God, zullen wij zijn rijk binnengaan en de beloften ontvangen, die geen oor heeft gehoord en geen oog heeft gezien, en in geen mensenhart is opgekomen.
Laten wij daarom van uur tot uur in liefde en gerechtigheid het Rijk Gods verwachten, daar wij immers de dag van Gods komst niet kennen. Daarom, broeders, moeten wij boetvaardigheid beoefenen en ons herbezinnen ten goede. Wij zijn immers vol dwaasheid en slechtheid. Laten wij onze vroegere zonden uitwissen en van harte boete doen om zalig te worden. Laten wij ook geen lage vleiers zijn en niet alleen onze broeders trachten te behagen, maar ook de buitenstaanders omwille van de gerechtigheid, opdat niet door ons de Naam wordt gelasterd.

zondag 7 november 2021

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Dominica XXXII per annum Christus servare voluit pereuntia.Christus wilde redden wat verloren liep.


  Ad Officium lectionis

  
Lectio altera

Incipit Homilía auctóris sæculi secúndi
(Cap 1, 1 — 2, 7: Funk 1, 145-149)

Tweede lezing

Begin van de Homilie van een Schrijver uit de tweede eeuw
(Cap 1, 1 — 2, 7: Funk 1, 145-149)

Christus wilde redden wat verloren liep

Broeders, wij moeten zo over Jezus Christus denken als over onze God, als over onze Rechter van levenden en doden. Ook moeten we niet gering denken over ons heil. Want als wij gering over Hem denken, verwachten wij ook weinig van Hem te ontvangen. Al wie dit alles als een onbeduidend iets aanhoren, zondigen wij, en wij zondigen ook, als wij niet weten vanwaar wij geroepen zijn en voor Wie en voor welke plaats en hoeveel Jezus Christus voor ons heeft moeten lijden.

Want welke beloning of welke Hem waardige vrucht, die Hij ons zelf gegeven heeft, zullen wij aan Hem geven? Hoe grote weldaden hebben wij in waarheid niet aan Hem te danken? Hij schonk ons immers het licht; als een Vader heeft Hij ons als zijn kinderen geroepen, en ons behouden toen wij verloren dreigden te lopen. Hoe kunnen wij Hem dan danken of welke beloning als vergelding kunnen wij Hem geven ter genoegdoening voor hetgeen wij van Hem ontvingen? Wij, die zwak waren van geest, die steen en hout aanbaden, die goud en zilver en koper, werken van mensen aanbaden; terwijl heel ons leven niets anders was dan de dood. Toen wij dan omgeven waren door donkerte en ons zicht vol was met die duisternis, kregen wij door zijn Wil het gezicht weer terug, om die nevel rondom ons te verdrijven.

Want Hij had medelijden met ons en innerlijk bewogen redde Hij ons, toen Hij in ons veel dwaling en ondergang zag, en wij geen enkele hoop hadden op redding dan alleen op die van Hem kwam. Want Hij riep ons, die niet waren, en wilde dat wij uit het niet tot bestaan zouden komen.

Verheug u, onvruchtbare, die niet baart, barst los in gejubel, gij die geen barensnood kent. Want talrijker zijn de kinderen van de verlatene dan die der gehuwde. Wat de profeet zei: Verheug u, onvruchtbare, die niet baart, dat heeft op ons betrekking; want onvruchtbaar was onze Kerk voordat haar kinderen werden geschonken. Maar wat hij zegt: Roep luid, gij die geen barensnood kent,  betekent dit: laten wij luid hardop onze gebeden tot God richten, niet als verzwakten (zoals zij die baren). Maar wat hij zegt: Want talrijker zijn de kinderen van de verlatene dan die der gehuwde, betekent: want ons volk scheen verlaten en van God beroofd, maar nu wij geloven, zijn wij in de meerderheid, vergeleken met hen, die meenden God te bezitten.

Nog een andere schriftuurplaats zegt: Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen, maar om zondaars te roepen. Dit wil zeggen, dat Hij moest redden, die dreigden om te komen. Want groot en bewonderenswaardig is dit: ondersteunen, niet wat staat, maar wat dreigt te vallen. Zo wilde Christus redden, wat verloren zou gaan, en Hij heeft er inderdaad velen gered, toen Hij kwam en ons riep, die verloren dreigden te lopen



Introitus: Intret oratio mea Dominica XXXII per annum

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada XXXII feria II In operibus Deum confiteamur. Laten wij God belijden in onze werken.


   Ad Officium lectionis

 Lectio altera

Ex Homilía auctóris sæculi secúndi
(Cap. 3, 1 — 4, 5; 7, 1-6: Funk 1, 149-153)
Tweede lezing

Uit de Homilie van een Schrijver uit de tweede eeuw
(Cap. 3, 1 — 4, 5; 7, 1-6: Funk 1, 149-153)
Laten wij God belijden in onze werken
Nu de Heer ons zo'n grote barmhartigheid bewezen heeft - vooreerst wel dat wij, die leven, niet aan dode goden offeren en ze niet aanbidden, maar door Christus de Vader der waar-
heid hebb
en leren kennen - wat moet dan wel de kennis, die ons tot Hem voert, anders zijn dan dat wij Hem niet verloochenen, door Wie wij Hem kennen? Hij zegt immers zelf: Wie Mij
b
elijdt, zal ook Ik belijden voor mijn Vader. Dat is dus onze beloning, als wij Hem belijden, door Wie wij zijn gered. Maar waardoor zullen wij Hem dan belijden? Door te doen, wat Hij
zegt en door zijn geboden niet af te wijzen, en Hem niet alleen met onze lippen te eren, maar uit geheel ons hart en geheel ons verstand. Hij zegt immers in Jesaja: Dit volk eert Mij met-de
lippen, maar hun hart is verre van Mij.
Wij noemen Hem dus niet alleen maar Heer, want dat zal ons niet redden. Hij zegt toch: Niet eenieder, die tot Mij zegt ‘Heer, Heer’, zal gered worden, maar die de gerechtigheid beoefenen. niet redden. Laten wij Hem daarom, broeders, door onze werken belijden, door elkander te beminnen, door geen overspel te bedrijven, door elkaar niet tegen te werken of te benijden,
maar door te leven in kuisheid, barmhartigheid en goedheid. Wij moeten ons laten leiden door wederzijds medeleven, niet door zucht naar geld. Laten we Hem in deze werken belijden
,
niet met het tegenovergestelde.
Niet de mensen zijn voor ons te vrezen, maar God. Hieromtrent zegt de Heer tot u, die dit doet: Als gij vertrouwelijk met Mij ziit omgegaan, maar niet mijn geboden hebt onderhouden, zal Ik u verwerpen en u zeggen: Gaat weg van Mij, Ik weet niet vanwaar gij zijt, bedrijvers
van ongere
chtigheid.
Laten wij daarom, broeders, strijden, in het bewustzijn dat er een strijd voor ons ligt en dat velen ons uitdagen tot een strijd om bederfelijke dingen, maar dat niet allen gekroond worden,
doch alleen zij, die het meest hebben gezwoegd en schitterend hebben gestreden. Laten wij daarom zo strijden, dat wij allen worden gekroond. Gaan wij dus de rechte weg
, naar de strijd
om onbederfelijke dingen. Laten we ons met velen daarheen begeven en zo strijden
, dat wij ook gekroond worden. Als wij niet allen gekroond kunnen worden, laten wij toch minstens
dichtbij die kroon zijn. Maar wij moeten wel weten, dat wie een slechte strijd voert en aldus bevonden wordt, onder geselslagen wordt weggeleid en buiten het strijdperk wordt gewor-
pen.

Wat dunkt u hiervan? Wat zal hij ondergaan, die de strijd om de onbederfelijkheid bedorven heeft? Over hen immers, die het zegel niet bewaard hebben, zegt de Schrift: Hun worm zal
niet sterven en hun vuur niet geblu
st worden; een gruwel zijn zij voor al wat leeft.