zondag 26 november 2017

Quas Primas Encycliek Paus Pius XI instelling feest van Christus Koning

Quas Primas zijn de beginwoorden van een encycliek uitgevaardigd door paus Pius XI op 11 december 1925 waarmee hij het hoogfeest Christus Koning introduceerde. De aanleiding voor de introductie van het hoogfeest was drieledig. Als eerste reden werd de toenemende verbanning van het geloof in Christus en zijn heilige wet uit het dagelijks leven genoemd. Een tweede reden was de behoefte van gelovigen hun loyaliteit aan Jezus Christus te betuigen, iets wat de paus geconstateerd had tijdens de vele vieringen in het Heilig Jaar. Als derde punt gold de 1600-jarige viering van het Concilie van Nicea; het concilie had de leer van onder meer de Rooms-Katholieke Kerk vastgelegd, waaronder de medezelfstandigheid van Jezus naast zijn Vader. Onderstaand enkele citaten:

Zeker, men noemt Christus algemeen en met recht koning ook in oneigenlijke zin.
Om Christus Koning te noemen in de overdrachtelijke zin dien dit woord heeft, namelijk wegens de hoogste trap van volkomenheid, waardoor Hij boven al het geschapene de kroon spant, dat is reeds lang algemeen spraakgebruik geworden. Zo heet het immers, dat Hij heerst over het verstand van de mensen, niet zozeer om de scherpte van Zijn geest en de grote omvang van Zijn kennis, als wel omdat Hijzelf de Waarheid is, en alle mensen noodzakelijk aan Hem de waarheid moeten ontlenen en ze van Hem in gehoorzaamheid aanvaarden.

Eveneens zegt men, dat Hij heerst over de wil van de mensen: niet alleen omdat een volmaakte en ongerepte gelijkvormigheid van Zijn menselijke wil beantwoordt aan de heiligheid van de goddelijke wil in Hem; maar bovendien beweegt Hij door Zijn opwekking en ingeving onze vrije wil om voor de edelste goederen in vuur te geraken.

Eindelijk wordt Christus als Koning van de harten erkend om Zijn „liefde die alle begrip te boven gaat” (Ef. 3, 19) en om de aantrekkingskracht, die Zijn zachtmoedigheid en goedertierenheid op alle harten uitoefent. Want er is nooit iemand geweest en er zal ook in de toekomst nooit iemand zijn, die zozeer de algemene liefde van de mensen genoot of bezitten zal, als Jezus Christus.

Troostvolle hoop en vooruitzichten
Als dus Christus' rijk eens werkelijk allen zal omvatten, zoals het hen rechtens omvat, waarom zouden we dan nog wanhopen aan die vrede, die de Vredevorst op aarde is komen brengen? Hij, die „alles kwam verzoenen” en die „niet kwam om gediend te worden, maar om te dienen”, (Mt. 20, 28) en die, terwijl Hij de Heer van allen was, toch zichzelf tot een voorbeeld van nederigheid heeft gesteld en bovendien een heel voornaam gebod van nederigheid heeft gegeven, dat met het gebod van de liefde in zeer nauw verband staat, en die bovendien gezegd heeft: „Mijn juk is zoet en mijn last is licht"? (Mt. 11, 30) O; wat zouden de mensen een geluk kunnen genieten, als alle mensen, individuen, gezinnen en staten zich door Christus lieten besturen!

„Dan eindelijk" - om de woorden te gebruiken, die onze voorganger Leo XIII 25 jaar geleden tot alle bisschoppen richtte, - "dan zullen zoveel wonden kunnen genezen; dan zal het recht weer overal mogen hopen op de erkenning die het vroeger vond; dan zal de luister van de vrede hersteld worden, zal het zwaard vanzelf neerzinken en zullen de wapenen aan de hand ontvallen, als allen Christus' oppermacht gewillig zullen aanvaarden en Hem gehoorzamen, en iedere tong zal belijden, dat Jezus Christus de Heer is tot glorie van God de Vader.”

Gevolgtrekking en vermaning  bij instellingsbesluit
En daarom moet Hij heersen in 's mensen verstand, dat in volmaakte onderwerping vast en onwankelbaar behoort in te stemmen met de geopenbaarde waarheden en met de leer van Christus. Hij moet heersen in 's mensen wil, en deze behoort aan Gods wetten en geboden te gehoorzamen; Hij moet heersen in 's mensen hart, en dit behoort God boven alles te beminnen en Hem alleen aan te hangen, met achterstelling van zijn natuurlijke verlangens. Ja, Hij moet heersen in ons lichaam en zijn ledematen, die als werktuigen, of liever om met Sint Paulus te spreken, als „wapenen van gerechtigheid voor God” (Rom. 6, 13) de innerlijke heiliging van de ziel dienstbaar moeten zijn. Als men dit alles aan de gelovigen voorhoudt, opdat zij het grondig beschouwen en overwegen, dan zal het hun de weg tot grote volmaaktheid veel vergemakkelijken.