maandag 17 augustus 2015

H. Augustinus "Wie volhard zal hebben ten einde toe, zal zalig worden"


Liturgia Horarum – Getijdengebed

Lezing uit de preken van de H. Augustinus, bisschop 
Wie volhard zal hebben ten einde toe, zal zalig worden

Zo dikwijls wij druk of narigheid ondervinden, zijn dat vermaningen en zelfs berispingen voor ons. Want ook onze heilige Schrift belooft ons geen vrede, zekerheid en rust, maar het Evangelie zwijgt niet over narigheden, bedruktheid en ergernis. Maar wie volhard zal hebben ten einde toe, zal zalig worden. Wat voor goeds toch heeft dat leven ooit ontvangen van die eerste mens zelf, door wie wij de dood verdienden, door wie wij de vloek ontvingen, van welke vloek Christus de Heer ons heeft verlost?
Wij moeten dus niet morren, broeders, zoals sommigen van hen gemord hebben, zoals de Apostel zegt, en omkwamen door de slangen. Wat, mijn broeders, lijdt dit mensengeslacht voor ongewoons, dat onze vaderen niet hebben geleden? Of zullen wij zulke dingen lijden zoals zij, naar ons weten, hebben geleden? Gij zult mensen horen morren over hun eigen tijd en zeggen, dat die tijden van onze ouders zo goed waren. Maar als zij tot de tijd van hun ouders waren terug te brengen, wat zouden ze daar dan weer over te klagen hebben? U meent maar dat die voorbije tijden zo goed waren; zij zijn daarom goed, omdat het niet uw tijden zijn. Als u nu van de vloek zijt bevrijd, als u nu in de Zoon Gods gelooft, als u nu door de heilige Schrift zijt verzadigd of onderwezen, dan sta ik er verbaasd over, dat Adam volgens u zulke goede tijden heeft meegemaakt. En uw ouders hebben Adam moeten torsen. Hij toch is Adam, tot wie gezegd werd: In het zweet van uw aanschijn zult gij uw brood eten, en gij zult de aarde bewerken waaruit gij zijt genomen; distels en doornen zal ze u voortbrengen. Dat heeft hij verdiend, dat aanvaard. Dat is het gevolg geweest van Gods rechtvaardig oordeel. Wat meent u dan nog, dat tot de voorbije tijden beter waren dan de uwe? Van die Adam af tot de tegenwoordige Adam: inspanning en zweet, distels en doornen. Is de zondvloed ons bespaard? Zijn die harde tijden van hongersnood en oorlogen, waarover geschreven staat, ons juist niet bespaard om niet over onze eigen tijd tegenover God te kunnen morren?
Wat waren dat voor tijden! Moeten wij allen na dit gehoord en gelezen te hebben, niet huiveren? Laat dat alles voor ons eerder een reden zijn onszelf geluk te wensen, dan dat wij daarom over onze eigen tijd zouden morren.


(Sermo Caillau–Saint–Yves 2,92: PLS 2, 441-442)