zondag 24 januari 2016

Liturgia Horarum - Derde zondag door het Jaar- uit de Constitutie over de H. Liturgie

Uit de Constitutie ‘Sacrosanctum Concilium’ van het 2de Vaticaans Concilie over de Heilige Liturgie

Christus is tegenwoordig in zijn Kerk

Christus is altijd aanwezig in zijn Kerk, vooral in de liturgische handelingen. Hij is tegenwoordig in het Misoffer, zowel in de persoon van de bedienaar - Hij, die zich nu offert in de bediening van de priesters, is dezelfde als die zich toen offerde op het kruis -, als vooral ook is Hij tegenwoordig onder de eucharistische gedaanten. Hij is door zijn kracht echt aanwezig in de sacramenten, zodat, wanneer iemand doopt, Christus zelf doopt. Hij is echt aanwezig in zijn woord, omdat, wanneer de Heilige Schrift in de Kerk gelezen wordt, Hij zelf spreekt. Hij is tenslotte echt aanwezig, als de Kerk bidt en psalmen zingt, omdat Hij gezegd heeft: Waar er twee of drie in mijn naam vergaderd zijn, daar ben Ik in hun midden.

Inderdaad toch, in dit grote werk, waardoor God volmaakt verheerlijkt wordt en de mensen worden geheiligd, verenigt Christus zich steeds met de Kerk, zijn zeer geliefde Bruid, wanneer zij haar Heer aanroept en door Hem aan de eeuwige Vader haar eredienst aanbiedt.

Daarom wordt de Liturgie terecht gezien als de uitoefening van het Priesterschap van Jezus Christus, waarin door de uitwendig waarneembare tekenen de heiliging van de mens wordt betekend en tegelijk ook op een wijze, aan ieder teken eigen, wordt verwezenlijkt; hierin wordt door het mystieke Lichaam van Christus, het Hoofd namelijk met zijn ledematen, de volledige en openbare eredienst uitgeoefend.

Derhalve is iedere liturgische viering, als het werk van Christus Priester met zijn Lichaam, dat de Kerk is, een bij uitstek heilige handeling. Geen enkele andere handeling van de Kerk is op gelijke titel of in dezelfde mate aan de krachtdadigheid van deze viering gelijk.

Bij de aardse liturgie hebben wij al bij wijze van voorsmaak deel aan de hemelse, die in de heilige stad Jeruzalem gevierd wordt, waarheen wij als pelgrims naar toe streven en waar Christus is gezeten aan de rechterhand Gods als Bedienaar van het heiligdom en van de ware Tabernakel; met heel het hemels heir zingen wij voor de Heer het loflied van zijn glorie. Terwijl wij de gedachtenis der heiligen vereren en hopen eens hun gezelschap te mogen delen, verwachten wij de Verlosser Onze Heer Jezus Christus totdat Hij zelf verschijnt als ons leven en wij met Hem zullen verschijnen in de heerlijkheid.

Steunend op haar apostolische traditie, die wortelt in de dag zelf van Christus’ Verrijzenis, viert de Kerk het Paasmysterie op iedere achtste dag, die daarom ook terecht de ‘Dag des Heren’ wordt genoemd. Op die dag immers moeten de gelovigen samenkomen, om het woord Gods te aanhoren en de Eucharistie te vieren, het lijden, de verrijzenis en de heerlijkheid van de Heer Jezus te gedenken, en God te danken, die hen heeft doen herboren worden tot een nieuw leven van hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de doden. Aldus is de dag des Heren de oorspronkelijke feestdag, die de gelovigen in hun godsdienstzin moet worden voorgehouden en ingescherpt, zodat die dag tegelijk ook een dag wordt van vreugde en van vrij zijn van arbeid. Alleen die kerkelijke feesten, die werkelijk van het grootste gewicht zijn, mogen de voorrang hebben boven de Dag des Heren, omdat deze het fundament is en de kern van heel het liturgisch jaar.

(Nn. 7-8. 106)

vrijdag 22 januari 2016

Over de nederigheid 1

De korte lezing (1 Pe 5,5b-7) van de Vespers van afgelopen woensdag (Week II Psalterium) spreekt radicaal over de nederigheid:
“Laat allen zich omgorden met deemoed in de omgang met elkaar, want God weerstaat de hoogmoedigen, maar aan de nederigen geeft hij genade. Vernedert u dan onder Gods machtige hand, opdat Hij u te zijner tijd verheft. Werpt al uw zorgen op Hem , want Hij draagt zorg voor u”.
Toen de H. Augustinus werd gevraagd wat op de eerste plaats komt in de leer van Jezus zei hij:   
U vraagt wat op de eerste plaats komt in de leer van Jezus? Ik antwoord: op de eerste plaats de nederigheid. – En op de tweede plaats? - De nederigheid.  En op de derde? – de nederigheid komt op de eerste, de tweede en de derde plaats.
De nederigheid is de erkenning van God afhankelijk te zijn
“De christelijke deemoed is de erkenning en de meest innige overtuiging van de eigen armzaligheid en volledige afhankelijkheid van God, en ook de erkenning van de eigen zondigheid.
De deugd van de christelijke deemoed is dus die deugd op grond waarvan wij door de genade van het goddelijke licht van de waarheid erkennen, wat wij voor het Aanschijn van God zijn – namelijk niets anders dan arme, hulpbehoevende schepselen, en ellendige, beklagenswaardige zondaars; en volgens dit inzicht denken, spreken, handelen en leven. Men kan de deugd van deemoed ook benoemen als de bereidheid zich in alles en tegenover allen te vernederen; zoals daartegenover de hoogmoed zich in alles en boven allen verheft. De deemoed is het meest innige gevoel van onze nietigheid en volledige afhankelijkheid van God.
De echte nederige mens weet dat de oneindige liefde van God hem op de wereld heeft geplaatst, hem lichaam en ziel heeft gegeven, dat hij zonder God geen enkel vermogen naar lichaam en ziel bezit, noch zou kunnen bezitten, niet één vinger bewegen, geen adem scheppen; hij weet dat alles slechts geschonken genade is, dat hij uit zichzelf zelfs niets goeds denken, spreken of doen kan, ja niet eens een enkele goede gedachte vormen; maar dat uit zijn verdorven natuur slechts kwaad kan voortkomen. De nederige mens erkent zijn zwakheid, gebrekkigheid en armzaligheid, en ook zijn vele zonden, waarmee hij God dagelijks beledigt. Derhalve is de nederige mens overtuigd, dat hij om alles wat hij naar ziel of lichaam nodig heeft God moet vragen, voor alles danken en voortdurend om vergiffenis moet vragen. In het besef van deze ware deemoed roept de H. Paulus uit: “Wat hebt gij, mens, dat ge niet hebt gekregen? En als ge het gekregen hebt, wat beroemt gij u er dan op alsof gij het niet gekregen had? – Wij zijn dwaas omwille van Christus… Wij worden behandeld als het schuim der aarde, als het uitvaagsel van de maatschappij (1 Kor 4,7.10.3) – “Als er toch geroemd moet worden, zal ik roemen op mijn zwakheid… Het liefst van alles roem ik op mijn zwakheden. Dan zal de kracht van Christus in mij wonen!" - (2 Kor 11,30;12,9).  "Door de genade van God ben ik wat ik ben, en zijn genade aan mij is niet vergeefs geweest; want ik heb harder gewerkt dan alle anderen, niet ik, maar de genade van God met mij.-" (1 Kor 15,10).
De nederige mens schrijft alle eer en alle roem God alleen toe; voor zichzelf vlucht en schuwt hij alle lof en iedere eer."

Bron: Bartholomäus Holzhauser: Boekje over de nederigheid, blz. 85-87.


Liturgia Horarum 22 januari H. Augustinus over H. Vincentius van Zaragoza


Nuno Gonçalves: Vincentiusaltaar, ca 1465,  
De heilige Augustinus, bisschop van Hippo († 430):

Vincentius overwon in Hem, door wie de wereld overwonnen is.

Paulus zegt: ‘U is de genade verleend, niet alleen in Christus te geloven, maar ook voor Hem te lijden’ (Fil 1,29). De diaken Vincentius heeft beide gunsten ontvangen. Hij heeft ze ontvangen en hij bezat ze. Wat zou hij immers gehad hebben als hij het niet ontvangen had? In zijn spreken had hij vertrouwen, in zijn lijden had hij geduld. Daarom, wie spreekt mag geen hoge dunk hebben van zichzelf; wie beproeving doorstaat, mag niet op zijn eigen krachten vertrouwen. Want als we over het goede verstandig spreken, komt onze wijsheid van God, en als we moedig het kwaad verdragen, komt ons geduld van Hem.
Herinner je hoe Christus de Heer zijn leerlingen in het evangelie vermaande. Herinner je hoe de koning van de martelaren zijn troepen met geestelijke wapens uitrustte, hoe Hij hen de oorlog in het vooruitzicht stelde, hoe Hij hun hulp verleende en een loon beloofde. Hij zei tegen zijn leerlingen: ‘In deze wereld zult ge in verdrukking leven’, en om hen in hun schrik te vertroosten, voegde Hij daaraan toe: ‘maar hebt goede moed: Ik heb de wereld overwonnen’ (Jo 16,33).
Waarom dus verwonderd zijn, geliefden, als Vincentius overwon in Hem, door wie de wereld overwonnen is? ‘In deze wereld zult ge in verdrukking leven’, zegt de Heer. De wereld verdrukt maar onderdrukt niet, zij slaat maar verslaat niet. De wereld stelt een dubbele slaglinie op tegen de soldaten van Christus: ze vleit om te verschalken en ze jaagt schrik aan om te breken. Welnu, laat het eigen plezier ons niet in zijn macht houden en de wreedheid van anderen ons geen schrik aanjagen. Dan is de wereld overwonnen! Christus snelt ons in beide gevallen te hulp, zodat de christen niet overwonnen wordt. Als we in het lijden van Vincentius alleen het menselijke uithoudingsvermogen beschouwen, begint het ongeloofwaardig te worden. Maar als we er de macht van God in herkennen, dan is het niet langer een zonderlinge zaak.
Het lichaam van die martelaar werd wreedaardig afgebroken, en toch was zijn stem rustig. Zijn ledematen werden brutaal behandeld en toch klonken zijn woorden onbezorgd. Het was zo dat je vol verwondering zou denken: in het lijden van Vincentius wordt een ander gefolterd die niet spreekt. Waarlijk broeders en zusters, het is zo! Het is zeker zo: iemand anders spreekt. Want in het evangelie heeft Jezus dit beloofd aan zijn getuigen die Hij voorbereid heeft op zo’n strijd. Hij sprak aldus: ‘Maakt u niet tevoren bezorgd hoe of wat gij zult zeggen, want niet gij zijt het die spreekt, maar de Geest van uw Vader zal in u spreken’ (vgl. Mc 13,11). Het lichaam leed en de Geest sprak. En het woord van de Geest heeft niet alleen het ongeloof weerlegd maar ook de zwakheid gesterkt.

22 januari - Martyrologium Romanum H. Vincentius van Zaragoza




Tomás Giner, Sint Vincentius en de schenker van dit werk [1462-1466]
Gemengde techniek op houten paneel, 185 cm x 117 cm
Prado-museum, Madrid
De H. Vincentius van Zaragoza, diaken te Zaragoza en martelaar, die bij de vervolging onder keizer Diocletianus gevangenschap, honger, de pijnbank en gloeiende platen te verduren kreeg en onoverwonnen te Valencia in het toenmalige Hispania Carthaginensis opging naar de hemel om de prijs voor zijn martelaarschap te ontvangen.

dinsdag 19 januari 2016

Liturgia Horarum / Getijdengebed Lezing van dinsdag in de 2e week per annum



 Uit de Brief aan de Korinthiërs, van de H. Clemens, paus.
Wie kan de band beschrijven van de liefde Gods?

Wie de liefde tot Christus bezit moet de geboden van Christus onderhouden. Wie kan de band
beschrijven van de liefde Gods? Wie de glans van haar schoonheid verhalen? De hoogte, waartoe de
liefde verheft, is niet te beschrijven. De liefde hecht ons aan God, de liefde bedekt een menigte van zonden, de liefde verdraagt alles, neemt alles geduldig op. In de liefde is niets laags, geen hoogmoed; de liefde kent geen verdeeldheid, de liefde beweegt niet tot opstandigheid, de liefde doet alles in eendracht. Alle uitverkorenen Gods zijn in de liefde volmaakt, zonder de liefde is niets aangenaam aan God. In de liefde heeft de Heer ons tot Zich genomen: om de liefde van Onze Heer Jezus Christus jegens ons heeft Hij door Gods wil zijn Bloed voor ons gegeven, zich Lichaam voor ons lichaam en zijn Ziel voor onze zielen.

Ge ziet, mijn geliefden, hoe groot en bewonderenswaardig de liefde is, en dat men haar volmaaktheid niet kan beschrijven. Wie is waardig in haar bevonden te worden dan zij alleen, die God daar waardig voor achtte? Bidden en smeken wij daarom zijn barmhartigheid af, dat wij in de liefde bevonden worden zonder enige menselijke neiging, onberispelijk. Alle geslachten van Adam af tot op onze tijd zijn verdwenen, zij echter, die door Gods genade in de liefde volmaakt zijn geworden zullen hun plaats krijgen onder de vromen en bij de verschijning van Christus’ Rijk bekend gemaakt worden. Want er staat geschreven: Treedt uw woonvertrek binnen, verberg u nog een korte tijd tot mijn gramschap voorbij is: Ik zal Mij uw goede dagen herinneren en u opwekken uit uw graven.

Zalig zijn wij, mijn geliefden, als wij de voorschriften van de Heer in de eenheid van de liefde hebben volbracht, opdat door de liefde onze zonden worden vergeven. Want er staat geschreven: Gelukkig hij, wier misdaden zijn vergeven, wier zonden zijn bedekt; gelukkig de mens, aan wie Jahweh  geen zonde meer zal aanrekenen in wiens geest geen onoprechtheid meer woont. Deze zaligspreking slaat op hen die door middel van Onze Heer Jezus Christus door God zijn uitverkoren; aan Wie de glorie is in de eeuwen der eeuwen. Amen.

(Nn. 49-50: Funk 123-125)