maandag 1 november 2021

Allerheiligen: de paradox van het christendom.


Het Evangelie van het hoogfeest van Allerheiligen bracht ons opnieuw de grote paradox van het christendom onder ogen. In de Zaligsprekingen noemt Jezus de voorwaarden die leiden tot het eeuwige leven: wanneer men arm is, wanneer men treurt, wanneer men hongert en dorst naar de gerechtigheid, als men omwille van de gerechtigheid wordt vervolgd en tenslotte wanneer men omwille van Jezus wordt beschimpt, vervolgd en op alle mogelijke wijzen wordt belasterd: dán is men zalig te prijzen.
Eigenlijk begrijpelijk dat christenen telkens steeds weer tegen de bekoring moeten vechten om onder deze onaangenaamheden uit te komen en desondanks christen te zijn.  We zien dan ook hoe veel mensen die het eigenlijk goed menen een “aangepast christendom” zoeken.
Maar dat is duidelijk niet wat Christus bedoelt. Moeilijkheden heeft Hij ons aangezegd, zelfoverwinning, ontbering, ja, vervolging. Wil de Heer de zwakkeren daarmee afschrikken? Is het christendom een godsdienst voor sterken en dapperen?
Nee, niet alleen voor de sterkeren en ook niet alleen voor de zwakkeren.
Christus heeft op het Kruis beide armen uitgestrekt, om allen tot Zich te trekken, de groten en de kleinen, de rijken en de armen – alle mensen.
Allen kunnen en moeten heilig worden, dat is de achtergrond van Allerheiligen.
Met het oog op de ontelbaar velen die in de hemel zijn, van wie slechts een klein aantal zalig- en heilig verklaard werd, heeft de Kerk deze geweldig grote gemeenschap een beetje gestructureerd: de martelaren (zij waren het die in de vroege Kerk alleen als heiligen werden vereerd), de belijders of geloofsgetuigen, de maagden, de heilige mannen en vrouwen van elke kleur en – sinds paus Johannes-Paulus II – ook de kinderen. Door hem werden de kinderen van de verschijningen van Fatima, Francesco en Jacinta, zalig- en heilig verklaard ook al waren enkele al te strenge theologen van mening dat een kind niet heilig zou kunnen zijn!
Maar zegt de Heer niet: “Als jullie niet worden als kinderen, kunnen jullie het Rijk der hemelen niet binnengaan” (Mt 18,2)?
Bij heiligverklaringen speelt, zoals ook op andere terreinen van de Kerk het menselijke aspect ontegenzeggelijk een rol. Het komt daarbij helaas ook er op aan – en de vraag is of dat werkelijk  moet - dat de kandidaat op aarde zoiets als een lobby heeft, namelijk mensen of liever instanties die zich sterk maken voor de heiligverklaring. Naar verhouding zijn veel bisschoppen en religieuzen gecanoniseerd. Recente zalig- en heiligverklaringen van leken – zoals van ouders, politici, koningen en zakenlieden - die de christelijke volmaaktheid hebben beoefend door een heilig leven midden in de wereld  tonen aan dat heiligheid niet exclusief aan bepaalde groepen in de Kerk is voorbehouden.
En daarmee komen we terug bij de vraag: wat moet men doen om heilig te worden?
In de Bergrede zegt Jezus duidelijk dat men overal heiligheid, dat is volmaaktheid in het eigen leven kan nastreven. Niet alleen in het klooster, maar ook in de wereld. Maar wel steeds met de toevoeging: de wereld is door God goed geschapen, maar door de zonde van de mensen aangeslagen. Dat is de reden waarom christenen zich meestal – zo niet altijd! – dwars tegenover de wereld moeten opstellen. Actief wanneer het kwaad aan de kaak gesteld moet worden of waar mogelijk bestreden, passief door onrecht te verdragen. Maar wel altijd in gemeenschap met Christus.
Heilig worden is Christus navolgen. Het beroemde boekje Navolging van Christus van Thomas a Kempis draagt in de originele uitgave de titel  “Imitatio Christi”, dus Christus nadoen, doen wat Christus heeft gedaan.
Daartoe is God immers Mens geworden, zodat iedereen kan zien hoe men heilig, ja zelfs goddelijk kan worden.
Maar blijven we de heiligen toch niet als heel bijzondere mensen beschouwen en denken we dat ideaal toch niet te bereiken? We zijn immers geen martelaren, geen kerkleraren, geen ordesstichters.
De heiligen worden ons door de Kerk onder ogen gebracht opdat wij hun voorspraak vragen maar hen ook navolgen. De zo even genoemde categorieën kunnen de meesten van ons natuurlijk niet navolgen.
Maar er is perspectief: boven al die heiligen die we deels bewonderen deels helemaal niet kunnen navolgen – want welke vrouw van tegenwoordig zou het leven van de H. Jeanne d’Arc kunnen navolgen? – zien we de grootste Heiligen die wij wèl kunnen navolgen.
De grootste Heiligen zijn immers, naast Jezus Zelf, Maria en Jozef. Het was zeker de Wil van God dat de Zoon van God als Mens van zijn drieëndertig jaar op aarde , alleen al dertig jaar in een door en door normaal, eenvoudig milieu zou leven. Aan Maria en Jozef zien we duidelijk wat het betekent in het leven van alledag, in de kleine dingen, in het werk heiligheid, ja grote heiligheid te vinden.
Dat dit dikwijls bij ieders verschillend karakter niet gemakkelijk is? Nu, het leven is ook anders niet altijd gemakkelijk.
Geen christen zonder kruis, maar christenen weten waar het kruis goed voor is.

In de Bergrede somt Christus niet alleen het menselijk onaangename op. Hij belooft eerder en tegelijkertijd het hoogste geluk : het land bezitten, kinderen van God worden genoemd, ja God Zelf zien!
Er is nog een troost: als het in dit leven op aarde niet is gelukt, kan het streven naar heiligheid in het andere leven worden voltooid.
De zielen in het vagevuur kunnen zichzelf niet helpen. Wij kunnen echter hun zware weg voor hen verlichten door gebed en het H.Misoffer. Maar zij op hun beurt kunnen ons helpen. Daarom heeft de Kerk steeds aanbevolen voor de overledenen te bidden en tegelijkertijd hen te vragen voor ons ten beste te willen spreken.
De gemeenschap van de heiligen is wonderbaar!

Boven alles en allen Maria, Koningin van alle Heiligen, die de Moeder van allen is.

Allerheiligen "de volheid van geluk, die God uitstort in de harten van hen die zich daartoe bereid houden"



Onze lofzang op Allerheiligen geldt de barmhartigheid en onuitputtelijke goedheid van God. Hij heeft de Heiligen zijn wegen tot het Leven bekend gemaakt en hen vervuld met de heerlijke aanschouwing van zijn Gelaat, zo luidt  een van de antifonen van het Lezingenofficie op deze dag. In de Brief aan de Romeinen zegt de H. Paulus: “Want die Hij tevoren heeft gekend, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid met het Beeld van zijn Zoon (…), die Hij heeft voorbestemd , heeft Hij ook geroepen. Die Hij riep, heeft Hij gerechtvaardigd, en die Hij rechtvaardigde heeft Hij verheerlijkt” (cf Rom 8, 29-30).
Met deze bondige woorden spreekt de apostel Paulus over die wonderbare stroom van leven, die  volheid van geluk, die God uitstort in de harten van hen die zich daartoe bereid houden. God alleen is de laatste waarborg voor onze voltooiing als mens. Slechts door zijn goedheid en door de verdiensten van zijn enige Zoon heeft Hij de christenen gekozen om heilig en smetteloos te zijn voor Hem; in liefde heeft Hij hen voorbestemd zijn kinderen te worden en om de heerlijkheid van zijn genade (cf Ef 1, 4-5) aan hen te tonen. In Jezus Christus, die wezenlijk het Beeld van God is, hebben de christenen de mogelijkheid ontvangen hun waardigheid en heerlijkheid, die door de zonde verloren gingen, terug te winnen. Christus is immers de Eerstgeborene onder vele broeders (1 Kor 15, 20). Degenen die door God zijn uitverkoren, zijn alle gedoopten die omwille van hun geloof zijn gerechtvaardigd en met de genade van God hebben meegewerkt. “Deus tentavit illos en invenit eos dignos se”, God heeft hen beproefd en hen Hem waardig bevonden” zingen we in de 2e antifoon van de Vespers van deze dag.
In trouw hebben de Heiligen de roepstem van God beantwoord en ernst gemaakt met het woord van Christus: “Als iemand Mij wil volgen, verloochene hij zichzelf, neme hij zijn kruis op zich en kome mij achterna” (Mt 16, 24). Alle Heiligen legden zich toe op zelfverloochening, versterving van hun eigen wil en eigenliefde, maar ook waren zij onverzoenlijk tegenover de zonde. De trouw aan het Kruis hebben zij dagelijks bewezen door taai geduld, door standvastigheid in de bekoring en door hun onwrikbare moed waarmee zij duivels en wereldse begeerlijkheden weerstonden.
Maar hoe hoog steeg hun lied van liefde wanneer zij met dezelfde trouw hun leven overgaven tot in de bloedige dood. Als mens gelijkvormig met de gekruisigde Christus waren zij in het mysterie van het Offer van Christus de gekruisigde ledematen. In hen stond Christus opnieuw voor zijn rechters, in hen onderging Christus opnieuw het over Hem gevelde vonnis, in hen werd Christus geslagen, door wilde dieren verscheurd, in zee geworpen, door vlammen verteerd; in hún ketenen stierf de Verlosser van de wereld, verhongerde en kromp Hij ineen onder de zweepslagen van de dwangarbeid in de uithoeken van het Romeinse Rijk, stierf Hij verlaten in het rotsgraf van de Mamertijnse kerker.  Zo geldt voor al deze getuigen voor Christus het woord uit de Romeinenbrief: “Die Hij tevoren heeft gekend, heeft Hij ook tevoren bestemd het evenbeeld van zijn Zoon te zijn” (cf Rom 8, 29).
Hebben wij ook niet hetzelfde doel, aan Christus gelijkvormig te worden?  Heeft Hij ons ook niet allen in het H. Doopsel met onze naam geroepen het kruis op onze schouders te nemen en Hem na te volgen? Laten we onszelf onderzoeken hoe het staat met onze dienstbaarheid jegens Christus, gekruisigd en verrezen. Versterven we de lust van onze ogen, de zinnelijkheid van het vlees en de hoogmoed?
Gaan we werkelijk de strijd aan met onze zondige begeerten en neigingen? Welke kruisen hebben we tot nu toe gedragen? Op welk principe van het Evangelie hebben we ons leven georiënteerd? Kunnen we met de apostel Paulus zeggen: “Ik leef, maar niet ik, Christus leeft in mij?”
Het loon dat God zijn Heiligen te genieten geeft is groot. Zij zijn in de hemel en delen in de heerlijkheid van Jezus Christus. “Wie Mij eert, die zal ook Ik eren!” (1 Kon 2,30). De teksten van het Mis- en Officieformulier van vandaag jubelen het uit en Prefatie I van de Heiligen zegt kernachtig: ”Gij wordt geprezen in uw Heiligen: als Gij hun verdiensten bekroont, bekroont Gij uw eigen gaven. In hun leven schenkt Gij ons een voorbeeld, in hun gemeenschap een band en in hun voorspraak een steun”.
Geëerd heeft de Heer zijn Heiligen reeds tijdens hun leven: door een glimp van hun innerlijke grootheid te laten oplichten door hun bescheiden voorkomen heen, door hun handen de kracht van het wonder te geven, middels hun woorden de mensen tot God te trekken.
En na hun dood door de verering van hun beelden en relieken.
De hoogste eer ontvangen de Heiligen echter in de hemel waar Christus Zelf hun overvloedig loon is. Hij zal bij hen wonen, zij zullen zijn volk zijn.  Hoe dit geluk is heeft geen oog gezien, geen oor gehoord en is nooit in het hart van de mens opgekomen. Want het gaat om de aanschouwing van de stralende heerlijkheid en liefde van de goddelijke Wezenheid, de H. Drieënheid in al haar volmaaktheden.
Vragen wij God, die groot en wonderbaar in zijn Heiligen is (Ps 67,36) ook ons zijn almachtige barmhartigheid waardig te keuren, ook al zijn wij nog ver van de navolging van Christus’ Kruis verwijderd. 
Hij geve ons dat wij de dingen van deze wereld met nuchtere ogen betrachten en niet vergeten dat wij uit stof zijn genomen.
Wij hopen en bidden, gedragen door die menigte geloofsgetuigen onverschrokken de strijd te kunnen aangaan die ons te wachten staat, om met hen de nooit verwelkende krans van de heerlijkheid te ontvangen.
Dat vragen wij op de voorspraak van de H. Maagd Maria, de Heilige Aartsengel Michael, de heilige Apostelen Petrus en Paulus en alle Heiligen, door Christus, onze Heer.
Een zalig hoogfeest!

De heiligen, onze voorsprekers (Thomas a Kempis) Sluit vriendschap met heiligen

1. Sluit vriendschap met de heiligen
Verzuim niet de voorspraak van de heiligen, die met Christus in de hemel heersen, voortdurend aan te houden; want zoals je ziet, leef je in het dal der tranen en verkeer je  dagelijks tussen vreemden en vijanden en ben je nog ver verwijderd van God in een vreemd land. Beijver je dus zolang je als pelgrim onderweg bent vriendschap te onderhouden met de heiligen en de vrienden van God alsook je bijzondere aan hen te binden, terwijl je de omgang en het spreken met mensen die je geen geestelijk voordeel brengen beter kunt vermijden. De voorspraak van een heilige is beter voor je dan een bezoek van op de wereld georiënteerde vrienden. Christus zal je meer in de stilte vertroosten dan lange gesprekken van vrienden met veel gelach dat bij de maaltijd kunnen doen. Hij die rechtvaardig wil leven bezit een innerlijke vreugde die een zinnelijk ingesteld mens die op het aardse uit is, niet begrijpt. Als je armoede en eenvoud bemint, zal Jezus dikwijls bij je zijn met de heilige Engelen en zal je onzichtbaar en innerlijk met een woord vreugde brengen. Zalig, die zijn genoegen niet bij de mensen zoekt, maar in godgewijde lezing/ lectio divina en aandachtig gebed. Zo kan hij vroom leven en vreugde vinden in hemelse dingen zoals ook de heiligen hebben gedaan, voor wie de zichtbare dingen niets betekenden.

2. Organiseer je leven naar hun voorbeeld
Iedereen is gesteld op zijns gelijken: een consciëntieus ingestelde persoonlijkheid zoekt een ander consciëntieuze persoonlijkheid, een bescheiden mens een bescheiden mens, een heilige een heilige, een ongedurige een ongedurige, een uitgelaten persoon een andere uitgelaten persoon. Verlang je te heersen met de heiligen in de hemel, zo zul je om Godswil veel lijden en je op aarde met de heiligen verootmoedigen; want het is van weinig nut dat je de heiligen met de mond eert, maar hen in je doen weerstreeft. Wil je God en de heiligen aangenaam zijn, beheers dan je zintuigen, breek je eigen wil, trek ten strijde tegen lasterpraat, span je in deugdzaam te leven, overweeg de levens van de heiligen, verdiep je in hun onderrichtingen, opdat je met de heiligen heilig kunt worden, en van hen hulp ontvangt, door hen onderricht, verhoord en gekroond wordt. IJverig naar de hemel verlangen is hen aangenaam, ook het berouwen van je zonden, de beheersing van de tong, het vaste voornemen je te beteren, het verlangen naar vooruitgang, geduld bij droefheid en dankzegging voor ontvangen weldaden.

Welluidend gezang is de heiligen aangenaam, opgewektheid bij het waken, lof- en psalmgezang, belijdenis van zonden/je zonden biechten en gebed om vergeving, het meevieren van de heilige Mis, het vergieten van godsvruchtige tranen bij het gebed en het volmaakt onderhouden van de kloosterregel. Wie lui is en nalaat goede werken te doen, verliest de genade van aandachtige toeleg, is God niet aangenaam, noch bij de Engelen geliefd, maar staat God en alle heiligen tegen. Want wie uit God is, hoort God woord, leest en schrijft graag Gods woord, waakt, bidt en werkt graag, doorstaat graag kritiek, zwijgt en dient God in vreugde. Hij vertoeft graag in de kerk of in zijn cel om spoedig deze of gene heilige aan te roepen en op de knieën om genade te smeken teneinde zijn fantasieën te overwinnen, te weerstaan aan aanvechtingen waardoor hij wordt belaagd, opdat hij door de voorspraak van de heiligen in vrome en goede gesteltenis mag blijven alsmede na de doorstane strijd in dit leven de woning van de eeuwige rust mag bereiken waar alle heiligen met Christus gelukzalig heersen.

3. Vertrouw op hun voorspraak
Het gebed tot de heiligen dat tot hun eer vanuit een goede mening geschiedt zal immers niet tevergeefs zijn. Zij, die zo ijverig voor hun vijanden hebben gebeden toen zij door hun tegenstanders werden gekweld, hoe meer ijverig zullen zij nu voor hun vereerders ten beste spreken opdat deze zich bij hen mogen voegen in de hemelse vreugde. Zij weten immers van hen dat zij zich dagelijks beijveren om God te dienen en onder zuchten en tranen moeite doen het eeuwige leven te verwerven. Heb dus een groot vertrouwen! Roep de heiligen aan! Net als wij waren zij sterfelijke en zondige mensen die zich met vele fouten zagen behept en in aanvechtingen verstrikt. Maar door de genade van God daarvan bevrijd en gerechtvaardigd, danken zij nu Christus, die hen uit zoveel kwaad heeft gered.

Uit Thomas a Kempis "De disciplina claustralium"

Allerheiligen – Prefatie "Daarheen zijn wij als pelgrims onderweg"

Uit de Prefatie van de Misliturgie

Nobis enim hodie civitatem tuam tribuis celebrare, quæ mater nostra est, cælestisque Ierusalem, ubi iam te in æternum fratrum nostrorum corona collaudat. Ad quam peregrini, per fidem accedentes, alacriter festinamus, congaudentes de Ecclesiæ sublimium glorificatione membrorum, qua simul fragilitati nostræ adiumenta et exempla concedes.
Et ideo, cum ipsorum Angelorumque frequentia, una te magnificamus, laudis voice clamantes: Sanctus, Sanctus, Sanctus…

Want vandaag vieren wij het feest van uw eigen Stad. Zij is onze moeder, het hemelse Jeruzalem. Daar klinkt al uit een kring van onze broeders in eeuwigheid uw lof. Daarheen zijn wij als pelgrims onderweg. Geleid door het geloof spoeden wij ons voort, vol vreugde om de verheerlijking van deze kinderen der Kerk, in wie Gij ons, zwakke mensen, een steun en voorbeeld schenkt.
Daarom, met de ontelbare menigte van Engelen en Heiligen, roemen wij uw grote daden en zingen U toe vol vreugde: Heilig, Heilig, Heilig…

Allerheiligen collectegebed – Justorum animae in manu Dei sunt De zielen van de rechtvaardigen zijn in Gods Hand





Omnipotens sempiterne Deus,
qui nos omnium Sanctorum tuorum merita sub una tribuisti celebritate venerari:
quaesumus;
ut desideratam nobis tuae propitiationis abundantiam, multiplicatis intercessoribus, largiaris.
Per Dominum nostrum Jesum Christum, Filium tuum:
Qui tecum vivit et regnat in unitate Spiritus Sancti Deus:
per omnia saecula saeculorum.
Amen.
Almachtige eeuwige God,
Gij laat ons vandaag de verdiensten van al uw Heiligen in één plechtige viering gedenken.
Wij bidden U:
Schenk ons uw overvloedige barmhartigheid, waarnaar wij verangend uitzien, omdat een ontelbare menigte voor ons ten beste spreekt.
Door onze Heer Jezus Christus uw Zoon,
Die met U leeft en heerste in de eenheid van de Heilige Geest, God,
door de eeuwen der eeuwen.
Amen.

Collectegebed Misformulier Hoogfeest van Allerheiligen

Hoogfeest van Allerheiligen Liturgia Horarum


 Uit de Preken van de H. Bernardus, abt

Laten wij ons haasten naar onze broeders, die op ons wachten

Waarom dus onze lof aan de heiligen, waarom onze verheerlijking van hen, waarom dit plechtig feest van ons? Waarvoor onze aardse hulde aan hen, die volgens de waarachtige belofte van de Zoon door de hemelse Vader zelf worden geëerd? Waarvoor onze lofreden voor hen? Onze lof hebben de heiligen niet nodig en met onze toewijding worden zij niet gelukkiger. Het is duidelijk, dat het vieren van hun gedachtenis in ons belang is, niet in het hunne. Ik beken tenminste, dat ik door die herinnering een hevig verlangen in mij voel ontbranden.

Want dit is wel het eerste verlangen, dat door het gedenken van de heiligen in ons wordt opgewekt en meer en meer versterkt, namelijk: dat wij hun zo begeerlijk gezelschap zouden mogen genieten en verdienen zouden medeburgers en medebewoners te zijn van die zalige geesten, opgenomen te worden in de kring van de patriarchen, onder de groep van de profeten, in de hoogste kring van de apostelen, in de ontelbare legers van de martelaren, in de vereniging van de belijders en in de koren van de maagden, ja, tenslotte, opgenomen te worden in de gemeenschap van alle heiligen en ons met hen te verheugen. Die Kerk van de eerstelingen wacht op ons, en wij verwaarlozen hen. De heiligen verlangen naar ons, en wij achten dat voor niets. De rechtvaardigen verwachten ons, en wij doen alsof wij daar geen kennis van hebben.

Laten wij eindelijk eens wakker worden, broeders; laten wij verrijzen met Christus, zoeken wat boven is, en smaken wat boven is. Laten wij verlangen naar hen, die naar ons verlangen, laten wij ons haasten naar hen, die ons opwachten en hen, die op ons wachten, met onze gebeden van te voren voor ons winnen. Wij moeten niet alleen verlangen naar het gezelschap van de heiligen, maar ook naar hun geluk, zodat, als wij naar hun gezelschap verlangen, wij ook met de vurigste begeerte verlangen deel te hebben aan hun glorie. Want dit is geen verwerpelijk streven, en het verlangen naar die glorie is in geen enkel opzicht gevaarlijk.

Dit nu is het tweede verlangen, dat in ons brandt bij het gedenken van de heiligen, namelijk: dat, zoals Christus aan hen openbaar is geworden, Hij dit ook voor ons moge worden, die ons leven is; en dat ook wij met Hem in zijn glorie mogen verschijnen. Maar moge ons Hoofd intussen ons niet worden voorgesteld zoals Hij nu is, maar zoals Hij voor ons eens geworden is, niet dus met glorie gekroond maar met de doornen omkranst van onze zonden. Het lidmaat moest zich schamen verheerlijkt te zijn onder een gekroond Hoofd, omdat elk purperkleed dat lidmaat niet tot eer zou strekken maar tot bespotting. Als Christus komt en zijn dood niet verder verkondigd zal worden, zal het moment aangebroken zijn, dat wij weten, dat ook wij zelf gestorven zijn en ons leven verborgen is met hem. Het glorievolle Hoofd zal verschijnen en met Hem zullen ook zijn verheerlijkte ledematen schitteren, wanneer Hij namelijk het lichaam van onze nietigheid zal omvormen tot gelijkvormigheid met de glorie van het Hoofd, dat Hij zelf is.

Laten wij dus naar die glorie met volle en veilige inzet inzet streven. Zoals het ons ongetwijfeld is toegestaan daarop te hopen en te verzuchten naar dat grote geluk, kunnen wij ook met volle recht de voorspraak vragen van de heiligen, dat zij ons door hun bemiddeling mogen schenken, wat wij zelf niet vermogen te verkrijgen.


(Sermo 2: Opera omnia, Edit. Cisterc. 5 [1968], 364-368)

Lezingen H. Mis Allerheiligen - 1 november - Omdat wij Hem zullen zien zoals Hij is

Eerste lezing (Apok. 7, 2-4.9-14)
Uit de Openbaring van de heilige apostel Johannes.
Ik, Johannes, zag een andere engel opstijgen
an de opgang der zon
met het zegel van de levende God.
En hij riep met luide stem tot de vier engelen
aan wie macht gegeven was
schade toe te brengen aan de aarde en de zee:
“Brengt geen schade toe aan de aarde,
noch aan de zee, noch aan de bomen,
voordat wij de dienstknechten van onze God
met het zegel op hun voorhoofd getekend hebben.”
En ik vernam het aantal getekenden:
honderdvierenveertigduizend waren er
uit alle stammen van de kinderen van Israël.
Daarna zag ik een grote menigte, die niemand tellen kon,
uit alle rassen en stammen en volken en talen.
Zij stonden voor de troon van het Lam,
gekleed in witte gewaden en met palmtakken in de hand.
En zij riepen allen luid:
“Aan onze God, die op de troon is gezeten
en aan het Lam behoort de overwinning!”
En al de engelen stonden rondom de troon,
de oudsten en de vier dieren,
en zij wierpen zich op hun aangezicht voor de troon
en zij aanbaden God, zeggend:
“Amen!
Lof en heerlijkheid en wijsheid en dank,
eer en macht en sterkte
aan onze God in de eeuwen der eeuwen.
Amen!”
Toen richtte zich een van de oudsten tot mij en zei:
“Wie zijn dat in die witte gewaden
en waar komen zij vandaan?”
Ik antwoordde hem:
“Heer, dat weet gij.”
Toen zei hij:
“Dat zijn diegenen die komen uit de grote verdrukking,
die hun gewaden hebben wit gewassen
in het bloed van het Lam.

Tweede lezing (1 Joh. 3, 1-3)
Uit de eerste brief van de heilige apostel Johannes.
Vrienden, hoe groot is de liefde die de Vader ons betoond heeft!
Wij worden kinderen van God genoemd
en we zijn het ook.
De wereld begrijpt ons niet
en ze kent ons niet,
omdat zij Hem niet heeft erkend.
Vrienden,
nu reeds zijn wij kinderen van God
en wat wij zullen zijn is nog niet geopenbaard;
maar wij weten
dat wanneer het geopenbaard wordt
wij aan Hem gelijk zullen zijn,
omdat wij Hem zullen zien zoals Hij is.
Wie zulk een heil van God verwacht,
maakt zich rein zoals Christus rein is.

Evangelie (Mt. 5, 1-12a)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs.
Toen Jezus de menigte zag, ging Hij de berg op,
en nadat Hij zich had neergezet, kwamen zijn leerlingen bij Hem.
Hij nam het woord en onderrichtte hen aldus:
“Zalig de armen van geest,
want aan hen behoort het Rijk der hemelen.
Zalig de treurenden,
want zij zullen getroost worden.
Zalig de zachtmoedigen,
want zij zullen het land bezitten.
Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid,
want zij zullen verzadigd worden.
Zalig de barmhartigen,
want zij zullen barmhartigheid ondervinden.
Zalig de zuiveren van hart,
want zij zullen God zien.
Zalig die vrede brengen,
want zij zullen kinderen van God genoemd worden.
Zalig die vervolgd worden om de gerechtigheid,
want hun behoort het Rijk der hemelen.
Zalig zijt gij wanneer men u beschimpt,
vervolgt en lasterlijk van allerlei kwaad beticht om Mijnentwil:
Verheugt u en juicht, want groot is uw loon in de hemel.”

Wij danken God.