donderdag 3 december 2020
woensdag 2 december 2020
Thomas a Kempis over de dood van Johannes Ruusbroec
2 december
In de bisdommen Antwerpen, Brugge en Mechelen-Brussel
Johannes Ruusbroec [1293-1381], regulier kanunnik en mysticus
Thomas a Kempis over de dood van
Johannes Ruusbroec, de eerste prior van Groenendaal, klooster van reguliere
kanunniken van Sint Augustinus bij Brussel.
Inleiding
Johannes
Ruusbroec werd geboren te Ruisbroek bij Brussel in 1293. Hij was kapelaan van
de Sint-Goeclele te Brussel en stichtte op 50-jarige leeftijd een klooster van
reguliere kanunniken van de heilige Augustinus te Groenendaal. Op deze plaats,
in de ongerepte stilte van het Zoniƫnwoud, schreef hij zijn beroemde mystieke werken. is
een van de grootste mystici van de zuidelijke Nederlanden. Hij ervoer op een
uitzonderlijke manier Gods tegenwoordigheid. En hij was in staat om zijn kennis
van het goddelijk mysterie aan anderen mee te delen. Deze uitzonderlijk
mystieke roeping werd door zijn directe omgeving algemeen erkend en
gerespecteerd. Zijn invloed verspreidde zich snel over Europa, talrijke machtige
en edele personen kwamen hem in Groenendaal opzoeken, klerken zowel als
meesters en doctors in de theologie. Hij stierf er op 2 december 1381. Kort na
zijn dood kreeg hij de bijnaam 'admirabilis' ("de Wonderbare").
Ruusbroec
was ook de inspirator van Meester Geert Grote [1340-1384], de
initiatiefnemer voor de grote 15e eeuwse geestelijke
vernieuwingsbeweging van de Moderne Devotie - voor de oprichting en organisatie van het
klooster Windesheim voor reguliere kanunniken. Bij zijn herhaalde, soms maandenlange
bezoeken aan Groenendaal was Geert Grote onder de charme van Ruusbroec’s
rustige levensopvatting gekomen. Op zijn sterfbed gaf Geert Grote dan de
volgende aanwijzingen:
“Ik
bid en smeek u allen, dat gij na mijn dood een klooster zoudt oprichten, waarin
de oudste en stichtendste broeders tot het priesterschap verheven worden… waar
het gemene leven blijft onderhouden… Dit nieuwe klooster moet niet zijn als een
kartuize, want hoe heilig en Gode toegewijd de kartuizers ook leven, toch zijn
zij te radicaal van de wereld gescheiden om de vromen van buiten vrije toegang
te verlenen. Zelfs moet gij niet de regel van de Cisterciƫnsers aannemen:want
die is zeer streng en, voor onze tijd en de menselijke zwakheid van velen,
zwaar om te onderhouden. Maar gij moet de Orde van de Reguliere Kanunniken van
het klooster te Groenendaal, van mijn allerliefste en zeer eerwaarde vader,
aannemen : die dienen onder een meer menselijke regel die haast voor allen, die
in het klooster krijgsdienst voor God willen verrichten, uiterst geschikt is en
die trouwens niet veel verschilt van de levensregel, die gij tot nog toe hebt
onderhouden”. Diegenen die Geert Grote
“zijn
allerliefste vaders” noemt, de stichters van Groenendaal hebben met hun
geestelijke bezieler, Ruusbroec, die eenvoud en goedheid, die gematigdheid en
mildheid uitstraalt, waarnaar Grote bij zijn levenseinde, zo’n heimwee had. Het
blijft Ruusbroec’s grootste aantrekkelijkheid, dat door zijn door zijn diepste
leringen de eenvoud van de goede prior en zijn menselijkheid blijft bekoren.
De
hervormer van de H.Graforde in de Nederlanden Jan van Abroek [Bree ca 1440-
Hoogcruts 1510] groeide op in de vernieuwingssfeer van de Moderne Devotie en
gaf ons Kanunnikessen van het H. Graf de idealen van deze geestelijke beweging
door.
Uit de Kroniek
van Thomas van Kempen
(hoofdstuk II dat geen
betrekking heeft op het klooster Sint Agnietenberg, het klooster waar Thomas
praktisch zijn hele leven verbleef, maar dat hij wel wilde boekstaven)
In het jaar 1381 stierf op 2
december, de octaafdag van Sint-Catharina, in Brabant [1] de eerbiedwaardige en
hoogst devote pater Johannes Ruusbroec. Hij was de eerste prior van het
klooster Groenendaal bij Brussel, dat behoorde tot de orde van de reguliere
kanunniken. Hij was 87 jaar oud en werd begraven, naar het noorden gekeerd, in
het koor voor het hoogaltaar. [2] Als 60-jarige nam hij in voornoemde plaats
samen met de allereersten het kloosterkleed aan. Met Gods hulp vervulde hij 64
jaar lang het priesterambt. De gewijde en uitmuntende leer die hij verkondigde,
lichtte overal op in het Duitse land, waar zij wijd en zijd verspreid raakte.
Hem zocht meester Geert Grote persoonlijk op, in gezelschap van de rector van
de Zwolse school, meester Johannes. [3] Zijn werken beschouwde hij als
vergelijkbaar met die van de grootste kerkleraren. Tal van zeer devote en van
diep inzicht getuigende boeken in de volkstaal [4] deed Ruusbroec met
scherpzinnigheid het licht zien. En de gave van hemelse liefelijkheid die hij
van God ontvangen had, strooide hij met grote vrijgevigheid uit over allen in
de Kerk die hem nabij waren en die na hem zouden komen. Elf boeken zijn het,
die hij, zowel in het klooster als vóór zijn intrede, tot groot voordeel heeft
geschreven; en opdat dit aantal niet een onvolkomen getal zou zijn, wordt het
door een boek met brieven tot twaalf aangevuld.
[1]
Met Brabant wordt in het algemeen het hele Zuid-Nederlandse Bourgondische
gebied aangeduid, het voormalige hertogdom Brabant.
[2]
Dat wil zeggen: met het hoofd naar de linkerzijmuur van de kerk.
[3]
Johannes Cele namelijk.
[4]
Het zogenaamde Middelnederlands, vroeger ook wel Diets genoemd.
Thomas
van Kempen [1380-1471], het jaar vóór het sterfjaar van Ruusbroec geboren,
heeft Ruusbroec noch Geert Grote gekend. De bewondering en de genegenheid voor
Ruusbroec van Geert Grote en de kringen van zijn volgelingen heeft de jonge
broeder Thomas al vroeg meegekregen in het Agnietenbergklooster zodat hij Ruusbroec
“de gave van hemelse lieflijkheid” kon toeschrijven. Die hemelse gave dichter
bij de mensen brengen verstond Ruusbroec; Titus Brandsma [1881-1942], hoogleraar
in de Middelnederlandse mystiek en zelf mysticus heeft dit concept in zijn
colleges uitgewerkt.
Onder
dank met toestemming overgenomen uit: U. de Kruijf +, J. Kummer en F. Pereoom
+, Een klooster ontsloten. De kroniek van Sint-Agnietenberg bij Zwolle door
Thomas van Kempen. In vertaling en met commentaar. Uitgave van Stichting
Ijsselacademie, Kampen, 2000, p. 129
dinsdag 1 december 2020
Advent - Ad te levavi animam meam
Engel die de apostel Johannes de heilige Stad
Jeruzalem toont (Apoc 21,9-10)
Ad te levavi animam meam, Deus meus, in te confido,
non erubescam.
Tot U, mijn God, verhef ik
mijn ziel, op U vertrouw ik, ik zal niet beschaamd worden.
De Introitus van de komende
zondag, de eerste zondag van de Advent, die begint met Psalm 24 (25) omvat in
feite heel het verlangen, heel het bidden en het streven van de tijd die de
Kerk en ieder van ons voorbereidt op de drie Komsten van Jezus. Het is het
herdenken en opnieuw beleven van de eerste komst van de Heer Jezus in de
geschiedenis, de komst in genade bij het ontvangen van de H. Communie en de
komst op het einde der tijden. Karakteristiek voor de komende Advent, het begin
van het nieuwe liturgische jaar, geldt de Introitus ook voor heel ons leven en
de vervulling ervan.
Elk jaar opnieuw
presenteert en beleeft de H. Kerk in de liturgie de geschiedenis van onze
verlossing en de mysteries van het leven, de dood, de verrijzenis en de
wederkomst van de Heer.
Ten opzichte van het vorig
jaar heeft ons leven steeds opnieuw grote of kleinere veranderingen ondergaan
en zo staan wij steeds opnieuw op een andere en nieuwe manier tegenover de
onveranderlijke mysteries van het geloof.
Alle lezingen van deze eerste Adventszondag zijn vol
van de gedachten van het zich bewust wenden tot God en een opnieuw op willen breken:
“Komt, laat ons optrekken naar de berg van de Heer, naar de tempel van Jacobs
God” (1e lezing: Jes 2,
1-5). Psalm 122 bezingt het pelgrimeren naar de heilige stad Jeruzalem en de apostel Paulus spoort ons aan uit de
slaap op te staan en ons te wapenen met het licht (2e lezing, Rom 13, 11-14) opdat de heer des huizes,
Christus, ons niet slapend aantreft, wanneer Hij terugkomt (Evangelie Mt 24, 37-44). Ook de oratie van de dag neemt de beweging van
het Christus tegemoet gaan op: Geef ons
de bereidheid Christus, die komende is, tegemoet te gaan met werken van
gerechtigheid en ons door daden van liefde voor te bereiden op zijn komst.
Heel
ons vertrouwen op deze genade en in de vaste hoop, dat Hij die was, zeker zal
komen, kan worden samengevat in het mooie vers: “Respicite et levate capita
vestra, quoniam appropinquat redemptio vestra” – Sla uw blik op en heft uw
hoofden omhoog, want uw verlossing is nabij! (Lezingenofficie Liturgia
Horarum).
De
liturgie van de Advent is doortrokken van dank, vertrouwen en smeken. Dank voor
de eindeloze barmhartigheid die God ons door zijn Menswording heeft bewezen en
het gebed dat Hij ons zijn bescherming mag schenken wanneer Hij terugkomt.
Een
onbekende schrijver bezingt het oneindige erbarmen van God dat ligt in de
Menswording van zijn Zoon:
“Nu is het de tijd, broeders en zusters, om het
erbarmen en de minzaamheid van God te bezingen! Want het is de Advent van de
Heer, die was en zal komen, Hij, die almachtig is.
Waarom komt Hij? Opdat zij, die Hem niet kenden, Hem
nu leren kennen; opdat zij die niet geloven, zullen geloven; opdat zij die Hem
veronachtzaamden, Hem met eerbied zullen bejegenen; opdat zij die Hem niet
beminden, Hem gaan beminnen.
Zo kwam Hij, die volgens zijn goddelijk Wezen al in de
wereld was, nĆŗ met zijn aanminnige genade, opdat Hij als Mens herkend, als God
geloofd, als machtig gevreesd en door de gelovigen bemind zou worden.
Als Mens verscheen Hij, bekleed met onze zwakheid,
maar in zijn wonderen God: machtig in zijn gezag over de demonen, goedig en
barmhartig wanneer hij de zondaars weer in zijn genade aanneemt; menselijk was
zijn honger, goddelijk de broodvermenigvuldiging; menselijk zijn slaap in de
vissersboot, goddelijk zijn bevel aan wind en water. Menselijk was zijn
sterven, goddelijk was Hij bij het opwekken van Lazarus, de dochter van JaĆÆrus
en de zoon van de weduwe van NaĆÆm. Met zijn gezag joeg Hij de handelaars de
tempel uit; in zijn goedheid trok Hij zich tollenaars en zondaars aan. Met zijn
almacht joeg Hij demonen schrik aan en goedig sprak hij de vrouw die van
echtbreuk werd beschuldigd, vrij.
Tenslotte
vielen de soldaten die Hem gevangen wilden nemen voor zijn majesteit op de
grond en liefdevol genas Hij het oor van de knecht Malchus.
Dit
alles behoort bij de minzaamheid van zijn eerste Komst.
Omdat
uw goedheid bij uw eerste Komst zo groot
was, wil ik U bezingen, Heer.
Barmhartigheid
was het dat U Mens hebt willen worden om onze zwakheid op U te nemen.
Alles
welde op uit de bron van uw barmhartigheid”.
In
de psalmtekst van de Introitus Ad te,
Domine, levavi (Ps 24[25]) is de bidder zich ook bewust van eigen zwakheid,
fouten en tekorten: “Herinner u niet het kwaad van mijn jeugd, maar denk aan
mij met erbarmen” (vers 7) en rekent hij op vergiffenis (vers 11): “Gij zult om
uw Naam, Heer, mijn zonden vergeven, ik weet dat ik zwaar heb misdaan” en (vers
18) “Zie toch mijn ellende, mijn zwoegen, vergeef mij wat ik misdeed”.
Geven
we dan gehoor aan de oproep van de H. Paulus in de lectio brevis van de 1e Vespers van deze zondag (Rom, 13, 11-12): “Het
uur om uit de slaap te ontwaken is reeds aangebroken. Ons heil is dichterbij
dan toen wij tot het geloof kwamen. De nacht loopt ten einde. Laten we ons dus
ontdoen van de werken der duisternis en de wapenrusting van het licht
aantrekken. Laten we ons behoorlijk gedragen als op klaarlichte dag […]
Bekleedt u met de Heer Jezus Christus en
koestert niet langer zondige begeerten”.
De
weg die we willen inslaan is duidelijk: als mensen van het licht willen we
leven overeenkomstig het klare daglicht en als mensen van barmhartigheid
openstaan voor allen die op onze hulp wachten. Ook moeten we het doel waarvan het Evangelie spreekt goed
in het oog houden: de Heer komt om te oordelen, plotseling, onverwacht, op een
niet vermoed uur: zijn we dus waakzaam, gereed Ʃn voorbereid. Laten we ons dus
wekken uit de slaap van moeheid en verkeerde gewoonten. De oproep van Johannes
de Doper die door heel de Adventsliturgie klinkt, kondigt een nieuwe weg aan,
dat we de Heer mogen ontmoeten, van Wie wij zingen dat Hij heil en redding met
zich meebrengt.
Vandaag
roept de Heer ons als een Vriend en goede Herder, morgen kan Hij ons als
Rechter roepen. Laat ons met grote bereidwilligheid op zijn uitnodiging ingaan
en ons volledig open stellen voor zijn liefdevolle roep. Dan zullen we ook bij
de laatste oproep, als de bazuinen klinken, niet hoeven te vrezen, maar zal dat
een blijde boodschap zijn: “Levate capita vestra,
ecce
appropinquat redemptio vestra”.
Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Feria III HebdomadƦ I Adventus Ad Officium lectionis O admirabile commercium. O wonderbare ruil
Lectio
altera
Ex Oratiónibus
sancti Gregórii NazianzĆ©ni epĆscopi
(Or. 45, 9, 22. 26. 28: PG 36, 634-635. 654.
658-659. 662)
O admirabile
commercium
Ipse Dei FĆlius, ille sƦculis antĆquior,
ille invisĆbilis, ille incomprehensĆbilis, ille incorpóreus, illud ex princĆpio
princĆpium, illud ex lĆŗmine lumen, ille fons vitƦ et immortalitĆ”tis, ille
archĆ©typi exprĆ©ssio, illud immótum sigĆllum, illa per ómnia sĆmilis imĆ”go, ille
Patris tƩrminus et rƔtio, ille, inquam, ad imƔginem suam se confert, carnƩmque
carnis causa gerit, et cum intellectuÔli Ônima propter Ônimam meam iúngitur, ut
sĆmile per sĆmile repĆŗrget, atque humĆ”na ómnia, excĆ©pto peccĆ”to, sĆŗscipit;
concĆ©ptus quidem ex VĆrgine, Ć”nimo et carne a SpĆritu prƦpurgĆ”ta (nam et
generatiónem honóre Ôffici, et virginitÔtem præférri oportébat); progréssus
autem Deus cum assúmpta humanitÔte, unum ex duóbus inter se contrÔriis, carne
nimĆrum et spĆritu, quorum Ć”lterum deitĆ”tem dedit, Ć”lterum accĆ©pit.
Qui Ć”lios ditat, pauper effĆcitur; carnis
enim meƦ paupertĆ”tem subit, ut ego deitĆ”tis ipsĆus opes cónsequar. Qui plenus
est, exinanĆtur; sua enim glória ad breve tempus exinanĆtur, ut plenitĆŗdinis
ipsĆus ego pĆ”rticeps effĆciar.
QuƦnam hƦ bonitĆ”tis divĆtiƦ? Quodnam erga
me mystĆ©rium? DivĆnam imĆ”ginem accĆ©pi, nec custodĆvi. Ille meam carnem Ć”ccipit,
ut et imÔgini salútem, et carni immortalitÔtem Ôfferat; secúndum consórtium
nobĆscum init, et quidem prióri longe admirabĆlius.
Per humanitÔtem a Deo assúmptam, hómini
sanctitƔtem affƩrri oportƩbat; ut, tyrƔnno per vim superƔto, nos liberƔret,
atque ad se per mediatórem FĆlium redĆŗceret, hoc, ad Patris honórem, cui in
ómnibus rebus cĆ©dere perspĆcitur, dispensĆ”ntem.
Ad ovem errƔntem bonus ille Pastor evƩnit,
Ônimam suam pro óvibus ponens, ad montes et colles, in quibus sacrificÔbat; et
errĆ”ntem invĆ©nit, et invĆ©ntam, iĆsdem Ćŗmeris, quibus et crucis lignum,
sústulit, et accéptam ad supérnam vitam redúxit.
LucĆ©rnam prƦviam lux illa clarĆssima
sĆ©quitur, et vocem Verbum, et prónubum Sponsus, Dómino pópulum exĆmium
comparĆ”ntem, atque ad SpĆritum per aquam prƦpurgĆ”ntem.
Opus habĆŗimus Deo,
qui carnem accĆperet ac morerĆ©tur, ut vivĆ”mus. Commórtui sumus, ut purgĆ©mur;
simul resurréximus, quóniam simul mórtui sumus; simul glorificÔti sumus,
quóniam simul resurréximus.
Tweede
lezing
Uit de preken van de heilige bisschop Gregorius van
Nazianze
O
wonderbare ruil
De Zoon
zelf van God, die ouder is dan de eeuwen, die onzichtbare, die onbegrijpelijke,
die onlichamelijke, dat Beginsel uit het Beginsel, dat Licht uit het Licht, die
bron van leven en onsterfelijkheid, die uitdrukking van de Oorsprong, dat
onbewogen zegel, dat beeld in alles gelijk, dat eindpunt en de gedachte van de
Vader – deze, zeg ik, keert zich tot zijn afbeelding, neemt omwille van de
vleselijke mens het vlees aan en verenigt zich om mijn ziel met een redelijke
ziel, om het gelijke door het gelijke te reinigen, en aanvaardt al het
menselijke met uitsluiting van de zonde. Hij werd ontvangen uit de Maagd, die
tevoren door de Geest naar ziel en lichaam was gereinigd (want zijn
voortbrenging moest eervol zijn en bij voorkeur maagdelijk); Hij trad als God
tevoorschijn met een aangenomen mensheid, ƩƩn geheel, bestaande uit twee met
elkaar strijdige naturen, namelijk uit vlees en geest, waarvan de ene de
Godheid met zich bracht, de andere deze ontving.
Die
anderen rijk maakt, wordt zelf arm; immers, Hij ondergaat de armoede van zijn
vlees, opdat ik de rijkdommen van zijn Godheid zou ontvangen. Die vol is,
ontledigt zich; immers, voor een korte tijd wordt Hij ontledigd van zijn glorie
om mij deelgenoot te maken aan zijn eigen volheid.
Wat zijn
dan de rijkdommen van die goedheid? Wat is dat voor een mysterie jegens mij? Ik
ontving de goddelijke beeltenis, maar bewaarde ze niet. Hij nam mijn vlees aan,
om aan dat beeld de verlossing te schenken en aan mijn vlees de
onsterfelijkheid; Hij ging een tweede gemeenschap met ons aan en nog wel een,
die nog veel bewonderenswaardiger was dan de eerste.
Door
middel van de door God in zich opgenomen mensheid moest aan de mens de
heiliging gebracht worden; om, na de tyran met geweld overwonnen te hebben, ons
te bevrijden en ons tot zich terug te voeren door zijn Zoon als bemiddelaar,
die dit aldus instelde tot eer van de Vader, waarvoor Hij in alle
omstandigheden blijkt te wijken.
De goede
Herder verscheen aan het dolende schaap, zijn leven gevend voor zijn schapen.
Hij kwam naar de bergen en heuvels waarop gij uw offers bracht. Hij vond het
verdwaalde schaap en na het gevonden te hebben, nam Hij het op diezelfde
schouders waarop Hij het kruishout droeg, en na het op zich genomen te hebben
leidde Hij het terug naar het hemelse leven.
Dat
allerhelderste Licht volgt het licht (Sint Jan de Doper), dat het voorafgaat;
het Woord volgt de stem, de Bruidegom de bruidsbegeleider, die een uitgelezen
volk tot voor de Heer geleidt en het tevoren door het water reinigt tot
samenkomst met de Geest.
We hebben
een werk te verrichten gekregen voor God, die het vlees aannam en stierf, om
ons te doen leven. Wij zijn met Hem gestorven om gezuiverd te worden; tegelijk
met Hem zijn wij verrezen, omdat wij tegelijk met Hem gestorven zijn; wij zijn
met Hem verheerlijkt, omdat wij met Hem zijn verrezen.
(Or. 45,
9, 22. 26. 28: PG 36, 634-635. 654. 658-659. 662)
Abonneren op:
Posts (Atom)


