donderdag 2 januari 2020

2 januari HH. Basilius de Grote en Gregorius van Nazianze, bisschoppen en kerkleraren

Basilius, in 330 uit christelijke ouders geboren te Cesarea in Cappadocië, onderscheidde zich bijzonder door wetenschap en deugd. Na zijn studiejaren leidde hij een verstorven leven in de eenzaamheid, maar in 370 werd hij bisschop van zijn geboortestad. Krachtig bestreed hij de dwaalleer van de Arianen. Onder zijn vele en belangrijke geschriften nemen zijn regels voor de monniken een geheel eigen plaats in: nu nog worden zij door monniken in het Oosten onderhouden. Voor de armen toonde hij zich een vader. Hij stierf op 1 januari 379.
Eveneens in 330 werd Gregorius geboren nabij Nazianze. Voordat hij zijn vriend Basilius in de eenzaamheid volgde, had hij op vele reizen zijn geest verrijkt met kennis en wetenschap. Priester en bisschop gewijd, werd hij in 381 gekozen tot bisschop van Constantinopel, maar toen zijn kerk door partijtwisten verdeeld werd, trok hij zich terug in Nazianze, waar hij op 25 januari 389 of 390 stierf. Om zijn hoogstaande leer en zijn grote welsprekendheid wordt hij Gregorius de theoloog genoemd.

 God, de heilige Basilius en Gregorius zijn door hun woord en leven een licht voor uw kerk geweest. Wij bidden U: laat ons uw woord aanvaarden en ernaar handelen, vol liefde voor onze medemens.


Reportage afgevallen wijzer op torenklok Basiliek - Kerkmeester bijna gespietst


gevallen wijzer voorkant

gevallen wijzer achterkant

klok zonder grote wijzer
De wijzer is gevallen tijdens werkzaamheden en heeft bijna een kerkmeester gespietst, zie voor spelling Van Dale Naar de toedracht wordt een onderzoek ingesteld. In de Kerstdagen is gecollecteerd om wijzer weer op zijn plaats te krijgen, hangende het onderzoek,

woensdag 1 januari 2020

Liturgia Horarum - Wij schenen maar één ziel te hebben, al leefden wij in twee lichamen.

HH. Basilius,Gregorius en Chrysosthomos

Uit een lofrede van de heilige Gregorius, bisschop van Nazianze († 390) op Basilius de Grote
Basilius en ik schenen maar één ziel te hebben, al leefden wij in twee lichamen.
Basilius en ik troffen elkaar in Athene. Als stromen van een rivier waren wij vanaf de ene bron, ons vaderland Kappadocië, omwille van onze opvoeding in verschillende richtingen uiteengegaan naar het buitenland en wij waren weer samengekomen. Het leek een afspraak, maar God had ons zo geleid.
Toentertijd had ik veel ontzag voor mijn grote vriend Basilius, omdat ik de ernst zag van zijn leefwijze en de rijpheid van zijn woord. Bovendien probeerde ik andere jonge mensen die ik ontmoette en die hem niet kenden, over te halen tot dezelfde houding. Bij de meesten stond hij direct hoog in aanzien: zijn faam was hem vooruitgegaan.
Wat gebeurde er toen? Vrijwel als enige van de in Athene aangekomen studenten werd hij na zijn studies in Caesarea en in Constantinopel van de algemene regels voor de ontgroening van nieuwkomers vrijgesteld en een hogere positie waardig geacht.
Dit werd het begin van onze vriendschap.
Daarna gebeurde ongeveer het volgende. Want dit mag ik niet overslaan. De Armeniërs zijn, heb ik gemerkt, een niet eenvoudig volk maar veeleer gesloten en onoprecht. Toen kwamen enkele studenten bij hem, die hem al eerder kenden door een oude vriendschap aan de retoricaschool van zijn vader, want zij waren op die school geweest.
Zij wendden vriendschap voor, maar hun drijfveer was jaloezie, geen welwillendheid. Zij stelden hem geen steekhoudende maar gezochte vragen en probeerden hem zo bij de eerste aanval onderuit te halen. Want zij kenden zijn goede aanleg van vroeger en waren afgunstig op de toen verworven eer. Het was natuurlijk verschrikkelijk dat zij die al eerder de filosofenmantel ontvangen hadden en zich geoefend hadden in het uitkramen van woorden, het nu moesten afleggen tegen een nieuwkomer van elders.
Maar ik was Atheens gezind en dom, zodat ik de afgunst niet opmerkte en vertrouwen had in hun voorwendsels. Toen echter kreeg ik het geheim van de discussies door - het kon trouwens niet verborgen blijven en kwam duidelijk aan het licht. Ik veranderde onmiddellijk mijn standpunt, gooide het roer om en viel hem bij. Hij vatte moed, sloeg hen met argumenten om de oren en liet hen niet los voordat zij volledig op de vlucht sloegen.
Toen wij na enige tijd elkaar onze idealen bekend maakten en wisten dat de filosofie ons beider doel was, toen waren wij alles voor elkaar: wij woonden onder hetzelfde dak en aten aan dezelfde tafel; één van hart waren wij, gericht op éénzelfde doel; en met de dag werd ons wederzijds streven sterker.
Het was voor ons beiden een wedstrijd, niet om de eerste prijs te behalen, maar om die aan de ander te geven. Want het aanzien dat de ander bereikte, beschouwden wij als onze eigen eer. Wij schenen maar één ziel te hebben, al leefden wij in twee lichamen. Slechts voor één zaak zetten wij ons in: de deugd en het leven, gericht op de verwachtingen van de toekomstige eeuw. En als dit niet te groots is om te zeggen, wij waren voor elkaar meetlat en paslood om recht van krom te onderscheiden.
Laat ieder een achternaam dragen die hij van zijn vader gekregen heeft, of een titel die hij zichzelf door eigen inspanning heeft verworven, het belangrijkste voor ons was het toen christen te zijn en die naam te dragen.

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Hebdomada XVII per annum feria III Seminate vobis ipsis in iustitiam. Strooi uw zaad in gerechtigheid uit.




Lectio altera

Ex Homilíis sancti Basilíi Magni epíscopi
(Hom. 6 De caritate, 3. 6: PG 31, 266-267. 275)

Tweede lezing
Uit de Homilieën van de H. Basilius de Grote, bisschop
(Hom. 6 De caritate, 3. 6: PG 31, 266-267. 275)

Strooi uw zaad in gerechtigheid uit

Volg, o mens, de aarde na; breng vrucht voort zoals zij, om niet slechter te schijnen dan dit onbezielde wezen. Zij toch brengt vruchten voort, niet om er zelf van te genieten maar om ze voor u dienstbaar te maken. Maar als gij een vrucht zoudt voortbrengen van uw weldadigheid, zoudt ge die voor uzelf hebben verzameld, omdat de dank en de beloning voor de goede werken wordt teruggebracht naar de weldoeners. Gij hebt de hongerige te eten gegeven en wat ge gegeven hebt wordt het uwe en keert nog verrijkt tot u terug. Want zoals graan, dat in de aarde valt, in winst verkeert voor wie het uitzaait, zo zal het brood aan een hongerige voorgezet u later een groot gewin opleveren. Laat dus het doel van uw akkerbouw voor u het begin zijn van een hemels zaad. Want, zegt de profeet Hosea: Strooi uw zaad in gerechtigheid uit.

Ge zult hier op aarde uw geld achterlaten, zelfs tegen uw wil in, maar eer, die ge om uw goede werken verworven hebt, zult ge de Heer toekennen, wanneer namelijk bij het algemeen oordeel het  volk om u heen zal staan en u hun verzorger en weldoener zal noemen en u alle namen geven, die op menselijkheid en welwillendheid wijzen. Of ziet gij niet, dat zij, die voor het bezoek aan de theaters, aan het worstel- en vuistgevecht, aan de kluchtspelen, aan de worstelaars met wilde dieren, wier aanzien alleen al door iedereen wordt veracht, om een korte roem en luide toejuichingen van het volk schatten vergooien?

Zijt gij echter spaarzaam in uw uitgaven, waaruit ge toch zo’n grote glorie zult verkrijgen? Gij zult welgevallig zijn, de engelen zullen u prijzen, alle mensen van het begin der wereld af zullen u zaligspreken. Ge zult de eeuwige glorie ontvangen, de krans der gerechtigheid, het rijk der hemelen, als beloning voor de vergankelijke dingen, die ge goed gebruikt hebt. Hierover zult ge dan geen zorg hebben, dat gij die goederen, die in het toekomstige leven zijn gelegen, veracht wegens uw bezorgdheid voor de aanwezige. Welaan dan, deel uw rijkdommen op verschillende manieren uit, wees vrijgevig en munt uit in mildheid jegens de armen. Laat ook van u gezegd kunnen worden: Milddadig deelde hij aan de armen uit; zijn gerechtigheid houdt in eeuwigheid stand.

Hoe dankbaar zoudt ge niet moeten zijn, als jegens een grote weldoener, hoe blij en verheugd om hem, die u eer geeft, omdat ge namelijk niet andermans deur platloopt, maar omdat de anderen bij u mogen komen? Maar nu toont ge u gemelijk en nauwelijks te benaderen; elke ontmoeting wijst ge af, om te voorkomen, dat ge misschien, hoe weinig ook, zult moeten geven. Ge kent maar één antwoord: ‘Ik heb niets te geven, want ik ben arm’. Ja, ge zijt waarlijk arm en verstoken van alle goed, arm aan liefde, arm aan menselijkheid, arm aan geloof in God, arm aan hoop op de eeuwigheid.


Liturgia Horarum Basilius de Grote De kracht om te beminnen is als een zaad in ons gelegd

De H. Basilius de Grote:

De kracht om te beminnen is als een zaad in ons gelegd

De liefde tot God is zeker niet gelegen in de geboden van de leer. Wij hebben toch ook niet van een ander geleerd te genieten van het licht, of het leven te verlangen of onze ouders of opvoeders te beminnen. Zo dan ook, en wel des te meer, is de liefde tot God niet gelegen in een uitwendige leefwijze, maar tegelijk met het ontstaan van dat dierlijk wezen (ik bedoel de mens) [animal = wezen bezield met anima = licht, leven, levensbeginsel, het dierlijke fysieke leven] werd ons een zekere redelijke kracht als een zaad ingestort, die in zich het vermogen en de noodzaak bevat om te beminnen. Waar men in de school van de goddelijke geboden deze kracht opvangt, tracht men haar ijverig te ontwikkelen, kundig te voeden en met Gods hulp tot volmaaktheid te brengen.
Daarom zijn ook wij het ermee eens, dat uw streven noodzakelijk is om het doel te bereiken, en zullen wij trachten met Gods hulp en met die van uw eigen gebeden de vonk van de goddelijke liefde, die in u verborgen is, naar het vermogen, dat de heilige Geest ons geeft, te doen opvlammen.
Laten wij beginnen met te zeggen, dat wij de kracht en het vermogen om alle geboden die ons door God zijn gegeven, te onderhouden  van Hemzelf van te voren hebben ontvangen. Zodat wij niet te klagen hebben alsof er iets ongewoons van ons geëist wordt, noch dat wij geroemd zouden worden, alsof wij iets meer zouden teruggeven dan wat ons gegeven is. En als wij die vermogens op een goede en geschikte manier gebruiken, zullen wij ons leven met deugden versierd godsvruchtig leiden. Maar als wij een slecht gebruik van die vermogens maken, zullen wij in ondeugd vervallen.
De definitie van ondeugd is deze: een slecht gebruik van vermogens, die ons door God gegeven zijn om het goede te doen, welk gebruik in strijd is met de geboden van de Heer. Zoals daarentegen de definitie van deugd, die God verlangt, deze is: een uit een goed geweten voortkomend gebruik van diezelfde vermogens volgens het gebod van de Heer.
Daar dit zo is, kunnen wij hetzelfde zeggen over de liefde. Omdat wij immers het gebod ontvangen hebben om God te beminnen, hebben wij direct bij het begin van ons zijn de innerlijke kracht en het vermogen ontvangen om te beminnen. Hiervoor wordt verder geen bewijs gevraagd van uitwendige argumenten, maar ieder kan dit uit zichzelf en in zichzelf te weten komen. Immers, wij verlangen van nature goede en mooie zaken, hoewel voor de een dit, voor de ander dat als mooi en goed wordt beschouwd. Eveneens beminnen wij hem, met wie wij uit noodzaak of verwantschap verbonden zijn, ofschoon wij dit niet geleerd hebben, en weldoeners bejegenen wij spontaan met al onze welwillendheid.
Maar, zo vraag ik, is er wel iets bewonderenswaardigers dan de goddelijke schoonheid? Welke gedachte is aangenamer en welgevalliger dan de heerlijkheid van God? Welk zielsverlangen is zó hevig en onstuimig als dat, wat door God ingeplant wordt in een ziel, die van elke ondeugd gezuiverd is en die met oprechte liefde kan zeggen: Ik ben door liefde gewond?  Volkomen onuitsprekelijk en onbeschrijfelijk is de glans van de goddelijke schoonheid.

(Uit het Commentaar op de Regels, Resp. 2, 1: PG 31, 908-910)

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Die 2 ianuarii 2018 Ss. Basilii Magni t Gregorii Nazianzeni, Episcoporum et Ecclesiæ Doctorum Memoria Quasi una anima, duo corpora ferens



Ad Officium lectionis

Introductio
Basilius natus est Cæsareæ in Cappadocia anno 330 ex familia christiana; litteris eruditus et virtutibus micans, vitam eremiticam agere cœpit, sed anno 370 episcopus suæ civitatis factus est. Contra Arianos pugnavit; multa egregie scripsit, et præcipue monasticas regulas, quibus plurimi orientales monachi etiam nunc astringuntur; egenos magnopere iuvit. Mortuus est anno 379, die 1 ianuarii.
Gregorius eodem anno 330 prope Nazianzum natus, multas peregrinationes suscepit ad scientiam acquirendam. Amicum Basilium in solitudine secutus est, sed presbyter et episcopus ordinatus est. Anno 381 episcopus Constantinopolitanus electus est; attamen, propter factiones Ecclesiam suam dividentes, Nazianzum recessit, ubi mortuus est die 25 ianuarii anni 389 vel 390. Eximiæ doctrinæ et eloquentiæ gratia, theologus vocatus est.
Lectio altera
Ex Oratiónibus sancti Gregórii Nazianzéni epíscopi
(Oratio 43, in laudem Basilii Magni, 15. 16-17. 19-21: PG 36, 514-523)

Inleiding
Basilius, in 330 uit christelijke ouders geboren te Cesarea in Cappadocië, onderscheidde zich bijzonder door wetenschap en deugd. Na zijn studiejaren leidde hij een verstorven leven in de eenzaamheid, maar in 370 werd hij bisschop van zijn geboortestad. Krachtig bestreed hij de dwaalleer van de Arianen. Onder zijn vele en belangrijke geschriften nemen zijn regels voor de monniken een geheel eigen plaats in: nu nog worden zij door monniken in het Oosten onderhouden. Voor de armen toonde hij zich een vader. Hij stierf op 1 januari 379.
Eveneens in 330 werd Gregorius geboren nabij Nazianze. Voordat hij zijn vriend Basilius in de eenzaamheid volgde, had hij op vele reizen zijn geest verrijkt met kennis en wetenschap. Priester en bisschop gewijd, werd hij in 381 gekozen tot bisschop van Constantinopel, maar toen zijn kerk door partijtwisten verdeeld werd, trok hij zich terug in Nazianze, waar hij op 25 januari 389 of 390 stierf. Om zijn hoogstaande leer en zijn grote welsprekendheid wordt hij Gregorius de theoloog genoemd.
Tweede lezing
Uit een lofrede van de heilige Gregorius, bisschop van Nazianze († 390) op Basilius de Grote
Basilius en ik schenen maar één ziel te hebben, al leefden wij in twee lichamen.
Basilius en ik troffen elkaar in Athene. Als stromen van een rivier waren wij vanaf de ene bron, ons vaderland Kappadocië, omwille van onze opvoeding in verschillende richtingen uiteengegaan naar het buitenland en wij waren weer samengekomen. Het leek een afspraak, maar God had ons zo geleid.

Toentertijd had ik veel ontzag voor mijn grote vriend Basilius, omdat ik de ernst zag van zijn leefwijze en de rijpheid van zijn woord. Bovendien probeerde ik andere jonge mensen die ik ontmoette en die hem niet kenden, over te halen tot dezelfde houding. Bij de meesten stond hij direct hoog in aanzien: zijn faam was hem vooruitgegaan.

Wat gebeurde er toen? Vrijwel als enige van de in Athene aangekomen studenten werd hij na zijn studies in Caesarea en in Constantinopel van de algemene regels voor de ontgroening van nieuwkomers vrijgesteld en een hogere positie waardig geacht.

Dit werd het begin van onze vriendschap.
Daarna gebeurde ongeveer het volgende. Want dit mag ik niet overslaan. De Armeniërs zijn, heb ik gemerkt, een niet eenvoudig volk maar veeleer gesloten en onoprecht. Toen kwamen enkele studenten bij hem, die hem al eerder kenden door een oude vriendschap aan de retoricaschool van zijn vader, want zij waren op die school geweest.

Zij wendden vriendschap voor, maar hun drijfveer was jaloezie, geen welwillendheid. Zij stelden hem geen steekhoudende maar gezochte vragen en probeerden hem zo bij de eerste aanval onderuit te halen. Want zij kenden zijn goede aanleg van vroeger en waren afgunstig op de toen verworven eer. Het was natuurlijk verschrikkelijk dat zij die al eerder de filosofenmantel ontvangen hadden en zich geoefend hadden in het uitkramen van woorden, het nu moesten afleggen tegen een nieuwkomer van elders.

Maar ik was Atheens gezind en dom, zodat ik de afgunst niet opmerkte en vertrouwen had in hun voorwendsels. Toen echter kreeg ik het geheim van de discussies door - het kon trouwens niet verborgen blijven en kwam duidelijk aan het licht. Ik veranderde onmiddellijk mijn standpunt, gooide het roer om en viel hem bij. Hij vatte moed, sloeg hen met argumenten om de oren en liet hen niet los voordat zij volledig op de vlucht sloegen.

Toen wij na enige tijd elkaar onze idealen bekend maakten en wisten dat de filosofie ons beider doel was, toen waren wij alles voor elkaar: wij woonden onder hetzelfde dak en aten aan dezelfde tafel; één van hart waren wij, gericht op éénzelfde doel; en met de dag werd ons wederzijds streven sterker.

Het was voor ons beiden een wedstrijd, niet om de eerste prijs te behalen, maar om die aan de ander te geven. Want het aanzien dat de ander bereikte, beschouwden wij als onze eigen eer. Wij schenen maar één ziel te hebben, al leefden wij in twee lichamen. Slechts voor één zaak zetten wij ons in: de deugd en het leven, gericht op de verwachtingen van de toekomstige eeuw. En als dit niet te groots is om te zeggen, wij waren voor elkaar meetlat en paslood om recht van krom te onderscheiden.

Laat ieder een achternaam dragen die hij van zijn vader gekregen heeft, of een titel die hij zichzelf door eigen inspanning heeft verworven, het belangrijkste voor ons was het toen christen te zijn en die naam te dragen.

Huiszegen 2020 Christus zegene dit huis Christus Mansionem Benedicat


Het is een goede gewoonte om bij gelegenheid van het nieuwe jaar het huis te laten zegenen.

Op de deurpost aan de ingang van ieders huis wordt op Driekoningen het jaartal geschreven (met kalk/krijt) en daarbij de letters C+M+B.

Het opschrift blijft volgens de traditie staan tot het feest van Pinksteren als uitdrukking van het christelijk geloof van de bewoners van het huis en als bescherming tegen de machten van het kwaad.
In de tijd dat er nog geen gedrukte kalender waren, was dit ook de dag dat de priester de datum van Pasen bekend maakte.

C+M+B : 3 Wijzen Caspar + Melchior + Balthasar
Deze letters worden in verband gebracht met de  wijzen (koningen)  uit het oosten: Caspar, Melchior en Balthasar.

C+M+B : Zegentekst Christus Mansionem Benedicat
Deze letters vormen ook het acrostychon en zijn de beginletters van de zegentekst “Christus Mansionem Benedicat”,
Dit betekent:  “Christus zegene dit huis”.

Gebed: U God, almachtige Vader, smeken wij ootmoedig voor dit huis, voor zijn bewoners en voor al wat er in is: opdat Gij U moogt gewaardigen het te zegenen en te heiligen en met alle goed te verrijken: geef hun, Heer, van de dauw des hemels overvloed en van de vruchtbaarheid der aarde levensonderhoud, en gelief de verlangens van hun gebed tot het uitwerksel uwer erbarming te geleiden. Gewaardig U dus bij onze intrede in dit huis te zegenen en te heiligen, gelijk Gij U gewaardigd hebt te zegenen het huis van Abraham, Isaac en Jacob. En mogen binnen de wanden van dit huis de engelen van uw licht wonen en het en zijn bewoners bewaren. Door Christus onze Heer. Amen.