Basilius, in 330 uit christelijke ouders geboren te Cesarea in Cappadocië, onderscheidde zich bijzonder door wetenschap en deugd. Na zijn studiejaren leidde hij een verstorven leven in de eenzaamheid, maar in 370 werd hij bisschop van zijn geboortestad. Krachtig bestreed hij de dwaalleer van de Arianen. Onder zijn vele en belangrijke geschriften nemen zijn regels voor de monniken een geheel eigen plaats in: nu nog worden zij door monniken in het Oosten onderhouden. Voor de armen toonde hij zich een vader. Hij stierf op 1 januari 379.
Eveneens in 330 werd Gregorius geboren nabij Nazianze. Voordat hij zijn vriend Basilius in de eenzaamheid volgde, had hij op vele reizen zijn geest verrijkt met kennis en wetenschap. Priester en bisschop gewijd, werd hij in 381 gekozen tot bisschop van Constantinopel, maar toen zijn kerk door partijtwisten verdeeld werd, trok hij zich terug in Nazianze, waar hij op 25 januari 389 of 390 stierf. Om zijn hoogstaande leer en zijn grote welsprekendheid wordt hij Gregorius de theoloog genoemd.
God, de heilige Basilius en Gregorius zijn door hun
woord en leven een licht voor uw kerk geweest. Wij bidden U: laat ons uw
woord aanvaarden en ernaar handelen, vol liefde voor onze medemens.
donderdag 2 januari 2020
Reportage afgevallen wijzer op torenklok Basiliek - Kerkmeester bijna gespietst
![]() |
| gevallen wijzer voorkant |
![]() |
| gevallen wijzer achterkant |
![]() |
| klok zonder grote wijzer |
woensdag 1 januari 2020
Liturgia Horarum - Wij schenen maar één ziel te hebben, al leefden wij in twee lichamen.
![]() |
| HH. Basilius,Gregorius en Chrysosthomos |
Uit een lofrede van de heilige Gregorius, bisschop van Nazianze († 390) op Basilius de Grote
Basilius en ik schenen maar één ziel te hebben, al leefden wij in twee lichamen.
Basilius
en ik troffen elkaar in Athene. Als stromen van een rivier waren wij
vanaf de ene bron, ons vaderland Kappadocië, omwille van onze opvoeding
in verschillende richtingen uiteengegaan naar het buitenland en wij
waren weer samengekomen. Het leek een afspraak, maar God had ons zo
geleid.
Toentertijd had ik veel ontzag voor mijn
grote vriend Basilius, omdat ik de ernst zag van zijn leefwijze en de
rijpheid van zijn woord. Bovendien probeerde ik andere jonge mensen die
ik ontmoette en die hem niet kenden, over te halen tot dezelfde houding.
Bij de meesten stond hij direct hoog in aanzien: zijn faam was hem
vooruitgegaan.
Wat gebeurde er toen? Vrijwel als
enige van de in Athene aangekomen studenten werd hij na zijn studies in
Caesarea en in Constantinopel van de algemene regels voor de
ontgroening van nieuwkomers vrijgesteld en een hogere positie waardig
geacht.
Dit werd het begin van onze vriendschap.
Daarna
gebeurde ongeveer het volgende. Want dit mag ik niet overslaan. De
Armeniërs zijn, heb ik gemerkt, een niet eenvoudig volk maar veeleer
gesloten en onoprecht. Toen kwamen enkele studenten bij hem, die hem al
eerder kenden door een oude vriendschap aan de retoricaschool van zijn
vader, want zij waren op die school geweest.
Zij
wendden vriendschap voor, maar hun drijfveer was jaloezie, geen
welwillendheid. Zij stelden hem geen steekhoudende maar gezochte vragen
en probeerden hem zo bij de eerste aanval onderuit te halen. Want zij
kenden zijn goede aanleg van vroeger en waren afgunstig op de toen
verworven eer. Het was natuurlijk verschrikkelijk dat zij die al eerder
de filosofenmantel ontvangen hadden en zich geoefend hadden in het
uitkramen van woorden, het nu moesten afleggen tegen een nieuwkomer van
elders.
Maar ik was Atheens gezind en dom, zodat
ik de afgunst niet opmerkte en vertrouwen had in hun voorwendsels. Toen
echter kreeg ik het geheim van de discussies door - het kon trouwens
niet verborgen blijven en kwam duidelijk aan het licht. Ik veranderde
onmiddellijk mijn standpunt, gooide het roer om en viel hem bij. Hij
vatte moed, sloeg hen met argumenten om de oren en liet hen niet los
voordat zij volledig op de vlucht sloegen.
Toen
wij na enige tijd elkaar onze idealen bekend maakten en wisten dat de
filosofie ons beider doel was, toen waren wij alles voor elkaar: wij
woonden onder hetzelfde dak en aten aan dezelfde tafel; één van hart
waren wij, gericht op éénzelfde doel; en met de dag werd ons wederzijds
streven sterker.
Het was voor ons beiden een
wedstrijd, niet om de eerste prijs te behalen, maar om die aan de ander
te geven. Want het aanzien dat de ander bereikte, beschouwden wij als
onze eigen eer. Wij schenen maar één ziel te hebben, al leefden wij in
twee lichamen. Slechts voor één zaak zetten wij ons in: de deugd en het
leven, gericht op de verwachtingen van de toekomstige eeuw. En als dit
niet te groots is om te zeggen, wij waren voor elkaar meetlat en paslood
om recht van krom te onderscheiden.
Laat ieder
een achternaam dragen die hij van zijn vader gekregen heeft, of een
titel die hij zichzelf door eigen inspanning heeft verworven, het
belangrijkste voor ons was het toen christen te zijn en die naam te
dragen.
Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Hebdomada XVII per annum feria III Seminate vobis ipsis in iustitiam. Strooi uw zaad in gerechtigheid uit.
Lectio altera
Ex Homilíis
sancti Basilíi Magni epíscopi
(Hom. 6 De caritate, 3. 6: PG 31,
266-267. 275)
Tweede lezing
Uit de Homilieën van de H.
Basilius de Grote, bisschop
(Hom. 6 De caritate, 3. 6: PG 31, 266-267. 275)
Strooi uw zaad in gerechtigheid uit
Volg, o mens, de aarde na;
breng vrucht voort zoals zij, om niet slechter te schijnen dan dit onbezielde
wezen. Zij toch brengt vruchten voort, niet om er zelf van te genieten maar om
ze voor u dienstbaar te maken. Maar als gij een vrucht zoudt voortbrengen van
uw weldadigheid, zoudt ge die voor uzelf hebben verzameld, omdat de dank en de
beloning voor de goede werken wordt teruggebracht naar de weldoeners. Gij hebt
de hongerige te eten gegeven en wat ge gegeven hebt wordt het uwe en keert nog
verrijkt tot u terug. Want zoals graan, dat in de aarde valt, in winst verkeert
voor wie het uitzaait, zo zal het brood aan een hongerige voorgezet u later een
groot gewin opleveren. Laat dus het doel van uw akkerbouw voor u het begin zijn
van een hemels zaad. Want, zegt de profeet Hosea: Strooi uw zaad in gerechtigheid uit.
Ge zult hier op aarde uw
geld achterlaten, zelfs tegen uw wil in, maar eer, die ge om uw goede werken
verworven hebt, zult ge de Heer toekennen, wanneer namelijk bij het algemeen
oordeel het volk om u heen zal staan en
u hun verzorger en weldoener zal noemen en u alle namen geven, die op
menselijkheid en welwillendheid wijzen. Of ziet gij niet, dat zij, die voor het
bezoek aan de theaters, aan het worstel- en vuistgevecht, aan de kluchtspelen,
aan de worstelaars met wilde dieren, wier aanzien alleen al door iedereen wordt
veracht, om een korte roem en luide toejuichingen van het volk schatten
vergooien?
Zijt gij echter spaarzaam in
uw uitgaven, waaruit ge toch zo’n grote glorie zult verkrijgen? Gij zult
welgevallig zijn, de engelen zullen u prijzen, alle mensen van het begin der
wereld af zullen u zaligspreken. Ge zult de eeuwige glorie ontvangen, de krans
der gerechtigheid, het rijk der hemelen, als beloning voor de vergankelijke
dingen, die ge goed gebruikt hebt. Hierover zult ge dan geen zorg hebben, dat
gij die goederen, die in het toekomstige leven zijn gelegen, veracht wegens uw
bezorgdheid voor de aanwezige. Welaan dan, deel uw rijkdommen op verschillende
manieren uit, wees vrijgevig en munt uit in mildheid jegens de armen. Laat ook
van u gezegd kunnen worden: Milddadig
deelde hij aan de armen uit; zijn gerechtigheid houdt in eeuwigheid stand.
Hoe dankbaar zoudt ge niet
moeten zijn, als jegens een grote weldoener, hoe blij en verheugd om hem, die u
eer geeft, omdat ge namelijk niet andermans deur platloopt, maar omdat de
anderen bij u mogen komen? Maar nu toont ge u gemelijk en nauwelijks te
benaderen; elke ontmoeting wijst ge af, om te voorkomen, dat ge misschien, hoe
weinig ook, zult moeten geven. Ge kent maar één antwoord: ‘Ik heb niets te
geven, want ik ben arm’. Ja, ge zijt waarlijk arm en verstoken van alle goed,
arm aan liefde, arm aan menselijkheid, arm aan geloof in God, arm aan hoop op
de eeuwigheid.
Liturgia Horarum Basilius de Grote De kracht om te beminnen is als een zaad in ons gelegd
De H.
Basilius de Grote:
De kracht om te beminnen is als een zaad in ons gelegd
De liefde tot God is zeker niet
gelegen in de geboden van de leer. Wij hebben toch ook niet van een ander geleerd
te genieten van het licht, of het leven te verlangen of onze ouders of
opvoeders te beminnen. Zo dan ook, en wel des te meer, is de liefde tot God
niet gelegen in een uitwendige leefwijze, maar tegelijk met het ontstaan van
dat dierlijk wezen (ik bedoel de mens) [animal
= wezen bezield met anima = licht,
leven, levensbeginsel, het dierlijke fysieke leven] werd ons een zekere
redelijke kracht als een zaad ingestort, die in zich het vermogen en de
noodzaak bevat om te beminnen. Waar men in de school van de goddelijke geboden
deze kracht opvangt, tracht men haar ijverig te ontwikkelen, kundig te voeden
en met Gods hulp tot volmaaktheid te brengen.
Daarom zijn ook wij het ermee
eens, dat uw streven noodzakelijk is om het doel te bereiken, en zullen wij trachten
met Gods hulp en met die van uw eigen gebeden de vonk van de goddelijke liefde,
die in u verborgen is, naar het vermogen, dat de heilige Geest ons geeft, te
doen opvlammen.
Laten wij beginnen met te zeggen,
dat wij de kracht en het vermogen om alle geboden die ons door God zijn
gegeven, te onderhouden van Hemzelf van
te voren hebben ontvangen. Zodat wij niet te klagen hebben alsof er iets
ongewoons van ons geëist wordt, noch dat wij geroemd zouden worden, alsof wij
iets meer zouden teruggeven dan wat ons gegeven is. En als wij die vermogens op
een goede en geschikte manier gebruiken, zullen wij ons leven met deugden
versierd godsvruchtig leiden. Maar als wij een slecht gebruik van die vermogens
maken, zullen wij in ondeugd vervallen.
De definitie van ondeugd is deze:
een slecht gebruik van vermogens, die ons door God gegeven zijn om het goede te
doen, welk gebruik in strijd is met de geboden van de Heer. Zoals daarentegen
de definitie van deugd, die God verlangt, deze is: een uit een goed geweten voortkomend
gebruik van diezelfde vermogens volgens het gebod van de Heer.
Daar dit zo is, kunnen wij
hetzelfde zeggen over de liefde. Omdat wij immers het gebod ontvangen hebben om
God te beminnen, hebben wij direct bij het begin van ons zijn de innerlijke kracht
en het vermogen ontvangen om te beminnen. Hiervoor wordt verder geen bewijs
gevraagd van uitwendige argumenten, maar ieder kan dit uit zichzelf en in
zichzelf te weten komen. Immers, wij verlangen van nature goede en mooie zaken,
hoewel voor de een dit, voor de ander dat als mooi en goed wordt beschouwd.
Eveneens beminnen wij hem, met wie wij uit noodzaak of verwantschap verbonden
zijn, ofschoon wij dit niet geleerd hebben, en weldoeners bejegenen wij
spontaan met al onze welwillendheid.
Maar, zo vraag ik, is er wel iets
bewonderenswaardigers dan de goddelijke schoonheid? Welke gedachte is
aangenamer en welgevalliger dan de heerlijkheid van God? Welk zielsverlangen is
zó hevig en onstuimig als dat, wat door God ingeplant wordt in een ziel, die
van elke ondeugd gezuiverd is en die met oprechte liefde kan zeggen: Ik ben door liefde gewond? Volkomen onuitsprekelijk en onbeschrijfelijk
is de glans van de goddelijke schoonheid.
(Uit het Commentaar op de Regels, Resp. 2, 1: PG 31, 908-910)
Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Die 2 ianuarii 2018 Ss. Basilii Magni t Gregorii Nazianzeni, Episcoporum et Ecclesiæ Doctorum Memoria Quasi una anima, duo corpora ferens
Ad Officium lectionis
Introductio
Basilius natus est Cæsareæ in
Cappadocia anno 330 ex familia christiana; litteris eruditus et virtutibus
micans, vitam eremiticam agere cœpit, sed anno 370 episcopus suæ civitatis
factus est. Contra Arianos pugnavit; multa egregie scripsit, et præcipue
monasticas regulas, quibus plurimi orientales monachi etiam nunc astringuntur;
egenos magnopere iuvit. Mortuus est anno 379, die 1 ianuarii.
Gregorius eodem anno 330 prope Nazianzum natus, multas
peregrinationes suscepit ad scientiam acquirendam. Amicum Basilium in
solitudine secutus est, sed presbyter et episcopus ordinatus est. Anno 381
episcopus Constantinopolitanus electus est; attamen, propter factiones
Ecclesiam suam dividentes, Nazianzum recessit, ubi mortuus est die 25 ianuarii
anni 389 vel 390. Eximiæ doctrinæ et eloquentiæ gratia, theologus
vocatus est.
Lectio
altera
Ex Oratiónibus sancti
Gregórii Nazianzéni epíscopi
(Oratio 43, in laudem Basilii Magni, 15. 16-17. 19-21: PG 36,
514-523)
Inleiding
Basilius, in 330 uit christelijke ouders geboren te
Cesarea in Cappadocië, onderscheidde zich bijzonder door wetenschap en deugd.
Na zijn studiejaren leidde hij een verstorven leven in de eenzaamheid, maar in
370 werd hij bisschop van zijn geboortestad. Krachtig bestreed hij de dwaalleer
van de Arianen. Onder zijn vele en belangrijke geschriften nemen zijn regels
voor de monniken een geheel eigen plaats in: nu nog worden zij door monniken in
het Oosten onderhouden. Voor de armen toonde hij zich een vader. Hij stierf op
1 januari 379.
Eveneens in 330 werd Gregorius geboren nabij Nazianze.
Voordat hij zijn vriend Basilius in de eenzaamheid volgde, had hij op vele
reizen zijn geest verrijkt met kennis en wetenschap. Priester en bisschop
gewijd, werd hij in 381 gekozen tot bisschop van Constantinopel, maar toen zijn
kerk door partijtwisten verdeeld werd, trok hij zich terug in Nazianze, waar
hij op 25 januari 389 of 390 stierf. Om zijn hoogstaande leer en zijn grote
welsprekendheid wordt hij Gregorius de theoloog genoemd.
Tweede
lezing
Uit een lofrede van de heilige
Gregorius, bisschop van Nazianze († 390) op Basilius de Grote
Basilius en ik schenen maar één ziel
te hebben, al leefden wij in twee lichamen.
Basilius en ik
troffen elkaar in Athene. Als stromen van een rivier waren wij vanaf de ene
bron, ons vaderland Kappadocië, omwille van onze opvoeding in verschillende
richtingen uiteengegaan naar het buitenland en wij waren weer samengekomen. Het
leek een afspraak, maar God had ons zo geleid.
Toentertijd had
ik veel ontzag voor mijn grote vriend Basilius, omdat ik de ernst zag van zijn
leefwijze en de rijpheid van zijn woord. Bovendien probeerde ik andere jonge
mensen die ik ontmoette en die hem niet kenden, over te halen tot dezelfde
houding. Bij de meesten stond hij direct hoog in aanzien: zijn faam was hem
vooruitgegaan.
Wat gebeurde er
toen? Vrijwel als enige van de in Athene aangekomen studenten werd hij na zijn
studies in Caesarea en in Constantinopel van de algemene regels voor de
ontgroening van nieuwkomers vrijgesteld en een hogere positie waardig geacht.
Dit werd het
begin van onze vriendschap.
Daarna gebeurde
ongeveer het volgende. Want dit mag ik niet overslaan. De Armeniërs zijn, heb
ik gemerkt, een niet eenvoudig volk maar veeleer gesloten en onoprecht. Toen
kwamen enkele studenten bij hem, die hem al eerder kenden door een oude
vriendschap aan de retoricaschool van zijn vader, want zij waren op die school
geweest.
Zij wendden
vriendschap voor, maar hun drijfveer was jaloezie, geen welwillendheid. Zij
stelden hem geen steekhoudende maar gezochte vragen en probeerden hem zo bij de
eerste aanval onderuit te halen. Want zij kenden zijn goede aanleg van vroeger
en waren afgunstig op de toen verworven eer. Het was natuurlijk verschrikkelijk
dat zij die al eerder de filosofenmantel ontvangen hadden en zich geoefend
hadden in het uitkramen van woorden, het nu moesten afleggen tegen een
nieuwkomer van elders.
Maar ik was
Atheens gezind en dom, zodat ik de afgunst niet opmerkte en vertrouwen had in
hun voorwendsels. Toen echter kreeg ik het geheim van de discussies door - het
kon trouwens niet verborgen blijven en kwam duidelijk aan het licht. Ik
veranderde onmiddellijk mijn standpunt, gooide het roer om en viel hem bij. Hij
vatte moed, sloeg hen met argumenten om de oren en liet hen niet los voordat
zij volledig op de vlucht sloegen.
Toen wij na
enige tijd elkaar onze idealen bekend maakten en wisten dat de filosofie ons
beider doel was, toen waren wij alles voor elkaar: wij woonden onder hetzelfde
dak en aten aan dezelfde tafel; één van hart waren wij, gericht op éénzelfde
doel; en met de dag werd ons wederzijds streven sterker.
Het was voor
ons beiden een wedstrijd, niet om de eerste prijs te behalen, maar om die aan
de ander te geven. Want het aanzien dat de ander bereikte, beschouwden wij als
onze eigen eer. Wij schenen maar één ziel te hebben, al leefden wij in twee lichamen.
Slechts voor één zaak zetten wij ons in: de deugd en het leven, gericht op de
verwachtingen van de toekomstige eeuw. En als dit niet te groots is om te
zeggen, wij waren voor elkaar meetlat en paslood om recht van krom te
onderscheiden.
Laat ieder een
achternaam dragen die hij van zijn vader gekregen heeft, of een titel die hij
zichzelf door eigen inspanning heeft verworven, het belangrijkste voor ons was
het toen christen te zijn en die naam te dragen.
Huiszegen 2020 Christus zegene dit huis Christus Mansionem Benedicat
Het is een goede gewoonte om bij gelegenheid van het nieuwe jaar het huis te laten zegenen.
Op de deurpost aan de ingang van ieders huis wordt op Driekoningen het jaartal geschreven (met kalk/krijt) en daarbij de letters C+M+B.
Het opschrift blijft volgens de traditie staan tot het feest van Pinksteren als uitdrukking van het christelijk geloof van de bewoners van het huis en als bescherming tegen de machten van het kwaad.
In de tijd dat er nog geen gedrukte kalender waren, was dit ook de dag dat de priester de datum van Pasen bekend maakte.
C+M+B : 3 Wijzen Caspar + Melchior + Balthasar
Deze letters worden in verband gebracht met de wijzen (koningen) uit het oosten: Caspar, Melchior en Balthasar.
C+M+B : Zegentekst Christus Mansionem Benedicat
Deze letters vormen ook het acrostychon en zijn de beginletters van de zegentekst “Christus Mansionem Benedicat”,
Dit betekent: “Christus zegene dit huis”.
Gebed: U God, almachtige Vader, smeken wij ootmoedig voor dit huis, voor zijn bewoners en voor al wat er in is: opdat Gij U moogt gewaardigen het te zegenen en te heiligen en met alle goed te verrijken: geef hun, Heer, van de dauw des hemels overvloed en van de vruchtbaarheid der aarde levensonderhoud, en gelief de verlangens van hun gebed tot het uitwerksel uwer erbarming te geleiden. Gewaardig U dus bij onze intrede in dit huis te zegenen en te heiligen, gelijk Gij U gewaardigd hebt te zegenen het huis van Abraham, Isaac en Jacob. En mogen binnen de wanden van dit huis de engelen van uw licht wonen en het en zijn bewoners bewaren. Door Christus onze Heer. Amen.
Abonneren op:
Posts (Atom)








