donderdag 11 februari 2016

John Henry Newman [1801-1890] Evening Prayer 2


O God, gave me grace at this time duty to confess my sins before you, and truly to repent of them. Blot out of your book, gracious Lord, all my manifold acts of sin committed against you. Forgive me all my wanderings in prayer, my sins of omission, my deliberate sins against conscience.
Give me eyes to see what is right, and a heart to follow it, and strength to perform it; and grant that I may in all things press forward in the work of sanctification and ever do your will, and at length through your mercy attain to the glories of your everlasting Kingdom through Jesus Christ our Lord.
Oxford 1828

John Henry Newman [1801-1890] A Prayer to The Eternal God



 To possess you, Lover of Souls, is happiness, and the only happiness of the immortal soul. To enjoy the sight of you is the only happiness of eternity. What can give me happiness but you? To see you, to contemplate you, this alone is inexhaustible. You indeed are unchangeable, yet in you there are always more glorious depths and more varied attributes to search into; we shall ever be beginning as if we had never gazed upon you.
How far am I from acting according to what I know so well! Rouse me from sloth and coldness, and make me desire Thee with my whole heart.

dinsdag 9 februari 2016

Liturgia Horarum Uit de Homilieën op Genesis, van Origenes, priester


Het offer van Abraham

Abraham nam hout voor het offer en gaf het zijn zoon Isaäk te dragen, zelf droeg hij het vuur en het mes, en zo gingen zij samen op weg. Het feit, dat Isaäk voor zichzelf het hout droeg voor het offer, is een voorafbeelding van het feit, dat ook Christus voor zichzelf het kruis droeg, en toch was het dragen van het hout voor het offer de taak van de priester. Hij werd dus zelf offer en priester. Maar ook hetgeen eraan wordt toegevoegd: en zij gingen samen op weg heeft hier zijn symbolische betekenis. Want omdat Abraham het vuur en het mes droeg als op weg om te gaan offeren, gaat Isaäk niet achter hem aan, maar naast hem mee, opdat zou blijken, dat hij met de ander gelijkelijk het priesterschap vervult.

En wat gebeurt daarna? Isaäk, zegt de Schrift, zei tot zijn vader Abraham: Vader! Dat woord van zijn zoon was voor hem op dat moment de stem van de bekoring. Want hoe denkt ge, dat zijn zoon, die geofferd moest worden, door dit woord het innerlijk van zijn vader heeft getroffen? En hoewel Abraham sterker was krachtens zijn geloof, antwoordde hij toch met hartelijke gevoeligheid: Wat is er, mijn jongen? De ander zei: Zie, we hebben wel vuur en offerhout, maar waar is het schaap voor het offer? Abraham antwoordde: God zelf zal wel voor het offerschaap zorgen, mijn kind.

Mij ontroert het liefdevolle en voorzichtige antwoord van Abraham. Ik weet niet, wat hij in de geest zag, omdat hij niet van het tegenwoordige, maar van het toekomstige zei: God zelf zal wel voor het offerdier zorgen. Zijn zoon, die iets vraagt over het tegenwoordige, antwoordt hij met iets, wat in de toekomst zal gebeuren. De Heer immers zorgde zelf voor zijn offerlam in Christus.

En Abraham strekte zijn hand uit, om het mes te grijpen en zijn zoon te doden. Daar riep de engel van de Heer uit de hemel hem toe en sprak: Abraham, Abraham! Deze zei: Hier ben ik. De engel sprak: Sla uw hand niet aan de knaap en doe hem geen kwaad. Want nu weet ik, dat gij God vreest. Vergelijken wij dit met de woorden van de Apostel, waar hij over God sprekend zegt: Die zijn eigen Zoon niet heeft gespaard, maar Hem voor ons heeft overgeleverd. Zie, hoe God in heerlijke vrijgevigheid strijdt met de mensen. Abraham biedt God zijn sterfelijke zoon aan, hoewel deze niet sterven zal, maar God levert zijn onsterfelijke Zoon over aan de dood voor allen.

Nu sloeg Abraham zijn ogen op en zag een ram, die met zijn horens in het struikgewas verward zat. We hebben, meen ik, zojuist gezegd, dat Isaäk het beeld van Christus in zich droeg, maar ook de ram schijnt hier evenzeer een voorafbeelding van Christus in zich te dragen. Maar hoe beide met Christus kunnen overeen komen, zowel Isaäk, die niet gedood werd, als de ram die geslacht werd, dat is de moeite waard te leren kennen. Christus is het Woord Gods maar het Woord is vlees geworden.

Christus dus leed, maar in het vlees; en hij onderging de dood; maar in het vlees, waarvan deze ram het beeld was, zoals ook Johannes zei: Zie het Lam Gods, dat de zonden van de wereld wegneemt. Het Woord echter bleef in onbederfelijkheid, dat naar de geest Christus is, wiens beeld in Isaäk wordt voorgesteld. Zo is Hij én Offerande én Hogepriester naar de geest. Want Die naar het vlees het Offer brengt aan de Vader, dié wordt op het altaar van het kruis geofferd.

[Hom.  8,6.8.9 : PG 12, 206-209]

maandag 8 februari 2016

Liturgia Horarum Begin van de Brief aan de Galaten 1, 1-12



Paulus, gezondene – niet vanwege mensen noch door een mens, maar door Jezus Christus en God, de Vader, die Hem uit de doden heeft opgewekt – en alle broeders die bij mij zijn, aan de kerken van Galatië.
Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus, die zichzelf voor onze zonden heeft gegeven om ons te ontrukken aan de tegenwoordige boze wereld, volgens de wil van God onze Vader, wie de heerlijkheid zij in de eeuwen der eeuwen! Amen.
Ik sta verbaasd, dat gij zo spoedig van Hem die u tot de genade geroepen heeft, afvalt om een ander evangelie te aanvaarden. Er bestáát geen ander. Er zijn alleen maar mensen die u in verwarring brengen en erop uit zijn het Evangelie van Christus te verdraaien. Maar ook al zouden wijzelf of een engel uit de hemel u  een evangelie verkondigen dat afwijkt van wat wij u hebben verkondigd, hij zij vervloekt! Wat ik vroeger al heb gezegd, herhaal ik nu: als iemand u een ander evangelie predikt dan gij hebt ontvangen, hij zij vervloekt!
Wie tracht ik nu voor mij te winnen, de mensen of God? Zoek ik soms de gunst van de mensen? Wilde ik nog mensen behagen, dan zou ik geen dienaar van Christus zijn. Ik verzeker u, broeders: het Evangelie dat ik verkondig heb, is niet naar de mens. Ik heb het ook niet van een mens ontvangen of geleerd, maar door een openbaring van Jezus Christus.

Uit een Commentaar op de ‘Brief aan de Galaten’ van de H. Augustinus bisschop

Laten wij begrip hebben voor Gods genade

De reden, waarom de Apostel aan de Galaten schrijft, is deze: dat zij zouden inzien, dat de genade Gods had bewerkt, dat zij niet langer onder de Wet stonden. Want toen hun de genade van het Evangelie was gepredikt, waren er onder hen uit de besnijdenis, die, hoewel christen met naam, toch nog niet de weldaad zelf van de genade konden vatten. Zij wilden nog onder de last van de Wet blijven, die God, de Heer hun had opgelegd, niet als dienaars van de gerechtigheid maar van de zonde, door hun een rechtvaardige Wet op te leggen voor onrechtvaardigen, om hun zo hun zonden te tonen, niet om deze weg te nemen. Want de zonde wordt alleen weggenomen door de genade van het geloof, dat werk door de liefde; onder deze genade waren de Galaten reeds gesteld. Die uit de besnijdenis wilden hen onder de lasten van de Wet stellen, met de bewering, dat het Evangelie hun niets kon baten, als zij zich niet lieten besnijden en zich onderwierpen aan de overige vleselijke voorschriften van de joodse Wet.

En zo werd de apostel Paulus verdacht gemaakt, door wie hun het Evangelie was gepredikt als iemand die zich niet hield aan de leer van de overige Apostelen, die de heidenen verplichtten volgens de joodse Wet te leven. Want de apostel Petrus had toegegeven aan de ergernissen van dat soort mensen en had zich tot veinzerij laten verleiden alsof hij van dezelfde mening was, dat namelijk het Evangelie voor de heidenen van geen nut was, als zij ook niet de lasten op zich namen van de Wet. Dezelfde apostel Paulus riep hem terug uit die veinzerij, zoals hij in deze brief leert. Eenzelfde kwestie komt ook ter sprake in zijn Brief aan de Romeinen; maar hier schijnt er enig verschil te bestaan, in zoverre hij in deze laatste het twistpunt zelf oplost en de strijd bijlegt, die ontstaan was tussen de gelovigen uit de joden en die uit de heidenen.

In deze brief echter aan de Galaten richt hij zich tot hen, die eigenlijk bezweken waren voor het gezag van die uit de joden, en die hen dwongen tot het onderhouden van de Wet. Want zij waren begonnen de anderen te geloven, alsof de apostel Paulus hun niet de waarheid had gepredikt, toen hij niet gewild had, dat zij werden besneden. En daarom begint hij aldus: Ik sta er verbaasd over, dat gij u zo vlug van hem, die u in de glorie van Christus geroepen heeft, laat overhalen tot een ander evangelie.

Door nu zo te beginnen duidt hij er in het kort op, wat hij hier wil gaan behandelen. Ook in de begroeting doet hij dit al als hij zegt dat hij een gezondene is niet vanwege mensen noch door een mens iets wat in geen enkele andere Brief voorkomt. Hier toont hij voldoende aan dat degene die zulke dingen beweren, niet van God waren maar van de mensen. En bij de overige Apostelen vergeleken, moet hij wat het gezag betreft van zijn evangelische getuigenis niet als de mindere worden beschouwd: want hij weet dat hij apostel is, niet vanwege mensen noch door een mens maar door Jezus Christus en God de Vader.

(Præfatio: PL 35, 2105-2107)

zondag 7 februari 2016

Overweging bij de lezingen van deze zondag

HOMILIE VIJFDE ZONDAG DOOR HET JAAR C 2016

Een kijkje in de hemel. Wie zou het geluk niet willen hebben om dat eens te mogen veleven. Het is eigenlijk onmogelijk om dat tafereel in menselijke woorden te omschrijven. In de prachtige rei van engelen in het toneelstuk Lucifer verwoordt onze grote dichter Joost van den Vondel wat hij heeft gelezen uit het visioen van de profeet Jesaia: "Heilig, heilig, nog eens heilig, driemaal heilig eer zij God. Buiten God is niemand veilig. Heilig is het groot gebod. In de slotapotheose van de prefatie stemmen wij ook wij in met de koren van de engelen, die staan voor Gods troon en zingen vol vreugde: Heilig, heilig, heilig. 
‘God zien’, is voor een sterveling niet weggelegd. Wel vertellen sommige mensen van hun Godservaring, want God is geen in zichzelf gekeerde God. Hij heeft zich niet opgesloten in de hemelse vesting. God is Liefde, dat wil zeggen, dat Hij altijd wegen zoekt om bij ons te zijn en ons te helpen. 

God wil ons laten blijken, dat onze menselijke situatie hem ter harte gaat. Daarom is Hij in Jezus mens onder mensen geworden. God wil ons leven delen. God is ook komen staan in die menselijke situatie die met kan vergelijken met die  smalle lijn tussen land en water aan de oever van het meer. Tussen storm en houvast, zoals wijzelf het leven ervaren.

Jezus vertoefde graag in het grensgebied tussen vaste grond en woelige zee. Zo zou men ook het menszijn kunnen omschrijven. Daar riep hij zijn eerste leerlingen. Vissers, harde werkers, natuurmensen. Op de grenslijn tussen houvast en risico verkondigde Jezus graag zijn Blijde Bood­schap. Daar op het zand, half water, half land gaf Hij onderricht aan een zo'n grote mensenmas­sa. Deze mensen voelden aan, dat Jezus hun leven ter sprake bracht. Vanwege de drukte moest Jezus in een bootje stappen en even van wal steken om vandaar de mensen toe te speken. Zo blijkt, dat Gods grootheid voor ons niet enkel zichtbaar wordt in hemelse visioenen. Maar wij mogen Gods nabijheid ervaren in de gewone omstandigheden van elk mensenleven. Hij heeft ons opgezocht, bijna bedelend om een reactie van ons te horen.

Het evangelie vertelt, hoe na afloop van het onderricht de visser Petrus de opdracht krijgt om uit te varen en de netten uit te werpen. Petrus kende zijn vak en wist wanneer hij moest uitvaren en wanneer niet. Die hele nacht, onder gunstige omstandigheden, had hij gezwoegd maar niets had gevangen. Nu uitvaren was zinloos. Maar het verzoek van Jezus is helder: "Vaar nu maar uit naar het diepe en gooi de netten uit voor de vangst." Heel zijn vissersverstand komt in opstand. Maar zij vingen zo'n massa vissen dat het net dreigde te scheuren.

Daar aan de vloedlijn, op de plaats waar de golfslag ons als mensen heen en weer slingert, waar ons soms de ene teleurstelling na de andere overkomt, daar vindt een wonder plaats. In Jezus schenkt God zijn zegen. Voor de visser Petrus in een wonderbare vangst. Maar voor ieder van ons weer op een andere bij ons passende wijze.

In het evangelie krijgt Petrus de opdracht om voortaan mensen te vangen. Wie de woorden vanuit de grondtekst herleest, hoort Jezus zeggen: “Voortaan zult Gij mensen onderdak verschaffen; aan mensen redding schenken; aan mensen houvast bieden.” Op de vloedlijn van het leven is er Petrus en in zijn verlengde de Kerk om mensen Gods liefde te schenken; om mensen samen te brengen bij Jezus, die hen houvast wil geven in de storm en hen liefde wil geven in de eenzaam­heid.

“Wees niet bang,” zegt Jezus. Heb vertrouwen.” Het is niet zomaar een troostwoordje. Het is een uitnodiging: breng mensen bij de Heer. Getuig van de Heer en je zult ervaren dat je door de Heer gedragen wordt op die vloedlijn van land en zee, waar ons leven zich afspeelt.

Wees niet bang. Spreek vrijuit. De Heer zal je zegenen.

donderdag 4 februari 2016

5 februari Over ware adel en ware grootheid op het feest van de H. Agatha, maagd en martelares

Martyrologium Romanum:

De gedachtenis van de heilige Agatha, maagd en martelares, die nog als meisje in het martelaarschap haar lichaam ongeschonden en haar geloof ongerept bewaarde tijdens het woeden van de vervolging  te Catania op Sicilië en getuigenis aflegde voor Christus de Heer.*
Na herhaaldelijk op gruwelijke wijze te zijn gefolterd om haar te doen afzien van haar voornemen, omwille van Christus maagd te blijven, gaf zij biddend de geest omstreeks 251 tijdens de christenvervolgingen onder het bewind van keizer Decius.
Zij genoot reeds zeer vroeg in Catania en Rome grote verering. Met de H. Agnes, Cecilia en Anastasia, maakt zij deel uit van de groep jeugdige maagden die vermeld staan in de Romeinse Canon (Eucharistisch Gebed I)
Op de aantijging van haar vervolger: “Schaamt gij, die uit zulk een voornaam geslacht zijt gesproten, u niet, het nederige en slafelijke leven van de christenen te leiden? antwoordde  Agatha:
“De hoogste adel is Christus te dienen! Ja, Hem dienen is zo veel als heersen”.
Zij had gelijk; want wie het op zich neemt Christus te dienen en dat betekent: wie heeft ingezien dat alle aardse dingen ijdel zijn en wie heeft geleerd afstand te doen van de goederen en lusten van de wereld, wie zijn boze begeerten beteugelt, híj is waarachtig edel en machtiger dan een koning, ook als hij grove boerenkleding draagt en in een armzalige hut woont.


Er bestaat slechts een vrijheid die waarachtig is: de vrijheid van het juk van de zonden en van slechte hartstochten; ware adel is een deugdzaam en vroom leven. Alleen deze adel geldt voor God!