donderdag 16 juli 2015

John Henry Newman [1801-1890] Hoop op God, de Schepper (3)

John Henry Newman [1801-1890] 
Hoop op God, de Schepper (3)

1. Welke mensengeest kan zich de liefde voorstellen die de eeuwige Vader toedraagt aan zijn eniggeboren Zoon? Die liefde bestaat van eeuwigheid, ze is oneindig, en ze is zo groot dat godgeleerden de Heilige Geest noemen bij de naam van die liefde, als om haar oneindigheid en volmaaktheid uit te drukken. En overdenk dan, mijn ziel, en buig u neer voor het ontzagwekkend geheim: - zoals  de Vader de Zoon bemint, zo bemint de Zoon u, indien gij een van zijn uitverkorenen zijt; want Hij zegt uitdrukkelijk: “Zoals de Vader Mij heeft bemind, zo ook heb Ik u bemind; blijft in mijn liefde” (Jo 15,19). Welk geheim in de hele kring van geopenbaarde waarheden is groter dan dit?

2. De liefde die de Zoon u, schepsel, toedraagt is gelijk aan die welke de Vader toedraagt aan de ongeschapen Zoon. Wonderbaar geheim! Dit is dus de verklaring van wat anders zo vreemd is: dat Hij mijn vlees heeft aangenomen en voor mij gestorven is. Het eerste geheim beeldt het andere vooraf; het tweede is slechts de vervulling van het eerste. Had Hij mij niet zo onuitsprekelijk bemind, dan zou Hij niet voor mij geleden hebben. Ik begrijp nu waarom Hij voor mij wilde sterven, - omdat Hij mij beminde zoals een vader zijn kind bemint - niet slechts zoals een menselijke vader, maar als de eeuwige Vader de eeuwige Zoon bemint. Ik zie nu de betekenis van die andere onbegrijpelijke vernedering: Hij wilde liever mij terugwinnen dan nieuwe werelden scheppen.

3. Wat is Hij standvastig in zijn liefde! Hij heeft mij al bemind van de tijd van Adam af. Van de aanvang af heeft Hij gezegd: “Ik zal Mij nooit van u aftrekken, u nooit verlaten”. Hij heeft ons niet verlaten in onze zonde. Hij heeft mij niet verlaten. Hij zocht mij op en bracht mij terug. Hij stond er op – Hij was besloten mij te herstellen, in weerwil van mijzelf, in dit geluk, waartegen ik mij zo halsstarrig had verzet. En nu vraagt Hij niets anders van mij dan dat, zoals Hij mij met een altijddurende liefde heeft bemind, ik Hem bemin op die armzalige manier die in mijn bereik ligt.


O allerdiepst  geheim, dat de onuitsprekelijke liefde van de Vader voor de Zoon gelijk is aan de liefde van de Zoon voor ons! Hoe is het mogelijk, o Heer? Wat voor goeds zag Gij in mij als zondaar? Waarom was Gij zo op mij gesteld? “Wat is de mens dat Gij acht op hem slaat, een mensenkind dat Gij U om hem bekommert”? (Ps 134,3). Dit armzalige lichaam van mij, deze zwakke ziel die geen leven heeft tenzij in Uw genade, daaraan hebt Gij Uw liefde geschonken. Voltooi Uw werk, o Heer, en zoals Gij mij bemind hebt van het begin af aan, doe mij U ook zo beminnen tot het einde toe.

maandag 13 juli 2015

John Henry Newman [1801-1890] Hoop op God, de Schepper (2)

John Henry Newman [1801-1890] 
Hoop op God, de Schepper (2)

1. God was geheel volledig, geheel gelukkig in Zichzelf, maar het was zijn wil een wereld voor zijn glorie te scheppen. Hij is almachtig, en had alles zelf kunnen doen, maar het is zijn wil geweest zijn plannen te laten uitvoeren door de wezens die Hij geschapen heeft. Wij allen zijn geschapen voor zijn glorie – wij zijn geschapen om zijn wil te doen. Ik ben geschapen om iets te doen of iets te zijn waarvoor niemand anders is geschapen. Ik heb in Gods raadsbesluiten, in Gods wereld een plaats, die niemand anders heeft; hetzij ik rijk ben of arm, veracht of hooggeacht bij de mensen. God kent mij en noemt mij bij mijn naam.

2. God heeft mij geschapen om een bepaalde dienst voor Hem te verrichten; Hij heeft mij een werk opgedragen dat Hij niet aan een ander heeft opgedragen. Ik heb mijn zending – misschien zal ik die zending nooit in dit leven kennen, maar ik zal ze kennen na dit leven. Op een of andere manier ben ik nodig voor zijn plannen, even nodig op mijn plaats als een Aartsengel in de zijne; - wel kan Hij, als ik faal, een ander in mijn plaats stellen, zoals Hij uit stenen kinderen van Abraham kon maken. Toch heb ik een aandeel in dit grote werk; ik ben een schakel in een keten, ik sta in betrekking met andere personen. Hij heeft mij niet voor niets geschapen. Ik zal goed doen, ik zal zijn werk doen; ik zal een engel van vrede zijn, een verkondiger van de waarheid op mijn eigen plaats, zonder het te bedoelen, als ik zijn geboden maar onderhoud en Hem dien in mijn staat en stand.

3. Daarom zal ik Hem vertrouwen. Wat of waar ik ook ben, ik kan nooit weggeworpen worden. Ben ik ziek dan kan mijn ziekte Hem dienen; ben ik in moeilijkheid dan kan mijn moeilijkheid Hem dienen; ben ik in smart dan kan mijn smart Hem dienen. Mijn ziekte, mijn moeilijkheden, mijn smarten zijn misschien noodzakelijke middelen voor een of ander groot doel dat niemand van ons kent. Hij doet niets tevergeefs; Hij kan mijn leven verlengen, Hij kan het verkorten; Hij weet wat Hij voorheeft. Hij kan mijn vrienden wegnemen, Hij kan mij tussen vreemden plaatsen, Hij kan mij vereenzaamd doen gevoelen, neerslachtig maken, de toekomst voor mij verborgen houden, - maar Hij weet wat Hij voorheeft.


O Adonai, o Heerser van Israël, Gij die Jozef leidt als een kudde, o Emmanuel, o Sapientia, ik geef mij aan U over. Ik vertrouw geheel op U. Gij zijt wijzer dan ik – Gij bemint mij meer dan ik mijzelf kan beminnen. Gelieve Uw hoge doeleinden in mij te vervullen – werk in en dóór mij. Ik ben geboren om U te dienen, om Uw eigendom te zijn, om Uw werktuig te zijn. Laat mij een blind werktuig zijn. Ik vraag niet te zien – ik vraag niet te weten – ik vraag alleen gebruikt te worden.

zondag 12 juli 2015

Collectegebed 15e zondag door het jaar (2) - "Geef dat christenen afwijzen wat afbreuk doet aan benaming christen"

Collectegebed 15e zondag door het jaar  (2)
Missale Romanum – 1970
Deus, qui errantibus, ut in viam possint redire, veritatis tuæ lumen ostendis, da cuntis qui christiana professione censentur,  et illa respuere, quæ huic inimica sunt nomini, et ea quæ sunt apta sectari.

Altaarmissaal – 1979
God, om dwalenden de weg te wijzen laat Gij het licht schijnen van uw waarheid. Geef dat allen die zich christenen noemen afwijzen wat afbreuk doet aan deze naam en nastreven wat daaraan beantwoordt. 

Meer letterlijke vertaling  
O God, die aan de dwalenden het licht van uw waarheid toont, opdat zij zouden kunnen terugkeren op de rechte weg, geef  dat allen die Christus belijden,  niet alleen verafschuwen wat met die naam strijdig is,  maar ook volgen wat ermee overeenkomt.

Centraal in het collectegebed staan allen die zich christenen noemen, die openlijk de Naam van Christus hebben bewaard en in de wereld, in sommige landen tot bij de belastingdienst aan toe, uitdragen dat zij christen zijn. Door hun Doopsel hebben zij deze heilige Naam ontvangen, waardoor zij zich tot Christus bekennen en Christus toebehoren.

De Naam van Christus verplicht. Maar menselijke zwakheid brengt met zich mee dat ook de drager van deze Naam kan afwijken van de hem voorgeschreven weg. God laat hem dan niet in de steek, maar de oratie spreekt zich uit in een groot vertrouwen dat God dwalenden door het licht van zijn Waarheid opnieuw de rechte weg zal wijzen.

Christenen ontvangen het licht op velerlei manieren. Het collectegebed van vandaag  echter reikt een principe aan dat in alle eenvoud werkelijk licht van de Waarheid kan zijn en daarom aan God wordt gevraagd: In de Naam van Christus is Christus het itinerarium, de reisroute. Mijd dus wat in tegenspraak met deze Naam is en volg wat overeenkomt met deze Naam! In deze frase van de oratie vinden we het ontwerp voor een levensprogram van iedere christen die die naam waard wil zijn,

Deze grondregel van de oratie heeft ongetwijfeld grote betekenis, niet alleen voor  degene die zelf deze Naam draagt en die door deze Naam een vaste oriëntering kent. De Naam van Christus, christen, is voor hem ook een waarborg van zijn geloofwaardigheid. De geloofwaardigheid van de Kerk die volledig op geloof is aangewezen, hangt af van de mate waarin de gelovigen in levensbeschouwing en levenshouding aan deze Naam beantwoorden.

De Kerk leed reeds grote schade omdat christenen zich in strijd met hun naam gedroegen en nalieten wat recht aan deze Naam had moeten doen. We dragen een zeer grote verantwoordelijkheid; ook in dit opzicht is dit korte gebed van groot gewicht.

zaterdag 11 juli 2015

Collectegebed 15e zondag door het jaar *1) – “Gij laat het licht van Uw Waarheid schijnen”

Missale Romanum – 1970
Deus, qui errantibus, ut in viam possint redire, veritatis tuæ lumen ostendis, da cuntis qui christiana professione censentur,  et illa respuere, quæ huic inimica sunt nomini, et ea quæ sunt apta sectari.

Altaarmissaal – 1979
God, om dwalenden de weg te wijzen laat Gij het licht schijnen van uw waarheid. Geef dat allen die zich christenen noemen afwijzen wat afbreuk doet aan deze naam en nastreven wat daaraan beantwoordt. 

Meer letterlijke vertaling  
O God, die aan de dwalenden het licht van uw waarheid toont, opdat zij zouden kunnen terugkeren op de rechte weg, geef  dat allen die Christus belijden,  niet alleen verafschuwen wat met die naam strijdig is,  maar ook volgen wat ermee overeenkomt.

L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n
Het collecte – of openingsgebed voor deze 15e zondag door het jaar in de “gewone vorm van de Romeinse Ritus” wordt in de “buitengewone vorm van de Romeinse ritus” ook gebruikt op de 3e zondag na Pasen. In de “gewone vorm” is dit ook het collectegebed van maandag in de 3e week van de Paastijd.
De oratie van vandaag gaat terug tot het Sacramentarium Gelasianum (Vat. Reg. Lat. 316), 1e helft van de 8e eeuw. Een sacramentarium is een collectie van teksten die behoren tot de christelijke liturgie. Het Sacramentarium Gelasianum is het op één na nog bestaande oudste liturgische boek van het Westen. Alleen het Sacramentarium Veronense of Leonianum (Verona, Kapittelbibliotheek LXXXV, 2e helft 6e eeuw) is ouder.
De Pius V-editie van het Missale Romanum (1570) en de volgende editie van het Missale Romanum (1962) hebben de invoeging van de term  “in viam possint redire iustitiae” ("opdat zij op de rechte weg kunnen terugkeren"), die niet  aanwezig in de oudere versie van het collectegebed in het Gelasianum (ofschoon weer wel in enkele andere oude sacramentaria zoals het Leonianum).
Het Missale Romanum 1970 – de postconciliaire missaaleditie en de “gewone vorm van de Romeinse ritus” -  hebben de term iustitiae laten vallen.
S t i j l  e n  h i s t o r i s c h e  c o n t e x t

Stilistisch is dit een gebed, dat direct tot de point komt, met een fraaie alliteratie: et illaet ea en een krachtig ritme in de laatste zin.
We weten niet precies welke bronnen dit collectegebed kunnen hebben beïnvloed. Zeker is gedacht aan Johannes 14 zoals hierna verder te bespreken. Misschien is in de Collecte ook een spoor vinden van de Romeinse staatsman Cassiodorus ( + ca, 585 – consul in 514 en vervolgens Boethius’ opvolger als magister officiorum (1) onder de Ostrogotische koning Theodorik. Cassiodorus schreef: “Sed potest aliquis et in via peccatorum esse et ad viam iterum redire iustitiae? - Maar kan iemand zich tegelijk op een zondige weg bevinden en weer terugkeren tot de weg der gerechtigheid? (cf. Expos. Ps. 13). Van de andere kant kan er ook invloed zijn uitgegaan van de belangrijke bisschop Ambrosius van Milaan (+ 397) of zelfs en meer waarschijnlijk van Augustinus van Hippo (+ 430) die gelijksoortige tekstpatronen hanteert.

K l e i n  v o c a b u l a r i u m

Het werkwoord censeo betekent – bij vele betekenissen – allereerst  “schatten, wegen, taxeren, waarderen”. Het wordt gebruikt voor “van mening zijn” en iets “beschouwen, overwegen, wegen”. Er is een speciale constructie met censeo, censeri aliqua met de betekenis: “gewaardeerd, onderscheiden, gevierd worden voor een of andere kwaliteit”, ”door iets bekend zijn” en ook “erkend worden door iets”. Dit verklaart de passieve vorm in het collectegebed met de ablatief christiana professione. Censeo heeft hier de betekenis van “gerekend worden onder, geteld worden onder”. Vergelijk de verschillende betekenissen van census in het Nederlands: cijns, belasting, volkstelling, kiesrecht enz. Het meest gericht lijkt hier de vertaling “gekenmerkt, onderscheiden”, waarin de betekenis “gerekend worden onder” en “gevierd worden voor een of andere kwaliteit” zijn vervat.

Christianus, -a, - um,  is een adjectief (bijvoeglijk naamwoord) met daarnaast het substantief (zelfstandig naamwoord) professio. Bij vertalingen van het Latijn naar het Nederlands moeten soms de adjectieven apart geplaatst worden en anders worden uitgedrukt. Te denken is aan “christelijk geloof”, maar deze adjectief-constructie betekent hier “de belijdenis van Christus: het belijden van Christus”. Eenzelfde probleem is te vinden in begrippen zoals oratio dominica, dat letterlijk betekent “het Heer-lijke Gebed” maar toch minder problematisch in het Nederlands vertaald moet worden met “het Gebed des Heren”.
Respuo betekent letterlijk “uitspuwen” en dus “verwerpen, verdrijven, weigeren”. De basisbetekenis kan goed weergegeven worden als “krachtig verwerpen”. 
Het deponens sector betekent “voortdurend of ijverig volgen” in positieve of negatieve zin. Sector werd bijvoorbeeld gebruikt voor een groep volgelingen die filosofen uit de Oudheid begeleidden, waar de oorsprong ligt van ons woord “sekte”. Mogelijk komt deze afleiding van seco, secui, sectum met de betekenissen ”snijden, afsnijden, doorsnijden”.
Het substantief via vereist onze aandacht. Het betekent “een weg, methode, route, richting, modus, manier van iets te doen, koers”, dus een neutraal begrip. Via heeft echter ook een morele inhoud zoals  “de juiste, rechte of goede weg”, “de ware methode, modus of manier, gedragslijn”. 
Sedes Sapientiae Romaans, Montcornador
De antieke filosofen (het woord komt uit het Grieks en betekent  “minnaar van wijsheid“) waren gewoon in het openbaar rond te wandelen op hun sandalen en in hun gedrapeerde op toga’s lijkende gewaden. Theologisch-filosofische denkers zoals Aristoteles werden “peripatici“ genoemd vanwege hun praktijk van het rondwandelen (Grieks peripatein) onder overdekte zuilengalerijen van het Lyceum in Athene (Grieks peripatos) terwijl zij onderwezen.
Hun leerlingen zwermden om hen heen en hingen aan hun lippen, debatterend met hen en lerend hoe te denken en te redeneren.  Zij bespraken de diepere vragen die onvermijdelijk de menselijke geest en het hart raken en in deze zin waren zij theologen.  Wij moeten voorzichtig zijn om niet de moderne scheiding van filosofie en theologie aan de antieken op te leggen. In oude Christelijke mozaïeken wordt Christus soms afgebeeld in het gewaad van de filosoof terwijl Hij zijn hand geheven houdt op de wijze van het antieke onderwijsgebaar. Hij is de Mens geworden Wijsheid en de volmaakte Leraar. Hij is Degene van Wie wij over God en over onszelf zouden moeten leren.  Na Christus Zelf, hebben wij ook Zijn Kerk, die Mater et Magistra - Moeder en Lerares is. Op sommige afbeeldingen zien wij de kleine Christus gezeten op de schoot van Zijn Moeder alsof zij Zijn onderwijsstoel, of cathedra was. Wanneer Maria zo wordt afgebeeld wordt zij Zetel van de Wijsheid genoemd. Zie ook de eerder geplaatste Mei-meditatie van kardinaal Newman.
De tekst doet ook denken aan de eerste regels op van La Divina Commedia, de Goddelijke Komedie geschreven door de verbannen Florentijnse dichter Dante Alighieri (+1321) die in hoge mate werd gevormd en beïnvloed door de Ethica van Aristoteles en de gechristianiseerde  Platoonse filosofie, gebezigd door Boëthius (+525) en de H.  Thomas van Aquino. (+1274).
Deel 1, de Hel begint aldus:
Juist midden op de reistocht van ons leven
Zag ik mij in ’n donker woud verloren,
Daar ik van het goede pad was afgeweken.
Helaas, hoe ’t was dat woud, valt zwaar te zeggen.
Zo wild, was  ’t en zo woest, zo dicht en donker,
dat in mijn dromen de angsten vaak herleven.
Ja, zelfs de dood kan haast niet erger wezen.
Dante, de hoofdrolspeler van zijn eigen epos, beschrijft zijn fictieve zelf en zijn spirituele groei. Zijn poëtische persoon, in het midden van het leven (35 jaar oud), is vastgelopen in zonde en irrationeel gedrag. Hij is van de rechte weg van het leven van de rede afgedwaald en diep in het “donkere woud“ geweest. Het leven van voortdurende zonde is een leven zonder ware rede, want de menselijke rede is verlamd wanneer deze aan zichzelf is overgelaten zonder het licht van de genade.  Dante vergelijkt zijn verwarde staat met de dood. Hij moet door de hel reizen en terug. Hij maakt dan de reiniging van het vagevuur door, om terug te komen tot het leven van deugd en rede.
In de loop van de driedelige Komedie vindt hij de juiste weg terug naar het licht, de Waarheid en de rede door de tussenkomst van op Christus gelijkende personificaties  zoals Beatrice en Lucia en door Christus zelf.
In de Divina Commedia krijgt Dante het gebruik van de rede terug. Zijn gehele persoon is gere-integreerd (heel gemaakt)  in en door het licht van de Waarheid.
Vaak worden mensen die onwetend, verward of ronduit dom zijn aangeduid als “wandelend in de duisternis“. Deze duisternis heerst ook voor  mensen die volharden in de zonde. 
Door hun keuzes en weerstand tegen Gods genade hebben zij het licht van de Waarheid verloren.  Gods genade maakt het voor ons mogelijk om de juiste weg terug te vinden, hoe ver wij ook in het verleden van deze weg zijn afgedwaald.
Wanneer wij zondigen verbreken wij onze relatie met Christus.  Als wij uit luiheid  weigeren om Hem beter te kennen (elke dag), verliezen wij het zicht op onszelf en op onze naaste uit het oog. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft duidelijk gesteld dat Christus in de wereld kwam om de mens aan zichzelf vollediger te openbaren (Gaudium et Spes, nr. 22).
Christus, het Mensgeworden Woord, spreekt tot ons in Zijn woorden tot de Apostel Thomas:
“Laat uw hart niet verontrust worden.  Gij gelooft in God, gelooft ook in Mij. In het huis van mijn Vader is ruimte voor velen. Als dit niet zo was, dan zou Ik het u hebben gezegd, want Ik ga heen om een plaats voor u te bereiden.  En als Ik ben heengegaan en een plaats voor u heb bereid, kom Ik terug om u op te nemen bij Mij, opdat ook gij zult zijn waar ik ben. Gij weet waar Ik heenga en ook de weg (via) daarheen is u bekend”. Thomas zei tot Hem: Heer, wij weten niet waar Gij heengaat, hoe moeten wij dan de weg (via) kennen? Jezus antwoordde hem: ´Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot de Vader tenzij door Mij. Als gij Mij zoudt kennen, zoudt gij ook de Vader kennen. Nu reeds kent gij Hem en ziet gij Hem….Hij die Mij  heeft gezien, heeft de Vader gezien” (cf Jo 14,1-6).
We hebben niet alleen de woorden en daden van Christus in de H. Schrift, maar God heeft ons in de Katholieke Kerk zelf een veilige weg geschonken naar het geluk.  We kunnen van dit pad af raken . Elke weg, te ver naar links of te ver naar rechts, doet ons belanden in diepe duisternis. Als we van het rechte pad zijn afgeweken en Christus, de Weg, hebben verlaten, kunnen we weer bij zinnen komen en worden verzoend met God en onze naaste door de Sacramenten, toevertrouwd aan de Katholieke Kerk, en wel speciaal in het Sacrament van de Biecht waarna een waardig ontvangen van Christus in de Heilige Communie weer mogelijk is.
Wij, Rooms Katholieken, die publiek zelf aanspraak durven maken op de Naam van Christus, moeten opstaan en in het openbaar als zodanig worden erkend (censentur) en scherp verwerpen (respuere) wat in strijd is met de Naam van Christus.
Andere mensen moeten het Licht van Christus zien weerkaatsen in wat wij zeggen en doen. Het stralende Gelaat van Christus moet in de beleving van ieders persoonlijke roeping herkenbaar zijn. 
Zoals lenzen en reflectoren schoon moeten zijn om optimaal het licht te laten reflecteren, zo moeten wij als dragers van Christus’ Licht zuiver zijn. Als we weten dat we niet rein  (genoeg) zijn, moeten we ons zo spoedig mogelijk laten reinigen  zodat we gered kunnen worden en kunnen bijdragen aan de redding van anderen. Het is goed om ook geestelijke werken van barmhartigheid te beoefenen om ook daardoor het Licht van de Waarheid te brengen naar onwetenden en degenen die al of niet door eigen toedoen in de duisternis verkeren. 

(1)  Magister officiorum – Meester der ambten: ambt, door Constantijn de Grote ingesteld, te omschrijven als dat van opperkamerheer aan het keizerlijk hof. Hij regelde de audiënties en oefende rechtspleging uit tussen al de personen van de hofhouding

Met dank aan Father J. Zuhlsdorf, WDTPRS)

11 July - St. Benedict "Beg of Him with most earnest prayer to perfect your work"

From Prologue Rule of St. Benedict

LI S T E N  carefully, my child,
to your master's precepts,
and incline the ear of your heart (Prov. 4:20).
Receive willingly and carry out effectively
your loving father's advice,
that by the labor of obedience
you may return to Him
from whom you had departed by the sloth of disobedience.
To you, therefore, my words are now addressed,
whoever you may be,
who are renouncing your own will
to do battle under the Lord Christ, the true King,
and are taking up the strong, bright weapons of obedience.
And first of all,
whatever good work you begin to do,
beg of Him with most earnest prayer to perfect it,
that He who has now deigned to count us among His children
may not at any time be grieved by our evil deeds.
For we must always so serve Him
with the good things He has given us,
that He will never as an angry Father disinherit His children,
nor ever as a dread Lord, provoked by our evil actions,
deliver us to everlasting punishment
as wicked servants who would not follow Him to glory.

John Henry Newman [1801-1890] Hoop op God, de Schepper (1)

John Henry Newman [1801-1890]

Hoop op God, de Schepper (1)

God heeft alle dingen ten goede geschapen; alle dingen voor hun grootste goed; elk afzonderlijk ding voor zijn eigen goed. Het goede van de een is niet het goede van de ander; wat de ene mens gelukkig maakt zou de andere ongelukkig maken. God heeft bepaald, dat, als ik zijn plan niet doorkruis, ik datgene zal bereiken wat mijn grootste geluk zal zijn. Hij beschouwt mij individueel; Hij noemt mij bij mijn naam; Hij weet wat ik kan, wat ik zijn kan, wat mijn grootste geluk is, en Hij wil het mij geven.
God weet wat mijn grootste geluk is, maar ik weet het niet. Er is geen algemene regel voor wat gelukkig is en goed;  wat bij de een past zou niet passen bij de ander. En de wegen waarlangs de volmaaktheid bereikt wordt, lopen sterk uiteen; de medicijnen nodig voor onze zielen zijn van zeer verschillende aard. Zo leidt ons God langs vreemde wegen; wij weten dat Hij ons geluk wil, maar wij weten noch wat ons geluk is, noch de weg daarheen. Wij zijn blind; aan onszelf overgelaten zouden wij een verkeerde weg inslaan; wij moeten ons aan Hem overlaten.
Laten we ons dan in zijn handen stellen, en niet schrikken, al leidt hij ons langs een vreemde weg, een mirabilis via – een wonderbaarlijke weg, zoals de Kerk zegt. Laten we ons verzekerd houden dat Hij ons goed geleiden zal, dat Hij ons voeren zal, niet naar wat wij menen dat het beste is, noch naar wat het beste is voor een ander, maar naar wat het beste is voor onszelf.
Samenspraak: O mijn God, ik wil mij zonder voorbehoud in Uw handen stellen. Wel of wee, vreugde of smart, vrienden of verlatenheid, eer of vernedering, goede of slechte faam. Behaaglijkheid of onbehaaglijkheid, Uw aanwezigheid of het verbergen van Uw aanschijn, alles is goed als het komt van U. Gij zijt de Wijsheid en Gij zijt de Liefde - wat kan ik meer verlangen. Gij hebt mij geleid in Uw raadsbesluit, en met glorie hebt Gij mij opgenomen. Wat heb ik in de hemel, en wat verlang ik op aarde buiten U? Mijn vlees en mijn hart bezwijken: maar God is de God van mijn hart, en mijn erfdeel voor altijd (Ps 72,25

Nederlandse vertaling van dr. Aurelius Pompe ofm