Posts tonen met het label hebdomada XXVIII per annum. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hebdomada XXVIII per annum. Alle posts tonen

zondag 12 oktober 2025

The Gospel Is Jesus Christ - Bishop Barron’s Sunday Sermon 28C

Lezingen H. Mis 28e zondag door het jaar C “Sta op en ga heen; uw geloof heeft u gered".

Eerste lezing (2 Kon. 5,14-17)
In die dagen ging de Syriër Naäman naar de Jordaan
en dompelde zich zevenmaal onder,
zoals Elisa, de man Gods, gezegd had.
Zijn huid werd weer als die van een klein kind
en hij was gereinigd van zijn melaatsheid.
Hij keerde met heel zijn gevolg naar de man Gods terug,
trad zijn huis binnen, ging voor hem staan en zei:
“Nu weet ik, dat er in Israël een God is,
en nergens anders op aarde.
Wil daarom een huldeblijk van uw dienaar aanvaarden.”
Maar Elisa antwoordde:
“Zowaar de Heer leeft, wiens dienaar ik ben,
ik neem niets van u aan.”
En hoewel Naäman er bij hem op aandrong iets aan te nemen,
bleef hij weigeren.
Toen zei Naäman: “Geef mij dan tenminste een vracht aarde mee,
zoveel als een koppel muildieren kan dragen,
want uw dienaar wil aan geen andere goden
brand- en slachtoffers meer opdragen,
dan aan de Heer alleen.”

Tweede lezing (2 Tim. 2,8-13)
Dierbare,
houd Jezus Christus in gedachten,
Davids Nazaat, die uit de dood is opgestaan.
Zo luidt de boodschap, die ik verkondig
en waarvoor ik zelfs als een misdadiger
gevangenschap heb te lijden.
Maar het woord van God laat zich niet in boeien slaan.
Daarom ben ik bereid alles te verdragen,
ter wille van de uitverkorenen,
opdat ook zij het heil verwerven in Christus Jezus
en eeuwige heerlijkheid.
Hoe waar is dit woord:
“Als wij met Hem gestorven zijn
zullen wij met Hem leven.
Als wij volharden,
zullen wij met Hem heersen.
Als wij Hém verloochenen
zal Hij óns verloochenen.
Als wij ontrouw zijn
blijft Hij trouw:
zichzelf verloochenen kan Hij niet.”

Evangelie (Lc. 17,11-19)
Op zijn reis naar Jeruzalem
trok Jezus door het grensgebied van Samaria en Galilea.
Toen Hij een dorp binnenging
kwamen Hem tien melaatsen tegemoet
zij bleven op een grote afstand staan en riepen luidkeels:
“Jezus, Meester, ontferm U over ons!”
Hij zag hen en sprak:
“Gaat u laten zien aan de priesters.”
En onderweg werden zij gereinigd.
Eén van hen keerde terug, toen hij zag dat hij genezen was,
en hij verheerlijkte God met luide stem.
Vol dankbaarheid wierp hij zich voor Jezus’ voeten neer,
en deze man was een Samaritaan.
Hierop vroeg Jezus:
“Zijn niet alle tien gereinigd?
Waar zijn dan de negen anderen?
Is er niemand teruggekeerd om aan God eer te brengen
dan alleen deze vreemdeling?”
En Hij sprak tot hem:
“Sta op en ga heen; uw geloof heeft u gered.”

Overweging bij 28e zondag door het jaar C - De wonderen zijn ook in onze dagen echt nog niet de wereld uit!

 

Het meest frappante in talloze genezings- en wonderverhalen van Jezus zou wel eens kunnen zijn, dat de omstanders of de genezene zelf feilloos aanvoelt, dat God Zélf hier in het spel is.

Dit zogenaamde 'zevende zintuig', dat is wonderlijk. Stel je voor, iemand bewijst je een weldaad en daarin voel jij Góds goedheid op een duidelijke, onmiskenbare manier aan het licht komen : een onverwacht bezoek, een hartelijke attentie, een boodschap gedaan, je tuin opgeknapt ... en dat je dan spontaan niet zegt : 'dank je wel, Jan', maar : 'dank U wel God !'.

Vaak komt dat laatste niet eens bij mensen op ; je bedankt gewoon die man of vrouw en dat is al heel wat, want je staat daar ook niet altijd bij stil, want mensen gaan steeds meer dingen zo vanzelfsprekend vinden. Waar verwonderen mensen zich eigenlijk nog echt over ?

Tegenwoordig zijn er veel boekjes op de markt, waarin tips worden gegeven om bewuster te leven, dingen te ervaren ; gewone dingen zoals een bloem ruiken, een klok horen luiden, mooie muziek, een fraai schilderij, evenzovele tips tegen de afstomping, de eindeloze vanzelfsprekendheid van dingen en mensen.

Een aanvulling op dergelijke boekjes zou kunnen heten : probeer in dingen die je meemaakt, ervaart, iets van God Zelf te ontdekken ; voel hoe God op jouw leven betrokken is en jou door lieve medemensen het goede wil geven : genezing, dat je erbij mag horen, geluk en zin in het leven.

Het 'zevende zintuig' : oog, oor, een open hart  voor het religieuze, voor het goddelijke in je leven, voor God Zelf. Hoe ontwikkelen mensen dat 'zevende zintuig' ? bij zichzelf ? bij de kinderen, op school, in de kerkgemeenschap ? Kan dat nog wel, mag dat nog wel voor mensen die zo graag van deze wereld willen zijn ?

Een dringende vraag uit het evangelie is : kunnen christenen, uitgerekend als gelóvigen, het nog wel ?

Als je in de Bijbel ziet, hoe negen melaatsen, de zgn. echte gelovigen, de plank misslaan en hun wonderlijke religieuze ervaring laten doodbloeden in een kerkbezoek dat uit gewoonte gebeurt zonder dat er meer achter zit ?

Alleen de vreemde, degene die niet gelooft wat 'men' gelooft, het buitenbeentje, de zgn. onreinen, mensen waar sommigen als oppassende gelovigen 'vies' van zijn, juist die bezitten in wondere mate het religieuze gevoel.

Waar vinden wij God ?  Of beter vandaag gevraagd : waar vinden wij de mens als evenbeeld van God, die ons iets van God laat ervaren ?

Ook al zo'n term, waar mensen niet elke dag bij stil staan, maar toch, hier ligt de sleutel tot het wonder, dat ook gebeurt. Kunnen wij elkaar zo nog zien ? Kunnen wij zo God nog eren : in het gelaat van de ander, die ons aankijkt, in het goede dat een ander ons geeft.

Maar dan moeten we af van die eindeloze rij van etikettenplakkerij, de formaliteitenshow, die mensen vaak opvoeren naar elkaar toe, waardoor God en mensen verduisterd raken.

In de Bijbel komt een mens voor die zo nog kon kijken, zonder vooroordelen, zoals Jezus, zoals God Zelf kijkt. Die vreemdeling in de Bijbel, had het van geen vreemden, misschien dat hij zich daarom zo tot Jezus aangetrokken voelde.

Wie is in de ogen van God nu eigenlijk een buitenbeentje ? Misschien moeten christenen meer buitenbeentjes, vreemdelingen in de kerk worden (mensen laten zich helaas vaak meeslepen door de actualiteit die zo vlug voorbij gaat), om te kunnen kijken, te reageren als de liefdevolle God en Jezus doen : anders dan het gewone, of beter gezegd met voorrang voor het enige dat echt telt : openheid voor God, die niet met deze wereld samenvalt, maar er bovenuit stijgt.

Aan ons de uitnodiging om als nieuwe mensen, met nieuwe ogen, vernieuwd en zuiver van geest, Jezus op zijn weg na te volgen.

De wonderen zijn ook in onze dagen echt nog niet de wereld uit!


zondag 13 oktober 2024

Dominica XXVIII per annum - INTROITUS - Si Iniquitates

Overweging 2 bij 28e zondag door het jaar B - God geeft wat geen mens of geld de mens geven kan.



Jezus waarschuwt in het evangelie van vandaag heel fel tegen rijkdom. Waarom? Omdat rijkdom gemakkelijk een hindernis is om binnen te treden in het Rijk van God. De rechtvaardige jood die het gesprek met Jezus aanging kwam in niets aan de Joodse wet tekort. En Jezus waardeert zijn eerlijk streven en kijkt hem daarom liefdevol aan. Maar wat ontbreekt hem nog eigenlijk? Jezus vraagt zich af welke raad hij de jongeman nog moet geven. En dan nodigt Jezus hem uit om zijn hele gave en goed te verkopen en het aan de armen te geven en om Hem dan te volgen. Maar die uitnodiging gaat de jongeman alle krachten te boven.

Duidelijk wordt dat de mens die het geld dient niet God kan dienen. Geld vult de beurs, maar geld vervult niet het diepste verlangen van de mens. De drang naar steeds meer geld verlamt alle andere krachten in het leven van de mens. Het blikveld wordt dan zo klein dat er geen plaats meer is voor de nood van de naaste, geen plaats meer is voor God. Eigenlijk kennen wij allemaal het gevaar van de rijkdom. Maar meestal ontdekken wij dat gevaar wel bij anderen maar niet bij ons zelf. Toch is in het leven de grootte van de rijkdom niet maatgevend, maar wel de  innerlijke binding. Die in zijn leven voor het geld gaat, vereenzelvigt zich uiteindelijk het leven met alles wat gekocht en verkocht kan worden. Het is daarom goed dat-wij allen naar de vermaning van Jezus in het evangelie van vandaag luisteren. Geloven betekent de laatste levenswaarden van God verwachten en daarbij zoveel innerlijke vrede ervaren dat de lok van geld geen invloed meer heeft op ons leven. De rijkdommen van het hart zijn een van gave van God aan mij als mens.

Wie gelooft vertrouwt zich helemaal toe aan God zodat hij zich geen zorgen maakt voor morgen en zodat ik vrij kan staan tegenover geld en bezit. Voor de mensen schijnt dit onmogelijk te zijn, maar voor God niet! Bij Hem is alles mogelijk! Vandaag roept het evangelie ons allemaal op om innerlijk vrij door het geven te gaan en alles te verwachten van God die de mens geeft wat hij fundamenteel nodig heeft en wat geen mens of geld de mens geven kan.


Overweging 1 bij 28e zondag door het jaar B - Vaste grond onder de voeten.

Mensen worden niet graag geconfronteerd met armoede. De schrijnende t.v.-beelden kunnen pijn doen, maar het comfort en de materiële genoegens hebben het leven van velen getekend. Ze kunnen niet meer zien waar het in het leven op aankomt. Meer dan ooit wordt het spreekwoord bevestigd : ´het zijn sterke schouders die de weelde kunnen dragen !´

Inderdaad, de groei naar een volwaardige persoonlijkheid vraagt dat we niet al te veel waarde hechten aan bezit, dat we proberen om ons niet vast te klampen aan het materiële.

Door de overontwikkeling van onze luxe- en consumptiemaatschappij verlangen mensen altijd naar méér. Ze worden het slachtoffer van de wegwerpmaatschappij. Hun diepste verlangens blijven daardoor onbevredigd en kunnen zelfs verstikt worden. Zo wordt voor mensen, wat ze hebben belangrijker dan wat ze zijn. Ze hebben er geen oog voor dat zij hun bezittingen verworven hebben, dankzij en met de hulp van, veel anderen. En dan........ ja, je gaat er op achteruit.

Wanneer bezittingen ons in hun greep krijgen, dan is er geen plaats meer voor een echte ontmoeting met mensen, dan zal Gods stem diep in ons hart vrij vlug niet meer zijn waar te nemen, dan kunnen we niet meer aan de liefdevolle God denken.

Als we sober leven en ons niet vastklampen aan bezittingen, dan kunnen we ontdekken dat het leven ons méér te bieden heeft : zaken die ons echt goed doen. En dan kunnen we zelfs zien dat er in ons leven een dragende grond is, dat we vaste grond onder onze voeten hebben, dat er een toekomst voor ons is die blijft.

In een wereld waarin onthechting, om eens een ouderwets woord te gebruiken, en soberheid dikwijls bestempeld worden als iets van vroeger, zijn wij uitgenodigd om het sprekend bewijs te leveren dat de woorden van het evangelie nog altijd actueel zijn.

zaterdag 9 oktober 2021

Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven” 28e zondag per annum / door het jaar Door deze heilige viering eens komen tot uw heerlijkheid in de hemel.

Christus ontvangt brood en wijn voor de H. Eucharistie

Door deze heilige viering eens komen tot uw heerlijkheid in de hemel.

I n l e i d i n g
Slechts wanneer de gebeden en de offergaven van de gelovigen door God worden aanvaard, kunnen wij er op rekenen dat ons gebed wordt verhoord, “dat wij door dit dienstwerk van liefdevolle toewijding, tot de hemelse heerlijkheid komen”. Het dienstwerk is de viering van de H. Eucharistie. Zij kan de overgang naar de hemelse heerlijkheid tot stand brengen, wanneer de gebeden en offergaven door God worden aangenomen. Daarbij behoort ook de aanvaarding door God van de Consecratie. Het is goed te horen dat men om deze aanvaarding moet bidden, ofschoon de H. Eucharistie een Sacrament is, dat door het voltrekken van de tekens werkzaam wordt (ex opere operato). Elke Eucharistieviering op zichzelf is de in koninklijke vrijheid door God verleende vervulling van een belofte en nimmer een magisch natuurwetenschappelijk mechanisme. Er bestaat geen beter middel tot afweer van onjuiste voorstellingen en dwaalleer, dan het gebed, waarin de vrijheid van de liefde van God wordt erkend.
Als mens moest Christus eerst het leven van de mensen leven en hun dood sterven. Hij moest de straf van hun zonde ten volle en tot het laatste doormaken als een van hen. Dan pas kon Hij – de mens Christus – verheerlijkt worden tot ‘levenwekkende Geest’(1 Kor 15, 45) en de verloste mensen verlichtend binnengaan. Vrucht van Christus’ Lijden is het leven van de Heer in de gedoopten. Christus leeft nu in Zijn leerlingen die, getuigend van de blijde boodschap van de verlossing, de vrede van de kant van de Vader, deze aan heel de wereld verkondigen. Daarmee is ‘de wonderbaarlijke uitwisseling’ (admirabile commercium) waarvan vooral de oraties in Kerst- en Paastijd spreken, voltooid. Christus rust met zijn menselijke natuur in de Vader en ook wij met Hem (zie Gebed over de gaven 5e zondag van Pasen), want waar het Hoofd is, daar zijn ook de ledematen. Anderzijds verblijft Christus nog altijd op aarde, leeft, leert, lijdt Hij in zijn gedoopten, in zijn Kerk en voert Hij haar en door haar de gelovigen door middel van het mysterie van de H. Eucharistie ‘ad cælestem gloriam’, naar de hemelse heerlijkheid. In elke Eucharistieviering waarin het Paasmysterie geactualiseerd en gevierd wordt zien wij het leven van de Verrezen Christus telkens heerlijk opnieuw beginnen, moeten we ons er van bewust zijn dat wij  in dit leven staan, dat het in ons leeft en dat het juist deze verheerlijkte Christus is,  die in alle mysteries van het kerkelijk jaar mens geworden, lijdend stervend en verrijzend onder ons tegenwoordig kwam en komt.

T e k s t
Missale Romanum – 1970
Suscipe, Domine, fidelium preces cum oblationibus hostiarum,
ut, per hæc piæ devotionis officia,
ad cælestem gloriam transeamus.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie – 1979
Heer, neem de gebeden en gaven van uw gelovigen aan.
eens komen tot uw heerlijkheid in de hemel.

Werkvertaling 
Aanvaard, Heer, de gebeden van [Uw] gelovigen samen met (letterlijk: met het brengen (met de aanbiedingen) de aangeboden offergaven,
opdat/zodat wij, door dit dienstwerk van liefdevolle toewijding,
overgaan tot de hemelse heerlijkheid.
L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n
De brontekst van deze oratio super munera/oblata of oratio secreta gaat terug tot het Sacramentarium Gregorianum [Hadrianum] 90.2, 9e eeuw en is sindsdien in vele codices overgeleverd.
In het Missale Romanum 1962 was dit de Secreta van dinsdag onder het Paasoctaaf en van de vijfde zondag na Pasen [versie A]. En met invoeging van de bede om zijn intercessio ook de Secreta op de gedachtenis van de H. Theodorus, 9 november [versie B].
(Zie: E. Moeller, J.M. Clément en B. Coppieters ’t Wallant, Corpus Orationum, IX, S-V,  Brepols, Turnhout 1996, p. 92-93, nr. 5726 a, Br 1106)
De A-versie was in een dertigtal kathedrale kerken, bisdommen en kloosterorden, verspreid over Europa en het Britse schiereiland, in gebruik sinds de 9e eeuw. Dat gold ook voor de B-versie.
Ook deze oratie is een zeldzaam voorbeeld van de gebeden die door alle hervormingen heen hun eigen plaats behielden (feria IIIa in albis).

S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l f i g u r e n
1. Suscipe, Domine, fidelium preces cum oblationibus hostiarum,
2a. ut, 2b. per hæc piæ devotionis officia,
2a. ad cælestem gloriam transeamus.

Het Gebed over de gaven van deze zondag is opgebouwd uit één enkele zin, te onderscheiden in de hoofdzin (r.1) die de eigenlijk bede bevat, gevolgd door een finale / doelaanwijzende respectievelijk consecutieve / gevolgaanduidende bijzin (r. 2a), ingeleid door het voegwoord ut en daarvan afhankelijk met het prædicaat in de coniunctivusvorm vanwege het wenskarakter, die het effect uitdrukt van de in r. 1 genoemde bede. De bijzin (2a) wordt onderbroken door een ondergeschikte bijzin (2b) met een voorzetselbepaling of bijwoordelijke bepaling dat het middel waardoor, de weg waarlangs, aangeeft.
Ad 1
Suscipe, aanvaard, neem aan, - prædicaat van de hoofdzin in de imperativusvorm dat zich richt tot God de Vader, Domine, anaklese in de vocativusvorm. Suscipe > suscipere, suscepi, susceptum, 3, wordt frequent gebruikt in de Gebed over de gaven in de Tijd door het Jaar en in de bijzondere liturgische tijden. De imperativusvorm Suscipe vraagt God de gaven, het offer, de aanbidding of de gebeden van de Kerk te ontvangen of te aanvaarden. Eerder werd besproken dat de imperativus suscipe aan de kop van de oratie dikwijls aangevuld wordt met het de imperativus afzwakkende quæsumus.
Fidelium preces cum oblationibus hostiarum, de gebeden samen met de aanbiedingen van de offergaven van de gelovigen – tweeledig object van het prædicaat zoals ook het Gebed over de gaven van de Zesde zondag van Pasen liet zien, samengesteld uit de accusativusvorm meervoud preces (van prex) gevolgd door de genitivusvorm meervoud fidelium van het adiectivum fidelis dat hier zelfstandig gebruikt is (genitivus subiectivus, explicativus) en uit de ablativusvorm meervoud oblationibus, bepaald door de præpositie cum.  Oblationibus heeft de genitivusvorm meervoud hostiarum bij zich, genitivus subiectivus, explicativus. Zoals in de oratie van vorige zondag is ook hier de præpositie cum gebruikt in plaats van het nevenschikkende et. Hierdoor wordt benadrukt hoezeer de twee elementen ‘hostias et preces’ bijeen horen. Zoals het Gregoriaanse muziekrepertoire dikwijls terugkerende melodische fragmenten of motieven kent ziet men in de Romeinse oraties ook bepaalde vaste tekstfragmenten of hele zinsdelen terugkeren.
Ad 2a
ut, [  ] ad cælestem gloriam transeamus, op-/zodat wij tot de hemelse heerlijkheid mogen / (wenskarakter), kunnen (mogelijkheid, coniunctivus potentialis) komen.
Transeamus, op-/zodat wij komen, - prædicaat van de bijzin in de 1e persoon meervoud coniunctivus præsentis activi, van het verbum transire, -vi,of trans-ii -itum, 4. Intransitief, onovergankelijk betekent het: 1. door…heen gaan 2. overgaan 3. veranderen 4. voorbij gaan,  voorbijtrekken en transitief, overgankelijk: 1. over iets gaan, overschrijden 2. klaar komen met 3. overtreffen. Met het uitnodigende ‘Transeamus’ begint, zoals bekend, het Latijnse kerstlied  ‘Transeamus usque Bethlehem’ dat in rooms-katholieke kerken tijdens de Nachtmis van Kerstmis wordt gezongen. Lange tijd werden tekst en melodie toegeschreven aan de Duitse domkapelmeester Joseph Schnabel (1767-1831), maar dit bleek uiteindelijk alleen te gelden voor het instrumentale deel.
In het Nederlands kennen we het begrip transitie met breed betekenisscala. De grondbetekenis is ‘overgang’.
Ad cælestem gloriam: voorzetselbepaling/bijwoordelijke bepaling bij transeamus in twee congruerende accusativusvormen vanwege de præpositie ad (+ acc.).
Ad 2b
Per hæc piæ devotionis officia, door (middel van) deze diensten van liefdevolle toewijding - . Dit tussen komma’s geplaatst zinsdeel vormt een voorzetselbepaling, die het middel aangeeft of de weg aanwijst waarlangs het gevraagde gebedseffect verkregen kan worden.
Per hæc officia, twee congruerende accusativusvormen geregeerd door de præpositie per en nader gepreciseerd door twee congruerende genitivusvormen piæ devotionis (genitivus subiectivus, explicativus). Dit zinsdeel bevat door de uiteenplaatsing van hæc […] officia de stijlfiguur hyperbaton. 
V o c a b u l a r i u m
Pius, -a, -um, 1. plichtsgetrouw tegenover God, de verwanten of het vaderland 2. vroom, godvruchtig 3. godgevallig, heilig 4. liefdevol, eerbiedig, kinderlijk 5. bezorgd, goedertieren, vaderlijk 6. vaderlandslievend.
Dit adiectivum toegepast op God heeft gelijkwaardige betekenis als misericors of clemens. Voor Gods genadige toeneiging tot zijn volk vinden we begrippen zoals pio favore, met liefdevolle genade (Postcommunio Pro Sponso et Sponsa); pium auditum, liefdevol gehoor [gevend](Oratio feria IV post Dom. 1 Pass.); pia miseratione, liefdevol erbarmen (Oratio pro remissione peccatorum).
Wanneer het adiectivum pius niet naar God verwijst zijn er verschillende betekenissen mogelijk.
Wanneer het wordt gebruikt in de uitdrukking: per haec piæ placationis officia - door dit offer van heilige verzoening - lijkt de betekenis afkomstig te zijn uit heidense sacrale riten in de betekenis van “sacraal, heilig” bijvoorbeeld in de secreta-oraties van het misformulier Pro Defunctis nr. 10: en van het misformulier In die Obitus seu depositionis defuncti en in het misformulier Sacerdotes tui.
De heidense herkomst mag ook worden verondersteld bij de combinaties pia munera in de postcommunio Missae Defunctorum nr. 7, pia solemnitas in het collectegebed van 9 september (gedachtenis van de H. Gorgonius), of per haec piæ devotionis officia in de secreta van feria 3 binnen het paasoctaaf.
Wanneer het begrip devotio een subjectieve houding en gesteltenis tegenover God uitdrukt voegt het begrip pius er een verdere nuance aan toe in de zin van “reverentie” bijvoorbeeld in et gratiam nobis piæ devotionis obtineat   - [en opdat de offergave] …. ons de genade van kinderlijke toewijding doet verkrijgen - in de secreta van zondag onder het kerstoctaaf, in de secreta van 7 augustus (pro S. Donato) en in het collectegebed van zaterdag na passiezondag.
Het gebed van de christen wordt genoemd pia petitio in het collectegebed van maandag binnen het pinksteroctaaf; piæ preces in het collectegebed Dom. XXII post Pentecost.; pia deprecatio in het collectegebed 1a van Sabb. Quat. Temp. Sept.
Het zedelijk leven van de Christen wordt ook gekarakteriseerd als pius, “heilig” bijvoorbeeld piæ conversationis sequamur exemplo – dat wij het voorbeeld volgen van haar vrome levenswandel - in het collectegebed 28 jan. S. Agnetis secundo en piæ conversationis augmentum  - en vermeerdering van onze vroomheid in onze levenswandel - in het collectegebed feria 3 post Dom. IV Quadr.
Het bijvoeglijk naamwoord pius wordt ook gebruikt wanneer de voorspraak van heiligen wordt gevraagd waar het dan de betekenis krijgt van liefdevol, vriendelijk, zoals in de combinatie pia intercessio, pia supplicati, pia oratio, pium auxilium. Het beschrijft eveneens onze liefde voor de heiligen, bijvoorbeeld quorum hic reliquias pio amore veneramur in terris  - wier relieken wij hier op aarde met kinderlijke liefde vereren – in de antifoon ad Magnificat, Ie Vespers van het officie van de HH. Wiro, Plechelmus en Otgerus, 8 mei.
We kunnen zeggen dat in de oraties pius een meer algemeen betekeniskader heeft dan het substantivum pietas. Het concept pius karakteriseert Gods betrekking tot de mensen en in het bijzonder de relatie van de mensen tot God en jegens zijn naasten.
In [para-]liturgische gezangen die gevoelige devotie van gelovigen uitdrukken wordt Jezus regelmatig met het epitheton pie aangesproken. Enkele voorbeelden: in de sacramentshymne Adoro Te: pie Pellicane Iesu; in het beschouwend gezang O quantum in Cruce: pie Deus; in de sequens Dies iræ: Recordare, Jesu pie en pie Jesu, Domine, maar ook binnen dezelfde strofe die begint met Rex tremendæ maiestatis (koning van huiveringwekkende Majesteit) als fons pietatis, bron van barmhartige liefde.
In het collectegebed van het hoogfeest van ’s-Heren Hemelvaart vinden we tenslotte de combinatie: Fac nos, omnipotens Deus, sanctis exsultare gaudiis, et pia gratiarum actione lætari / Almachtige God, laat ons opspringen in heilige vreugde, en ons verheugen over de[ze] liefdevolle dankzegging…
Officium, -i, n. – ritus, kerkelijke ceremonie, plichtsvervulling/bediening door de hiërarchie.
Dit substantivum dat bij de Cicero ten tijde van de laatste jaren van de Romeinse Republiek ‘plicht’, ‘verplichting’ en ook ‘ambt, taak’ betekende, kreeg ten tijde van het Keizerrijk (vanaf 27 voor Chr.) steeds meer de betekenis van plichtsvervulling, dienst ten opzichte van het vaderland, als ook voor het voltrekken van ritussen en religieuze ceremonies. et is een van de begrippen Het is
Het is een van de vaste begrippen voor de vertaling van λειτουργια (liturgia).
Tegen het einde van het patristische tijdperk (over een exacte afbakening bestaat geen consensus; sommige humanisten beschouwden de H. Bernardus van Clairvaux (†1153) als de laatste van de kerkvaders) wordt het officium divinum, het officium, algemeeen opus Dei of opus divinum genoemd, het Werk Gods (Gregorius Magnus, Benedictus); en zelfs, als aanduiding voor de Mis, sacrum opus (Gregorius Magnus in Epist. 6, 38). De term die tenslotte prevaleerde was officium divinum (het Romeinse Brevier). Isidorus van Sevilla noemt dit ‘werk’ officia ecclesiastica : het gaat immers om een plicht, een plichtsvervulling, voorbehouden aan geestelijken, dienaren van God. Weer later werden met deze term de gebeden en lezingen aangeduid waartoe de clergé was gehouden: dus sprekend over het reciteren van het brevier: “ut digne, attente ac devote hoc officium recitare valeam”, opdat ik waardig, aandachtig en godvruchtig dit officie mag bidden (oratie die aan het bidden van het brevier voorafgaat (Urbanus VIII; gehandhaafd in Liturgia Horarum, de postvaticaanse brevierversie).
Het begrip officium duidt vooral het geheel van ceremonies, gebeden, missen, officies van de verschillende dagen en feesten aan, waaraan soms de gelovigen deelnamen, b.v. “quæ solemni celebramus officio”, welke [gedachtenis] wij met een plechtige viering voltrekken ( Sacram. Greg. 17, 5). Naast deze concretisering blijft de oorspronkelijke betekenis van ‘bediening’, ‘dienst’ bestaan en om die reden bevatten oratieteksten min of meer abstracte nuances en verbindingen met het begrip obsequium (dienstbaarheid, dienst, offer) of vergezeld van begrippen als piæ devotionis in “per hæc piæ devotionis officia”, door deze daad van vrome offervaardigheid (Secreta van dinsdag onder het paasoctaaf: zie ook de oratie van vandaag), of in het collectegebed van het feest van het H.Hart van Jezus de combinatie “illi devotum pietatis nostræ præstantes obsequim”, dat wij Het [H.Hart] de hulde van onze liefdevolle toewijding brengen.
Tenslotte een opmerking over het gebruik van het enkelvoud en meervoud: het enkelvoud officium verwijst vooral naar de liturgische actio in het algemeen, het meervoud officia omvat het concrete karakter van deze actio hier en nu en in de voortgang van het H. Misoffer. Het gebruik van het pronomen demonstrativum hæc dat driemaal voorkomt “ut per hæc piæ placationis officia perpetuam misericordiam consequatur”, opdat door dit Offer van liefdevolle verzoening [hem] eeuwige barmhartigheid ten deel valle (Secreta pro Defunctis, in die Obitus seu depositionis defuncti en in de Missa ‘Sacerdotes tui’) steunt deze bewering. En er is rekening te houden met ritmische en stilistische overwegingen, bijvoorbeeld in het streven naar klankrijm in de Oratio super munera van vandaag: hostiarum, officia, transeamus.
G e t u i g e n i s  v a n  d e  V a d e r s
Jezus’ woord (Jo 6, 51):
“Ik ben het Brood des levens, die uit de hemel ben neergedaald; zo iemand eet van mijn brood, zal hij leven in eeuwigheid”.
H. Cyprianus, bisschop van Carthago (+ 258)
“…Wanneer Hij zegt, dat al wie eet van zijn Brood, in eeuwigheid zal leven, is het enerzijds duidelijk dat zij leven die zijn Lichaam aanraken en de Eucharistie krachtens recht van gemeenschap ontvangen, anderzijds moet men vrezen en bidden, dat niemand doordat hij wordt uitgesloten en van Christus’ Lichaam gescheiden, verwijderd blijft van het heil, want zelf dreigt Hij met de woorden: “Zo gij het Vlees van de Mensenzoon niet eet en zijn Bloed niet drinkt, zult gij het leven in u niet hebben”(Jo 6, 53). En daarom bidden wij, dat ons Brood, dat is Christus, ons dagelijks gegeven wordt, dat wij, die in Christus verblijven en leven, van zijn heiliging en Lichaam ons niet verwijderen” (De oratione dominica, 18).
H. Ignatius, bisschop van Antiochië (+ Rome, ca 107)
“…terwijl gij één brood breekt, dat het geneesmiddel is tot onsterfelijkheid, een tegengif waardoor wij niet sterven, maar in Jezus Christus leven voor eeuwig” (Eph 20, 2).
H. Irenæus, bisschop van Lyon (+ 202)
“…Want wij offeren Hem van het zijne, en daarmee verkondigen wij tegelijk de onderlinge gemeenschap en eenheid van vlees en geest en belijden tegelijk de verrijzenis van beide. Want zoals het brood, dat van de aarde is, de aanroeping van God ontvangend, niet langer gewoon brood is, maar de Eucharistie uit twee elementen bestaande, een aards en een hemels: zó zijn ook onze lichamen die de Eucharistie ontvangen, niet langer meer bederfelijk, maar bezitten de hoop op de verrijzenis” (Adv. Hæreses IV, 18. 5).
H. Gregorius, bisschop van Nyssa (+ 334)
“…Het Woord dat verschenen is, heeft zich vermengd met de sterfelijke natuur der mensen,  opdat de mens door de gemeenschap met de Godheid tegelijkertijd vergoddelijkt zou worden. Daarom zaait Hij overeenkomstig het heilsplan van de genade Zichzelf door middel van Zijn Vlees in alle gelovigen, wier substantie bestaat uit wijn en uit brood, doordat dit Zijn Vlees zich vermengt met de lichamen der gelovigen, opdat de mens door vereniging met het onsterfelijke deelachtig zou worden aan de onbederfelijkheid. En deze onbederfelijkheid schenkt dit Vlees door de kracht van de zegen, waardoor het van substantie verandert in de natuur van het zichtbare (Oratio catechetica, c. 37).

C o m m e n t a a r
Het is een dienst van liefdevolle toewijding (‘officia piæ devotionis’) wanneer wij tijdens de H. Eucharistieviering onze gaven naar het altaar brengen, verbonden met het gebed van de gelovigen. Het ligt echter geheel in de Wil van God besloten, of Hij deze gaven aanvaardt, in het bijzonder op de specifieke wijze van aanvaarding tijdens de Consecratie. Dan wordt de dienst van liefdevolle toewijding zelf veranderd, omdat deze door Christus, de Hogepriester, in het Kruisoffer wordt opgenomen. Dan zal ook de slotbede van de oratie worden vervuld ‘dat wij overgaan tot de hemelse heerlijkheid”.  Want de hemelse heerlijkheid  was niet slechts voor Christus het liefdevolle antwoord van de Vader. Dit antwoord is bedoeld voor allen, die met Christus de liefde voor het offer delen.

Paus Johannes-Paulus II + formuleert de verhouding tussen het Kruisoffer/Misoffer en het leven van de Kerk, impliciet het leven van elke gelovige als volgt in zijn Encyliek ‘Ecclesia de Eucharistia’: De Kerk ontleent haar leven onophoudelijk aan het verlossende Offer van Christus; zij benadert dit niet alleen als gelovige gedachtenis, maar ook door een waarachtig contact daar dit offer steeds weer tegenwoordig wordt gesteld, sacramenteel bestendigd in iedere gemeenschap, die het aanbiedt middels de gewijde bedienaar. Zo verleent de H. Eucharistie heden ten dage aan mensen de verlossing, eens en voor al verdiend door Christus voor de mensheid van alle tijden.  De H. Cyrillus van Alexandrië maakt duidelijk dat het delen in de heilige geheimen ‘een ware belijdenis en gedachtenis is, dat de Heer gestorven is en omwille van ons heil tot het leven is teruggekeerd’ (In Iohannis Evangelium XII, 20: PG 74, 726).
‘Het Offer van Christus vormt met het Offer van de H. Eucharistie één enkel Offer’ (Katechismus van de Katholieke Kerk, nr. 1367).
De H. Johannes Chrysostomos drukt het aldus uit: ‘Wij offeren alktijd hetzelfde Lam, niet het ene vandaag en morgen weer een ander, maar altijd hetzelfde.  Daarom is het altijd hetzelfde offer… Ook nu offeren wij dat slachtoffer dat eens geofferd is en nooit verteerd zal worden”
(In Epistulam ad Hebræos, Hom. 17, 3: PG 63,131).
De Mis stelt het Offer van het kruis tegenwoordig; de Mis voegt aan dat Offer niets toe en vermenigvuldigt het ook niet (Cf Oecumenisch Concilie van Trente, Zitting XXII, Doctrina de SS Missa Sacrificio, hfdst. 2 DS 1743: ‘Hetzelfde slachtoffer offert Zich nu door de bediening van Zijn priesters als dat Zich toen offerde aan het kruis; alleen de wijze van offeren is anders’.
Wat herhaald wordt is de gedachtenisviering , de ‘gedenkende tegenwoordigstelling’ (memorialis demonstratio) (Pius XII, Encycliek Mediator Dei, 20 november 1947: AAS  39 (1947) 548), waardoor Christus’ ene, definitieve, verlossende Offer altijd aanwezig is in de tijd. Het offerkarakter van het Eucharistisch mysterie kan dan ook niet gezien worden als los, onafhankelijk, van het kruis, of slechts indirect verband houdend met het Offer van Calvarië.
Ten gevolge van de nauwe band met het Offer van Golgotha is de Eucharistie een Offer in de strikte zin van het woord, en niet alleen op een algemene wijze, alsof Christus zich slechts  aan Zijn gelovigen zou aanbieden als geestelijk voedsel. De gave van Zijn liefde en gehoorzaamheid, tot het offeren van Zijn leven toe,  (cf Jo 10, 17-18) is op de eerste plaats een gave aan Zijn Vader. Zeker, het is een gave omwille van ons, en van de gehele mensheid (cf Mt 26, 28; Mc 14, 24; Lc 22, 20; Jo 10, 15), maar het is eerst en vooral een gave aan de Vader: ‘een Offer dat de Vader heeft aanvaard, Die in ruil voor deze totale zelfgave van de Zoon, die ‘gehoorzaam werd tot de dood’ (Fil 2, 8) Zijn eigen vaderlijke gave schonk, dat wil zeggen de garantie van nieuw, onsterfelijk leven in de verrijzenis’ (Joh.-Paulus II, 15 maart 1979), 20: AAS 71 (1979).
Door Zijn Offer aan de Kerk te schenken heeft Christus ook het geestelijke Offer van de Kerk tot het Zijne gemaakt, de Kerk die geroepen is zichzelf te offeren in eenheid met het Offer van Christus. Het tweede Vaticaans Concilie leert wat betreft de gelovigen: ‘Deelnemend aan het Eucharistisch Offer, dat de oorsprong en het hoogtepunt van heel het christelijk leven is, dragen zij het goddelijk Offerlam en zichzelf met Hem op aan God’ (Dogm. Constitutie over de Kerk, Lumen Gentium, 11).

(Cf nrs. 12-13)

Collectegebed 28e zondag door het jaar - Laat uw genade ons altijd voorafgaan en begeleiden

Collectegebed 28e zondag door het jaar 

Laat uw genade ons altijd voorafgaan en begeleiden

Omdat elke christen weet dat hij wordt geacht goede vruchten voort te brengen, vraagt het collectegebed van deze zondag om de genade steeds op goede werken uit te zijn. Misschien beperkt de oratie zich niet zonder goede reden tot de bede dat Gods genade ons altijd mag voorafgaan en begeleiden om goede daden te stellen, omdat het tegenover de pelagiaanse (1) of semipelagiaanse dwaling wil benadrukken dat men ook voor het willen de genade nodig heeft (cf Phil 2,13: “God is het immers die in u zowel het willen als het werken teweegbrengt om zijn heilsplan te verwezenlijken”). De bidder voelt zich duidelijk gebonden aan de liefde van God die ons het eerst heeft liefgehad. Van Hem komt immers al het goede, ook de wederliefde van de verloste mens alsmede het willen en volbrengen van goede daden die hun oorsprong hebben in deze liefde.
Missale Romanum - 1970
Tua nos, quæsumus, Domine, gratia semper et præveniat et sequatur,
ac bonis operibus iugiter præstet esse intentos.
Nederlands Altaarmissaal – 1979
Heer wij bidden U: laat uw genade ons altijd voorafgaan en begeleiden,
zodat wij er voortdurend op bedacht zijn het goede te doen.
Letterlijke vertaling
Moge uw genade, [zo] bidden wij U, Heer, [ons] altijd voorafgaan en volgen,
en ook geven dat wij ons voortdurend toeleggen op goede werken.
L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n
Dit sierlijke collectegebed voor de 28e zondag door het jaar is afkomstig uit het Sacramentarium Gregorianum (Hadrianum, 204,24), 9e eeuw, en is eeuwenlang gebruikt op de 16e zondag na Pinksteren volgens de traditionele Romeinse kalender. Het is een aantrekkelijke oratie om te zingen. De flexibiliteit van het Latijn, mogelijk gemaakt door de verschillende modulaties bij het eind van de woorden, laat de volgorde van de woorden mooi tot zijn recht komen. Het Latijn schept rijke variaties en nuances.
S t r u c t u u r  e n  s t i j l
1 Tua nos, quæsumus, Domine, gratia semper et præveniat et sequatur,
2 ac bonis operibus iugiter præstet esse intentos.
Ad 1-2.
De oratie is samengesteld uit één enkele zin, bestaande uit twee kleinere hoofdzinnen verbonden door de coniunctie ac (ac, atque = en daarbij, en ook, en). Tua gratia, uw genade, is het subject van de beide verba præveniat en sequatur maar ook van het verbum præstet in de tweede regel. De drie werkwoorden staan in de coniunctivus vanwege het wenskarakter(coniunctivus optativus). De bidder vraagt een drievoudige uitwerking van Gods genade. De eerste zin, vóór het verbindingswoord ac,  wordt onderbroken door de alleenstaande werkwoordsvorm quæsumus (2) in de indicativus, in één adem aangevuld met de vocativus Domine, waarmee God in zijn soevereiniteit wordt aangesproken.
 Semper, altijd durend, is een bijwoordelijke bepaling van tijd in de eerste zin evenals iugiter, voortdurend,  in de tweede zin na het verbindingswoord ac zorgt voor een tijdsdimensie bij het verbum præstet. De betekenis van semper en iugiter zijn synoniem.
De tweede halfzin bevat een a.c.i.-constructie: [nos]…esse intentos (accusativus cum infinitivo) waarbij de accusativus nos is verzwegen maar afgeleid kan worden van het in de eerste halfzin vermelde nos en van intentos, het bijvoeglijk gebruikte participium perfecti passivi. Ook in de vertaling wordt het verzwegen persoonlijk voornaamwoord wij toegevoegd: en moge uw genade ook geven dat wij voortdurend gericht zijn op/ijverig bezig zijn met [het doen van] goede werken of: ijverige bezig zijn met het doen van goede werken. Bonis operibus is een bijwoordelijke bepaling in de ablativus bij het naamwoordelijke gezegde esse intentos.
De scheiding tussen tua en gratia in de eerste regel van de oratie is een voorbeeld van de letterkundige stijlfiguur hyperbaton genoemd: verandering in de logische woordvolgorde om het belangrijke begrip tua gratia duidelijker reliëf te geven. De plaatsing van het possessivum tua vóór het substantivum gratia en bovendien als eerste woord van de oratie, verleent het tua extra nadruk.
De constructie et…et is niet alleen een opsomming in de zin van zowel…als, waardoor præveniat en sequatur bij elkaar worden getrokken, maar geeft tegelijkertijd het almachtige en eeuwige karakter van God weer in die zin dat God niet alleen het initiatief neemt, maar het hele proces blijft begeleiden. Waar et…et twee bij elkaar horende verba aan elkaar koppelt, verbindt ac twee grotere zinsdelen namelijk de eerste hoofdzin met de tweede hoofdzin. In de tweede hoofdzin na ac wordt het hoopvolle gevolg geschetst van wat er in de eerste hoofdzin bij God wordt afgesmeekt.
V o c a b u l a r i u m
Præveniat, 3e persoon enkelvoud van het præsens activi; prævenire, -veni,-ventum = 1. Voorkomen 2. Vooruitgaan 3. Voorafgaan 4. Vooruit vieren 5. Overtreffen 6. Verhinderen, beletten. Afleidingen in het Nederlands: preventie, preventief. Sequatur, 3e pers. enkelvoud van het præsens passivi van het deponens sequi, secutus sum (verbum in de passieve vorm maar met actieve betekenis) met betekenis 1. Volgen, begeleiden 2. Vervolgen, achtervolgen 3. Aanhangen, zich aansluiten, toetreden 4. Streven, verlangen naar 5. Er uit volgen. Afleidingen in het Nederlands: sequentie, sequentieel.
Het woordenpaar præveniatsequatur doet denken aan een gebed van de H. Alfonsus Maria de Liguori (+ 1787) voor de Noveen tot O.L.Vrouw van Altijddurende Bijstand, ook wel gebruikt voor de zieken: ‘Moge de Heer Jezus Christus u bijstaan, moge Hij u beschermen, moge Hij u inwendig ondersteunen, moge Hij voor u uitgaan om u te leiden, u volgen om u te beschermen, boven u zijn met Zijn zegen. In de Naam van de vader en de Zoon en de Heilige Geest’.
Intentus, -a, -um komt van intendo, “spannen, uitrekken” en ook “aandacht schenken aan, zich op iets richten, ter harte nemen” en synoniemen. Nederlandse afleidingen: intentie, intentioneel, intentieverklaring enz.
Iugiter, een iugum is een juk, waarmee trekdieren twee aan twee worden verbonden. Een iugerum was een Romeinse landmaat en stond gelijk aan wat een span ossen in een juk op één dag ploegde (“morgen”, “bunder”). Iugum is ook de naam van het sterrenbeeld Libra, - Latijn voor “schaal, balans” - dat een balk bevat, een soort juk. Het Romeinse gewicht “pond” heeft nog steeds als afkorting “lbs” = libræ van 327 gram.

Het iugum (juk) was een berucht oud symbool van nederlaag en onderspit. De Romeinen dwongen de overwonnen onder het juk door te gaan, teken dat dezen sub-iugati” waren, onder het juk gebracht, onderworpen.
We horen  iugiter ook in het bekende gebed geschreven door de H. Thomas van Aquino (+ 1274), het collectegebed van Sacramentsdag en tevens gebruikt bij de Zegen met het Allerheiligste: “Heer Jezus Christus, in dit wonderbaar sacrament hebt Gij ons de gedachtenis nagelaten van uw lijden en sterven. Wij bidden U: laat ons de heilige Geheimen van uw Lichaam en Bloed met zo grote eerbied vieren dat wij de genade van uw verlossing voortdurend (iugiter) in ons ervaren.”
Het adiectief  jugis, -e , altijddurend, voortdurend, bestendig, vonden we ook afgelopen week op 7 oktober in de 1e strofe van de hymne “Te gestientem gaudiis” van de Lauden van het Rozenkransfeest: “Te gestientem gaudiis / te sauciam doloribus / te iugi amictam gloria / o Virgo, Mater, pangimus! – U, jubelend van vreugde / U, gewond door smarten / U, bekleed met eeuwige  glorie / U bezingen wij, o Maagd Maria!
Tua gratia, uw genade – zoals boven reeds gezegd het subject van alle drie de werkwoorden. We bidden God door middel van zijn genade die we niet zelf verdienen, altijd zowel voor als achter ons te zijn.  We vragen zijn hulp, zodat we – zwak door onze gevallen natuur als we zijn – altijd gericht mogen zijn op het doen van goede werken, die bezield door het geloof en geïnspireerd door Gods genade ons op de weg naar de hemel zullen helpen en ook onze naaste goed te doen.
C o m m e n t a a r
Al onze goede initiatieven komen van God. Als wij de intentie hebben deze te aanvaarden en met Hem samen te werken, zal Hij ze voltooien. Zijn genade gaat ons vooraf en volgt ons. Onze goede werken hebben verdienste voor de hemel, omdat God deze inspireert, bezielt en voltooit door ons, zijn dienaren die zich dit bewust zijn, wel-willen en Hem beminnen.
Onze daden en verdiensten zijn uiteindelijk die van God, maar omdat wij meewerken en Hij ons bemint ook zeer zeker de onze, zoals de H. Augustinus van Hippo (+430) schreef: God kroont zijn eigen verdiensten in ons (Epistula ad Sixtum,194.19 (de latere paus Sixtus III)
Het collectegebed van deze zondag brengt ons in herinnering hoe belangrijk onze goede werken, die de werking van Gods genade, ja van zijn aanwezigheid in ons uitdrukken, voor onze redding zijn. Zoals we hopen dat God ons zijn genade in overvloed schenkt, zó zouden we ook van onze kant edelmoedig moeten zijn met goede werken ten bate van anderen.

(1)
Pelagianisme: dwaalleer van de monnik en asceet Pelagius (354-420/440) (eind 4e eeuw) en zijn aanhangers die stelden dat de zondeval de menselijke natuur niet heeft aangetast en dat de sterfelijke wil in staat is te kiezen tussen het goede en kwade, met andere woorden dat de mens alle capaciteiten bezit om door een deugdzaam leven zichzelf waardig te maken voor het eeuwig leven zonder dat hiervoor bijstand van de kant van God nodig is. Zoals eerder al ter sprake kwam (collectegebed 5e zondag Veertigdagentijd en 11e zondag door het jaar) vermijden de collectegebeden zelfs alles wat maar kan zwemen naar het pelagianisme als het gaat om Gods “hulp”.
(2)
Quæsumus, wij bidden en quæso, ik bid: werkwoordsvormen die tot de “verba defectiva”- onvolledige werkwoorden – behoren en waarvan slechts enkele vormen voorkomen met name in de orationes, echter nooit aan het begin van de zin (tenzij bij hoge uitzondering).                         .

28e zondag door het jaar Commentaar bij het Collectegebed De voorkomendheid van God


Missale Romanum - 1970
Tua nos, quæsumus, Domine, gratia semper et præveniat et sequatur,
ac bonis operibus iugiter præstet esse intentos.
Nederlands Altaarmissaal – 1979
Heer wij bidden U: laat uw genade ons altijd voorafgaan en begeleiden,
zodat wij er voortdurend op bedacht zijn het goede te doen.
Werkvertaling
Moge uw genade, [zo] bidden wij U, Heer, [ons] altijd voorafgaan en volgen,
en ook geven dat wij ons voortdurend toeleggen op goede werken.
C o m m e n t a a r

Als we van iemand zeggen dat hij of zij zeer voorkomend is, betekent dat een groot compliment. Personen die voorkomend (*) zijn, hebben een bijzonder gevoelige opmerkzaamheid voor de behoeften en wezen van hun medemensen. Ze merken op wat de ander nodig heeft en helpen hem op voorkomende wijze.
Het collectegebed van deze zondag schrijft God toe dat Hij ons met zijn genade vooraf gaat en volgt.
Een ander kerkelijk gebed dat vóór conferenties en bijeenkomsten graag wordt gebruikt (Gotteslob 520,2), preciseert de voorkomendheid van God nog iets meer: God laat uw genade aan ons handelen vooraf gaan en wil het begeleiden,  opdat ons denken en doen bij U mogen beginnen en door U worden voltooid”.

Wat gebeurt eigenlijk in het diepst van ons hart wanneer wij goede gedachten hebben, welwillend zijn en tenslotte goed handelen? Zijn wij dat eenvoudig zelf en alleen? Speelt daar niet ook een ander mee? Meestal is de oorsprong van ons denken, willen en handelen voor ons zelf duister. Bij tijd en wijle echter hebben we duidelijk de indruk: deze gedachte is mij ‘ingegeven’ en die impuls heb ik niet van mijzelf. Op die momenten kunnen we ons bewust worden dat God met zijn genade ons vooraf gaat, ons vóór is, wat veel vaker gebeurt dan wij normaliter merken. Zijn genade is zo direct dat wij deze amper herkennen, ofschoon wij toch van deze genade leven. Overigens zien we meestal slechts achteraf dat het de genade van God is die ons de impuls tot het goede gaf
.
Uit ervaring kennen we echter ook het tegendeel. Uit ons innerlijk kunnen slechte gedachten, verkeerde wensen en kwaadaardige impulsen opduiken. Paulus spreekt in deze context van de macht van de zonde, die in de wereld is en elke mens belast (Rom 7, 7-25). Ook Jezus zie dat zeer realistisch: “Want uit het binnenste, uit het hart van de mensen, komen boze gedachten, ontucht, diefstal, moord, echtbreuk, hebzucht, kwaadaardigheid, bedrog, losbandigheid, afgunst, godslastering, trots, lichtzinnigheid” (Mk 7, 21-22). In de Catechismus wordt deze menselijke ervaring als door de erfzonde gegeven neiging tot het kwaad geduid, waarvan geen enkel mens vrij is.

Geen enkel mens? Toch wel, één mens, afgezien van Jezus Zelf, is nooit door de gevolgen van deze oerschuld beroerd: Maria, de Moeder van Jezus. Aan haar wordt op heel bijzondere wijze duidelijk, hoe voorkomend genade kan zijn. Want God heeft haar met het oog op de verlossende dood van Christus reeds vanaf het eerste ogenblik van haar bestaan voor elke zonde bewaard, voorkomend in de meest ware zin van het woord.
De voorkomende God werkt echter niet alleen in Maria. Zeer zeker deed zij dat bij haar op unieke wijze.  Op een andere wijze geldt zij dat voor alle mensen. Zij was en is werkzaam door heel de geschiedenis van de mensen heen, teruggaand tot “Adam en Eva” en voorwaarts tot de laatste mens die op de “jongste dag” wordt geboren. Dit algemene aspect heeft de genade met de last van de erfzonde gemeen: “Al zijn door de fout van die éne allen gestorven, Gods genade, zijn gift bestaande in de genade van de ene mens Jezus Christus , is nog veel overvloediger over allen neergedaald (Rom 5, 15).
Het is troostvol te mogen geloven dat Gods genade op deze algemene wijze voorkomend is en alle mensen geldt: vanaf de neanderthaler tot de mensen van nu en ook de komende generaties. Alle mensen worden beroerd en aangesproken, ook wanneer ij nog niet van het Evangelie hebben gehoord en de Verlosser nog niet kennen. Of en hoe zich Gods voorkomende genade in concurrentie met de macht van de zonde doorzet, is een andere vraag waarover iedere mens zelf mede beslist.
Al onze goede initiatieven komen van God. Als wij de intentie hebben deze te aanvaarden en met Hem samen te werken, zal Hij ze voltooien. Zijn genade gaat ons vooraf en volgt ons. Onze goede werken hebben verdienste voor de hemel, omdat God deze inspireert, bezielt en voltooit door ons, zijn dienaren die zich dit bewust zijn, wel-willen en Hem beminnen.
We vragen zijn hulp, zodat we – zwak door onze gevallen natuur als we zijn – altijd gericht mogen zijn op het doen van goede werken, die bezield door het geloof en geïnspireerd door Gods genade, ons op de weg naar de hemel zullen helpen en ook onze naaste goed te doen.
(*) Voorkomendheid: 1) Beleefdheid 2) Dienst 3) Egards 4) Galanterie 5) Gedienstigheid 6) Minzaamheid 7) Oplettendheid 8) Tegemoetkomendheid 9) Vriendelijkheid 10) Oprechte aandacht voor anderen.

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Dominica XXVIII per annum Nomen meum glorificatum est in gentibus. Mijn Naam is verheerlijkt onder de heidenen.


   Ad Officium lectionis



Lectio altera

Ex Commentário sancti Cyrílli Alexandríni epíscopi in Aggæum
(Cap. 14: PG 71, 1047-1050)
Tweede lezing

Uit het Commentaar op Aggeüs, van de H. Cyrillus, bisschop van Alexandrië
(Cap. 14; PG 71, 1047-1050)

Mijn Naam is verheerlijkt onder de heidenen

Ten tijde van de komst van onze Verlosser verscheen er een goddelijke tempel, die onvergelijkelijk glorievoller was dan die oude tempel en zoveel voortreffelijker en uitmuntender, als iemand meent dat de godsdienst volgens de Wet verschilt van die in Christus en het Evangelie en de waarheid verschilt van de afschaduwing.

Wat dit betreft kan ook nog het volgende gezegd worden, naar ik meen. Er bestond één tempel en alleen in Jeruzalem en het éne Israëlitische volk bracht daar zijn offers. Maar nadat de Eniggeborene aan ons gelijk werd, hoewel Hij was onze God en Heer en Hij ons doet stralen van vreugde, zoals de Schrift zegt, is daarna heel de aarde gevuld met heilige woningen en ontelbare aanbidders, die met geestelijke offers en reukwerken de God van al het bestaande vereren. Dat is, meen ik wat Malachia als man Gods voorspelde:  Want Ik ben een groot koning, zegt de Heer en mijn Naam is geducht onder de volken en op iedere plaats wordt aan mijn Naam een wierookoffer en een reine offerande gebracht.

Het is dus de waarheid, dat de glorie van de nieuwste tempel, dat is de Kerk, groter zal zijn. Voor hen, die vol zorg zijn voor die tempel en aan de opbouw daarvan werken, zegt de Profeet, zal als een vriendengeschenk van de kant van de Verlosser en als een gave uit de hemel Christus worden geschonken, de vrede voor allen, door Wie wij in één Geest toegang hebben tot de Vader, wanneer hij zegt: Ik zal vrede geven op deze plaats, om de vrede des harten te verweven door ieder, die bouwt aan het oprichten van deze tempel. Elders zegt ook Christus: Mijn vrede geef Ik u. Hoe dit ten gunste werkt voor hen, die beminnen, zal Paulus ons leren, als hij zegt: De vrede van Christus, die alle begrip te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten behoeden. Zo bad ook de wijze Jesaja: Heer, onze God, geef ons uw vrede, want al wat ons ooit overkwam, hebt Gij ons aangedaan. Zij toch, die eenmaal Christus’ vrede zijn waardig gekeurd, kunnen gemakkelijk hun ziel bewaren en hun geest op juiste wijze gericht houden op de beoefening der deugd.

Derhalve wordt aan eenieder, die aan de vrede bouwt, ook die vrede beloofd. Want hetzij iemand aan de Kerk bouwt, mystagoog of te wel vertolker van de heilige mysteriën is, hij staat gegrondvest op het huis van God: hetzij hij er voor zorgt zich een levende en geestelijke steen te tonen tot opbouw van een heilige tempel en een woonstede van God in de Geest – zo iemand zal zeker dit voordeel behalen, dat hij niet moeilijk het heil van zijn ziel kan verwerven.