Posts tonen met het label hebdomada XXIV per annum. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hebdomada XXIV per annum. Alle posts tonen

zaterdag 11 september 2021

Lezingen H. Mis 24e zondag door het jaar B Wie zijn leven verliest omwille van Mij en het Evangelie zal het redden.

Eerste lezing (Jes. 50, 5-9a)
Uit de profeet Jesaja.
God de Heer heeft tot mij gesproken
en ik heb mij niet verzet,
ik ben niet teruggedeinsd.
Mijn rug bood ik aan wie mij sloegen,
mijn wangen aan wie mij de baard uitrukten
en mijn gezicht heb ik niet afgewend
van wie mij smaadden en mij bespuwden.
God de Heer zal mij helpen:
daarom zal ik niet beschaamd staan.
Hij die mij vrij zal spreken is nabij.
Wie is mijn tegenstander?
Laten we samen voor de rechter treden!
Wie is mijn tegenpartij?
Laat hij tegenover mij komen staan!
God de Heer zal mij helpen:
wie zal mij schuldig verklaren?

Tweede lezing (Jak. 2, 14-18)
Uit de brief van de heilige apostel Jakobus.
Broeders en zusters,
wat baat het een mens
te beweren, dat hij geloof heeft
als hij geen daden kan laten zien?
Kan zo’n geloof hem soms redden?
Stel dat een broeder of zuster geen kleren heeft
en niets om te eten
en iemand van u zou zeggen:
“Geluk ermee!
Hou u warm en eet maar goed”
en hij zou niets doen om in hun stoffelijke nood te voorzien,
wat heeft dat voor zin?
Zo is ook het geloof,
op zichzelf genomen,
zonder zich in daden te uiten,
dood.
Misschien zal iemand zeggen:
“Gij hebt de daad
en ik het geloof.”
Dan antwoord ik:
“Bewijs me eerst,
dat ge geloof hebt als ge geen daden kunt tonen;
dan zal ik u uit mijn daden mijn geloof bewijzen.”

Evangelie (Mc. 8, 27-35)
In die tijd trok Jezus met zijn leerlingen
naar de dorpen rond Caesarea van Filippus. Onderweg stelde Hij aan zijn leerlingen de vraag: “Wie zeggen de mensen dat Ik ben?”
Zij antwoordden Hem:
“Johannes de Doper;
anderen zeggen Elia
en weer anderen zeggen dat Gij een van de profeten zijt.”
Daarop stelde Hij hun de vraag:
“Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?”
Petrus antwoordde:
“Gij zijt Christus.”
Maar Hij verbood hun nadrukkelijk
iemand hierover te spreken.

Daarop begon Hij hun te leren,
dat de Mensenzoon veel zou moeten lijden
en door de oudsten,
de hogepriesters en de schriftgeleerden verworpen moest worden,
maar dat Hij, na ter dood te zijn gebracht,
drie dagen later zou verrijzen.
Hij sprak deze woorden zonder terughoudendheid.
Toen nam Petrus Jezus terzijde
en begon Hem ernstig daarover te onderhouden.
Maar zich omkerend keek Hij naar zijn leerlingen
en voegde Petrus op strenge toon toe:
“Ga weg, satan,
terug!
want gij laat u leiden door menselijke overwegingen
en niet door wat God wil.”
Nadat Hij
behalve zijn leerlingen ook het volk bij zich had laten komen,
sprak Hij tot hen:
“Wie mijn volgeling wil zijn,
moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen
en zijn kruis op te nemen.
Want wie zijn leven wil redden,
zal het verliezen.
Maar wie zijn leven verliest omwille van Mij en het Evangelie
zal het redden.”

Lezingenofficie 24e zondag door het jaar Liturgia Horarum

Lezingen van het Lezingenofficie


Sint Augustinus leest Paulus, fresco van Benozzo Gozzoli (1420-1497)

Eerste lezing

Uit het boek van de profeet Ezechiël 1,3-14.22-28

Visioen van de heerlijkheid van de Heer in het land van ballingschap

(Op de vijfde dag van die maand, en wel in het vijfde jaar van koning Jojachims ballingschap, richtte de Heer zich tot de priester Ezechiël, de zoon van Buzi, in het land van de Chaldeeën, bij het Kebarkanaal. Daar werd hij door de hand van de Heer gegrepen.)
Dit is wat ik zag: een stormwind, komend uit het noorden, een grote gloeiende wolkenmassa, een vuur van bliksemflitsen. Daar middenin zag ik iets dat glansde als wit goud. In het midden van het vuur zag ik iets dat leek op een viertal wezens. Zo zagen ze eruit: ze leken op mensen maar ze hadden elk vier gezichten en vier vleugels. Hun benen waren recht en hun voeten, die blonken als gepolijst koper, leken op de hoeven van een kalf. Aan hun vier zijden, onder hun vleugels, zag ik mensenhanden. De gezichten en vleugels van de vier wezens zagen er zo uit: hun vleugels raakten elkaar, en omdat ze aan elke kant een gezicht hadden, hoefden de vier wezens zich niet om te draaien als ze zich voortbewogen. Hun gezichten leken van voren op het gezicht van een mens en van rechts op de muil van een leeuw, van links op de kop van een stier en van achteren op de bek van een adelaar. Dat waren hun gezichten. Twee van hun vleugels waren naar boven uitgespreid en raakten elkaar, en met de andere twee bedekten ze hun lichaam. Elk van de wezens bewoog zich recht vooruit, waarheen de geest van God hen ook maar dreef, en ze hoefden zich, waarheen ze ook gingen, niet om te draaien. Ze leken op iets dat eruitzag als brandende, vurige kolen; ze zagen eruit als fakkels. Er ging vuur heen en weer tussen de wezens, een gloeiend vuur, en er kwam bliksem uit het vuur. En zo flitsten de wezens heen en weer, als bliksemstralen. En boven de hoofden van de wezens was een soort koepel, glinsterend als ijs, angstwekkend – deze koepel strekte zich hoog boven hun hoofden uit. Daaronder stonden ze, en hun vleugels waren uitgespreid en raakten elkaar. Hun twee andere vleugels waren toegevouwen en bedekten hun lichamen. Toen hoorde ik het geluid van hun vleugels. Het klonk als het gebulder van de zee, als de stem van de Ontzagwekkende, als het rumoer van een mensenmassa, als een dreunend leger. Als ze stilstonden vouwden ze hun vleugels weer toe. Toen hoorde ik ook een geluid boven de koepel boven hun hoofd – maar zijzelf stonden stil met toegevouwen vleugels. En boven de koepel zag ik iets dat leek op een troon van saffier, en daarboven, op die troon, zag ik een gedaante als van een mens. Vanaf wat zijn lendenen leken te zijn naar boven toe zag ik iets dat glansde als wit goud en door iets als vuur omgeven was, en naar beneden toe zag ik iets als vuur, omgeven door een stralende gloed. Zoals de boog die bij regen verschijnt in de wolken, zo zag die gloed eruit. Aldus openbaarde zich de heerlijkheid van Jahweh.

Tweede lezing

Begin van de Preek over  de herders van de H. Augustinus, bisschop (ontleend aan Ezech. 34)

Wij zijn christenen en leiders

Dat heel onze hoop in Christus is gelegen en dat Hij zelf onze ware en heilzame glorie is, heeft uw liefde niet nu pas voor het eerst geleerd. Want gij zijt in zijn kudde degene, die waakt en Israël weidt. Maar omdat er herders zijn, die wel de naam van herders willen hebben, maar niet de taak van de herders willen vervullen, laten wij daarom eens nagaan, wat tot dezen door de Profeet (Ezechiël) wordt gezegd. Luistert gij dan aandachtig en laten wij met siddering luisteren.
En het woord des Heren werd tot mij gericht: Mensenkind, gij moet profeteren tegen de herders van Israël, en zeg tot de herders van Israël. We hebben zojuist geluisterd naar deze tekst, toen ze werd voorgelezen. Wij wilden er hier iets over zeggen tot uw heiliging. De Heer zelf zal ons helpen de waarheid te zeggen, als wij niet ons eigen woord spreken. Want als wij ons eigen woord zouden spreken, zullen wij zijn als herders, die zichzelf weiden, niet de schapen; maar als wij spreken, wat van Hem is, zal Hij u door wie ook weiden. Zo spreekt God de Heer: Wee de herders van Israël, die alleen zichzelf weiden! Of moeten de herder hun schapen niet weiden?, dat is: de herders moeten niet zichzelf weiden, maar hun schapen. Dat is de voornaamste reden, waarom de herders worden beschuldigd, namelijk omdat zij zichzelf weiden, niet hun schapen. Wie zijn het dan, die zichzelf weiden? Dat zijn zij waarover de Apostel zegt: Allen zoeken hun eigen belang en niet dat van Jezus Christus.
De Heer heeft zich niet naar onze verdienste maar overeenkomstig zijn eigen beoordeling, verwaardigd ons in deze bediening te plaatsen, waarover wij strenge rekenschap moeten afleggen. Wij hebben hier een tweevoudige taak: één als christen en een andere als aangesteld leider. Dat wij christen zijn geldt onszelf; dat wij leider zijn, heeft betrekking op u. In zover wij christen zijn moeten we letten op ons eigen belang, maar in zover wij leider zijn alleen op het uwe.
Velen die christenen zijn, maar geen leiders, komen tot God langs een misschien gemakkelijker weg, en zij wandelen wellicht des te gemakkelijker naarmate zij minder bagage mee te dragen hebben. Maar wij, afgezien van het feit, dat wij christenen zijn, waardoor wij aan God rekenschap moeten afleggen over ons leven, zijn wij ook nog leiders, waardoor wij rekenschap verschuldigd zijn over ons ambt.

(Sermo 46, 1-2: CCL 41, 529-530)

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Dominica XXIV per annum 24e Zondag door het jaar. Wij zijn christenen en leiders.

  



Lectio altera

Incipit Sermo sancti Augustíni epíscopi De pastóribus
(Sermo 46, 1-2: CCL 41, 529-530)
  
Tweede lezing

Begin van de Preek over ‘De herders’ van de H. Augustinus, bisschop
(Sermo 46, 1-2: CCL 41, 529-530)
Wij zijn christenen en leiders
Dat heel onze hoop in Christus is gelegen en dat Hij zelf onze ware en heilzame glorie is, heeft uw liefde niet nu pas voor het eerst geleerd. Want gij zijt in zijn kudde degene, die waakt en Israël weidt. Maar omdat er herders zijn, die wel de naam van herders willen hebben, maar niet de taak van de herders willen vervullen, laten wij daarom eens nagaan, wat tot dezen door de Profeet [Ezechiël] wordt gezegd. Luistert gij dan aandachtig en laten wij met siddering luisteren.
En het woord des Heren werd tot mij gericht: Mensenkind, gij moet profeteren tegen de herders van Israël, en zeg tot de herders van Israël. We hebben zojuist geluisterd naar deze tekst, toen ze werd voorgelezen. Wij wilden er hier iets over zeggen tot uw heiliging. De Heer zelf zal ons helpen de waarheid te zeggen, als wij niet ons eigen woord spreken. Want als wij ons eigen woord zouden spreken, zullen wij zijn als herders, die zichzelf weiden, niet de schapen; maar als wij spreken, wat van Hem is, zal Hij u door wie ook weiden. Zo spreekt God de Heer: Wee de herders van Israël, die alleen zichzelf weiden! Of moeten de herders hun schapen niet weiden? dat is: de herders moeten niet zichzelf weiden, maar hun schapen. Dat is de voornaamste reden, waarom de herders worden beschuldigd, namelijk omdat zij zichzelf weiden, niet hun schapen. Wie zijn het dan, die zichzelf weiden? Dat zijn zij over wie de Apostel zegt: Allen zoeken hun eigen belang en niet dat van Jezus Christus.
De Heer heeft zich niet naar onze verdienste maar overeenkomstig zijn eigen beoordeling verwaardigd ons in deze bediening te plaatsen, waarover wij strenge rekenschap moeten afleggen. Wij hebben hier een tweevoudige taak: één als christen en een andere als aangesteld leider. Dat wij christen zijn geldt onszelf; dat wij leider zijn, heeft betrekking op u. In zover wij christen zijn moeten we letten op ons eigen belang, maar in zover wij leider zijn alleen op het uwe.
Velen die christenen zijn, maar geen leiders, komen tot God langs een misschien gemakkelijker weg, en zij wandelen wellicht des te gemakkelijker naarmate zij minder bagage mee te dragen hebben. Maar wij, afgezien van het feit, dat wij christenen zijn, waardoor wij aan God rekenschap moeten afleggen over ons leven, zijn wij ook nog leiders, waardoor wij rekenschap verschuldigd zijn over ons ambt.

Introitus 24ste zondag door het jaar DA PACEM, DOMINE, SUSTINENTIBUS TE.

Collectegebed 24e zondag door het jaar Verleen dat wij U dienen met heel ons hart.

Collectegebed 24e zondag door het jaar

Verleen dat wij U dienen met heel ons hart.

Missale Romanum - 1970
Respice nos,
rerum omnium Deus creator et rector,
et, ut tuæ propitiationis sentiamus effectum,
toto nos tribue tibi corde servire.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie - 1979
God, Schepper en Heer van al wat bestaat, zie naar ons om.
Geef dat wij U dienen met heel ons hart
en de genade van uw verzoening ondervinden.

Letterlijke vertaling
Zie naar ons om,
God, Schepper en Bestuurder van alle dingen,
en, opdat wij de uitwerking van uw erbarming mogen ondervinden,
verleen dat wij U dienen met heel ons hart.

L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n

De oratie kwam niet voor in een voorafgaande editie van het Romeins Missaal maar is ontleend aan het oude Sacramentarium Leonianum (1) (kortweg Leonianum) voor de maand september. (Kapittelbibliotheek, Verona, Codex LXXXV; 2e helft 6e eeuw. Ed. Mohlberg 1956 waarin opgenomen de Rotulus van Ravenna).

O p b o u w,  z i n s c o n s t r u c t i e s, v o c a b u l a r i u m  e n  i n h o u d

De oratio is opgebouwd uit
een hoofdzin met twee imperatieven (regel 1 en 4) verbonden door de coniunctie et,
een vocatief (regel 2)
en een doelaanwijzende bijzin, klassiek ingeleid door het voegwoord ut (regel 3).

<             regel 1: Respice nos en regel 4: tribue, met elkaar verbonden door het verbindende et aan het begin van regel 3. Een dubbel verzoek in de imperatief.


De vormen in de gebiedende wijs respice en tríbue (maar ook andere zoals concede, præsta, da, adesto enz.) komen in de Latijnse oraties veel voor. De gebiedende of "bevelende" wijs van een werkwoord in het Latijn kan, afhankelijk van de context, een reeks betekenissen hebben van een bevel tot een hartgrondige wens. Het gebruik van een imperatief in relatie tot God suggereert niet dat wij de baas spelen over de Heer der Heerscharen.
In de woordenboeken vinden we dat respicio, respexi, respectum op de eerste plaats betekent 1. "terugkijken, achterom kijken; naar iets kijken." Daarna betekent het ook 2. "aandacht hebben, raadplegen" en bij uitbreiding 3. "met aandacht kijken naar, zorg hebben voor, zich bekommeren om, bekijken, in gedachten houden."

Bij het vertalen van vormen van respicere lette men op de context.
De volgende voorbeelden uit Liturgia Horarum [LH] maken dit duidelijk:
<             “Quia respexit humilitatem ancillæ suæ”” (Lc 1,48: uit het Magnificat)
Respexit; hier de liefdevolle blik van de kant van God op Maria, de nederige dienstmaagd.
In de oraties van missaal en brevier heeft dit verbum meestal de betekenissen zoals boven vermeld onder 2. en 3. : een liefdevol, vaderlijk, genadig en barmhartig neerzien op zijn kinderen, op zijn schepsels en schepping, een zich mededogend bekommeren om.

Regel 2: rerum omnium Deus creator er rector:
tweevoudige aanspreektitel / -vorm van God in zijn hoedanigheid van Schepper en Bestuurder van alle dingen. Deus, creator en rector staan in de vocativus. De plaatsing van Deus als voornaamste woord in het midden van de zin is mooi. Het voorop plaatsen van rerum omnium geeft deze bijvoeglijke bepaling nadruk:  van ALLE zaken.
rerum omnium: genitivi meervoud van het substantivum res, rei = zaak, ding enz., en van het adjectief omnis, omnis = elk, ieder, geheel; meervoud: alle(n), alles, alle dingen.
rerum omnium - van alle dingen: deze genitivi horen als bijvoeglijke bepaling zowel bij creator als rector.
Ook van creator en rector vinden we verwante woorden in onze taal:
creatie, creëren, recreatie, recreëren; rector is het substantivum dat bij het verbum regere, rexi, rectum hoort en komen we in het Nederlands o.a. tegen in: regeren, regent, regie, rectoraat.

Deze vocativus met de kwaliteiten van God doet onmiddellijk denken aan de parallellen in Liturgia Horarum / Getijdengebed, waarvan hier twee voorbeelden:
<             hymne “Rerum creator optime, rectorque noster, respice;
LH IV, 1987, Feria IV, Hebd.I, ad Officium lectionis, p.599 en
<             hymneDeus, creator omnium polique rector vestiens
LH IV, 1987, Dominica Hebd. III, ad I Vesperas, p.799.

Regel 3:
et, ut tuæ propitiatiónis sentiámus efféctum,
Het voegwoord ut met de betekenis van opdat, zodat, leidt de finale of doelaanwijzende bijzin in waarvan het werkwoord sentiamus in de coniuntivus staat.
Ut (hier): zodat, opdat
sentiamus van sentire, sensi, sensum: 1. waarnemen, voelen 2.gevoelen 3. gewaar worden, begrijpen 4. denken, oordelen, gezind zijn. Vgl. de Nederlandse woorden sentiment, sentimenteel, sensoren, sensitief, sensueel enz.

De vorm sentiamus:  1e persoon meervoud coniunctivus praesens afhankelijk van het voegwoord ut: opdat/zodat wij gewaarworden, gevoelen, waarnemen
effectum tuæ propitiationis
effectum      acc. enkelvoud van effectus, -us is hier het object (lijdend voorwerp) afhankelijk van sentiamus en betekent uitwerking (ons Nederlands woord: effect, effect hebben)
Effectus, - us wordt verbogen als fructus en is het substantivum bij het verbum efficere, effeci, effectum (het oorspronkelijke voorvoegsel ex-:  uit, is geassimileerd tot ef-).
effectum wordt gevolgd door een dubbele genitief: tuæ propitiationis : de uitwerking van uw
erbarming.
Opvallend is het voorop plaatsen van de bijzin ingeleid door ut meteen na het verbindingswoord et;
Eerst wordt het gevolg genoemd van datgene waarom men God in de laatste regel verzoekt.
De zinsbouw van de bijzin is eveneens opmerkelijk. Het object is achteraan geplaatst en door het gezegde sentiamus zo ver mogelijk gescheiden van de erbij horende bijvoeglijke bepaling tuae propitiationis. De regel krijgt hierdoor een poëtische schoonheid.

Propitiatio betekent "verzoening; boetedoening".

Regel 4: toto nos tríbue tibi corde servire.
De slotzin van de oratie is de tweede helft van de hoofdzin met een tweede hoofdwerkwoord in de imperativus: tríbue, gevolgd door een zinsconstructie eigen aan de Latijnse taal: de a.c.i. : de accusativus cum infinitivo, te vertalen door: geef/verleen dat wij dienen (tribue nos servire). De a.c.i. is verder “aangekleed” met het begrip toto corde: uit heel ons hart / van ganser harte en het object tibi van servire dat niet in de accusativus staat zoals in het Nederlands “iemand dienen” maar in de dativus : servire heeft als vaste naamval de dativus bij zich (servire alicui).
De volgorde van deze regel is opnieuw allerminst gewoon. De imperativus tribue zou men aan het begin kunnen verwachten. De gebruikte a.c.i. constructie is in deze opbouw moeilijk te herkennen doordat de woorden in een ongebruikelijke volgorde zijn geplaatst. Ook de woordgroep toto corde is helemaal uit elkaar getrokken (hyperbaton). Een gangbare volgorde van deze regel zou zijn:
tribue nos tibi servire toto corde. De hier gebruikte zinsbouw heeft wederom poëtische allure.

Toto corde servire - van ganser harte dienen
Een variant geeft het collectegebed van de 29e Zondag door het Jaar: sincero corde servire : met een oprecht hart dienen.
Enkele afleidingen van servire: service (Eng.), servies, serveren, serviel, servituut enz.


C o m m e n t a a r

De verheven aanspreekvorm van God, “Schepper en Bestuurder van alle dingen” hangt met de inhoud van het gebed samen dat zich richt tot de Bestuurder van alle dingen die wij met heel ons hart willen dienen. God bestuurt en leidt de mens door het hart, het vrij geschapen hart. De goddelijke leiding van de vrij blijvende wil is een mysterie waarbinnen God bewerkt dat de vrije mens de aan God verschuldigde dienst van de wederliefde bewijst en hem ook om deze dienst met aandrang bidt. 

De grote Schepper en Bestuurder (Beheerder) van alle dingen zorgt met barmhartigheid voor al onze behoeften zelfs terwijl Hij onze Rechter blijft. Dit zou een motivatie moeten zijn voor allerlei soorten tranen, waarvan niet de minste die van dankbaarheid zijn. Erkenning van de grootheid van God en van al wat Hij voor ons heeft gedaan, speciaal in het verlossingswerk van zijn Zoon aan het Kruis, moet ons werkelijk op alle niveaus van geest en hart beroeren. Deze erkenning moet ons dan aanzetten tot daden van dienstbaarheid in dienst van de liefde van God en onze naasten, die naar zijn beeld en gelijkenis zijn gemaakt.

Vanzelfsprekend is ook het eerste deel van de bede (Respice) op de Schepper van alle dingen gericht. Het heeft betrekking op de Anieuwe schepping@ door de vergevende liefde. Wanneer wij door de liefde van God verlost en herschapen zijn, komt het er op aan dat wij Hem uit heel ons hart beminnen. Zo is ook de volgorde van beide beden juist.

In het autobiografisch gebed tot God, meestal de Belijdenissen genoemd, van de roemrijke Noord‑Afrikaanse bisschop van Hippo, Sint Augustinus (+430) gebruikt deze kerkvader de zin (3,7): unus et verus creator et rector universitas, wat opvallend gelijk is aan de eerste regel van de collecte. Augustinus kende beslist de prachtige hymne van de bisschop van Milaan, Sint Ambrosius (+397). Augustinus schreef dat hij het zingen van de hymne in de kathedraal van Milaan had gehoord voordat hij door Ambrosius werd gedoopt. Hij zegt dat de woorden binnendrongen in zijn hart, hem tranen deden schreien en dat de tranen goed voor hem waren. Ambrosius zorgde er voor dat de Kerk door de eeuwen heen een prachtig gebed zong: Deus creator omnium genoemd. De meeste boeken uit de klassieke Oudheid voor het zingen van de liturgische getijden bevatten een of andere versie van deze hymne van Ambrosius, doch vreemd genoeg stond deze niet in het Romeinse Brevier van vóór Vaticanium II. Ze staat nu echter in het huidige Liturgia Horarum (zonder vers zes en zeven) vóór de Eerste Vespers van de Zondagen door het Jaar. De hymne van Ambrosius speelde een dramatische rol in het leven van Augustinus. Na zijn Doop door Ambrosius waren Augustinus en zijn moeder de H. Monica, zijn veelbelovende doch kortlevende zoon Adeodatus (+389), zijn broer Navigius en vrienden op de terugweg naar Noord‑Afrika, waar zij een monnikengemeenschap zouden beginnen. Zij bleven echter maandenlang steken in de haven van Ostia bij Rome vanwege een blokkade van de haven tijdens een omwenteling. Monica werd ziek, had koorts en stierf daar in 387. Haar laatste woorden waren: "Leg mij maar neer waar je maar wenst; al wat ik vraag is aan het altaar van de Heer te worden herdacht". In Boek IX van de Belijdenissen legt Augustinus uit dat toen zijn moeder stierf hij niet in staat was behoorlijk te rouwen voor haar, die door haar gebeden zo veel voor hem had gedaan. Hij probeerde verschillende middelen, zoals hete baden waarvan in de oude wereld werd gedacht daaraan het juiste emotionele antwoord te ontlokken, doch vergeefs. Toen op een nacht, terwijl hij de hymne van Ambrosius aan het zingen was, kwamen eindelijk de tranen “Deus creator omnium / polique rector vestiens / diem decoro lumine, / noctem soporis gratia” | “O God, Schepper van alles, Bestuurder van de draaiende as der hemelen, die de dag bekleedt met prachtig licht, en de nacht met de genade van de slaap." Augustinus weende in Ostia.

Het concept van verzoening staat in dit gebed centraal. Boetedoening is een biddende daad van verzoening, die Gods barmhartigheid afsmeekt omdat wij zondaars zijn, en voor verzachting van de straffen die wij voor onze zonden in deze wereld terecht verdienen, én van tijdelijke straffen in de volgende wereld. Boetedoening is onderscheiden van impetratie (van het Latijnse impetro, "tot stand brengen, verwezenlijken, brengen tot; krijgen, verkrijgen, speciaal door inspanning, verzoek, smeekbede"). Impetratie is beroep doen op Gods goedheid en vragen om geestelijk of tijdelijk welzijn voor onszelf of anderen.

Door de eeuwen heen hebben mensen de vraag opgeworpen of het echt wel of niet zin heeft tot God te bidden, gegeven het feit dat God ‑ als Hij werkelijk God is ‑ dan alwetend is en volkomen eeuwig, niet beperkt door het verleden, het heden of de toekomst. Er is niets dat gebeurd is, nu gebeurt of zou kunnen gebeuren dat God niet weet. God is volkomen eenvoudig in Zijn volmaaktheid en totaal onveranderlijk. Aangezien de wil, de kennis en het zijn van God hetzelfde zijn, zal wat God weet noodzakelijkerwijze moeten gebeuren. Heeft het zin of maakt het verschil om tot een dergelijke God gebeden te richten?

Door de eeuwen heen zijn er verschillende oplossingen voor dit probleem voorgesteld. Sommigen stelden in oude tijden dat de zaken van mensen niet geregeld worden door een of andere goddelijke voorzienigheid, of door de onweerstaanbare invloed van sterren, kosmische of natuurkundige krachten, of door wát dan ook. Deze denkwijze schakelt eveneens het nut van bidden uit. Anderen meenden dat de goddelijke voorzienigheid in werkelijkheid de zaken van mensen regelt en dat dingen niet noodzakelijkerwijze gebeuren, doch zij dachten dat God en Zijn voorzienigheid veranderlijk is, dat Zijn wil veranderd wordt door onze gebeden en eerbetoon.

De H. Thomas van Aquino (+1274) onderzoekt of het passend is tot God te bidden (STh II, IIæ,q. 83,a.2) en zegt: "Om op deze kwestie licht te werpen moeten we overwegen dat de goddelijke voorzienigheid niet enkel beschikt wat er zal gebeuren, doch ook wat dit veroorzaakt en in welke volgorde dit alles gebeurt. Nu veroorzaken menselijke daden onder andere bepaalde effecten. We moeten overwegen waarvoor het nodig is dat de mens bepaalde daden stelt, niet dat zij daardoor de goddelijke beschikking veranderen, doch dat zij door deze daden bepaalde effecten bereiken volgens die goddelijke beschikking: en hetzelfde kan gezegd worden van natuurlijke oorzaken. En zo is het eveneens met betrekking tot gebed. Want wij bidden niet dat wij de goddelijke beschikkingen mogen veranderen, doch "dat mensen door te vragen, mogen verdienen te ontvangen wat de Almachtige God van eeuwigheid had geregeld te geven, zoals Sint Gregorius de Grote zegt in zijn Dialogen". Hetzelfde is van toepassing om Gods barmhartigheid af te smeken (verzoenend gebed), dat we met vertrouwen kunnen doen.

In zijn leven op aarde heeft Jezus laten zien dat ons bidden en smeken effect hebben. Hij werd in Kana door zijn Moeder bewogen water te veranderen in wijn, door de Fenicische vrouw om bij haar dochter de duivel uit te drijven, door de goede Moordenaar om hem in zijn Rijk te gedenken, en in vele andere gevallen. Wij weten dat de voorspraak van heiligen bij God gunsten kan verkrijgen. Er werd ons geleerd tot God de Vader te bidden door God de Zoon zelf. Ons gebed moet tot God worden gericht met nederigheid en dankbaarheid voor wat Hij in Zijn goddelijke Voorzienigheid heeft beschikt. Hij verleent ons gunsten volgens wat Hij van eeuwigheid van onze noden en daden heeft geweten. Bij alles blijft dus het woord van Sint Paulus gelden: “Bid zonder ophouden en dank God voor alles” (1 Tess 5).

(Onder dank ontleend aan Fr. John Zuhlsdorf: WDTPRS en andere auteurs) 

(1)
Leoninisch sacramentarium van Paus Leo de Grote (440‑461) ‑ in het Latijn Leonianum of Veronense - het oudste van de sacramentaria met een enkel manuscript als brontekst.

De benaming sacramentarium is gelijkwaardig aan andere vergelijkbare vormen, zoals bijvoorbeeld Liber Sacramentorum (b.v. in het Gelasiaanse sacramentarium). De vorming van het woord is vergelijkbaar met het woord hymnarium, een boek met hymnes. Gennadius van Marseille (5e eeuw) zegt over Paulinus van Nola: "Fecit et sacramentarium et hymnarium” (= hij heeft zowel een sacramentarium als een hymnarium gemaakt) (De viris illustribus, xlviii). Het woord sacramentum of sacramenta betekent in dit geval de H.Mis. Sacramenta celebrare of facere is een gebruikelijke Latijnse term voor het opdragen van de H.Mis.

Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven” 24e zondag per annum / door het jaar Gaven om uw Naam te eren en voor allen heilzaam zijn


Christus ontvangt brood en wijn voor de H. Eucharistie

Gaven om uw Naam te eren en voor allen heilzaam zijn  

I n l e i d i n g
In de Gebeden over de gaven worden tamelijk dikwijls de ‘gebeden en de aanbieding van offergaven’ gecombineerd. In de oratie van vandaag zijn de gebeden (supplicationes) en offergaven (oblationes) apart in twee zinnen geplaatst: God moge onze gebeden genadig aanvaarden en onze offergaven in zijn goedheid aannemen.
Het Gebed heeft de vele individuele gelovigen bij het aanbieden van de gaven gezien en ziet nu in de transsubstantiatie uit kracht van God het ene Offer van Christus geactualiseerd. Dan gelden niet meer de afzonderlijke gaven van ieder afzonderlijk, maar daalt de genade van het gezamenlijke heilige Offer op allen gezamenlijk neer.
Niemand streeft naar heiligheid voor zichzelf alleen. Wie zijn toorn, zijn afgunst, zijn zelfzucht onder handen neemt, brengt de Heer een offer, dat allen tot nut is. Het is als in een leger: zij die sterk en dapper strijden zijn de bescherming van de zwakken. Wij zijn één Lichaam in Christus. Dan wordt een lid niet sterk en krachtig, zonder dat dit het gehele Lichaam ten goede komt. Krachtig leven werkt immers in ons naar de mate waarin wij ons offeren. Dus willen wij, zoals de H. Gregorius van Nazianze zegt: ‘kleinere of grotere offers brengen, opdat een volmaakt werk ontstaat en namelijk Christus, de heilige tempel, opgebouwd wordt’ (Orationes 19, 8).
De offers van enkelingen zijn echter geen zaak van een overgave voor één keer. De goede gewoonte van een werkelijk, christelijk bescheiden en liefdevol leven moeten ze schragen en blijvend zuiveren. De lezingen van het misformulier van deze zondag roepen indringend op de naaste te vergeven zonder wrok en haatgevoelens (1e lezing uit het Boek Ecclesiasticus 27, 30 – 28, 7) en het Evangelie (Mt 18, 21-35) spreekt over ‘zeventig maal zevenmaal’ vergeven.
Alleen degene die zijn zelfzuchtig ik voortdurend kruisigt, kan in de viering van de H. Eucharistie een volledig oprecht en zuiver offer op het altaar leggen en door zijn offer ertoe bijdragen, dat heel het Mystieke Lichaam van Christus, zijnde de Kerk, steeds zuiverder vervuld wordt met het leven van de Heer. Wij horen in deze zin de H. Paulus in de 2e lezing de Romeinen aansporen: ‘Niemand van ons leeft voor zichzelf alleen, niemand sterft voor zichzelf alleen. Of wij leven of sterven, Hem behoren wij toe’ (cf Rom 14, 7-8).
‘Neemt dus uw offergaven mee en treedt in zijn voorhof: aanbidt de Heer in zijn heilig paleis’ (Cf Ps 95, 8.9: Communio-antifoon); daar te wonen is ons verlangen.

T e k s t
Missale Romanum – 1970
Propitiare, Domine, supplicationibus nostris,
et has oblationes famulorum tuorum benignus assume,
ut, quod singuli ad honorem tui nominis obtulerunt,
cunctis proficiat ad salutem.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie – 1979
Heer, verhoor welwillend ons gebed
en aanvaard de offerande die wij U brengen.
Laat de gaven die ieder heeft aangeboden om uw Naam te eren, voor allen heilzaam zijn.

Werkvertaling
Laat U verzoenen, Heer door onze smeekgebeden
en aanvaard in Uw goedheid deze offergaven van uw dienaren,
opdat hetgeen ieder afzonderlijk heeft opgedragen ter ere van uw Naam
allen tot heil mag strekken.
L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n
Het Gebed over de gaven van deze zondag is identiek aan de tekst van de Secreta van de Vijfde zondag na Pinksteren (Missale Romanum [MR] 1962) en wat betreft de eerste twee tekstregels ‘Propitiare…assume’ gelijk aan de Secreta van de Zesde zondag na Pinksteren en aan de Secreta van de Votiefmis voor pelgrims en reizigers [MR 1962].
De eerste tekstregel van de oratie van vandaag ‘Propitiare..nostris’ komt overeen met de openingsfrase van de ‘oratio super populum’, Gebed over het volk, van dinsdag in de 2e week van de Vasten  [MR1962], met de Secreta voor de Votiefmis voor Bruidegom en Bruid (or. 1 post Pater Noster, MR 1962), en Orationes diversæ: 34, Voor het heil van de levenden, Secreta. Ook met Secreta van het Jaargetijde van de Overledenen [MR 1962] en met die van de Collecta van dinsdag na de 1e Zondag van de Advent [MR 2002]. Deze reeks is met nog andere vindplaatsen uit te breiden.
De brontekst is vervat in het Sacramentarium Gelasianum Vetus (Vat. Reg. lat. 316, 1e helft van de 8e eeuw), 1180 en sindsdien in vele codices en varianten verspreid op het Europese vasteland en de Angelsaksische eilanden.

S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l f i g u r e n
1. Propitiare, Domine, supplicationibus nostris,
2. et has oblationes famulorum tuorum benignus assume,
3a. ut, 4. quod singuli ad honorem tui nominis obtulerunt,
3b. cunctis proficiat ad salutem.

Het Gebed over de gaven bestaat uit één enkele zin, samengesteld uit twee prædicaten (propitiare en assume) met imperatief karakter, onderling verbonden door de coniunctie et.
Deze combinatie wordt gevolgd door een finale / consecutieve bijzin, ingeleid door het voegwoord ut, dat een coniunctivus (proficiat) oproept, met inclusie van een relatieve bijzin beginnend met quod, die inhoudelijk terugslaat op beide elementen van de openingszin (r. 1-2). Alle elementen van deze oratie kennen we reeds uit andere orationes, overwegend orationes super munera. Naast de opmerkingen onder het onderdeel Liturgische antecedenten zien we ook dat het tekstfragment ‘ut, quod singuli ad honorem tui nominis obtulerunt, cunctis proficiat ad salutem’ een variant, cq. adaptatie is van ‘ut, quod singuli obtulerunt ad maiestatis tuæ honorem, cunctis proficiat ad salutem’ van het Gebed over de gaven van de 16e zondag door het jaar. Oneerbiedig gezegd doet de oratie denken aan een ‘grabbelton’, waarbij de vraag rijst waarom niet is teruggegrepen op een klassieke onversneden secreta, waarvan MR 1962 zulke uitnemende voorbeelden bevat.

Ad 1
Eerste deel van de  openingszin met aan de spits van de oratie het prædicaat in de vorm van de opwekkende imperativusvorm propitiare,  (2e persoon enkelvoud van het præsens van het passivum met de betekenis genadig zijn, vergeven). Als incipit van de oratie wordt krijgt de imperativusvorm extra reliëf, tegenover het tweede prædicaat assume op het einde van r. 2 waarmee de dubbele bede wordt afgesloten.
Domine, [o] Heer, - anaklese in de vocativusvorm van Dominus.
Supplicationibus nostris, onze smeekbeden – bijwoordelijke bepaling in twee congruerende dativusvormen (datives commodi), te lezen als object van verhoring van de bede die vraagt om een immaterieel goed.
Ad 2
Tweede deel van de hoofdzin met prædicaat assume, neem aan, aanvaard, in de imperativusvorm, klassiek geplaatst aan het einde van de hoofdzin.
Benignus, goedgunstig, genadig, in uw goedheid, - bijwoordelijke bepaling van gesteldheid bij het prædicaat.
Benignus is hier niet louter bijwoordelijk bij het verbum gebruikt. Door te kiezen voor de uitgang -us – congruerend met Domine in regel 1- wordt ook het bijvoeglijke karakter als bijstelling bij Domine benadrukt. Men spreekt dan van een dubbelverbonden bepaling: benignus hoort zowel bij het substantivum Domine, als bij het verbum assume.
Has oblationes famulorum tuorum, deze offergaven van uw dienaren, - object van assume, samengesteld uit twee congruerende accusativusvormen gevolgd door twee congruerende genitivusvormen: genitivus possessivus/explicativus. In tegenstelling tot het object
Ad 3a-3b
Finale/doelaanwijzende resp. consecutieve/gevolgaanduidende bijzin ingeleid door het voegwoord ut met het prædicaat proficiat, in de coniunctivus: opdat/zodat tot voordeel mag strekken.
Het subject van proficiat is de relatieve bijzin quod…obtulerunt.
Cunctis, [aan/voor] allen, - bijwoordelijke bepaling in de dativusvorm meervoud van het zelfstandig gebruikte adiectivum cunctus ,- a, - um.
Ad salutem, tot heil / redding / verlossing, - voorzetselbepaling samengesteld uit het præpositum ad met de vaste accusativusvorm, hier: salutem.
Ad 4
quod singuli ad honorem tui nominis obtulerunt
De relatieve bijzin omvat de dubbele offerande supplicationes et oblationes (cf ‘hostias et preces’) die het object zijn van de hoofdzin. Inhoudelijk omvat deze bijzin de handelingen die zijn beschreven in de tweeledige hoofdzin.
Obtulerunt, zij hebben opgedragen / geofferd – prædicaat, 3e pers. meerv. van het perfectum activi indicativi van het verbum offerre, obtuli, oblatum. Het perfectum geeft hier de liturgische handeling weer die eenmaal, op een bepaald moment in elk H. Misoffer door velen (priester en gelovigen) wordt verricht.
Singuli, telkens één, ieder afzonderlijk, - subject bij het prædicaat in de nominativusvorm meervoud. Inhoudelijk verwijzen de begrippen singuli en cunctis  naar een collectief van personen (de gelovigen die tesamen de Kerk, zijnde het Mystieke Lichaam van Christus, vormen). Bij singuli moet worden gedacht aan de afzonderlijke gelovige die hier en nu in vereniging met Christus het Offer opdraagt, met cunctis wordt gedoeld op het collectief van de gelovige gemeenschap (celebrant en gelovigen) van alle tijden en plaatsen die in vereniging met Christus de H. Mis vieren. Het gebruik van singuli versus cunctis vormt een antithese.
Ad honorem tui nominis, ter ere van uw Naam, -  voorzetselvoorwerp, bepaald door het præpositum ad met vaste naamval accusativus, hier honorem, nader gepreciseerd door de bijvoeglijke bepaling tui nominis in twee congruerende genitivusvormen.
Tui nominis verwijst naar de aangesproken persoon, zijnde de Heer. Bij de bespreking van de Oratio munera van de 8e zondag door het jaar kwam de betekenis van het abstracte begrip nomen reeds aan de orde.

De zinsdelen ad honorem (r. 4) en ad salutem (r. 3b) vormen een ritmische repetitio en vertonen eindrijm resp. alliteratie aan het slot.
Het tekstfragment ‘ad honorem’ heeft betrekking op God, het tekstfragment ‘ad salutem’op ons, de gelovigen die de gaven hebben aangeboden. De combinatie ‘eer aan God’ en  ‘heil van de mensen’ vinden wij terug aan het begin van de Constitutie ‘Sacrosanctum Concilium’ van het IIe Vaticaans Concilie (cf nrs. 5-7).

V o c a b u l a r i u m
Het werkwoord propitio betekent “gunstig stemmen, zich genegen maken, verzoenen, genade verwerven”. De vorm aan het begin van het collectegebed heeft duidelijk imperatieve kracht maar lijkt een infinitief. Propitiare is echter een verbum dat niet als een deponens in het klassieke Latijn voorkomt, enkel het actieve propitiare (infinitivus praesens actief) staat in het woordenboek vermeld. Curieus. Gezien de rest van de hoofdzin lijkt een imperativus logisch. Dit komt dan dichtbij de uitdrukking propitius esto, wees genadig, zoals we zingen in bijvoorbeeld de Litanie op de Kruisdagen vóór Hemelvaartsdag.  
In later Latijn worden Latijnse infinitieven soms als imperatieven gebruikt, maar dit is niet het geval in de oratie van vandaag. De bekende Lewis & Short Dictionary geeft aan dat in het bijbelse Latijn van de Vulgaat de passieve vorm van propitio “genadig zijn, vergeven” betekent (vgl Lev 23,2 – propitietur vobis Dominus … moge de Heer u genadig zijn). Dus, propitiare lijkt op een infinitief maar is in feite de imperatief (2e persoon enkelvoud van het præsens van het passivum).  In het christelijk en liturgisch Latijn komt de passieve vorm propitiari met de imperatief propitiare wel voor; A. Blaise geeft in Le Vocabulaire Latin des principaux thèmes liturgiques (Brepols Turnhout 1966) p. 397 voorbeelden zoals het secretagebed (sinds Vaticanum II: Oratio super munera als afsluiting van de bereiding van de gaven): propitiare, Domine, populo tuo, propitiare muneribus (secretagebed van de 13e zondag na Pinksteren): Zie genadig neer op uw volk, Heer, zie genadig neer op zijn gaven. En ook in A. Blaise, Dictionnaire Latin-Français des auteurs chrétiens (Brepols, Turnhout 1954) p.676: naast andere voorbeelden van de imperativus van het passivum van propitio, - are:  propitiare, Domine, supplicantibus nostris, Sacramentarium Leoniense, p. 2, 28: Heer, zie genadig neer op onze smeekbeden. Het laatste voorbeeld is een parallel van de aanhef van de oratie Propitiare, Domine, famulis tuis

Assumere < adsumere, 1. tot zich nemen, opnemen 2. aannemen, aanvaarden 3. ondernemen.
De imperativusvorm assume komt driemaal voor in de Orationes super munera, te weten op de zondagen XIX, XXIV en XXV door het jaar. In de oratie van vandaag wordt God gevraagd de gaven van de Kerk, haar gebeden en materiële offers te aanvaarden. In de drie genoemde vindplaatsen wordt assume verbonden met placatus, propitiatus en in ons geval benignus, waarbij het verzoenende effect van de liturgische handeling wordt onderstreept door te verwijzen naar de gesteldheid van God, die de biddende verhoopt bij de aanvaarding van de gaven.

G e t u i g e n i s s e n  v a n  d e  H .   A u g u s t i n u s   e n  p a u s   B e n e d i c t u s  XVI
Sint Augustinus
‘Luister wat de Apostel, of beter nog, wat Christus door middel van de Apostel bondig over het Sacrament zegt van de dis des Heren: Wij velen zijn één brood, één lichaam. Zie, dat is alles; ik heb het u vlug gezegd: maar overwéég de woorden; téllen moet ge ze niet. Telt ge de woorden, dat is het weinig; overweegt ge ze, dan is het veel.  Eén brood heeft hij gezegd. Hoeveel broden er ook zijn neergezet: het is één brood; hoeveel broden er vandaag ook over geheel de wereld op Christus’ altaren zullen staan, het is één brood. Maar wat is dit ‘éne brood?’ Hij heeft het allerbondigst verklaard: Wij velen zijn één lichaam. Dit brood is Christus’ Lichaaam, waarvan de Apostel, wanneer hij de Kerk toespreekt, zegt: Gij zijt het Lichaam van Christus en Zijn ledematen. Hetgeen gij ontvangen hebt, zijt gij door de genade, waardoor gij verlost zijt; dat onderschrijft ge wanneer ge antwoordt met uw Amen. Hetgeen gij hier ziet, is het Sacrament van éénheid’
(Uit: Sermo Guelferb. 7, 1-2. De dominica Paschæ).

Op schitterende wijze spoort de H. Augustinus ons aan tot een steeds vollediger deelname aan het Offer van onze Verlosser, dat wij in de H. Eucharistie vieren:
‘De gehele vrijgekochte stad, dat wil zeggen de verzamelde gemeenschap van de heiligen, wordt aan God als een alomvattend offer aangeboden door de Hogepriester die ook zichzelf voor ons heeft geofferd in zijn lijden, waardoor wij het lichaam konden zijn van een zo verheven Hoofd. (…) Dit is de offerande van de christenen, velen vormen één lichaam in Christus (Rom 12, 5) Dat brengt de Kerk ook steeds weer in praktijk bij het altaar-sacrament, dat de christenen bekend is; daar wordt haar getoond dat zijzelf wordt geofferd in datgene wat zij offert’.
(De civitate Dei, 10,6).

Benedictus XVI:
’Die Urkirche hat im Brot noch einen anderen Symbolismus entdeckt. Die um das Jahr 100 verfaßte “Lehre der zwölf Apostel” enthält in ihren Gebeten die Aussage: “Wie dieses gebrochene Brot auf den Hügeln zerstreut war, gesammelt wurde und eins geworden ist, so möge deine Kirche von den Enden der Erde zusammengeführt werden in deinem Reich” (IX, 4). Das aus vielen Körnern bereitete Brot schließt auch ein Ereignis der Vereinigung ein: Das Entstehen des Brotes aus den gemahlenen Weizenkörnern ist auch ein Vereinigungsprozess. Wir selbst sollen aus den vielen die wir sind, zu einem einzigen Brot, einem einzigen Leib werden, sagt uns der hl. Paulus (cf 1 Kor 10,17). So wird das Zeichen des Brotes zugleich Hoffnung und Aufgabe’.
(Preek op Sacramentsdag, 15 juni 2006)
C o m m e n t a a r
Altijd staat Christus gereed om te vergeven, en al wie gezondigd heeft, nodigt Hij telkens uit zich te verlaten op zijn barmhartigheid alleen (Cf Prefatie Eucharistisch Gebed VII). Naar zijn voorbeeld en verlangen moeten ook wij de ander vergeven. ‘Zeventig maal zevenmaal’ is de maat die Christus hanteert in het Evangelie van deze zondag. Met hoeveel kracht en in nauwe verbinding met de H. Eucharistieviering geeft de evangelist Mattheus dat andere woord van Christus weer, hoe namelijk onze gesteltenis moet zijn bij de deelname aan de H. Mis: ‘Als gij dus uw offergave naar het altaar brengt en u daar herinnert, dat uw broeder iets tegen u heeft, laat dan uw offergave daar bij het altaar achter en ga u eerst met uw broeder verzoenen; en kom dan terug om uw gave te offeren‘ (5, 23-24). Niemand kan met toorn of wrok tegen zijn broeder in het hart deelnemen aan het heilig Offer van Christus, die zich uit liefde voor zijn beledigers, voor zondaren en onrechtvaardigen heeft geofferd en door zijn Bloed op het kruis allen met de Vader heeft verzoend. Alle hoogmoed, afgunst, toorn en haat, ja zelfs elke koelheid, onverschilligheid en iedere nog zo kleine afkeer moet afgelegd worden, als men het offer van Christus wil meevieren en één met Hem wil worden door zijn Lichaam en Bloed dat hij de Vader aanbiedt. Hij is het vuur en de gloed van de liefde; de kilte van de liefdeloosheid kan dus niet naast Hem bestaan.
Het is zo - en we weten het - dat onze door de erfzonde gewonde natuur gemakkelijk tot al deze fouten jegens onze naasten is geneigd, omdat ze vol zelfzucht is. Maar we hebben de gelegenheid onze zwakke natuur bij de offerande aan te bieden, opdat ze in het offer van Christus mede wordt gekruisigd en met Hem mag verrijzen: ieder H. Mis is een klein en groot Paasmysterie.

Hoe oprechter en onvoorwaardelijker deze overgave van de enkelingen is, hoe volmaakter zij afstand doen van hun afgunst, hun zelfzucht, des te zuiverder wordt het offer van de Kerk, des te volmaakter haar vereniging met haar Heer en Bruidegom Christus, wat het doel is van elke Eucharistieviering en in groter verband, van heel de liturgische jaarcyclus.
De verheerlijking van God en de heiliging van de mens wordt door middel van de waarneembare tekenen van brood en wijn betekend en – op een wijze die elk daarvan eigen is – bewerkt en waarin de openbare eredienst volledig wordt voltrokken door het mystieke lichaam van Jezus Christus, Hoofd en ledematen.
Daarom begeleidt de oratio super munera van deze zondag het offer van de gelovigen met de bede: Laat U verzoenen, Heer, door ons deemoedig smeken, en aanvaard welwillend deze offergave van uw dienaren en dienaressen. Laat wat ieder afzonderlijk tot eer van uw Naam aanbiedt, tot heil van allen strekken.

De Kerk – zo zegt het IIe Vaticaans Concilie in de Constitutie over de heilige liturgie (nr. 48) – zorgt er met alle inspanning voor, dat de christengelovigen  bij het Eucharistisch Offer niet als zwijgende toeschouwers of buitenstaanders aanwezig zijn, maar dat zij de liturgische handelingen en gebeden zo goed mogelijk begrijpen en zo bewust, godsvruchtig en actief aan de liturgie deelnemen, in het woord van God worden onderricht, door het Lichaam van Christus worden gesterkt, dank brengen aan God, zichzelf leren offeren door de aanbieding van het onbevlekte Slachtoffer – niet alleen door de handen van de priester, maar ook samen met hem – en van dag tot dag door Christus, de Middellaar, vollediger worden gebracht tot de eenheid met God en met elkaar, opdat uiteindelijk God alles in allen zij.